sensor OPEL KARL 2017.5 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2017.5, Model line: KARL, Model: OPEL KARL 2017.5Pages: 209, PDF Size: 5.32 MB
Page 162 of 209

160Verzorging van de autovan de band op. De bandenspannin‐
gen op de bandinformatiesticker en in de bandenspanningentabel verwijzennaar koude banden, dus bij een
temperatuur van 20 °C.
De druk wordt voor iedere tempera‐
tuurstijging van 10 °C met bijna
10 kPa verhoogd. Houd hiermee
rekening wanneer u warme banden
controleert.
De bandenspanningswaarde die u op
het Driver Information Center ziet, is
de werkelijke bandenspanning. Bij
een afgekoelde band is deze waarde iets lager, maar is de band niet lek.
Bandenspanningscontrole‐systeem
Het bandenspanningscontrolesys‐
teem controleert vanaf een bepaalde
snelheid eenmaal per minuut de bandenspanning van alle vier de
banden.Voorzichtig
Het bandenspanningscontrole‐
systeem waarschuwt alleen bij
een te lage bandenspanning en
treedt niet in de plaats van regulier onderhoud van de banden door de bestuurder.
Alle wielen moeten zijn voorzien van
een spanningssensor en de banden
moeten de voorgeschreven banden‐
spanning hebben.
Let op
In landen waar het bandenspan‐
ningscontrolesysteem wettelijk
vereist is, wordt de typegoedkeuring van het voertuig bij het gebruik van
wielen zonder druksensoren nietig.
U kunt de actuele bandenspannings‐
waarden bekijken in Informatiemenu
voertuig op het Driver Information
Centre.
U selecteert het menu door indrukken van de toetsen op de richtingaanwij‐
zerhendel.
Druk op MENU om Informatiemenu
voertuig te selecteren X.
Page 163 of 209

Verzorging van de auto161Draai aan het stelwiel om het banden‐
spanningscontrolesysteem te selec‐
teren.
De systeemstatus en bandenspan‐
ningswaarschuwingen herkent u aan
een bericht waarbij de desbetreffende
band knippert op het Driver Informa‐
tion Center.
Voor de waarschuwingen kijkt het
systeem ook naar de temperatuur van de band.
Afhankelijkheid van temperatuur
3 158.
Bij het detecteren van een te lage
bandenspanning brandt het controle‐
lampje w 3 74.
Als
w oplicht, stop dan bij de eerst‐
volgende gelegenheid en breng de
banden op de aanbevolen spannings‐
waarden 3 192.
Als w 60-90 seconden knippert en
daarna ononderbroken brandt, is er
sprake van een fout in het systeem.
De hulp van een werkplaats inroepen.
Na het op spanning brengen moet u
wellicht een stukje rijden om de
bandenspanningswaarden op het
Driver Information Center bij te
werken. Hierbij kan w oplichten.
Als w bij lagere temperaturen oplicht
en na een stukje rijden dooft, kan dit duiden op een te lage bandenspan‐
ning. Bandenspanning controleren.
Boordinformatie 3 83.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden
verhoogd of verlaagd.
Monteer alleen wielen met druksen‐
soren, anders wordt de bandenspan‐
ning niet weergegeven en brandt w
ononderbroken.
Een tijdelijk reservewiel is niet uitge‐
rust met spanningssensoren. Het bandenspanningscontrolesysteemwerkt niet op deze banden. Het
controlelampje w brandt. Voor de
overige drie banden blijft het systeem
in werking.
Gebruik van standaard verkrijgbare
vloeibare bandenreparatiesets kan
de werking van het systeem nadelig
beïnvloeden. Gebruik bij voorkeur
door de fabriek goedgekeurde repa‐
ratiesets.
Als u elektronische apparaten
gebruikt of zich in de buurt vindt van voorzieningen die vergelijkbare
frequenties gebruiken, kan dit de
werking van het bandenspannings‐ controlesysteem verstoren.
Elke keer bij het verwisselen van de
banden moeten de sensoren van het
bandenspanningscontrolesysteem
worden gedemonteerd en onderhou‐
den. Bij opgeschroefde sensoren;
vervang het ventielelement en de
keerring. Bij opgeklikte sensoren;
vervang de complete ventielsteel.
Page 164 of 209

162Verzorging van de autoStatus belading van auto
Pas de bandenspanning volgens de
informatie op het etiket van de band
of in de tabel bandenspanningswaar‐ den aan op de belading van de auto
3 192 en selecteer de betreffende
instelling in het menu
Bandenbelasting op het Driver Infor‐
mation Center, Informatiemenu
voertuig 3 76. Deze instelling is de
referentie voor de bandenspannings‐
waarschuwingen.
Het menu Bandenbelasting verschijnt
alleen als de auto stilstaat en de handrem aangetrokken is. Bij auto's
met automatische versnellingsbak
moet de keuzehendel op P staan.
Selecteer:
● Lo voor een comfortabele span‐
ning tot 3 inzittenden.
● Eco voor een Eco-spanning tot
3 inzittenden.
● Hi voor volledige belading.
Koppelingsprocedure
bandenspanningssensor
Elke bandenspanningsensor heefteen unieke identificatiecode. De iden‐
tificatiecode moet aan de positie van
een nieuwe band of nieuw wiel
worden gekoppeld wanneer de
banden onderling zijn verwisseld, als
alle wielen zijn vervangen of als een
of meerdere bandenspanningssen‐ soren zijn vervangen. De banden‐
spanningssensoren moeten ook
worden gekoppeld als een reserve‐
wiel is vervangen door een reguliere
band met een bandenspanningssen‐
sor.
Bij de volgende contactcyclus moeten
de storingslamp w en het waarschu‐
wingsbericht of de waarschuwings‐
code doven/verdwijnen. De sensoren
worden met een inleergereedschap in de volgende volgorde gekoppeld aan de wielposities: voorwiel linkerzijde,
voorwiel rechterzijde, achterwiel
rechterzijde en achterwiel linkerzijde.
De richtingaanwijzer in de huidige
actieve stand wordt verlicht totdat de
sensor is gekoppeld.
Roep de hulp in van een werkplaats.
U hebt twee minuten voor het koppe‐
len van de positie van het eerste wiel
en vijf minuten voor het koppelen van
de positie van alle vier de wielen. Bij
het overschrijden van deze tijd stopt
het koppelen en moet u opnieuw
beginnen.
Page 165 of 209

Verzorging van de auto163De koppelingsprocedure voor de
bandenspanningssensoren is als
volgt:
1. Handrem aantrekken.
2. Schakel het contact in.
3. Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak: selecteer
Neutraalstand.
4. Gebruik MENU op de richtingaan‐
wijzerhendel om Informatiemenu
voertuig op het Driver Information
Center te selecteren.
5. Draai het stelwieltje om naar het bandenspanningsmenu te schui‐
ven.
6. Druk op SET/CLR om het koppe‐
len van de sensoren te starten. Er moet een bericht met een vraag
om acceptatie van het proces
verschijnen.
7. Druk nogmaals op SET/CLR om
de selectie te bevestigen. De
claxon piept twee keer om aan te
geven dat de ontvanger in de
inleermodus staat.
8. Begin met de voorwiel aan de linkerzijde.9. Zet de inleertool bij het ventiel tegen de wang van de band. Drukdaarna op de toets om de banden‐
spanningssensor te activeren. De claxon piept ter bevestiging dat de sensoridentificatiecode aan de
positie van dit wiel is gekoppeld.
10. Ga verder met het voorwiel rechts
en herhaal de procedure zoals
beschreven in stap 9.
11. Ga verder met het achterwiel rechts en herhaal de procedure
zoals beschreven in stap 9.
12. Ga verder met het achterwiel links
en herhaal de procedure zoals
beschreven in stap 9. De claxon
piept twee keer ter aanduiding dat de sensoridentificatiecode aan
het linkerachterwiel is gekoppeld
en dat de procedure voor het
koppelen van de bandenspan‐
ningssensoren afgesloten is.
13. Schakel het contact uit.14. Breng alle vier banden op de aanbevolen bandenspanning
zoals aangegeven op het etiket
bandeninformatie.
15. Zorg dat de bandenlaadstatus volgens de geselecteerde span‐
ning is ingesteld 3 76.
Profieldiepte
Regelmatig de profieldiepte controle‐
ren.
Om veiligheidsredenen de banden te
vervangen wanneer een profieldiepte
van 2–3 mm (4 mm voor winterban‐ den) is bereikt.
Om veiligheidsredenen mag het
verschil in profieldiepte van banden
op één as niet meer dan 2 mm zijn.
Page 206 of 209

204KKatalysator ................................. 115
Kentekenverlichting ...................151
Keuzehendel ............................. 117
Kilometerteller .............................. 65
Kindersloten ................................. 23
Kinderveiligheids-systemen ..........46
Klimaatregeling ............................ 15
Klimaatregelsystemen ..................99
Klok .............................................. 62
Koelvloeistof .............................. 142
Koelvloeistof en antivries ............179
Koelvloeistoftemperatuur .............74
Koelvloeistoftemperatuurmeter ...67
Koplampinstelling in het buitenland ................................ 94
Koplampverstelling ......................94
L Laadsysteem ............................... 72
Lane Departure Warning ......73, 128
Leeslampen ................................. 97
Lekke band ................................. 168
Lichtschakelaar ............................ 93 Lichtsignaal .................................. 93
Luchtinlaat ................................. 107
Luchtroosters .............................. 106
M
Meters........................................... 65
Mistachterlicht ........................ 75, 95Mistlamp ...................................... 75
Mistlampen ................................ 148
Mistlampen voor .......................... 95
Motorgegevens .......................... 187
Motor-ID...................................... 183
Motorkap .................................... 140
Motorkap open.............................. 76
Motorolie .................... 141, 179, 184
Motoroliedruk ............................... 74
Motor starten ..................... 110, 116
Motorvermogen verminderd .........75
N Nieuwe auto inrijden ..................109
O Obstakeldetectiesystemen .........127
Olie, motor .......................... 179, 184
OnStar .......................................... 88
Ontlaadbeveiliging accu ..............98
Opbergruimte................................ 52
Opbergvakken .............................. 52
Opbergvak middenconsole ..........53
Opgeslagen instellingen ...............21
Overzicht instrumentenpaneel .....10
P Parkeerhulp ............................... 127
Parkeerlichten .............................. 96
Parkeren .............................. 18, 114
Park pilot met ultrasoonsensoren 127Pech........................................... 174
Pedaal intrappen .......................... 72
Persoonlijke instellingen ..............85
Pollenfilter .................................. 107
Portieren ....................................... 24
Portier open ................................. 76
Prestaties ................................... 188
Profieldiepte ............................... 163
R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 200
Regelbare instrumentenverlichting .............96
Registratie van voertuigdata en privacy ..................................... 199
Remassistentie .......................... 120
Rem- en koppelingssysteem .......72
Rem- en koppelingsvloeistof ......179
Remmen ............................ 119, 143
Remvloeistof .............................. 143
Reparatie ongevalschade ...........195
Reservewiel ............................... 170
Richtingaanwijzer ........................70
Richtingaanwijzers ....................... 95
Richtingaanwijzers vooraan ......149
Ruiten ........................................... 29
Rijregelsystemen ........................121
Rijverlichting .................... 12, 75, 93