sensor OPEL MOVANO_B 2015 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2015, Model line: MOVANO_B, Model: OPEL MOVANO_B 2015Pages: 215, PDF Size: 4.97 MB
Page 134 of 215

132Rijden en bediening
Let op
Accessoires e.d. die in het detectie‐ gebied van de sensoren gemon‐
teerd zijn kunnen storingen in het
systeem veroorzaken.
Activering
Het systeem wordt automatisch ge‐
activeerd als de achteruitversnelling
wordt ingeschakeld. Een kort geluids‐
signaal geeft aan dat het systeem
klaar is voor gebruik.
Onderbroken geluidssignalen duiden op een obstakel. De geluidssignalenvolgen elkaar sneller op naarmate de afstand tot het obstakel afneemt. Isde afstand kleiner dan 30 cm, dan
klinkt er een ononderbroken geluids‐
signaal.9 Waarschuwing
Onder bepaalde omstandigheden
kunnen reflecterende oppervlak‐
ken van uiteenlopende aard op
voorwerpen of kleding evenals ex‐
terne geluidsbronnen ertoe leiden
dat het systeem obstakels niet
waarneemt.
In het bijzonder moet gelet worden
op lage obstakels die het onderste gedeelte van de bumper kunnen
beschadigen.Voorzichtig
De sensor werkt eventueel minder goed wanneer deze bijv. met ijs of sneeuw zijn bedekt.
Het parkeerhulpsysteem werkt bij
een zware belading eventueel
minder goed.
Bij grotere voertuigen (bijv. of‐
froad-voertuigen, minivans, be‐
stelauto's) is er sprake van bijzon‐
dere omstandigheden. De objec‐
therkenning in het bovenste deel
van deze voertuigen kan niet wor‐ den gegarandeerd.
Objecten met een erg klein reflec‐
tievlak, zoals smalle voorwerpen of zachte materialen, herkent het
systeem mogelijkerwijs niet.
De parkeerhulp detecteert geen
objecten buiten het detectiebereik.
Deactivering
Het systeem kan uitgeschakeld of tij‐
delijk uitgeschakeld worden.
Page 144 of 215

142Verzorging van de auto
Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot
aan de aanslag van de handgreep
weer insteken, opnieuw uittrekken en het motoroliepeil aflezen.Voorzichtig
De eigenaar van de auto dient
erop te letten dat er genoeg mo‐
torolie van de juiste kwaliteit in de
motor zit.
Wanneer het motoroliepeil tot het
merkteken MIN is gedaald, dan mo‐
torolie bijvullen.
Voorzichtig
Het motoroliepeil nooit tot onder
het minimumpeil laten dalen!
Het wordt geadviseerd hetzelfde type olie te gebruikt als bij de laatste olie‐
verversing.
Het motoroliepeil mag niet hoger
staan dan het bovenste merkteken MAX op de peilstok.
Voorzichtig
Een teveel aan motorolie moet
worden afgetapt of afgezogen.
Het olieverbruik stabiliseert niet voor‐
dat de auto enkele duizenden kilome‐ ters heeft afgelegd. Pas dan kan het
werkelijke olieverbruik worden be‐ paald.
Bij een verbruik van meer dan
0,5 liter per 1000 km na deze inrijpe‐
riode wordt geadviseerd contact op te nemen met een werkplaats.
Inhouden 3 203, Peilsensor motor‐
olie 3 77.
Dop recht terugplaatsen en vast‐ draaien.
Koelvloeistof De koelvloeistof biedt vorstbescher‐
ming tot ca. –28 °C.
Page 163 of 215

Verzorging van de auto161Bandenspanning
De bandenspanning minstens om de
14 dagen en vóór elke lange rit bij
koude banden controleren. Het reser‐ vewiel niet vergeten. Dit geldt ook
voor auto's met een bandenspan‐ ningscontrolesysteem.
Bandenspanningswaarden 3 204.
Breng de banden op de spannings‐
waarden zoals vermeld op het label
op het frame van de bestuurdersdeur.
De voorgeschreven bandenspanning
geldt bij koude banden. De waarde
geldt voor zowel zomer- als winter‐
banden.
Reservewiel altijd oppompen tot de
bandenspanning bij maximale bela‐
ding.
Een onjuiste bandenspanning beïn‐
vloedt de veiligheid, het weggedrag,
het rijcomfort en het brandstofver‐
bruik negatief en verhoogt de ban‐
denslijtage.
De bandenspanningswaarden ver‐
schillen afhankelijk van de diverse
opties. Ga voor de juiste banden‐ spanningswaarde als volgt te werk:1. Bepaal de code van de motor-ID. Motorgegevens 3 188.
2. Bepaal de betreffende band.
De bandenspanningswaardetabellen
vermelden alle mogelijke banden‐
combinaties 3 204.
Voor de voor uw auto goedgekeurde
banden kunt u de EEG-conformiteits‐
verklaring die bij uw auto is geleverd, of andere landelijke registratiedocu‐
menten raadplegen.
De bestuurder is verantwoordelijk
voor het juist instellen van de ban‐
denspanning.9 Waarschuwing
Een te lage bandenspanning kan
aanleiding geven tot oververhitting van de banden en interne bescha‐
digingen, wat bij hoge snelheden
loslatende loopvlakken en zelfs
klapbanden kan veroorzaken.
Achterwielaandrijving, met
dubbele achterbanden
Bij het opblazen van de buitenste
band moet de opblaasbuis tussen de twee wielen door worden geleid.
Bandenspanningscontro‐
lesysteem
Het bandenspanningscontrolesys‐
teem (TPMS) gebruikt radiografische
en sensortechnologie ter controle van
de bandenspanningswaarden.Voorzichtig
Het bandenspanningscontrole‐
systeem waarschuwt alleen bij
een te lage bandenspanning en
treedt niet in de plaats van regulier onderhoud van de banden door de bestuurder.
Alle wielen moeten zijn voorzien van
een druksensor en de banden moe‐
ten de voorgeschreven bandenspan‐
ning hebben.
Page 164 of 215

162Verzorging van de auto
Let op
In landen waar het bandenspan‐
ningscontrolesysteem wettelijk ver‐
eist is, wordt de typegoedkeuring
van het voertuig bij het gebruik van
wielen zonder druksensoren nietig.
De sensoren van het TPMS controle‐ ren de spanningswaarden van de
banden en verzenden de meetwaar‐
den naar een ontvanger in de auto.
Elke band, ook de reserve, moet koud
en op de spanning zoals aanbevolen
op het etiket bandenspanning maan‐
delijks worden gecontroleerd.
Bandenspanningswaarden op
display
U kunt de actuele bandenspannings‐
waarden bekijken op het Driver Infor‐
mation Center 3 85.
Druk bij een stilstaande auto meer‐
dere malen op de knop op het uit‐
einde van de wisserhendel totdat het
menu Bandenspanningswaarden
verschijnt.
Bandenspanning te laag
Een te lage bandenspanning wordt
aangegeven door het oplichten van
controlelamp w 3 83 en een bijbeho‐
rend bericht op het Driver Information Center.
Als w oplicht, stop dan bij de eerst‐
volgende gelegenheid en breng de banden op de aanbevolen spannings‐
waarden 3 204.
Na het op spanning brengen moet u
wellicht een stukje rijden om de ban‐
denspanningswaarden op Driver In‐
formation Center bij te werken. Hierbij
kan w oplichten.
Page 165 of 215

Verzorging van de auto163
Als w bij lagere temperaturen oplicht
en na een stukje rijden dooft, kan dit duiden op een te lage bandenspan‐
ning. Bandenspanning controleren.
Schakel het contact uit wanneer de
bandenspanning moet worden ver‐
hoogd of verlaagd.
Monteer uitsluitend wielen met druk‐
sensoren, omdat anders de banden‐
spanning niet wordt weergegeven.
Bovendien zal w dan enkele secon‐
den knipperen en vervolgens blijven
branden, samen met controlelamp
A 3 81 en verschijnt er een bijbeho‐
rend bericht op het Driver Information
Center.
Een reservewiel of tijdelijk wiel is niet uitgerust met druksensoren. Bij der‐
gelijke wielen zal het TPMS niet wer‐
ken. Bij de drie andere wielen blijft het
TPMS wel werken.
Controlelamp w en het bijbehorende
bericht blijven actief totdat de banden op de juiste bandenspanning zijn ge‐
zet.
Driver Information Center 3 85.
Boordinformatie 3 86.Lekke band
Een lekke band of een veel te lage
bandenspanning wordt aangegeven door het oplichten van controlelamp
w samen met C 3 81 en een bijbe‐
horend bericht op het Driver Informa‐
tion Center.
Bandenspanning 3 204, Bandenre‐
paratieset 3 166, Reservewiel
3 171, Wiel verwisselen 3 169.
Afhankelijkheid van
temperatuur
De bandenspanning hangt af van de temperatuur van de band. Onderweg
lopen de temperatuur en de spanning van de band op. Daarom is het be‐
langrijk de bandenspanning bij koude banden te controleren.Inleerfunctie
Wanneer de wielen zijn verwisseld,
moet het TPMS opnieuw worden in‐
geleerd.
Selecteer met een stilstaande auto
het menu Bandenspanning op het
Driver Information Center door de
knop op het uiteinde van de wisser‐ hendel in te drukken. Houd de knop
gedurende ongeveer 3 seconden in‐
gedrukt om het systeem opnieuw te
laten berekenen. Een bijbehorend be‐ richt verschijnt in het Driver Informa‐
tion Center.
Page 166 of 215

164Verzorging van de auto
Om het inleren te voltooien moet u
wellicht enkele minuten rijden.
Wanneer tijdens het inleren proble‐
men optreden, ziet u een waarschu‐
wingstekst op het Driver Information
Center.
Driver Information Center 3 85.
Boordinformatie 3 86.
Algemene informatie Gebruik van in de handel verkrijgbarevloeibare bandenreparatiesets kan
de werking van het systeem nadelig
beïnvloeden. Gebruik door de fabriek
goedgekeurde bandenreparatiesets.
Bandenreparatieset 3 166.
Externe radioapparatuur met een
groot vermogen kan storing veroor‐
zaken bij het TPMS.
Wanneer de banden zijn verwisseld,
moeten de TPMS-sensoren altijd
door een werkplaats worden gede‐
monteerd en nagekeken.Storing
Het TPMS werkt niet goed als één of meer van de sensoren ontbreken of niet werken. Wanneer het systeem
een storing detecteert, knippert w en‐
kele seconden, waarna het blijft bran‐ den. Bovendien verschijnt er een bij‐
behorend bericht op het Driver Infor‐
mation Center.
Elke keer als de auto wordt gestart,
zal de controlelamp w oplichten ver‐
schijnt er een bijbehorend bericht, tot‐
dat het probleem is verholpen.
Dit kan onder andere in de volgende
gevallen optreden:
■ Één van de banden is vervangen door de reserveband zonder
TPMS-sensor.
■ Het inleerproces van de TPMS- sensor is niet succesvol afgerond.
De controlelamp w moet doven en
het bijbehorende bericht moet ver‐
dwijnen wanneer het inleerproces
succesvol is afgerond.
■ Één of meer TPMS-sensoren niet aanwezig of beschadigd. De con‐
trolelamp w moet doven en het bij‐behorende bericht moet verdwijnen
wanneer de TPMS-sensoren zijn
geïnstalleerd en het inleerproces
van de sensoren succesvol is afge‐ rond. Roep de hulp in van een
werkplaats.
■ Reservebanden of -wielen komen niet overeen met de origineel aan‐
gebrachte banden of wielen. Door banden en wielen met andere spe‐
cificaties dan aanbevolen werkt het TPMS wellicht niet goed.
■ Door het werken met elektronische
apparatuur of bij installaties met ra‐ diofrequenties dichtbij die van het
TPMS kunnen de TPMS-sensoren
storingen vertonen.
Als het TPMS niet goed werkt, kan
het geen te lage bandenspanning
detecteren of signaleren. Roep de
hulp in van een werkplaats als de
controlelamp w brandt en een bij‐
behorend bericht op het Driver In‐
formation Center verschijnt.
Page 183 of 215

Service en onderhoud181
Internationale service-
intervallen
Israël:
Onderhoud van uw auto is nodig om de 40.000 km of na 1 jaar, afhankelijk
van wat zich het eerst voordoet, tenzij anders aangegeven op het service-
display.
Roemenië, Bulgarije, Australië:
Onderhoud van uw auto is nodig om
de 30.000 km of na 2 jaar, afhankelijk
van wat zich het eerst voordoet, tenzij
anders aangegeven op het service-
display.
Marokko, Turkije:
Onderhoud van uw auto is nodig om de 20.000 km of na 1 jaar, afhankelijk van wat zich het eerst voordoet, tenzij
anders aangegeven op het service-
display.Internationaal:
Onderhoud van uw auto is nodig om
de 15.000 km of na 1 jaar, afhankelijk van wat zich het eerst voordoet, tenzij
anders aangegeven op het service-
display.
Tot de andere landen behoren:
Albanië, Australië, Bosnië-Herzego‐
vina, Cyprus, Kazachstan, Kosovo,
Macedonië, Malta, Montenegro,
Nieuw-Zeeland, Oekraïne, Rusland,
Servië, Singapore, Wit-Rusland,
Zuid-Afrika.
Internationaal +:
Onderhoud van uw auto is nodig om de 10.000 km of na 1 jaar, afhankelijk
van wat zich het eerst voordoet, tenzij
anders aangegeven op het service-
display.
Tot de + landen behoren: Moldavië.
Internationaal ++:
Onderhoud van uw auto is nodig om
de 8.000 km of na 1 jaar, afhankelijk
van wat zich het eerst voordoet, tenzij
anders aangegeven op het service-
display.Tot de ++ landen behoren: Hong‐
kong.
Registraties
Uitgevoerde service wordt geregi‐
streerd op de daarvoor bestemde
plaatsen in het Service- en garantie‐
boekje. De datum en afgelezen kilo‐
meterstand worden bevestigd met
stempel en handtekening van de uit‐
voerende werkplaats.
Zorg ervoor dat het Service- en ga‐
rantieboekje correct wordt ingevuld,
omdat een sluitend bewijs van ser‐
vice essentieel is bij aanspraken op
garantie of goodwill en tevens een
pluspunt is bij verkoop van de auto.
Servicedisplay De service-interval is gebaseerd op
diverse parameters afhankelijk van
het gebruik.
De Service-display, in het Driver In‐
formation Center, geeft de volgende
onderhoudsbeurt aan. De hulp van
een werkplaats inroepen.
Servicedisplay 3 77.
Peilsensor motorolie 3 77.
Page 213 of 215

211
Oliedruk........................................ 83
Olie, motor .......................... 182, 187
Oliepeil.......................................... 77
Opbergruimte................................ 61
Opbergruimte plafond ..................64
Opbergruimte voor ....................... 62
Opbergvakken .............................. 61
Opbergvakken instrumentenpaneel .................61
Opbergvak onder passagiersstoel 63
Opschakelen................................. 82 Overzicht instrumentenpaneel .....10
P
Panne ......................................... 176
Panoramadak .............................. 35
Parkeerhulp ............................... 131
Parkeerrem - zie Handrem .........125
Parkeren .............................. 17, 116
Park pilot met ultrasoonsensoren 131
Partikelfilter ................................. 118
Peilsensor motorolie .....................77
Plafondconsole ............................ 63
Pollenfilter .................................. 108
Portieren ....................................... 24
Portier open ................................. 85
Profieldiepte ............................... 165R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 207
Regeling stationair toerental ......113
Registratie van voertuigdata en privacy ..................................... 206
Remassistentie .......................... 126
Remmen ............................ 124, 145
Remsysteem ................................ 81
Remvloeistof ...................... 145, 182
Reservewiel ............................... 171
Richtingaanwijzer ........................80
Richtingaanwijzers ....................... 92
Richtingaanwijzers vooraan ......151
Roetfilter ............................... 83, 118
Ruiten ........................................... 33
Rijgedrag en aanhangertips ......136
Rijregelsystemen ........................126
Rijverlichting .......................... 12, 84
S Schakel motor uit ..........................81
Schuifdeur ................................... 24
Service ............................... 109, 180
Service-display ............................ 77
Service-indicatie .......................... 81
Service-informatie ...................... 180
Sjorogen ...................................... 64
Sleepoog .................................... 176Sleutels ........................................ 18
Sleutels, sloten ............................. 18
Slijtage van remblokken ...............82
Sneeuwkettingen .......................166
Snelheidsmeter ............................ 75
Snelheidsregelaar ........................75
Spiegels .................................. 30, 32
Spiegelverstelling ..........................8
Sproeiervloeistof ........................144
Startbeveiliging ............................ 30
Starten en bedienen ...................111
Starthulp gebruiken ...................174
Stoelpositie .................................. 37
Stoelverstelling ........................7, 38
Stoelverwarming ........................... 41
Stop/Start-systeem .....................113
Stop-startsysteem......................... 84
Storing ....................................... 124
Storingsindicatielamp ..................81
Stroomonderbreking ..................124
Sturen ......................................... 111
Stuurbedieningsknoppen .............70
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......143
Stuurwiel instellen .......................... 9
Stuurwielverstelling ...................... 70
Symbolen ....................................... 4
T Tachograaf ............................. 85, 89
Tanken ....................................... 135