airbag OPEL COMBO E 2019.1 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2019.1, Model line: COMBO E, Model: OPEL COMBO E 2019.1Pages: 289, PDF Size: 10.43 MB
Page 69 of 289

Stoelen, veiligheidssystemen679Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
De haken aan de handgrepen van het dakframe zijn alleen geschikt
om lichte kledingstukken, zonder
kleerhangers, aan op te hangen.
Geen voorwerpen in de kleding‐
stukken bewaren.
Airbag deactiveren
Het passagiersairbagsysteem vóór moet voor een kinderveiligheidssys‐
teem op de passagiersstoel worden
gedeactiveerd volgens de instructies
in de tabel 3 71. Het zijairbag- en
het gordijnairbagsysteem, de gordel‐
voorspanners en alle airbagsystemen van de bestuurder blijven actief.U deactiveert het airbagsysteem vande voorpassagier met een slot aan de passagierszijde van het instrumen‐
tenpaneel.
Gebruik de contactsleutel om de posi‐ tie te kiezen:
OFF *:airbag voor de voorpassa‐
gier is gedeactiveerd en
wordt niet opgeblazen bij
een botsing, controlelampje
OFF * brandt continu op de
middenconsoleON Ó:airbag van voorpassagier is
actief9 Gevaar
Deactiveer de passagiersairbag
uitsluitend bij gebruik van een
kinderveiligheidssystemen,
volgens de instructies en beper‐
kingen in de tabel 3 71.
Anders is er kans op dodelijk letsel voor een persoon op de passa‐
giersstoel met een gedeacti‐
veerde airbag.
Page 70 of 289

68Stoelen, veiligheidssystemenAls het controlelampje Ó ongeveer
60 seconden brandt nadat het contact
ingeschakeld is, gaat het airbagsys‐
teem voor de voorpassagier af bij een
aanrijding.
Als het controlelampje * oplicht na
het inschakelen van het contact,
wordt het airbagsysteem voor de
voorpassagier gedeactiveerd. Het
blijft aan terwijl de airbag gedeacti‐
veerd is.
Indien beide conrolelampen tegelij‐
kertijd branden zit er een storing in het systeem. De systeemstatus wordt
niet aangeduid; er mag niemand op
de stoel van de voorpassagier
vervoerd worden. Roep onmiddellijk
de hulp van een werkplaats in.
Raadpleeg onmiddellijk een werk‐
plaats indien geen van beide contro‐
lelampjes brandt.
Bij een storing verschijnt er een waar‐
schuwingsbericht op het Driver Infor‐
mation Center en klinkt er een
geluidssignaal.
Verander de status alleen tijdens stil‐
stand terwijl de ontsteking is uitge‐
schakeld.Status blijft actief tot de volgende
verandering.
Controlelamp airbag-deactivering
3 107.Kinderveiligheidssyste‐
men9 Gevaar
Bij gebruik van een achterwaarts
gericht kinderveiligheidssysteem
op de passagiersstoel voor moet
het airbagsysteem voor de passa‐ giersstoel voor gedeactiveerd zijn.
Dit geldt ook voor bepaalde voor‐
waarts gerichte kinderveiligheids‐
systemen zoals aangegeven in de
tabellen 3 71.
Airbag deactiveren 3 67.
Airbaglabel 3 62.
Wij raden een kinderveiligheidssys‐
teem aan dat specifiek voor de auto
is bedoeld. Neem contact op met uw
werkplaats voor meer informatie.
Voorts adviseren we om kinderen op
de zitplaatsen achterin te vervoeren.
Tot de leeftijd van drie jaar moeten
kinderen achterwaarts gericht
Page 73 of 289

Stoelen, veiligheidssystemen71Inbouwposities kinderveiligheidssystemen
Toegestane opties voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem met een driepuntsgordel
Gewichtsklasse
Op passagiersstoelOp buitenste
zitplaatsen
tweede zitrijOp middelste
zitplaats tweede
zitrijOp zitplaatsen
derde zitrij
geactiveerde
airbaggedeacti‐
veerde airbagGroep 0, groep 0+: tot 13 kgXU 1,2U3UU3Groep I: 9 tot 18 kgUFU1,2U 3,4UU3,4Groep II: 15 tot 25 kgUFU1,2U3,4UU3,4Groep III: 22 tot 36 kgUFU1,2U3,4UU3,4U:universele geschiktheid voor voorwaarts gerichte of achterwaarts gerichte kinderveiligheidssystemen in combinatie
met driepuntsgordelUF:universele geschiktheid voor voorwaarts gerichte kinderveiligheidssystemen in combinatie met driepuntsgordelX:kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan1:zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om te verzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt2:zet de rugleuning zo ver als noodzakelijk rechtop, zodat de gordel bij de gesp gespannen is3:de desbetreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen4:de desbetreffende hoofdsteun verstellen of verwijderen, indien nodig
Page 78 of 289

76Opbergen
Boven de instrumentengroep zit een
opbergvak.
Er zit een muntenhouder op het
instrumentenpaneel.
Rugleuning midden neerklappen
In de rugleuning passagierszitplaats
midden voor zit een documentenbak.
Rugleuning neerklappen 3 51.
9 Waarschuwing
Wanneer de middelste passa‐
giersstoel voor opgeklapt is, moet
het airbagsysteem voor de passa‐ gier voor worden gedeactiveerd.
Airbag deactiveren 3 67.
Dakconsole
Berg alleen lichte spullen op zoals
documenten of kaarten.
Page 94 of 289

92Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en
bedieningsorganenBedieningsorganen ......................93
Stuurwielverstelling ...................93
Stuurbedieningsknoppen ...........93
Verwarmd stuurwiel ...................93
Claxon ....................................... 94
Wis- en wasinstallatie voorruit ...94
Wis- en wasinstallatie achterruit .................................. 96
Buitentemperatuur .....................96
Klok ........................................... 97
Elektrische aansluitingen ...........97
Inductief opladen .......................99
Aansteker .................................. 99
Asbakken ................................. 100
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen .....................100
Instrumentengroep ..................100
Snelheidsmeter .......................102
Kilometerteller ......................... 102
Dagteller .................................. 103
Toerenteller ............................. 103
Brandstofmeter ........................103
Koelvloeistoftemperatuurme‐ ter ........................................... 104Peilsensor motorolie................104
Service-display ........................ 104
Controlelampen .......................105
Richtingaanwijzers ..................105
Gordelverklikker ......................106
Airbag en gordelspanners .......106
Airbag-deactivering .................107
Laadsysteem ........................... 107
Storingsindicatielamp ..............107
Service-indicatie ......................107
Schakel motor uit .....................107
Systeemcontrole ......................108
Rem- en koppelingssysteem ...108
Handrem .................................. 108
Elektrische handrem ................108
Elektrische handrem defect .....108
Antiblokkeersysteem (ABS) .....109
Schakelen ................................ 109
Systeem voor gecontroleerde afdaling ................................... 109
Lane keep assist .....................109
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem ..109
Koelvloeistoftemperatuur .........110
Voorverwarming ......................110
Uitlaatfilter ............................... 110
AdBlue ..................................... 110
Drukverliesdetectiesysteem ....110
Motoroliedruk ........................... 110
Te laag brandstofpeil ...............111Autostop.................................. 111
Rijverlichting ............................ 111
Groot licht ................................ 111
Dimlicht .................................... 111
Grootlichtassistentie ................111
LED-koplampen .......................111
Mistlampen voor ......................112
Mistachterlicht ......................... 112
Regensensor ........................... 112
Cruise control .......................... 112
Adaptieve cruise control ..........112
Voorligger gedetecteerd ..........112
Dodehoeksysteem ...................112
Actief noodstopsysteem ..........112
Snelheidsbegrenzer ................113
Portier open ............................. 113
Displays ..................................... 113
Driver Information Center ........113
Info-Display ............................. 116
Head-updisplay .......................117
Achteruitkijkscherm .................119
Boordinformatie ......................... 119
Geluidssignalen .......................120
Batterijspanning .......................120
Persoonlijke instellingen ............121
Page 104 of 289

102Instrumenten en bedieningsorganenOverzichtORichtingaanwijzer 3 105XGordelverklikker 3 106vAirbags en gordelspanners
3 106VAirbag deactiveren 3 107pLaadsysteem 3 107ZStoringsindicatielampje
3 107HLaat auto spoedig nakijken
3 107YMotor afzetten 3 107JSysteemcontrole 3 108RRem- en koppelingssysteem
3 108m , oParkeerrem 3 108
Elektrische parkeerrem
3 108uAntiblokkeersysteem (ABS)
3 109RSchakelen 3 109LLane Keep Assist 3 109bElektronische stabiliteitsre‐
geling en Traction Control-
systeem 3 109!Voorverwarming 3 110%Uitlaatfilter 3 110YAdBlue 3 110wSpanningsverliesdetectie
3 110IMotoroliedruk 3 110Y oBrandstofpeil te laag 3 111W oKoelvloeistoftemperatuur te
hoog 3 110DAutostop 3 1118Buitenverlichting 3 1119Dimlicht 3 111CGroot licht 3 111fGrootlichtassistentie 3 111òSysteem voor gecontroleerde
afdaling 3 109>Mistlamp 3 112øMistachterlicht 3 112
Aanduiding van de rijsnelheid.
Kilometerteller
De totale geregistreerde afstand
wordt weergegeven in km.
Page 108 of 289

106Instrumenten en bedieningsorganenBrandt kortDe parkeerlichten worden ingescha‐
keld.
Knippert
De richtingaanwijzers of alarmknip‐
perlichten worden geactiveerd.
Snel knipperen: richtingaanwijzer of
bijbehorende zekering defect, rich‐
tingaanwijzer aanhanger defect.
Vervangen van lampen 3 225.
Richtingaanwijzers 3 129.
Gordelverklikker
X brandt of knippert op de instrumen‐
tengroep. Er zit ook een lampje in de
dakconsole. De grote symbolen
verwijzen naar de Veiligheidsgordels
van de voorstoelen, de kleine symbo‐
len verwijzen naar de zitplaatsen
tweede zitrij achterin.
● Bij het inschakelen van het
contact lichten X op de instru‐
mentengroep en de symbolen op de dakconsole eventjes op. Voor
de voorstoelen blijven X op de
instrumentengroep en de symbo‐ len op de dakconsole branden
totdat de veiligheidsgordel is
omgedaan.
● Wanneer er bij een snelheid van meer dan 20 km/u een veilig‐
heidsgordel wordt losgeklikt, gaat het symbool in de dakcon‐
sole voor de betreffende zitplaats
knipperen en klinkt er een
geluidssignaal. Voor de zitplaat‐
sen tweede zitrij geldt dit alleen
als er ten minste al een veilig‐
heidsgordel eerder was omge‐
daan.
Ook brandt X op de instrumen‐
tengroep.
Na twee minuten stopt het
geluidssignaal en brandt X in de
dakconsole continu totdat de
veiligheidsgordel van de betref‐
fende zitplaats is omgedaan.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het inschakelen van het contact
brandt het controlelampje ca. vier
seconden. Brandt deze niet, dooft
deze niet na vier seconden of licht
deze tijdens het rijden op, dan is er
een storing in het airbagsysteem. De
hulp van een werkplaats inroepen. De airbags en gordelspanners gaan
mogelijkerwijs niet af tijdens een
ongeval.
Geactiveerde gordelspanners of airbags worden aangeduid door
aanhoudend branden van v.
Page 109 of 289

Instrumenten en bedieningsorganen1079Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Gordelspanners 3 58.
Airbagsysteem 3 62.
Airbag-deactivering
Ó ON brandt geel.
Airbag voorpassagier is geactiveerd. * OFF brandt geel.
Airbag voorpassagier is gedeacti‐
veerd.
Airbag deactiveren 3 67.
Laadsysteem p brandt rood.
Brandt na het inschakelen van de
ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor.
Brandt bij een draaiende motor Stoppen, motor afzetten. Accu wordt
niet opgeladen. Motorkoeling wordt
mogelijk onderbroken. De rembekr‐
achtiger werkt eventueel niet meer.
De hulp van een werkplaats inroepen.
Storingsindicatielamp Z brandt of knippert geel.
Brandt na het inschakelen van de
ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor.Brandt bij een draaiende motor
Storing in het uitlaatgasreinigingssys‐
teem. De toegestane emissiewaar‐
den worden mogelijk overschreden.
Onmiddellijk hulp van een werkplaats inroepen.
Knippert bij een draaiende motor
Storing die schade aan de katalysator kan veroorzaken. Gas terugnemen
totdat de lamp niet meer knippert.
Onmiddellijk hulp van een werkplaats inroepen.
Service-indicatie
H brandt geel.
Brandt korte tijd als het contact wordt ingeschakeld.
Kan samen met andere controlelamp‐
jes en een bijbehorend bericht op het Driver Information Center branden.
Onmiddellijk hulp van een werkplaats
inroepen.
Schakel motor uit
Y brandt rood.
Page 133 of 289

Verlichting131Binnenverlichting
Regelbare
instrumentenverlichting
Wanneer de rijverlichting aanstaat,
kunt u de lichtsterkte van de volgende lampen regelen:
● instrumentenverlichting
● Info-Display
● verlichte schakelaars en bedie‐ ningselementen
Draai aan het kartelwieltje A en houd
dit vast totdat de gewenste licht‐
sterkte is bereikt.
Binnenverlichting
De interieurverlichting voor- en
achterin wordt bij het in- en uitstappen
automatisch ingeschakeld en dooft
met enige vertraging.
Let op
Bij een ongeval waarbij de airbags geactiveerd worden gaat de vloer‐
verlichting automatisch aan.
Voorste en achterste
interieurverlichtingBedien de wipschakelaar:;:automatisch in- en
uitschakelendruk op e:aandruk op $:uit
Leeslampen
Werken door het indrukken van z
en
B in de instapverlichting.
Page 153 of 289

Rijden en bediening151● Laat de toets los nadat de motorgestart is. Een dieselmotor start
nadat het controlelampje ! voor
voorverwarming is gedoofd.
● Voordat u de motor weer start of uitschakelt terwijl de auto stil‐
staat, drukt u nog een keer kort
op Start/Stop .
Om de motor te starten tijdens een
Autostop:
● Handgeschakelde versnellings‐ bak: tijdens een Autostop kunt u
de motor starten door het koppe‐
lingspedaal in te trappen 3 152.
● Automatische versnellingsbak: tijdens een Autostop kunt u de
motor starten door het rempedaal
los te laten 3 152.
Uitschakelen in noodsituatie
tijdens het rijden
Als u de motor in een noodsituatie
tijdens het rijden moet uitschakelen,
kunt u vijf seconden op Start/Stop
drukken.9 Gevaar
Het uitschakelen van de motor
tijdens het rijden kan het verlies
van vermogen voor de rem- of
stuurbekrachtiging veroorzaken.
Hulp- en airbagsystemen zijn
uitgeschakeld. De verlichting en
remlichten gaan uit. Schakel de
motor en het contact tijdens het
rijden alleen uit indien dat in een
noodgeval noodzakelijk is.
De auto starten bij lage
temperaturen
Het is mogelijk om de motor zonder
bijkomende verwarming te starten tot
-25 °C voor dieselmotoren en -30 °C
voor benzinemotoren. Motorolie met
de juiste viscositeit, de juiste brand‐
stof, uitgevoerd onderhoud en een
voldoende opgeladen accu zijn
vereist. Bij temperaturen onder
-30 °C moet de automatische versnel‐
lingsbak gedurende ca. vijf minuten
worden verwarmd. De keuzehendel
moet in stand P staan.
Verwarmingsfuncties
Let op
Bij een te hoge elektrische belasting
werken specifieke verwarmings‐
functies, zoals de stoelverwarming
of de stuurverwarming, mogelijk
even niet. Na enkele minuten
werken ze dan weer wel.
Turbomotor opwarmen
Bij het starten is het mogelijk dat het
beschikbare motorkoppel gedurende
een korte tijd beperkt is, vooral
wanneer de motor koud is. Deze
beperking is er om het smeersysteem
de motor volledig te laten bescher‐
men.
Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐
tisch afgesloten bij het uitrollen,
d.w.z. wanneer u met een ingescha‐
kelde versnelling tijdens het rijden het gaspedaal loslaat.
Afhankelijk van de omstandigheden
wordt de uitrol-brandstofafsluiter
mogelijk uitgeschakeld.