stop start OPEL VIVARO B 2014.5 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014.5, Model line: VIVARO B, Model: OPEL VIVARO B 2014.5Pages: 197, PDF Size: 4.24 MB
Page 120 of 197

118Rijden en bediening
Terugzetten met handzender/
fysieke sleutel
Brandstofblokkeersysteem terugzet‐
ten en met de auto kunnen rijden:
1. Contactsleutel naar stand draaien
M 3 114.
2. Wacht enkele minuten totdat het brandstofsysteem is teruggezet.
3. Sleutel naar stand D draaien om
de motor te starten.
Herhaal de procedure als de motor
niet start.
Terugzetten met elektronisch
sleutelsysteem Brandstofblokkeersysteem terugzet‐ten en met de auto kunnen rijden:
1. Steek de elektronische sleutel in de kaartlezer 3 115.
2. Druk op de Start/Stop-knop van de motor zonder pedalen in te
trappen.
3. Wacht enkele minuten totdat het brandstofsysteem is teruggezet.
Herhaal de procedure als de motor
niet start.Elektronisch sleutelsysteem 3 23.
Aan/Uit-knop 3 115.
Tanken 3 133.
Uitrol-brandstofafsluiter
De brandstoftoevoer wordt automa‐
tisch afgesloten bij overtoeren, d.w.z.
bij het tijdens het rijden loslaten van
het gaspedaal met een ingescha‐
kelde versnelling.
Stop/Start-systeem
Het stop-startsysteem helpt brandstof te besparen en uitlaatemissies te be‐
perken. Wanneer de omstandighe‐
den het toelaten, schakelt het de mo‐
tor uit van zodra de auto langzaam
rijdt of stilstaat, bijv. bij een verkeers‐
licht of in een file. Het start de motor
opnieuw automatisch zodra u het
koppelingspedaal intrapt.Inschakelen
Het stop-startsysteem is beschikbaar
van zodra de motor is gestart, de auto is vertrokken en er aan de hieronder
opgegeven omstandigheden voldaan
is.
Uitschakelen
Deactiveer het Stop/Start-systeem
door de knop Î in te drukken. De
LED in de knop brandt ter indicatie
van het deactiveren en er verschijnt
een bijbehorend bericht op het Driver
Information Center 3 90.
Page 121 of 197

Rijden en bediening119
Na handmatig deactiveren kunt u het
Stop/Start-systeem weer activeren
door opnieuw op de knop Î te druk‐
ken.
Boordinformatie 3 91.
Autostop
Als de auto langzaam rijdt of stilstaat,
activeer dan een Autostop zoals hier‐
onder beschreven:
■ Het koppelingspedaal intrappen.
■ Zet de keuzehendel in neutraal.
■ Laat het koppelingspedaal los.
De motor wordt uitgeschakeld terwijl
het contact aan blijft.Als Ï op de instrumentengroep
brandt, duidt dit op een Autostop
3 89.
Tijdens een Autostop blijft de rem‐
functie behouden. Remassistentie is
echter niet beschikbaar 3 124.
Voorwaarden voor een Autostop
Het stop-startsysteem controleert of
aan elk van de volgende voorwaar‐
den is voldaan:
■ Het stop-startsysteem is niet ma‐ nueel uitgeschakeld.
■ de motorkap is volledig gesloten.
■ het bestuurdersportier is gesloten en de veiligheidsgordel van de be‐stuurder is vastgemaakt.
■ de accu is voldoende opgeladen en
in goede staat.
■ de motor is opgewarmd.
■ de motorkoeltemperatuur is niet te hoog.
■ de buitentemperatuur is niet te laag
of te hoog ( bijv. onder 0 °C of boven
30 °C).
■ het remvacuüm is voldoende.■ de ontdooifunctie is niet geacti‐ veerd 3 103.
■ de zelfreinigende functie van het roetfilter is niet actief 3 121.
■ de auto is verplaatst sinds de laat‐ ste Autostop.
Anders is een Autostop niet mogelijk.
Herstarten van de motor door de bestuurder
Trap het koppelingspedaal in om de
motor te herstarten.
Controlelamp Ï 3 89 op de instru‐
mentengroep dooft wanneer de motor opnieuw wordt gestart.
Herstarten van de motor door
het stop-startsysteem
De keuzehendel moet in neutraal
staan om automatisch herstarten mo‐
gelijk te maken.
Als er zich een van de volgende om‐
standigheden voordoet tijdens een
Autostop, dan zal de motor automa‐
tisch door het stop-startsysteem wor‐ den herstart:
Page 122 of 197

120Rijden en bediening
■ Het stop-startsysteem is manueeluitgeschakeld.
■ de motorkap is open.
■ de veiligheidsgordel van de be‐ stuurders is losgemaakt en het be‐
stuurdersportier is geopend.
■ de accu is ontladen.
■ de motortemperatuur is te laag.
■ het remvacuüm is niet voldoende. ■ de auto begint te rijden.
■ de ontdooifunctie is geactiveerd 3 103.
Als een elektrische accessoire, bijv.
een draagbare cd-speler, op de elek‐
trische aansluiting is aangesloten,
merkt u mogelijk een korte span‐
ningsdaling tijdens het herstarten.
Storing
Bij een storing in het Stop/Start-sys‐ teem brandt de LED in de toets Î en
er verschijnt een bijbehorend bericht
op het Driver Information Center
3 90. De hulp van een werkplaats in‐
roepen.
Boordinformatie 3 91.Geluidssignalen 3 91.
Parkeren ■ De auto niet op een licht ontvlam‐ bare ondergrond parkeren. De on‐
dergrond kan door de hoge tempe‐
ratuur van het uitlaatgassysteem
mogelijk vlam vatten.
■ Handrem altijd zonder indrukken van de ontgrendelingsknop stevig
aantrekken. Op een aflopende of
oplopende helling zo stevig moge‐
lijk. Om voor het bedienen minder
kracht te hoeven gebruiken tegelij‐
kertijd het rempedaal intrappen.
■ Motor en contact uitschakelen. Stuurwiel verdraaien totdat het
stuurslot merkbaar vergrendelt.
■ Wanneer de auto vlak of op een op‐
lopende helling staat, dan voor het
uitschakelen van het contact de
eerste versnelling inschakelen. Op
een oplopende helling bovendien
de voorwielen van de stoeprand
wegdraaien.
Op een aflopende helling voor het
uitschakelen van het contact deachteruitversnelling inschakelen.
Bovendien de voorwielen naar de
stoeprand toedraaien.
■ De auto vergrendelen en de anti- diefstalvergrendeling en het anti-
diefstalalarmsysteem activeren.
Page 126 of 197

124Rijden en bedieningRemassistentie
Bij het snel en krachtig intrappen van
het rempedaal wordt automatisch met de maximale remkracht (noodstop)
geremd.
De druk op het rempedaal niet ver‐ minderen, zolang er maximaal ge‐remd moet worden. Bij het loslaten
van het rempedaal wordt de rem‐
kracht automatisch verminderd.
Tijdens een Autostop is remassisten‐
tie niet beschikbaar.
Stop-startsysteem 3 118.
Hellingrem Het systeem helpt ongewilde bewe‐
ging te voorkomen wanneer u vanop
een helling vertrekt.
Bij het loslaten van het rempedaal na
het stoppen op een helling blijven de
remmen nog 2 seconden werken. Bij
het optrekken van de auto worden de
remmen automatisch gelost.Rijregelsystemen
Traction ControlTraction Control (TC) is een onder‐
deel van het elektronische stabiliteits‐
programma (ESP® Plus
) dat helpt bij
het behoud van de rijstabiliteit, onge‐
acht wegdek en grip van de banden,
en voorkomt dat de wielen gaan door‐
slippen.
Zodra de aandrijfwielen beginnen
door te slaan, wordt het motorvermo‐
gen verminderd en wordt het wiel met de meeste slip afzonderlijk afgeremd.
Daardoor wordt de rijstabiliteit van de
auto op een glad wegdek aanmerke‐
lijk verbeterd.
TC is bedrijfsklaar zodra het contact
wordt ingeschakeld en de controle‐
lamp b op de instrumentengroep
dooft.
Wanneer IC ingrijpt, gaat b knippe‐
ren.9 Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Controlelamp b 3 87.
Uitschakelen
Het is mogelijk de TC uit te schakelen,
wanneer de aandrijfwielen moeten
kunnen doorslaan:
Page 141 of 197

Verzorging van de auto139
Veiligheidspal (iets rechts van het
midden) naar links opzij zetten en mo‐
torkap openen.
De motorkap wordt automatisch om‐
hoog gehouden.
Als de motorkap wordt geopend tij‐ dens een Autostop, wordt de motor
automatisch herstart omwille van vei‐ ligheidsredenen.
Stop-startsysteem 3 118.
Sluiten
Laat de motorkap zakken en laat het
vanaf een lage hoogte (20-25 cm) in het slot vallen. Controleer of de mo‐
torkap vergrendeld is.
Motorolie
Controleer het oliepeil ook regelmatig
manueel om schade aan de motor te
voorkomen.
Gebruik olie met de juiste specificatie. Aanbevolen vloeistoffen en smeer‐
middelen 3 174.
Alleen op een vlakke ondergrond
controleren. De motor moet op be‐
drijfstemperatuur zijn en minstens
10 minuten uitgeschakeld zijn ge‐ weest.
Oliepeilstok uittrekken, afvegen, tot
aan de aanslag van de handgreep
weer insteken, opnieuw uittrekken en
het motoroliepeil aflezen.Voorzichtig
De eigenaar van de auto dient
erop te letten dat er genoeg mo‐ torolie van de juiste kwaliteit in de
motor zit.
Wanneer het motoroliepeil tot aan het merkteken "add oil" A is gedaald, dan
motorolie bijvullen.
Voorzichtig
Het motoroliepeil nooit tot onder
het minimumpeil laten dalen!
Page 156 of 197

154Verzorging van de auto
Nr.Stroomkring1Accu (met elektronisch sleutel‐
systeem)2APC reserveaccu (met elektro‐
nisch sleutelsysteem)3Interieurverwarming4Aanpassingen5Aanpassingen6Interieurverwarming7Extra airco8Hulpverwarming9Elektrische buitenspiegels, extra aanpassingen10Verwarmbare buitenspiegels11Radio, multimedia, elektrische
buitenspiegels, diagnoseaan‐
sluiting12Multimedia, trekhaak13Brandstofinspuitsysteem, interi‐
eurverlichtingNr.Stroomkring14Brandstofinspuitsysteem,
bandenspanningscontrolesys‐
teem, elektronisch sleutelsys‐
teem15Alarmknipperlichten, richting‐
aanwijzers16Centrale vergrendeling17Grootlicht links, grootlicht rechts, achterlichten, dagrijlicht links18Mistlampen voor, mistachter‐
lichten, kentekenverlichting19Alarm, claxon, automatische
verlichting, wisser20Instrumentengroep21Lichtschakelaar22Achterruitwisser, sproeierpomp
voorruit, claxon23APC algemene accu24Achteruitrijlichten25Start/Stop-knop motor26Brandstofinspuiting, startmotorNr.Stroomkring27Airbag, stuurslot28Elektrisch verstelbare passa‐
giersruit29Stuurbekrachtiging30Remlichten31APC reserveaccu (met elektro‐
nisch sleutelsysteem)32Servicedisplay33Aansteker, 12 V-aansluiting34Grootlicht rechts, grootlicht links, koplampen, dagrijlicht rechts35Remlichten, ABS, startbeveili‐
ging36Interieurverlichting, airco37Starten met elektronisch sleutel‐
systeem38Achterruitwisser39Waarschuwingssignalen4012V-aansluiting bagageruimte41Motor elektrisch bediende ruit4212V-aansluiting achterin
Page 192 of 197

190TrefwoordenlijstAAan/Uit-knop ............................... 115
Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............174, 180
Aanduidingen op banden ..........156
Aanhangerkoppeling ..................135
Aanhangerstabilisatie ................136
Aanhanger trekken ....................135
Aansteker .................................... 79
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 137
Accu ........................................... 143
Accu, starthulp gebruiken ...........167
Achterdeuren ............................... 32
Achterklep..................................... 33 Achterlichten .............................. 147
Achterruitverwarming ................... 42
Achterste zijruiten ........................42
Achteruitkijkcamera ...................131
Achteruitrijlichten .................98, 148
Afmetingen auto ........................183
Airbag deactiveren ....................... 58 Airbag-deactivering ...................... 85
Airbag en gordelspanners ...........85
Airbaglabel.................................... 54
Airbagsysteem ............................. 54
Airconditioning ........................... 102
Airconditioning achterin .............105Airconditioning regelmatig
aanzetten ............................... 111
Alarmknipperlichten .....................97
Algemene informatie .................. 135
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 113
Andere auto slepen ...................169
Antiblokkeersysteem .................123
Antiblokkeersysteem (ABS) .........87
Anti-vries..................................... 141
Armsteun ..................................... 46
Asbakken ..................................... 79
Autogegevens ............................ 180
Autokrik....................................... 155
Automatisch blokkering brandstof ................................. 117
Automatische dimfunctie .............40
Automatische verlichting .............. 95
Automatisch vergrendelen ...........31
Auto ontgrendelen .........................6
Auto reinigen .............................. 170
Auto slepen ................................ 169
Auto stallen ................................. 137
Autostop ....................................... 89
Auto wassen ............................... 170
B Bagageruimte .............................. 33
Bagageruimte-afdekking .............70
Bagageruimteverlichting ...............99
Page 195 of 197

193
Oliedruk........................................ 88
Olie, motor .......................... 174, 180
Opbergruimte................................ 68
Opbergruimte plafond ..................70
Opbergruimte voor........................ 69
Opbergvakken .............................. 68
Opbergvakken instrumentenpaneel ..................68
Opbergvak onder passagiersstoel 69
Opschakelen................................. 87 Overzicht instrumentenpaneel .....11
P
Panne ......................................... 169
Parkeerhulp ............................... 130
Parkeerrem - zie Handrem .........123
Parkeren .............................. 19, 120
Park pilot met ultrasoonsensoren 130
Partikelfilter ................................. 121
Pollenfilter .................................. 111
Portieren ....................................... 32
Portier open ................................. 90
Portiersloten ................................. 25
Profieldiepte ............................... 159
R
Radiofrequentie-identificatie (RFID) ..................................... 189
Rails en haken bagageruimte ......71Regelbare
instrumentenverlichting .............98
Regeling stationair toerental .......117
Registratie van voertuigdata en privacy ..................................... 188
Remassistentie .......................... 124
Rem- en koppelingsvloeistof ......174
Remmen ............................ 122, 142
Remsysteem ................................ 87
Remvloeistof .............................. 142
Reservewiel ............................... 166
Reservewielbevestiging ..............155
Richtingaanwijzer ........................85
Richtingaanwijzers ....................... 97
Richtingaanwijzers vooraan ......146
Roetfilter .................................... 121
Ruiten ..................................... 40, 41
Rijgedrag en aanhangertips ......135
Rijverlichting .......................... 13, 89
S Schakel motor uit ..........................87
Schuifdeur ................................... 32
Service ............................... 112, 173
Service-display ............................ 82
Service-indicatie ..........................86
Service-informatie ...................... 173
Sjorogen ...................................... 72
Sleepoog ............................ 155, 169
Sleutels ........................................ 21Sleutels, sloten............................. 21
Sneeuwkettingen .......................161
Snelheidsbegrenzer ...................129
Snelheidsmeter ............................ 80
Spiegels .................................. 38, 40
Spiegelverstelling ..........................9
Sproeiervloeistof ........................142
Startbeveiliging ............................ 38
Starten en bediening ..................114
Starthulp gebruiken ...................167
Stoelpositie .................................. 44
Stoelverstelling ........................7, 45
Stoelverwarming ........................... 47
Stop/Start-systeem .....................118
Storingsindicatielamp ..................86
Storingsmeldingen ........................91
Sturen ......................................... 114
Stuurbedieningsknoppen .............75
Stuurbekrachtigingsvloeistof ......141
Stuurwiel instellen ........................ 10
Stuurwielverstelling ...................... 75
Symbolen ....................................... 4
T
Tachograaf ................................... 94
Tanken ....................................... 133
Technische gegevens ................181
Te laag brandstofpeil ...................89
Toerenteller ................................. 81
Top-Tether-bevestigingsogen ......67