Tijd OPEL CROSSLAND X 2020 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2020, Model line: CROSSLAND X, Model: OPEL CROSSLAND X 2020Pages: 251, PDF Size: 21.83 MB
Page 38 of 251

36Sleutels, portieren en ruitenRuitenVoorruit
Stickers op de voorruit
Breng geen stickers, zoals tolvignet‐
ten of soortgelijke stickers, rondom
de achteruitkijkspiegel op de voorruit aan. Sensor vrijhouden van stof, vuil
en ijs. Anders kunnen de detectie‐
zone van de regensensor / lichtsen‐
sor en het zichtveld van de camera in
de spiegelbehuizing kleiner worden.
Sensoren 3 73, 3 105
Vervanging van voorruitVoorzichtig
Als de auto met een vooruitzicht‐
camera voor de bestuurderson‐
dersteuningssystemen uitgevoerd is, is het zeer belangrijk dat een
eventuele vervanging van de voor‐ ruit precies volgens de specifica‐
ties van Opel plaatsvindt. Anders
werken deze systemen wellicht
niet goed en bestaat het risico van
onverwacht gedrag en / of berich‐
ten van deze systemen.
Handbediende ruiten
De achterportierruiten zijn met de
handslingers te bedienen.
Elektrisch bediende ruiten
9 Waarschuwing
Wees voorzichtig bij het gebruik
van de elektrische ruitbediening.
Er bestaat verwondingsgevaar,
met name voor kinderen.
Als er achterin kinderen zitten,
moet u de kinderbeveiliging van
de elektrische ruitbediening
inschakelen.
Ruiten tijdens het sluiten goed in
de gaten houden. Ervoor zorgen dat niets of niemand bekneld
raakt.
Schakel het contact in om de elek‐
trisch bediende ruiten te bedienen.
Druk de schakelaar van de desbetref‐ fende ruit in om de ruit te openen of
trek aan de schakelaar om de ruit te
sluiten.
Page 39 of 251

Sleutels, portieren en ruiten37Knop een stukje indrukken of uittrek‐ken: ruit gaat omhoog of omlaag
zolang u de schakelaar bedient.
Knop zover mogelijk indrukken of
uittrekken en loslaten: ruit gaat auto‐
matisch omhoog of omlaag met geac‐
tiveerde beveiligingsfunctie. U stopt
de ruit door de schakelaar nogmaals
in dezelfde richting te bedienen.
BeveiligingsfunctieStuit de ruit tijdens het automatisch
sluiten boven de middelste stand op
weerstand, dan stopt het sluiten
onmiddellijk en beweegt de ruit weer
omlaag.
Beveiligingsfunctie negeren
Bij een stroeve werking door ijsvor‐
ming e.d. het contact inschakelen en
vervolgens de schakelaar tot aan de
eerste vergrendeling trekken en vast‐ houden. De ruit gaat omhoog zonder
geactiveerde beveiligingsfunctie. Om
de beweging te stoppen, laat u de
schakelaar los.Kinderbeveiliging voor
achterportierruiten
Druk V in om de achterste elektri‐
sche portierruiten te deactiveren; het
led-lampje licht op. Druk voor het acti‐ veren nogmaals op V.
Ruiten van de buitenzijde
bedienen
De ruiten zijn met de handzender van
de buitenzijde te openen en sluiten.
Houd e ingedrukt om de ruiten te slui‐
ten.
Laat de knop los om de ruit te stop‐
pen.
Als de ruiten volledig gesloten zijn,
lichten de alarmknipperlichten twee‐
maal op.
Overbelasting Door herhaalde, snel opeenvolgende
bediening wordt de stroomvoorzie‐
ning van de ruitbediening enige tijd
onderbroken.
Page 40 of 251

38Sleutels, portieren en ruitenElektrisch bediende ruiten
initialiseren
Als u de ruiten niet automatisch kunt
sluiten (bijv. na het loskoppelen van
de accu), verschijnt er een waarschu‐
wingstekst op het Driver Information
Center.
Boordinformatie 3 97.
Activeer de ruitelektronica als volgt: 1. Portieren sluiten.
2. Schakel het contact in.
3. Trek aan de schakelaar totdat de ruit gesloten is en blijf nog
2 seconden eraan trekken.
4. Duw tegen de schakelaar tot de ruit helemaal is geopend en blijf
nog 2 seconden duwen.
5. Deze handeling uitvoeren voor alle ruiten.
Achterruitverwarming Om in te schakelen b indrukken.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.Afhankelijk van de klimaatregeling zit
b mogelijk op een andere plek.
Verwarmbare buitenspiegels 3 34.
Voorruitverwarming Werkt door op , te drukken. Het
ledje in de toets licht op.
De verwarming werkt bij een draai‐
ende motor en wordt na korte tijd
automatisch uitgeschakeld.
Afhankelijk van de klimaatregeling
zit , mogelijk op een andere plek.
Zonnekleppen
Om verblinding te vermijden kunnen
de zonnekleppen worden neerge‐
klapt en opzij worden gedraaid.
Onderweg moeten de spiegelkappen
gesloten zijn.
Aan de achterkant van de zonneklep
zit een kaartjeshouder.
Page 41 of 251

Sleutels, portieren en ruiten39Dak
Panoramadak
Zonnescherm Het zonnescherm wordt elektrisch
bediend.
Druk N voorzichtig tot aan de eerste
aanslag: het zonnescherm wordt geopend zolang u de schakelaar
bedient.
Druk N stevig tot aan de tweede
aanslag en laat dan aan de achter‐
zijde los: het zonnescherm wordt
compleet geopend.
Druk N voorzichtig tot aan de eerste
aanslag aan de achterzijde: het
zonnescherm wordt gesloten zolang
u de schakelaar bedient.
Druk N stevig tot aan de tweede
aanslag en laat dan aan de voorzijde
los: het zonnescherm wordt compleet gesloten.
Beveiligingsfunctie Stuit het zonnescherm tijdens het
automatisch sluiten op een obstakel,
dan stopt het meteen en gaat het
weer open.
Initialiseren na uitvallen van
stroom
Na het uitvallen van de stroom kan
het zonnescherm wellicht alleen in
beperkte mate worden bediend.
Initialiseer het systeem als volgt:
1. Schakel het contact in.
2. Druk N tweemaal voorzichtig tot
aan de eerste aanslag aan de
achterzijde: het zonnescherm
opent een stukje.
3. Druk N onmiddellijk tweemaal
voorzichtig tot aan de eersteaanslag aan de voorzijde: het
zonnescherm sluit een stukje.
Na stap 3 is het zonnescherm in
de initialisatiemodus zonder
veiligheidsfunctie.
4. Druk N voorzichtig tot aan de
eerste aanslag aan de achterzijde
totdat het zonnescherm volledig
openstaat.
5. Druk N voorzichtig tot aan de
eerste aanslag aan de voorzijde
totdat het zonnescherm volledig
dichtstaat.
Na deze procedure wordt het zonne‐ scherm geïnitialiseerd met geacti‐
veerde veiligheidsfunctie.
Wanneer u tijdens het initialiseren
N stevig tot aan de tweede aanslag
drukt, wordt de procedure geannu‐
leerd.
Page 43 of 251

Stoelen, veiligheidssystemen41Hoofdsteunen van achterbankHoogteverstelling
Hoofdsteun omhoogtrekken of borg‐
veren indrukken om hoofdsteun te
ontgrendelen en omlaag te schuiven.
Hoofdsteun achter wegnemen
Bijv. bij gebruik van een kinderveilig‐
heidssysteem 3 56.
Hoofdsteun omhoog trekken of borg‐ veren indrukken om hoofdsteun te
ontgrendelen en eruit te trekken.
Voorstoelen
Stoelpositie9 Waarschuwing
Alleen met een correct ingestelde
stoel rijden.
9 Gevaar
Altijd op minstens 25 cm afstand
van het stuurwiel zitten zodat de
airbag veilig in werking kan treden.
9 Waarschuwing
Stoelen nooit tijdens het rijden
verstellen, omdat ze ongecontro‐
leerd kunnen bewegen.
● Uw zitvlak zo dicht mogelijk naar de rugleuning schuiven. De
afstand tot de pedalen zo instel‐
len dat de benen bij het volledig
intrappen van de pedalen licht
gebogen zijn. De passagiersstoel
voorin zover mogelijk naar
achteren schuiven.
● Zithoogte zo instellen, dat u rondom een goed zicht hebt en
de instrumentengroep goed kunt
aflezen. Tussen hoofd en
dakframe moet minstens een
handbreedte ruimte zitten. De dijen moeten licht op de zitting
rusten, zonder druk uit te oefe‐
nen.
Page 44 of 251

42Stoelen, veiligheidssystemen● Uw schouders zo dicht mogelijknaar de rugleuning schuiven. Stelde hoek van de rugleuning zo in
dat u het stuurwiel gemakkelijk
met licht gebogen armen kunt vastpakken. Bij het verdraaien
van het stuurwiel contact blijven houden tussen schouders en
rugleuning. De rugleuning mag
niet te ver achteroverhellen. De
aanbevolen hellingshoek
bedraagt maximaal ca. 25°.
● Stel de stoel en het stuur zodanig
op elkaar af dat wanneer uw pols
bovenop het stuur rust, uw arm
volledig is gestrekt en uw schou‐
ders de rugleuning raken.
● Stuurwiel instellen 3 72.
● Hoofdsteun instellen 3 40.
● De instelbare dijbeensteun zo instellen dat de afstand tussen derand van de zitting en de knie‐
holte ca. twee vingers breed is.
● Lendensteun zo instellen dat deze de natuurlijke vorm van dewervelkolom ondersteunt.Stoelverstelling
Zorg bij het rijden dat de stoelen en
rugleuningen altijd vastgeklikt zijn.
Verstelling in de lengterichting
Aan handgreep trekken, stoel
verschuiven, handgreep loslaten.
Probeer de stoel heen en weer te
schuiven om er zeker van te zijn dat de stoel vergrendeld is.
Hoek van rugleuning
Aan handwiel draaien. Bij het verstel‐
len de rugleuning niet belasten.
Page 46 of 251

44Stoelen, veiligheidssystemenVerstelbare dijbeensteun
Trek aan de hendel en verschuif de
dijbeensteun.
Armsteun
De armsteun is op te klappen.
Verwarming
Afhankelijk van de gewenste verwar‐
ming, ß van de desbetreffende stoel
een of meerdere malen indrukken. Het controlelampje in de toets geeftde status aan.
Langdurig gebruik van de hoogste
instelling wordt afgeraden voor perso‐ nen met een gevoelige huid.
De stoelverwarming werkt wanneer
de motor loopt.
Tijdens een Autostop werkt de stoel‐
verwarming ook.
Stop/Start-systeem 3 129.
Page 47 of 251

Stoelen, veiligheidssystemen45Achterbank
Zitplaatsen achterin
Zorg bij het rijden dat de stoelen en
rugleuningen altijd vastgeklikt zijn.9 Waarschuwing
Stoelen nooit tijdens het rijden
verstellen, omdat ze ongecontro‐
leerd kunnen bewegen.
Omklapbare rugleuningen 3 64.
Verstelling in de lengterichting Beide delen van de achterbank
kunnen afzonderlijk naar voren of
naar achteren worden verplaatst.Aan handgreep trekken, stoel
verschuiven, handgreep loslaten.
Probeer de stoel heen en weer te
schuiven om er zeker van te zijn dat
de stoel vergrendeld is.
Hoek van rugleuning
Trek aan de lus, pas de hoek aan en
laat de lus los. Bij het verstellen de
rugleuning niet belasten.
Page 49 of 251

Stoelen, veiligheidssystemen47Let op
Controleer of de veiligheidsgordels
niet zijn beschadigd door schoenen
of scherpe voorwerpen of verstrikt
zijn. Voorkom dat er vuil in de oprol‐
automaten terecht komt.
Gordelverklikker
Elke stoel is voorzien van een gordel‐
verklikker, aangeduid met een contro‐
lelampje X op de plafondconsole,
voor elke stoel één 3 85.
Veiligheidsgordelkrachtbegren‐
zers
De kracht die inwerkt op de carrosse‐ rie wordt beperkt doordat de veilig‐
heidsgordels tijdens een botsing
geleidelijk worden ontspannen.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels van de voor‐
stoelen en buitenste achterstoelen
worden door gordelspanners aange‐
spannen bij een voldoende krachtige
frontale of zijdelingse aanrijding of
aanrijding van achteren.9 Waarschuwing
Onjuist handelen (bijv. het verwij‐
deren of aanbrengen van veilig‐
heidsgordels) kan de veiligheids‐
gordelspanners in werking stellen.
Geactiveerde veiligheidsgordelspan‐
ners zijn te herkennen aan het
continu brandende controlelampje v
3 85.
Geactiveerde veiligheidsgordelspan‐
ners door een werkplaats laten
vervangen. Veiligheidsgordelspan‐
ners worden slechts eenmaal geacti‐
veerd.
Let op
Bevestig of monteer geen accessoi‐
res of andere voorwerpen die de
werking van de veiligheidsgordel‐
spanners kunnen verstoren. Geen
aanpassingen in de componenten
van de veiligheidsgordelspanners
aanbrengen, anders vervalt de type‐
goedkeuring van de auto.
Driepuntsgordel
Omdoen
Veiligheidsgordel uit de oprolauto‐
maat trekken, zonder te verdraaien
voor u langs halen en de slottong in
de sluiting steken. Heupveiligheids‐ gordel tijdens het rijden van tijd tot tijd
strak trekken door aan de schouder‐
veiligheidsgordel te trekken.
Page 51 of 251

Stoelen, veiligheidssystemen49Steek de onderste slottong in de
linker gordelsluiting ( 1). Trek de
bovenste slottong met de veiligheids‐
gordel over uw schoot en schouder
(niet verdraaien) en plaats deze in de
rechtergordelsluiting ( 2) van de
middelste stoel.
Doe de veiligheidsgordel los door
eerst op de knop op de rechter gordel‐ sluiting ( 2) te drukken en de bovenste
slottong te verwijderen. Druk daarna
op de knop op de linker gordelsluiting ( 1 ) en verwijder de onderste slottong.
De veiligheidsgordel wordt automa‐
tisch opgerold.Gebruik van de veiligheidsgordel
tijdens de zwangerschap9 Waarschuwing
De heupveiligheidsgordel moet zo
laag mogelijk over het bekken
lopen om druk op de onderbuik te
voorkomen.
Airbagsysteem
Het airbagsysteem bestaat uit meer‐
dere afzonderlijke systemen afhanke‐
lijk van de omvang van de uitrusting.
Bij het activeren worden de airbags
binnen enkele milliseconden gevuld.
Ook het leeglopen van de airbags
verloopt zo snel, dat dit tijdens een
aanrijding vaak niet eens wordt opge‐ merkt.9 Waarschuwing
Het airbagsysteem ontplooit
explosief, laat reparaties alleen
door deskundig personeel verrich‐ ten.
9 Waarschuwing
Bij het aanbouwen van accessoi‐
res die het frame van de auto, het
bumpersysteem, de hoogte, de
voorkant of de zijbeplating veran‐ deren werkt het airbagsysteem
mogelijk niet goed. De werking
van het airbagsysteem kan ook