airbag OPEL COMBO E 2019 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2019, Model line: COMBO E, Model: OPEL COMBO E 2019Pages: 287, PDF Size: 10.29 MB
Page 68 of 287

66Stoelen, veiligheidssystemen9Waarschuwing
Lichaamsdelen of voorwerpen uit
het werkingsgebied van de airbag
houden.
De haken aan de handgrepen van het dakframe zijn alleen geschikt
om lichte kledingstukken, zonder
kleerhangers, aan op te hangen.
Geen voorwerpen in de kleding‐
stukken bewaren.
Airbag deactiveren
Het passagiersairbagsysteem vóór moet voor een kinderveiligheidssys‐
teem op de passagiersstoel worden
gedeactiveerd volgens de instructies
in de tabel 3 70. Het zijairbag- en
het gordijnairbagsysteem, de gordel‐
voorspanners en alle airbagsystemen van de bestuurder blijven actief.U deactiveert het airbagsysteem vande voorpassagier met een slot aan de passagierszijde van het instrumen‐
tenpaneel.
Gebruik de contactsleutel om de posi‐ tie te kiezen:
OFF *:airbag voor de voorpassa‐
gier is gedeactiveerd en
wordt niet opgeblazen bij
een botsing, controlelampje
OFF * brandt continu op de
middenconsoleON Ó:airbag van voorpassagier is
actief9 Gevaar
Deactiveer de passagiersairbag
uitsluitend bij gebruik van een
kinderveiligheidssystemen,
volgens de instructies en beper‐
kingen in de tabel 3 70.
Anders is er kans op dodelijk letsel voor een persoon op de passa‐
giersstoel met een gedeacti‐
veerde airbag.
Page 69 of 287

Stoelen, veiligheidssystemen67Als het controlelampje Ó ongeveer
60 seconden brandt nadat het contact
ingeschakeld is, gaat het airbagsys‐
teem voor de voorpassagier af bij een
aanrijding.
Als het controlelampje * oplicht na
het inschakelen van het contact,
wordt het airbagsysteem voor de
voorpassagier gedeactiveerd. Het
blijft aan terwijl de airbag gedeacti‐
veerd is.
Indien beide conrolelampen tegelij‐
kertijd branden zit er een storing in het systeem. De systeemstatus wordt
niet aangeduid; er mag niemand op
de stoel van de voorpassagier
vervoerd worden. Roep onmiddellijk
de hulp van een werkplaats in.
Raadpleeg onmiddellijk een werk‐
plaats indien geen van beide contro‐
lelampjes brandt.
Bij een storing verschijnt er een waar‐
schuwingsbericht op het Driver Infor‐
mation Center en klinkt er een
geluidssignaal.
Verander de status alleen tijdens stil‐
stand terwijl de ontsteking is uitge‐
schakeld.Status blijft actief tot de volgende
verandering.
Controlelamp airbag-deactivering
3 108.Kinderveiligheidssyste‐
men9 Gevaar
Bij gebruik van een achterwaarts
gericht kinderveiligheidssysteem
op de passagiersstoel voor moet
het airbagsysteem voor de passa‐ giersstoel voor gedeactiveerd zijn.
Dit geldt ook voor bepaalde voor‐
waarts gerichte kinderveiligheids‐
systemen zoals aangegeven in de
tabellen 3 70.
Airbag deactiveren 3 66.
Airbaglabel 3 61.
Wij raden een kinderveiligheidssys‐
teem aan dat specifiek voor de auto
is bedoeld. Neem contact op met uw
werkplaats voor meer informatie.
Voorts adviseren we om kinderen op
de zitplaatsen achterin te vervoeren.
Tot de leeftijd van drie jaar moeten
kinderen achterwaarts gericht
Page 72 of 287

70Stoelen, veiligheidssystemenInbouwposities kinderveiligheidssystemenToegestane opties voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem met een driepuntsgordel
Gewichtsklasse
Op passagiersstoelOp buitenste
zitplaatsen
tweede zitrijOp middelste
zitplaats tweede
zitrijOp zitplaatsen
derde zitrij
geactiveerde
airbaggedeacti‐
veerde airbagGroep 0, groep 0+: tot 13 kgXU 1,2U 3UU3Groep I: 9 tot 18 kgUFU1,2U 3,4UU3,4Groep II: 15 tot 25 kgUFU1,2U3,4UU3,4Groep III: 22 tot 36 kgUFU1,2U3,4UU3,4U:universele geschiktheid voor voorwaarts gerichte of achterwaarts gerichte kinderveiligheidssystemen in combinatie
met driepuntsgordelUF:universele geschiktheid voor voorwaarts gerichte kinderveiligheidssystemen in combinatie met driepuntsgordelX:kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan1:zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om te verzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt2:zet de rugleuning zo ver als noodzakelijk rechtop, zodat de gordel bij de gesp gespannen is3:de desbetreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen4:de desbetreffende hoofdsteun verstellen of verwijderen, indien nodig
Page 77 of 287

Opbergen75Opbergruimte voor
Boven op het instrumentenbord
bevindt zich een opbergvak.
Bij sommige versies bevat het
opbergvak een cd-speler, een USB-
en een AUX-aansluiting.
Boven de instrumentengroep bevindt
zich een opbergvak.
Er zit een muntenhouder op het
instrumentenpaneel.
Rugleuning midden neerklappen
In de rugleuning passagierszitplaats
midden voor zit een documentenbak.
Rugleuning neerklappen 3 50.
9 Waarschuwing
Wanneer de middelste passa‐
giersstoel voor opgeklapt is, moet
het airbagsysteem voor de passa‐ gier voor worden gedeactiveerd.
Airbag deactiveren 3 66.
Page 94 of 287

92Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en
bedieningsorganenBedieningsorganen ......................93
Stuurwielverstelling ...................93
Stuurbedieningsknoppen ...........93
Verwarmd stuurwiel ...................93
Claxon ....................................... 94
Wis- en wasinstallatie voorruit ...94
Wis- en wasinstallatie achterruit .................................. 96
Buitentemperatuur .....................96
Klok ........................................... 97
Elektrische aansluitingen ...........98
Inductief opladen .......................99
Aansteker ................................ 100
Asbakken ................................. 100
Waarschuwingslampen, meters
en controlelampen .....................101
Instrumentengroep ..................101
Snelheidsmeter .......................103
Kilometerteller ......................... 104
Dagteller .................................. 104
Toerenteller ............................. 104
Brandstofmeter ........................105
Koelvloeistoftemperatuurme‐ ter ........................................... 105Peilsensor motorolie................105
Service-display ........................ 106
Controlelampen .......................107
Richtingaanwijzers ..................107
Gordelverklikker ......................107
Airbag en gordelspanners .......108
Airbag-deactivering .................108
Laadsysteem ........................... 108
Storingsindicatielamp ..............109
Service-indicatie ......................109
Schakel motor uit .....................109
Systeemcontrole ......................109
Rem- en koppelingssysteem ...109
Handrem .................................. 109
Elektrische handrem ................110
Elektrische handrem defect .....110
Antiblokkeersysteem (ABS) .....110
Schakelen ................................ 110
Systeem voor gecontroleerde afdaling ................................... 110
Lane keep assist .....................111
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem ..111
Koelvloeistoftemperatuur .........111
Voorverwarming ......................111
Uitlaatfilter ............................... 111
AdBlue ..................................... 112
Drukverliesdetectiesysteem ....112
Motoroliedruk ........................... 112
Te laag brandstofpeil ...............112Autostop.................................. 113
Rijverlichting ............................ 113
Groot licht ................................ 113
Dimlicht .................................... 113
Grootlichtassistentie ................113
LED-koplampen .......................113
Mistlampen voor ......................113
Mistachterlicht ......................... 113
Regensensor ........................... 113
Cruise control .......................... 113
Adaptieve cruise control ..........113
Voorligger gedetecteerd ..........114
Dodehoeksysteem ...................114
Actief noodstopsysteem ..........114
Snelheidsbegrenzer ................114
Portier open ............................. 114
Displays ..................................... 115
Driver Information Center ........115
Info-Display ............................. 117
Head-updisplay .......................119
Boordinformatie ......................... 121
Geluidssignalen .......................121
Batterijspanning .......................122
Persoonlijke instellingen ............122
Page 105 of 287

Instrumenten en bedieningsorganen103OverzichtORichtingaanwijzer
3 107XGordelverklikker 3 107vAirbags en gordelspan‐
ners 3 108VAirbag deactiveren
3 108pLaadsysteem 3 108ZStoringsindicatielamp
3 109HLaat auto spoedig
nakijken 3 109STOPPENSchakel motor uit
3 109JSysteemcontrole 3 109RRem- en koppelingssys‐
teem 3 109m , oHandrem 3 109
Elektrische parkeerrem
3 110uAntiblokkeersysteem
(ABS) 3 110RSchakelen 3 110LLane Keep Assist
3 111bElektronische stabili‐
teitsregeling en Traction
Control-systeem 3 111!Voorverwarmen 3 111%Uitlaatfilter 3 111YAdBlue 3 112wSpanningsverliesde‐
tectie 3 112IMotoroliedruk 3 112Y oTe laag brandstofpeil
3 112W oKoelvloeistoftempera‐
tuur te hoog 3 111DAutostop 3 1138Buitenverlichting 3 1139Dimlicht 3 113CGrootlicht 3 113fGrootlichtassistentie
3 113òSysteem voor gecontro‐
leerde afdaling 3 110>Mistlamp 3 113øMistachterlicht 3 113
3 114ØActieve noodrem 3 185hPortier open 3 114
Snelheidsmeter
Aanduiding van de rijsnelheid.
Page 110 of 287

108Instrumenten en bedieningsorganeninstrumentengroep en de symbo‐len op de dakconsole branden
totdat de veiligheidsgordel is
omgedaan.
● Wanneer er bij een snelheid van meer dan 20 km/u een veilig‐
heidsgordel wordt losgeklikt, gaat het symbool in de dakcon‐
sole voor de betreffende zitplaats
knipperen en klinkt er een
geluidssignaal. Voor de zitplaat‐
sen tweede zitrij geldt dit alleen
als er ten minste al een veilig‐
heidsgordel eerder was omge‐
daan.
Ook brandt X op de instrumen‐
tengroep.
Na twee minuten stopt het
geluidssignaal en brandt X in de
dakconsole continu totdat de
veiligheidsgordel van de betref‐
fende zitplaats is omgedaan.
Airbag en gordelspanners
v brandt rood.
Bij het inschakelen van het contact
brandt het controlelampje ca. vier
seconden. Brandt deze niet, dooftdeze niet na vier seconden of licht
deze tijdens het rijden op, dan is er
een storing in het airbagsysteem. De
hulp van een werkplaats inroepen. De airbags en gordelspanners gaan
mogelijkerwijs niet af tijdens een
ongeval.
Geactiveerde gordelspanners of
airbags worden aangeduid door
aanhoudend branden van v.9 Waarschuwing
Oorzaak van de storing onmiddel‐
lijk door een werkplaats laten
verhelpen.
Gordelspanners 3 57.
Airbagsysteem 3 61.
Airbag-deactivering
Ó ON brandt geel.
Airbag voorpassagier is geactiveerd. * OFF brandt geel.
Airbag voorpassagier is gedeacti‐
veerd.
Airbag deactiveren 3 66.
Laadsysteem p brandt rood.
Brandt na het inschakelen van de
ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor.
Page 133 of 287

Verlichting131Binnenverlichting
Regelbare
instrumentenverlichting
Wanneer de rijverlichting aanstaat,
kunt u de lichtsterkte van de volgende lampen regelen:
● instrumentenverlichting
● Info-Display
● verlichte schakelaars en bedie‐ ningselementen
Draai aan het kartelwieltje A en houd
dit vast totdat de gewenste licht‐
sterkte is bereikt.
Binnenverlichting
De interieurverlichting voor- en
achterin wordt bij het in- en uitstappen
automatisch ingeschakeld en dooft
met enige vertraging.
Let op
Bij een ongeval waarbij de airbags geactiveerd worden gaat de vloer‐
verlichting automatisch aan.
Voorste en achterste
interieurverlichtingBedien de wipschakelaar:;:automatisch in- en
uitschakelendruk op e:aandruk op $:uit
Leeslampen
Werken door het indrukken van z
en
B in de instapverlichting.
Page 153 of 287

Rijden en bediening151● Laat de toets los nadat de motorgestart is. Een dieselmotor start
nadat het controlelampje ! voor
voorverwarming is gedoofd.
● Voordat u de motor weer start of uitschakelt terwijl de auto stil‐
staat, drukt u nog een keer kort
op Start/Stop .
Om de motor te starten tijdens een
Autostop:
● Handgeschakelde versnellings‐ bak: tijdens een Autostop kunt u
de motor starten door het koppe‐
lingspedaal in te trappen 3 152.
● Automatische versnellingsbak: tijdens een Autostop kunt u de
motor starten door het rempedaal
los te laten 3 152.
Uitschakelen in noodsituatie
tijdens het rijden
Als u de motor in een noodsituatie
tijdens het rijden moet uitschakelen,
kunt u vijf seconden op Start/Stop
drukken.9 Gevaar
Het uitschakelen van de motor
tijdens het rijden kan het verlies
van vermogen voor de rem- of
stuurbekrachtiging veroorzaken.
Hulp- en airbagsystemen zijn
uitgeschakeld. De verlichting en
remlichten gaan uit. Schakel de
motor en het contact tijdens het
rijden alleen uit indien dat in een
noodgeval noodzakelijk is.
De auto starten bij lage
temperaturen
Het is mogelijk om de motor zonder
bijkomende verwarming te starten tot
-25 °C voor dieselmotoren en -30 °C
voor benzinemotoren. Motorolie met
de juiste viscositeit, de juiste brand‐
stof, uitgevoerd onderhoud en een
voldoende opgeladen accu zijn
vereist. Bij temperaturen onder
-30 °C moet de automatische versnel‐
lingsbak gedurende ca. vijf minuten
worden verwarmd. De keuzehendel
moet in stand P staan.
Verwarmingsfuncties
Let op
Bij een te hoge elektrische belasting
werken specifieke verwarmings‐
functies, zoals de stoelverwarming
of de stuurverwarming, mogelijk
even niet. Na enkele minuten
werken ze dan weer wel.
Turbomotor opwarmen
Bij het starten is het mogelijk dat het
beschikbare motorkoppel gedurende
een korte tijd beperkt is, vooral
wanneer de motor koud is. Deze
beperking is er om het smeersysteem
de motor volledig te laten bescher‐
men.
Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐
tisch afgesloten bij het uitrollen,
d.w.z. wanneer u met een ingescha‐
kelde versnelling tijdens het rijden het gaspedaal loslaat.
Afhankelijk van de omstandigheden
wordt de uitrol-brandstofafsluiter
mogelijk uitgeschakeld.
Page 157 of 287

Rijden en bediening155Let op
Bij een ongeval waarbij airbags
worden geactiveerd, wordt de motor
automatisch uitgeschakeld als de
auto binnen een bepaalde tijd tot stil‐ stand komt.
Noodfunctie bij extreem lage
temperaturen9 Waarschuwing
Deze noodhandeling mag alleen
bij extreem lage temperaturen
worden uitgevoerd en als de auto
op een vlakke ondergrond staat.
In landen waar de temperatuur
extreem laag kan zijn, kan het nood‐
zakelijk zijn de parkeerrem niet in te
schakelen.
Dit is een noodoplossing die voor‐
komt dat de parkeerrem bevriest.
Uitlaatgassen9 Gevaar
Motoruitlaatgassen bevatten het
giftige en bovendien kleur- en
geurloze koolmonoxide dat bij
inademen levensgevaarlijk kan zijn.
Wanneer uitlaatgassen in de
passagiersruimte dringen, de
ruiten openen. Oorzaak van de
storing door een werkplaats laten
verhelpen.
Niet met een geopende achterklep
rijden, aangezien er dan uitlaat‐
gassen de passagiersruimte
binnen kunnen dringen.
Uitlaatfilter
Automatische regeneratie
Het uitlaatfilter verwijdert roetdeeltjes
uit de uitlaatgassen.
Als % of H tijdelijk gaat branden in
combinatie met een melding op het
Driver Information Center, begint het
uitlaatfilter verzadigd te raken.
Regenereer zodra de verkeersom‐
standigheden dat toelaten het roetfil‐
ter door op een snelheid van
minstens 60 km/h te rijden totdat het
controlelampje dooft.
Let op
Bij een nieuwe auto gaan de eerste
regeneraties van het uitlaatfilter
mogelijk gepaard met een brande‐
rige geur, wat normaal is. Na lang‐
durig gebruik van de auto op zeer
lage snelheden of bij een stationair
draaiende motor kan er tijdens het
optrekken waterdamp uit de uitlaat
druppelen. Dit heeft geen negatieve
invloed op het rijgedrag van de auto of op het milieu.
Regeneratie niet mogelijk
Als % of H blijft branden in combi‐
natie met een geluidssignaal of een
visueel bericht, betekent dit dat het
AdBlue-peil voor het uitlaatfilter te
laag is.