stop start OPEL MERIVA 2016.5 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2016.5, Model line: MERIVA, Model: OPEL MERIVA 2016.5Pages: 259, PDF Size: 8.08 MB
Page 151 of 259

Rijden en bediening149Dit proces vindt onder bepaalde rij‐
omstandigheden automatisch plaats en kan tot 25 minuten duren. Door‐
gaans neemt dit tussen 7 en
12 minuten in beslag. Autostop is niet
beschikbaar en het brandstofverbruik
kan tijdens deze periode hoger zijn.
Enige geur- en rookontwikkeling tij‐
dens deze procedure is normaal.
Onder bepaalde rijomstandigheden,
bijvoorbeeld bij korte ritten, kan het
systeem zichzelf niet automatisch rei‐
nigen.
Wanneer het filter geregenereerd
moet worden maar de recente rijom‐ standigheden geen automatische re‐
generatie toelieten, knippert controle‐
lamp %. Tegelijkertijd verschijnt
Roetfilter is vol, rijd door of waarschu‐
wings code 55 op het Driver Informa‐ tion Center.
% brandt wanneer het dieselpartikel‐
filter vol is. Start het regeneratiepro‐
ces zo spoedig mogelijk.
% knippert wanneer het maximale
vulniveau van het filter is bereikt. Start
het regeneratieproces onmiddellijk
om schade aan de motor te voorko‐
men.
Regeneratieproces Blijf rijden om het regeneratieproces
te activeren en houd het motortoeren‐
tal boven 2000 1/min. Indien nodig te‐ rugschakelen. De regeneratie van het
dieselpartikelfilter wordt dan gestart.
Als controlelamp g ook gaat bran‐
den, is regeneratie niet mogelijk.
Roep de hulp van een werkplaats in.Voorzichtig
Wordt het reinigingsproces onder‐ broken, dan bestaat het risico dater zware motorschade ontstaat.
De regeneratie verloopt het snelst bij
hoge motortoeren en een zware be‐
lasting.
Controlelampje % dooft zodra de
zelfreiniging is afgerond.
Katalysator De katalysator vermindert de hoe‐
veelheid schadelijke stoffen in de uit‐
laatgassen.Voorzichtig
Het gebruik van andere brandstof‐ kwaliteiten dan die genoemd op
pagina 3 164, 3 235 kan aanlei‐
ding geven tot schade aan de ka‐
talysator en elektronische onder‐
delen.
Onverbrande benzine kan leiden
tot oververhitting van en schade
aan de katalysator. Daarom de startmotor niet onnodig lang laten
draaien, de tank niet leegrijden en
de motor niet door duwen of sle‐
pen proberen te starten.
Page 155 of 259

Rijden en bediening153
5. Steek een schroevendraaier zover mogelijk in de opening en haal
de keuzehendel uit P of N. Bij het
opnieuw inschakelen van P of N
zit de keuzehendel weer vast.
Oorzaak van de stroomonderbre‐
king door een werkplaats laten
verhelpen.
6. Breng de kap van de keuzehendel
weer op de middenconsole aan.
Handgeschakelde
versnellingsbak
Om de achteruit in te schakelen, drukt u op het koppelingspedaal en op de
ontgrendelknop op de keuzehendel
en schakelt u de versnelling in.
Kan de versnelling niet worden inge‐
schakeld, dan koppeling in de neu‐
trale stand laten opkomen, koppeling
weer intrappen en nogmaals schake‐
len.
Laat de koppeling niet onnodig slip‐
pen.
Bij bediening het koppelingspedaal
helemaal intrappen. Uw voet niet op
het pedaal laten rusten.Voorzichtig
Rijd bij voorkeur niet met de hand
voortdurend op de selectorhendel.
Stop/Start-systeem 3 145.
Page 158 of 259

156Rijden en bedieningTrek de elektrische handrem aan:
houd de schakelaar m meer dan
vijf seconden uitgetrokken. Als con‐ trolelamp m brandt, is de elektrische
handrem aangetrokken.
Zet de elektrische handrem los: houd de schakelaar m meer dan
twee seconden ingedrukt. Als contro‐
lelamp m dooft, is de elektrische
handrem losgezet.
Controlelamp m knippert: elektrische
handrem is niet helemaal aangetrok‐
ken of losgezet. Knippert de lamp
continu, zet de elektrische handrem
dan los en probeer deze weer aan te
trekken.
Controlelamp m 3 98.
Remassistentie Bij het snel en krachtig intrappen van
het rempedaal wordt automatisch met
de maximale remkracht (noodstop)
geremd.
De druk op het rempedaal niet ver‐ minderen, zolang er maximaal ge‐remd moet worden. Bij het loslaten
van het rempedaal wordt de rem‐
kracht automatisch verminderd.Hellingrem
Het systeem voorkomt onbedoeld be‐
wegen bij het wegrijden op hellingen.
Wanneer u de voetrem loslaat nadat
u op een helling bent gestopt, blijft de rem nog gedurende 2 seconden in‐
geschakeld. Bij het optrekken van de auto werken de remmen automatisch niet meer.
De hellingrem werkt niet tijdens een
Autostop.
Stop/Start-systeem 3 145.Rijregelsystemen
Traction Control
De Traction Control (TC) is een on‐
derdeel van de elektronische stabili‐ teitsregeling.
TC verhoogt zo nodig de stabiliteit,
ongeacht het type wegdek of de grip
van de banden, door te voorkomen
dat de aangedreven wielen door‐
slaan.
Zodra de aangedreven wielen begin‐
nen door te slaan, wordt het motor‐
vermogen verminderd en wordt het
wiel met de meeste slip afzonderlijk
afgeremd. Daardoor wordt de rijstabi‐
liteit van de auto op een glad wegdek
aanmerkelijk verbeterd.
TC is bedrijfsklaar zodra de controle‐
lamp b dooft.
Wanneer TC actief ingrijpt, knip‐
pert b.
Page 181 of 259

Verzorging van de auto179
Druk de veiligheidspal in en open de
motorkap.
Motorkapsteun vastzetten.
Als de motorkap wordt geopend tij‐
dens een Autostop, wordt de motor automatisch herstart omwille van vei‐ ligheidsredenen.
Sluiten Steun vóór het sluiten van de motor‐
kap stevig in de houder duwen.
Laat de motorkap zakken en laat
deze vanaf een lage hoogte
(20-25 cm ) in de grendel vallen. Con‐
troleer of de motorkap vergrendeld is.Voorzichtig
Druk de motorkap niet in het slot
om deuken te voorkomen.
Motorolie
Controleer het oliepeil ook regelmatig
manueel om schade aan de motor te voorkomen.
Vergewis u ervan dat de gebruikte
olie de juiste specificatie heeft. Aan‐
bevolen olie en smeermiddelen
3 228.
Het maximale motorolieverbruik is 0,6 l per 1000 km.
Alleen op een vlakke ondergrond
controleren. De motor moet op be‐
drijfstemperatuur zijn en minstens vijf minuten uitgeschakeld zijn geweest.
Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot
aan de aanslag van de handgreep
weer insteken, opnieuw uittrekken en
het motoroliepeil aflezen.
Peilstok tot aan de aanslag van de
handgreep insteken en een halve
slag draaien.
Afhankelijk van de motor worden er
verschillende oliepeilstokken ge‐ bruikt.
Page 185 of 259

Verzorging van de auto183Accu vervangenLet op
Elke afwijking van de in deze para‐
graaf gegeven instructies kan leiden
tot een tijdelijke uitschakeling van
het stop-startsysteem.
Let er bij het vervangen van de accu
op dat er bij de pluspool geen lucht‐
roosters open zijn. Als er in dit gebied een ventilatieopening open is, moet
deze met een afdekkap worden afge‐ sloten en moet de ventilatie bij de
minpool worden geopend.
Uitsluitend accu's gebruiken waarbij
de zekeringenkast boven de accu kan
worden gemonteerd.
Vervang bij auto's met een AGM-accu
(Absorptive Glass Mat) de accu door
een andere AGM-accu.
U kunt een AGM-accu herkennen aan
het label op de accu. Wij bevelen het
gebruik aan van een originele Opel-
accu.
Let op
Als u een andere AGM-accu ge‐
bruikt dan de originele Opel accu,
kunnen slechtere prestaties het ge‐
volg zijn.
9 Waarschuwing
Bij het aanbrengen van een accu
met een andere lengte dan het
oorspronkelijke exemplaar moet
het bufferelement altijd goed pas‐
sen.
Het wordt geadviseerd de accu door
een werkplaats te laten vervangen.
Stop/Start-systeem 3 145.
Page 186 of 259

184Verzorging van de autoAccu opladen9Waarschuwing
Bij auto's met een stop-startsys‐
teem moet u ervoor zorgen dat het oplaadvermogen geen 14,6 volt
overschrijdt wanneer u een accu-
oplader gebruikt. Anders kan de
accu beschadigd raken.
Starthulp gebruiken 3 219.
Waarschuwingslabel
Betekenis van symbolen: ● Geen vonken of open vlammen en niet roken.
● Bescherm de ogen altijd. Explo‐ sieve gassen kunnen blindheid of
letsel veroorzaken.
● Houd de accu buiten het bereik van kinderen.
● De accu bevat zwavelzuur dat aanleiding kan geven tot blind‐
heid of ernstige brandwonden.
● Zie de Gebruikershandleiding voor meer informatie.
● Explosief gas kan in de buurt van
de accu aanwezig zijn.
Dieselbrandstofsysteem
ontluchten
Na het leegrijden van de tank moet
het dieselbrandstofsysteem worden
ontlucht. De ontsteking driemaal
15 seconden per keer inschakelen.
Motor vervolgens maximaal
40 seconden starten. Deze procedure na minstens 5 seconden herhalen.
Slaat de motor niet aan, dan de hulp van een werkplaats inroepen.Wisserblad vervangen
Wisserbladen voorruit
Til de ruitenwisser op, druk op de
knop om het wisserblad los te maken en verwijder dit.
Maak het ruitenwisserblad in een
lichte hoek aan de ruitenwisserarm
vast en druk tot het vastklikt.
Laat de ruitenwisserarm voorzichtig
zakken.
Page 208 of 259

206Verzorging van de autovervangen. De bandenspannings‐
sensoren moeten ook worden gekop‐ peld na het vervangen van een reser‐
vewiel door een reguliere band met
een bandenspanningssensor.
Bij de volgende contactcyclus moeten
de storingslamp w en het waarschu‐
wingsbericht of de waarschuwings‐
code doven/verdwijnen. De sensoren worden met een inleergereedschap inde volgende volgorde gekoppeld aan
de wielposities: voorwiel linkerzijde,
voorwiel rechterzijde, achterwiel
rechterzijde en achterwiel linkerzijde. De richtingaanwijzer in de huidige ac‐
tieve stand wordt verlicht totdat de
sensor is gekoppeld.
Neem contact op met een werkplaats voor onderhoud of om inleergereed‐
schap aan te schaffen. U hebt twee
minuten voor het koppelen van de po‐
sitie van het eerste wiel en vijf minu‐
ten voor het koppelen van de positie
van alle vier de wielen. Bij het over‐
schrijden van deze tijd stopt het kop‐
pelen en moet u opnieuw beginnen.De koppelingsprocedure voor de ban‐
denspanningssensoren is als volgt:
1. Trek de handrem aan.
2. Schakel het contact in.
3. Op auto's met automatische ver‐ snellingsbak: zet de keuzehendel
in P.
Bij auto's met handgeschakelde
versnellingsbak: selecteer Neu‐
traalstand.
4. Druk op MENU op de richtingaan‐
wijzerhendel om Informatiemenu
voertuig op het Driver Information
Center te selecteren.
5. Blader met het stelwiel naar het bandenspanningsmenu.
6. Druk op SET/CLR om het koppe‐
len van de sensoren te starten. Er moet een bericht met een vraag
om acceptatie van het proces ver‐ schijnen.
7. Druk nogmaals op SET/CLR om
de selectie te bevestigen. De cla‐
xon piept twee keer om aan te ge‐
ven dat de ontvanger in de inleer‐ modus staat.8. Begin met de voorwiel aan de lin‐ kerzijde.
9. Zet de inleertool bij het ventiel te‐ gen de wang van de band. Druk
daarna op de toets om de ban‐
denspanningssensor te activeren. De claxon piept en alle richting‐
aanwijzers werken kort ter beves‐
tiging dat de sensoridentificatie‐
code aan de positie van dit wiel is gekoppeld.
10. Ga verder met het voorwiel rechts
en herhaal de procedure zoals be‐
schreven in stap 9.
11. Ga verder met het achterwiel rechts en herhaal de procedure
zoals beschreven in stap 9.
12. Ga verder met het achterwiel links
en herhaal de procedure zoals be‐ schreven in stap 9. De claxon
piept twee keer ter aand uiding dat
de sensoridentificatiecode aan
het linkerachterwiel is gekoppeld
en dat de procedure voor het kop‐
pelen van de bandenspannings‐
sensoren afgesloten is.
13. Schakel het contact uit.
Page 254 of 259

252TrefwoordenlijstAAanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............228, 232
Aanduidingen op banden ..........201
Aanhangerkoppeling ..................171
Aanhanger trekken ....................172
Aansteker .................................... 89
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 177
Accu ........................................... 182
Accu, starthulp gebruiken ...........219
Achterdeuren ............................... 26
Achterklep..................................... 26 Achterlichten .............................. 190
Achterruitverwarming ................... 33
Achteruitkijkcamera ...................162
Achteruitrijlichten .......................128
Actieve hoofdsteunen ..................36
Adaptief remlicht .........................154
Adaptief rijlicht (AFL) .........126, 187
Adaptive Forward Lighting .........101
Afmetingen auto ........................239
Afstandsbediening ........................20
Airbag deactiveren ....................... 54
Airbag-deactivering ...................... 96
Airbag en gordelspanners ...........96
Airbaglabel.................................... 49
Airbagsysteem ............................. 49
Airconditioning ........................... 133Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 141
Alarmknipperlichten ...................127
Algemene informatie .................. 171
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 142
Andere auto slepen ...................222
Antiblokkeersysteem .................154
Antiblokkeersysteem (ABS) .........98
Anti-vries..................................... 180
Armsteun ................................ 40, 44
Armsteun met opbergruimte ........64
Asbakken ..................................... 89
Autogegevens ............................ 232
Autokrik....................................... 200
Automatische dimfunctie .............30
Automatische verlichting ............ 124
Automatische versnellingsbak ...150
Automatisch vergrendelen ...24, 101
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 221
Auto stallen ................................. 177
Autostop ..................................... 145
B Bagageruimte ........................ 26, 74
Bagageruimte-afdekking .............75
Banden- en wielmaat, verwisselen ............................. 207
Bandenreparatieset ...................208
Page 257 of 259

255Opbergruimte achter..................... 75
Opbergruimte voorin ....................64
Opbergvakken .............................. 62
Opbergvak onder passagiersstoel 64
Opgeslagen instellingen ...............21
Opklapbaar aflegvlak ...................79
Opschakelen................................. 98
Overzicht instrumentenpaneel .....10
P Panne ......................................... 221
Panoramadak .............................. 34
Parkeerhulp ............................... 159
Parkeerlichten ............................ 128
Parkeren .............................. 18, 147
Partikelfilter ................................. 148
Pedaal intrappen .......................... 97
Persoonlijke instellingen ............114
Persoonlijke instellingen configureren ............................ 114
Pollenfilter .................................. 140
Portieren ....................................... 26
Portier open ............................... 101
Prestaties ................................... 237
Profieldiepte ............................... 207
Q Quickheat ................................... 139R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 250
Regelbare instrumentenverlichting ...........129
Registreren van autogegevens en privacy ................................ 249
Remassistentie .......................... 156
Rem- en koppelingssysteem .......97
Rem- en koppelingsvloeistof ......228
Remmen ............................ 154, 182
Remvloeistof .............................. 182
Reparatie ongevalschade ...........245
Reservewiel ............................... 217
Richtingaanwijzer ........................95
Richtingaanwijzers ..................... 127
Richtingaanwijzers vooraan ......190
Richtingaanwijzer vooraan .........185
Roetfilter ............................... 99, 148
Ruiten ........................................... 30
Rijgedrag en aanhangertips ......171
Rijverlichting ........................ 12, 101
S
Service ............................... 141, 227
Service-display ............................ 92
Service-indicatie .......................... 97
Service-informatie ...................... 227
Sjorogen ...................................... 77
Sleutels ........................................ 19Sleutels, opgeslagen instellingen. 21
Sleutels, sloten ............................. 19
Sneeuwkettingen .......................208
Snelheidsmeter ............................ 89 Spiegelverstelling ..........................8
Sproeiervloeistof ........................181
Startbeveiliging ....................28, 101
Starten en bedienen ...................143
Starthulp gebruiken ...................219
Stoelpositie .................................. 37
Stoelverstelling ........................6, 38
Stoelverwarming ........................... 41
Stop/Start-systeem .....................145
Storing ....................................... 152
Storingsindicatielamp ..................97
Stroomonderbreking ..................152
Sturen ......................................... 143
Stuurbedieningsknoppen .............83
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......181
Stuurwiel instellen .......................... 9
Stuurwielverstelling ...................... 83
Stuurwiel, verwarmd .....................83
Symbolen ....................................... 4
T
Tanken ....................................... 167
Technische gegevens ................235
Te laag brandstofpeil .................100
Toerenteller ................................. 90
Top-Tether-bevestigingsogen ......61