par OPEL GRANDLAND X 2020 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2020, Model line: GRANDLAND X, Model: OPEL GRANDLAND X 2020Pages: 293, PDF Size: 21.79 MB
Page 112 of 293

110Instrumenten en bedieningsorganenTijdens een Autostop● Als het bestuurdersportier open‐ staat.
● Als niet voldaan is aan een van de voorwaarden voor het herstar‐ten van de motor.Persoonlijke
instellingen
U kunt het gedrag van de auto naar
wens afstemmen door de instellingen in het Info-Display aan te passen.
Afhankelijk van het uitrustingsniveau
en de specifieke regelgeving in uw
land, zijn sommige van de hieronder
beschreven functies mogelijk niet
aanwezig.
Sommige functies worden alleen weergegeven of zijn alleen actief bij
een draaiende motor.
Graphic-Info-DisplayDruk op MENU om de menupagina te
openen.
Gebruik de vierwegknop voor bedie‐
ning van het display:
Kies ˆ Configuratie Persoonlijke
instellingen I OK .
Eenheidsinstellingen
Kies Configuratie display I OK .
Kies Selectie eenheden I OK .
Kies de gewenste instellingen I OK .
Taalinstellingen
Kies Configuratie display I OK .
Kies Taalkeuze I OK .
Kies de gewenste taal I OK .
Auto-instellingen
Kies Autoparameters definiëren I
OK .
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
● Verlichting
Follow-Me-Home-verlichting :
Activering en instelling van de inschakelduur.
Page 114 of 293

112Instrumenten en bedieningsorganen●Comfort en gemak
Automatisch wissen bij achteruit :
activeert of deactiveert automati‐ sche inschakeling achterruitwis‐ser bij inschakelen achteruitver‐snelling.
● Verlichting
Omgevingsverlichting : Activeert
of deactiveert de sfeerverlichting
en past de helderheid aan.
Instapverlichting : Activeert of
deactiveert en wijzigt de duur van de welkomstverlichting.
Uitstapverlichting : Activeert of
deactiveert en verandert de duur
van de uitstapverlichting.
● Op afstand vergr., ontgr., starten
Portierontgrendeling op afstand :
Wijzigt de configuratie door ofwel
alleen het bestuurdersportier te
ontgrendelen of alle portieren te
ontgrendelen bij het indrukken
van O op de afstandsbediening.
Alleen ontgrendeling achterklep :
Activeert of deactiveert de
ontgrendeling van alleen de
achterklep bij het indrukken van
T op de afstandsbediening.8" Colour-Info-Display
Druk op SET om het menu Instellin‐
gen te openen.
Gebruik de aanraakknoppen voor
bediening van het display.
Eenheidsinstellingen
Kies Systeemparam. .
Verander de eenheden voor Afstand
en verbruik en Temperatuur .
Bevestig met G.
Taalinstellingen
Kies Talen .
Wijzig de taal door de optie van uw
keuze aan te raken.
Bevestig met G.
Auto-instellingen
Í indrukken.
Kies Instellingen van de auto. .
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
● Toegang tot de auto
Ontgrendeling: Alleen
bestuurder : Wijzigt de configura‐
tie door ofwel alleen het bestuur‐
dersportier te ontgrendelen of
alle portieren te ontgrendelen bij
het indrukken van O op de
afstandsbediening.
Page 115 of 293

Instrumenten en bedieningsorganen113Alleen ontgrendeling achterklep:
Activeert of deactiveert de
ontgrendeling van alleen de
achterklep bij het indrukken van
T op de afstandsbediening.
Elektrisch bedienbare
achterklep : Activeert of deacti‐
veert het openen of sluiten van
de elektrische achterklep.
Handsfree elektrisch openen van achterklep : Activeert of deacti‐
veert de functie.
● Beveiliging
Weergave adviessnelheid : Acti‐
veert of deactiveert de snelheids‐ limietinformatie middels
verkeersbordherkenning.
Active safety brake : Activeert of
deactiveert de actieve noodrem
en de frontaanrijdingswaarschu‐
wing; de gevoeligheid van het
waarschuwingssysteem is aan te
passen.
Buitensp. afstellen bij
inschakelen achteruit : Past de
buitenspiegels aan bij inschake‐ ling van de achteruitversnellingvoor een beter zicht op het trot‐
toir.
Driver Alert : Activeert of deacti‐
veert de vermoeidheidsdetectie.
Ruitenwisser achter bij
inschakelen achteruit : activeert
of deactiveert automatische
inschakeling achterruitwisser bij
inschakelen achteruitversnelling.
● Rijverlichting
Bochtverlichting : Activeert of
deactiveert de functie.
● Comfortverlichting
Follow me home-verlichting : Acti‐
veert of deactiveert de functie en
past de duur aan.
Instapverlichting : Activeert of
deactiveert de functie en past de
duur aan.
Sfeerverlichting : Past de helder‐
heid van de sfeerverlichting aan.Rijfuncties
Í indrukken.
Kies Besturingsfuncties .
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
● Park Assist : Activeert geavan‐
ceerde parkeerhulp, waarna een
parkeermanoeuvre te selecteren
is.
● Dodehoekbewaking : Activeert of
deactiveert de dodehoekdetec‐ tie.
● Panoramazichtsysteem : Active‐
ring / deactivering van de functie.
Page 118 of 293

116VerlichtingVerlichtingRijverlichting.............................. 116
Lichtschakelaar .......................116
Automatische verlichting .........117
Grootlicht ................................. 117
Lichtsignaal ............................. 117
Koplampverstelling ..................118
Koplampinstelling in het buitenland ............................... 118
Dagrijlicht ................................. 118
LED-koplampen .......................118
Alarmknipperlichten .................121
Richtingaanwijzers ..................122
Mistlampen voor ......................122
Mistachterlicht ......................... 123
Parkeerlichten ......................... 123
Achteruitrijlichten .....................123
Beslagen lampglazen ..............123
Binnenverlichting .......................124
Regelbare instrumentenverlichting .........124
Leeslampen ............................. 124
Verlichting zonneklep ..............125
Verlichtingsfuncties ....................125
Verlichting middenconsole ......125
Instapverlichting ......................125Uitstapverlichting .....................125
Ontlaadbeveiliging accu ..........126Rijverlichting
Lichtschakelaar
Lichtschakelaar draaien:
AUTO:automatische verlichting
schakelt automatisch
tussen dagrijlicht en
koplamp8:zijmarkeringslichten9:dimlicht of groot licht
Wanneer u het contact inschakelt, is
de automatische verlichting actief.
Controlelampje 8 3 101.
Page 125 of 293

Verlichting123Mistachterlicht
Om in te schakelen r indrukken.
Lichtschakelaar in stand AUTO: bij
het inschakelen van het mistachter‐
licht worden de koplampen automa‐
tisch ingeschakeld.
Lichtschakelaar in stand 8: mistach‐
terlicht kan alleen in combinatie met
voorste mistlampen worden inge‐
schakeld.
Het mistachterlicht is gedeactiveerd
wanneer er een aanhanger of een
stekker is aangesloten op het contact, bijv. wanneer een fietsdrager is
geplaatst.
Parkeerlichten
Bij het parkeren kunnen de parkeer‐
lichten aan één kant worden inge‐
schakeld:
1. Contact uitschakelen.
2. De hendel volledig omhoog (parkeerlichten rechts) of omlaag
zetten (parkeerlichten links).
Bevestiging door een geluidssignaal en het bijbehorende controlelampje
van de richtingaanwijzer.
Achteruitrijlichten
Het achteruitrijlicht gaat branden
wanneer het contact is ingeschakeld
en de auto in de achteruitversnelling
staat.
Beslagen lampglazen
De binnenkant van de lampenglazen
kan bij koud en vochtig weer, bij
hevige regen of na een wasbeurt
korte tijd beslaan. De condens
verdwijnt vanzelf. Om dit te bespoe‐
digen kunt u de koplampen inschake‐
len.
Page 129 of 293

Klimaatregeling127KlimaatregelingKlimaatregelsystemen...............127
Verwarmings- en ventilatiesysteem ....................127
Airconditioning ......................... 128
Elektronisch klimaatregelsysteem ............... 131
Hulpverwarming ......................136
Parkeerverwarming .................136
Luchtroosters ............................. 137
Verstelbare luchtroosters ........137
Vaste luchtroosters ..................138
Koeling handschoenenkastje ..138
Onderhoud ................................. 138
Luchtinlaat ............................... 138
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 139
Service .................................... 139Klimaatregelsystemen
Verwarmings- en
ventilatiesysteem
Bedieningsorganen voor: ● temperatuur £
● luchtverdeling l, M en K
● luchtdebiet Z
● ontwasemen en ontdooien à
● achterruit- en buitenspiegelver‐ warming b
● stoelverwarming ß
Verwarmbare achterruit b 3 42.
Verwarmbare buitenspiegels b 3 39.
Verwarmde stoelen ß 3 52.
Temperatuur
Temperatuur aanpassen door £ op
de gewenste temperatuur te draaien.rode zone:warmerblauwe zone:kouder
De verwarming werkt pas optimaal
als de motor de normale bedrijfstem‐
peratuur heeft bereikt.
Luchtverdeling
l:naar de voorruit en de voorste
zijruitenM:naar hoofdhoogte via de verstel‐ bare luchtroostersK:naar de voetenruimte en voorruit
Alle combinaties zijn mogelijk.
Ventilatorsnelheid Pas de luchtopbrengst aan door Z op
de gewenste snelheid te draaien.
rechtsom:versnellenlinksom:vertragen
Page 138 of 293

136KlimaatregelingVerwarmde stoelen ß 3 52.
Hulpverwarming
Luchtverwarming
Quickheat is een elektrische hulpver‐
warming die de lucht in de passa‐
giersruimte automatisch sneller
opwarmt.
Parkeerverwarming Met de parkeerverwarming kunt u het interieur van de auto verwarmen en
het interieur van de auto ventileren
met omgevingslucht.Een led-lampje geeft de bedrijfsstatus
van de parkeerverwarming aan.
● Ledje aan: Er is een timer inge‐ steld.
● Ledje knippert: Het systeem is in bedrijf.
Na afloop van geprogrammeerde
verwarming of na uitschakeling van
de parkeerverwarming met behulp
van de afstandsbediening dooft het
ledje.
De parkeerverwarming is te program‐
meren met behulp van het Graphic-
Info-Display/Colour-Info-Display.
Bovendien is de parkeerverwarming
in en uit te schakelen met behulp van een afstandsbediening.
Let op
De geprogrammeerde verwarming/
ventilatie wordt alleen ingeschakeld
als het contact uit is en de auto
vergrendeld is.
Als het oplaadniveau van de hoog‐ spanningsaccu minder dan 50 % is, wordt de geprogrammeerde verwar‐
ming/ventilatie niet ingeschakeld.Als er een terugkerende verwar‐
ming/ventilatie wordt geprogram‐
meerd en er twee verwarmings-/
ventilatieprocedures worden uitge‐
voerd zonder dat de auto ingescha‐
keld is, wordt de programmering
uitgeschakeld.
Colour-Info-Display
Druk op MENU om naar het menu te
gaan.
Kies Temperatuur|conditionering .
Selecteer verwarming of ventilatie.
Definieer een tijdschakelaar.
Sla de instellingen van de tijdschake‐ laar op.
Page 142 of 293

140Rijden en bedieningRijden en bedieningRijtips......................................... 141
Controle over de auto ..............141
Sturen ...................................... 141
Starten en bediening .................141
Nieuwe auto inrijden ................141
Contactslotstanden ..................141
Aan/Uit-knop ............................ 142
Motor starten ........................... 143
Uitrol-brandstofafsluiter ...........145
Stop/Start-systeem ..................145
Parkeren .................................. 147
Uitlaatgassen ............................. 148
Uitlaatfilter ............................... 148
Katalysator .............................. 149
AdBlue ..................................... 149
Automatische versnellingsbak geëlektrificeerd .......................... 153
Automatische versnellingsbak ...155
Versnellingsbakdisplay ............155
Schakelen ................................ 155
Handmatige modus .................156
Elektronische rijprogramma's ..156
Storing ..................................... 157
Stroomonderbreking ................157Handgeschakelde versnellings‐
bak ............................................. 158
Rijsystemen ............................... 158
Rijmodi .................................... 158
All-wheel drive ......................... 159
Remmen .................................... 160
Antiblokkeersysteem ...............160
Handrem .................................. 160
Remassistentie ........................163
Hellingrem ............................... 163
Regeneratief remmen ..............163
Rijregelsystemen .......................163
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem ..163
Selective Ride Control .............165
Sportmodus ............................. 166
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ......................................... 167
Cruise control .......................... 167
Snelheidsbegrenzer ................169
Adaptieve cruise control ..........172
Frontaanrijdingswaarschu‐ wing ........................................ 179
Actieve noodrem .....................181
Voetgangersbescherming
vóór ........................................ 184
Parkeerhulp ............................. 185
Geavanceerde parkeerhulp .....189
Blindehoeksysteem .................194Panoramazichtsysteem ...........195
Achteruitkijkcamera .................199
Lane Departure Warning .........200
Lane keep assist .....................201
Vermoeidheidsdetectie ............204
Opladen ..................................... 205
Programmeerbaar laden .........208
Oplaadstatus ........................... 209
Oplaadkabel ............................ 209
Brandstof ................................... 212
Brandstof voor benzinemotoren .....................212
Brandstof voor dieselmotoren . 213
Tanken .................................... 214
Trekhaak .................................... 216
Algemene informatie ...............216
Rijgedrag en aanhangertips ....216
Aanhanger trekken ..................217
Aanhangerstabilisatie ..............220
Page 143 of 293

Rijden en bediening141Rijtips
Controle over de auto Nooit met afgezette motor rijden
In deze toestand werken veel syste‐
men niet (bijv. rembekrachtiging,
stuurbekrachtiging). Wanneer u op
deze manier rijdt, vormt u een gevaar
voor uzelf en anderen.
Alle systemen werken tijdens een
Autostop.
Stop/Start-systeem 3 145.
Pedalen
Om de pedalen ongehinderd te
kunnen bedienen geen matten onder
de pedalen leggen.
Gebruik alleen vloermatten die goed
passen en met de houders aan
bestuurderszijde bevestigd zijn.Sturen
Als de stuurbekrachtiging niet meer werkt doordat de motor stopt of door
een systeemdefect, kunt u nog
steeds sturen maar is er wellicht meer kracht nodig.Starten en bediening
Nieuwe auto inrijden
Tijdens de eerste ritten niet onnodig
hard remmen.
Tijdens de eerste rit kan er rookont‐
wikkeling optreden door het verdam‐ pen van was en motorolie op het
uitlaatsysteem. Na de eerste rit de auto enige tijd buiten parkeren en
inademen van de dampen vermijden.
Tijdens het inrijden kunnen het brand‐ stof- en motorolieverbruik hoger zijn.
Ook wordt het uitlaatfilter mogelijk
vaker geregenereerd.
Uitlaatfilter 3 148.
Contactslotstanden
Draai de sleutel naar:
Page 147 of 293

Rijden en bediening145motor en het contact tijdens het
rijden alleen uit indien dat in een
noodgeval noodzakelijk is.
De auto starten bij lage
temperaturen
Het is mogelijk om de motor zonder
bijkomende verwarming te starten tot -25 °C voor dieselmotoren en -30 °C
voor benzinemotoren. Motorolie met
de juiste viscositeit, de juiste brand‐
stof, uitgevoerd onderhoud en een
voldoende opgeladen accu zijn
vereist. Bij temperaturen onder
-30 °C moet de automatische versnel‐
lingsbak gedurende ca. 5 minuten
worden verwarmd. De schakelhendel moet in stand P staan.
Turbomotor opwarmen
Bij het starten is het mogelijk dat het
beschikbare motorkoppel gedurende
een korte tijd beperkt is, vooral
wanneer de motor koud is. Deze
beperking is er om het smeersysteem
de motor volledig te laten bescher‐
men.
Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐ tisch afgesloten bij het uitrollen,
d.w.z. wanneer u met een ingescha‐
kelde versnelling onder het rijden het
gaspedaal loslaat.
Afhankelijk van de omstandigheden wordt de uitrol-brandstofafsluiter
mogelijk uitgeschakeld.
Stop/Start-systeem Het Stop/Start-systeem helpt brand‐stof besparen en uitlaatemissies
beperken. Wanneer de omstandighe‐
den het toelaten, schakelt het de
motor uit vanaf het moment dat de
auto langzaam rijdt of stilstaat, bijv.
aan een verkeerslicht of in een file.
Inschakelen
Het Stop/Start-systeem is beschik‐
baar vanaf het moment dat de motor
is gestart, de auto is vertrokken en
aan de onderstaande voorwaarden is
voldaan.Het systeem is klaar voor gebruik,
wanneer het led-lampje in de toets Ò
niet brandt. Druk om een gedeacti‐
veerd systeem te activeren op Ó.
Als het Stop/Start-systeem tijdelijk niet beschikbaar is en de knop Ò
wordt ingedrukt, knippert de led in de
knop.
Uitschakelen
Schakel het stop-startsysteem manu‐eel uit door op Ò te drukken. De
uitschakeling wordt aangeduid
wanneer de led in de knop oplicht.