stop start OPEL MERIVA 2015 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2015, Model line: MERIVA, Model: OPEL MERIVA 2015Pages: 251, PDF Size: 7.81 MB
Page 146 of 251

144Rijden en bediening
Als een van de volgende omstandig‐
heden zich voordoet tijdens een Au‐
tostop, dan zal de motor automatisch
door het Stop/Start-systeem worden
herstart.
■ Het stop-startsysteem is manueel uitgeschakeld
■ de motorkap is open
■ de veiligheidsgordel van de be‐ stuurders is losgemaakt en het be‐
stuurdersportier is geopend
■ de motortemperatuur is te laag
■ de accu is ontladen
■ het remvacuüm is niet voldoende ■ de auto begint te bewegen
■ het aircosysteem vereist het starten
van de motor
■ de airconditioning wordt handmatig
ingeschakeld
Als de motorkap niet volledig geslo‐
ten is, verschijnt een waarschuwings‐
bericht op het Driver Information Cen‐ ter.Als een elektrische accessoire, bvb.
een draagbare CD-speler op de stek‐
kerdoos is aangesloten, merkt u mo‐
gelijk een korte terugval tijdens het
herstarten.
Parkeren9 Waarschuwing
■Parkeer de auto niet op een licht
ontvlambaar oppervlak. Door de
hoge temperatuur van het uit‐
laatsysteem kan het oppervlak
ontbranden.
■ Trek altijd de handrem aan. Trek gedurende ongeveer
één seconde aan schakelaar
m .
De elektrische handrem is aan‐
getrokken wanneer controle‐
lamp m oplicht 3 99.
■ Zet de motor af.
■ Wanneer de auto vlak of op een
oplopende helling staat, dan
vóór het verwijderen van de
contactsleutel de eerste ver‐
snelling inschakelen of de keu‐ zehendel in stand P zetten. Op
een oplopende helling boven‐
dien de voorwielen van de
stoeprand wegdraaien.
Wanneer de auto op een aflo‐
pende helling staat, dan vóór
het verwijderen van de contact‐
sleutel de achteruitversnelling
inschakelen of de keuzehendel
in stand P zetten. Bovendien de
voorwielen naar de stoeprand toedraaien.
■ De contactsleutel verwijderen. Stuurwiel verdraaien totdat het
stuurslot merkbaar vergrendelt.
Bij auto's met automatische ver‐ snellingsbak kan de sleutel al‐
leen worden verwijderd met de
keuzehendel in stand P.
Vergrendel de auto en activeer het
alarmsysteem.
Page 177 of 251

Verzorging van de auto1759Gevaar
Het ontstekingssysteem werkt met
een zeer hoge spanning. Niet aan‐
raken.
Motorkap
Openen
Aan de ontgrendelingshendel trekken en in de uitgangspositie terugduwen.
Druk de veiligheidspal in en open de
motorkap.
Motorkapsteun vastzetten.
Als de motorkap wordt geopend tij‐
dens een Autostop, wordt de motor automatisch herstart omwille van vei‐ ligheidsredenen.
Sluiten
Steun vóór het sluiten van de motor‐
kap stevig in de houder duwen.
Motorkap laten zakken en in het slot
laten vallen. Controleer of de motor‐ kap vergrendeld is.
MotorolieControleer het oliepeil ook regelmatig
manueel om schade aan de motor te voorkomen.
Vergewis u ervan dat de gebruikte
olie de juiste specificatie heeft. Aan‐
bevolen olie en smeermiddelen
3 225.
Alleen op een vlakke ondergrond
controleren. De motor moet op be‐
drijfstemperatuur zijn en minstens
5 minuten uitgeschakeld zijn ge‐
weest.
Page 181 of 251

Verzorging van de auto179AccuAuto's zonder stop-startsysteem zijn
uitgerust met een loodzuuraccu. Au‐
to's met stop-startsysteem zijn uitge‐
rust met een AGM-accu die geen
loodzuuraccu is.
De accu van de auto is onderhouds‐
vrij als het rijgedrag zodanig is dat
deze voldoende wordt opgeladen.
Door korte ritten en vaak starten kan
de accu ontladen raken. Vermijd het gebruik van onnodige elektrische ver‐
bruikers.
Batterijen horen niet in het huisvuil
thuis. Ze moeten via speciale inza‐
melpunten gerecycled worden.
Wanneer de auto meer dan 4 weken
achtereen stilstaat, kan de accu ont‐
laden raken. Poolklem van de min‐
pool van de accu loskoppelen.
Accu van de auto alleen bij uitgescha‐
kelde ontsteking aansluiten en los‐
koppelen.
Ontlaadbeveiliging accu 3 128.
Accu vervangen Let op
Elke afwijking van de in deze para‐ graaf gegeven instructies kan leiden tot een tijdelijke uitschakeling van
het stop-startsysteem.
Let er bij het vervangen van de accu
op dat er bij de pluspool geen lucht‐
roosters open zijn. Als er in dit gebied een ventilatieopening open is, moet
deze met een afdekkap worden afge‐
sloten en moet de ventilatie bij de
minpool worden geopend.
Uitsluitend accu's gebruiken waarbij
de zekeringenkast boven de accu kan
worden gemonteerd.
Zorg bij auto's met een stop-startsys‐ teem dat de AGM-accu (Absorptive
Glass Mat) weer wordt vervangen
door een AGM-accu.
U kunt een AGM-accu herkennen aan
het label op de accu. Wij bevelen het
gebruik aan van een originele Opel-
accu.
Let op
Als u een andere AGM-accu ge‐
bruikt dan de originele Opel accu is
het mogelijk dat het Stop/Start-sys‐
teem slechter presteert.
Page 182 of 251

180Verzorging van de auto9Waarschuwing
Bij het aanbrengen van een accu
met een andere lengte dan het
oorspronkelijke exemplaar moet
het bufferelement altijd goed pas‐
sen.
Het wordt geadviseerd de accu door
een werkplaats te laten vervangen.
Stop/Start-systeem 3 142.
Accu opladen9 Waarschuwing
Bij auto's met een stop-startsys‐
teem moet u ervoor zorgen dat het oplaadvermogen geen 14,6 volt
overschrijdt wanneer u een accu-
oplader gebruikt. Anders kan de
accu beschadigd raken.
Starthulp gebruiken 3 216.
Waarschuwingslabel
Betekenis van symbolen: ■ Geen vonken of open vlammen en niet roken.
■ Bescherm de ogen altijd. Explo‐ sieve gassen kunnen blindheid of
letsel veroorzaken.
■ Houd de accu buiten het bereik van
kinderen.
■ De accu bevat zwavelzuur dat aan‐
leiding kan geven tot blindheid of
ernstige brandwonden.
■ Zie de Gebruikershandleiding voor meer informatie.
■ Explosief gas kan in de buurt van de accu aanwezig zijn.
Page 218 of 251

216Verzorging van de auto9Waarschuwing
Bij het niet goed vastzetten van
een krik, een wiel of andere appa‐ ratuur in de bagageruimte is er
kans op letsel. Bij een noodstop of een botsing kunnen inzittendendoor voorwerpen worden getrof‐
fen.
Berg krikken of gereedschap altijd goed vastgezet in de betreffendeopbergvakken op.
Leg het beschadigde wiel altijd
vastgezet met de band in de ba‐
gageruimte of met de vleugelmoer
in de uitsparing voor het reserve‐
wiel.
Compact reservewiel
Bij gebruik van het compacte reser‐
vewiel kunnen de rijeigenschappen
negatief worden beïnvloed. Defecte
band zo spoedig mogelijk laten ver‐
vangen of repareren.
Slechts één compact reservewiel monteren. De toegestane maximum‐
snelheid op het label op het tijdelijke
reservewiel geldt alleen voor de ban‐
denmaat af fabriek.
Als uw auto achteraan een lekke
band krijgt wanneer u een ander voer‐ tuig sleept, dient u het compact reser‐
vewiel vooraan en een volwaardig
wiel achteraan te monteren.
Sneeuwkettingen 3 205.
Draairichtingsgebonden
banden
Draairichtingsgebonden banden zo
monteren dat ze in de rijrichting afrol‐ len. De draairichting is herkenbaar
aan een symbool (bijv. een pijl) op de
zijwand van de band.
Voor banden die tegen de draairich‐
ting in gemonteerd zijn geldt:
■ Rijeigenschappen worden mogelijk
nadelig beïnvloed. Defecte band zo
spoedig mogelijk laten vervangen
of repareren.
■ Bij regen en sneeuw bijzonder voorzichtig rijden.Starthulp gebruiken
Niet starten met behulp van een snel‐
lader.
Bij een ontladen accu kan de motor
worden gestart met hulpstartkabels
en de accu van een ander voertuig.9 Waarschuwing
Ga bij het werken met hulpstartka‐
bels uiterst behoedzaam te werk.
Afwijken van de onderstaande in‐
structies kan letsel of schade door
exploderen van de accu of schade aan de elektrische systemen van
beide voertuigen veroorzaken.
9 Waarschuwing
Laat de accu niet in contact komen
met de ogen, de huid, weefsels en lakwerk. De vloeistof bevat zwa‐
velzuur, dat bij direct contact per‐
soonlijk letsel en schade aan de auto kan veroorzaken.
Page 249 of 251

247
Oliedruk...................................... 101
Olie, motor .......................... 225, 229
Ontlaadbeveiliging accu ............128
Opbergruimte................................ 63
Opbergruimte achter .................... 77
Opbergruimte voorin ....................65
Opbergvakken .............................. 63
Opbergvak onder passagiersstoel 65
Opgeslagen instellingen ...............22
Opklapbaar aflegvlak ...................80
Opschakelen............................... 100
Overzicht instrumentenpaneel .....10
P Panne ......................................... 218
Panoramadak .............................. 35
Parkeerhulp ............................... 156
Parkeerlichten ............................ 125
Parkeren .............................. 18, 144
Partikelfilter ................................. 145
Pedaal intrappen .......................... 99
Persoonlijke instellingen ............115
Persoonlijke instellingen configureren ............................ 115
Pollenfilter .................................. 138
Portieren ....................................... 26
Portier open ............................... 102
Prestaties ................................... 235
Profieldiepte ............................... 203Q
Quickheat ................................... 136
R Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 243
Regelbare instrumentenverlichting ...........126
Registreren van autogegevens en privacy ................................ 242
Remassistentie .......................... 152
Rem- en koppelingssysteem .......99
Rem- en koppelingsvloeistof ......225
Remmen ............................ 150, 178
Remvloeistof .............................. 178
Reservewiel ............................... 214
Richtingaanwijzer ........................97
Richtingaanwijzers ..................... 124
Richtingaanwijzers vooraan ......186
Richtingaanwijzer vooraan .........182
Roetfilter .................................... 145
Ruiten ........................................... 31
Rijgedrag en aanhangertips ......168
Rijregelsystemen ........................153
Rijverlichting ........................ 12, 102
S Service ............................... 138, 224
Service-display ............................ 93
Service-indicatie .......................... 98Service-informatie ...................... 224
Sjorogen ...................................... 79
Sleutels ........................................ 20
Sleutels, opgeslagen instellingen. 22
Sleutels, sloten ............................. 20
Sneeuwkettingen .......................205
Snelheidsmeter ............................ 91 Spiegelverstelling ..........................8
Sproeiervloeistof ........................178
Startbeveiliging ....................29, 102
Starten en bedienen ...................140
Starthulp gebruiken ...................216
Stoelpositie .................................. 38
Stoelverstelling ........................6, 38
Stoelverwarming ........................... 42
Stop/Start-systeem .....................142
Storing ....................................... 149
Storingsindicatielamp ..................98
Stroomonderbreking ..................149
Sturen ......................................... 139
Stuurbedieningsknoppen .............84
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......177
Stuurwiel instellen .......................... 9
Stuurwielverstelling ...................... 84
Stuurwiel, verwarmd .....................85
Symbolen ....................................... 4
T
Tanken ....................................... 164 Technische gegevens ................232