ESP OPEL ZAFIRA B 2014 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: ZAFIRA B, Model: OPEL ZAFIRA B 2014Pages: 225, PDF Size: 7.89 MB
Page 104 of 225

102Instrumenten en bedieningsorganen
De gewenste taal selecteren.
De keuze wordt aangeduid door een
6 voor de menuoptie.
Bij systemen met gesproken aanwij‐
zingen verschijnt na de wijziging van
de taalinstelling op het display de vraag of de meldingstaal ook moet
worden gewijzigd, zie handleiding bij
het infotainment-systeem.
Maateenheden instellen
Selecteer de menuoptie Units in het
menu Instellingen .
De gewenste eenheid selecteren.
De keuze wordt aangeduid door een
o voor de menuoptie.
Contrast instellen
(Graphic-Info-Display)
Selecteer de menuoptie Contrast in
het menu Instellingen .
De gewenste instelling bevestigen.
Displaymodus instellen
De lichtsterkte van het display hangt
af van de autoverlichting. Bovendien
kunnen als volgt aanvullende instel‐
lingen worden verricht:
Selecteer de menuoptie Dag / Nacht
in het menu Instellingen.
Automatisch aanpassing van de kleu‐
ren afhankelijk van de autoverlichting.
Page 122 of 225

120Klimaatregeling
■Verwarming achterruit Ü inschake‐
len.
■ Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten rich‐
ten.
■ Voor gelijktijdig verwarmen van de voetenruimte, luchtverdeelschake‐
laar op J zetten.
Airconditioning
Naast het verwarmings- en ventilatie‐ systeem biedt het airconditionings‐
systeem :
n=Koeling4=LuchtrecirculatieKoeling n
Wordt bediend met toets n en werkt
alleen wanneer de motor draait en de aanjager is ingeschakeld.
Het airconditioningssysteem koelt en
ontvochtigt (droogt) de lucht vanaf
een bepaalde buitentemperatuur. Er
kan zich dan condens vormen en on‐
der de auto op de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst
is, ter besparing van brandstof de
koeling uitschakelen.
Luchtrecirculatiesysteem 4
Bediening met toets 4.9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten kunnen be‐
slaan. De kwaliteit van de binnen‐
lucht neemt na verloop van tijd af,
wat tot vermoeidheidsverschijnse‐ len bij de inzittenden kan leiden.
Luchtverdeling op l: luchtrecircula‐
tie wordt uitgeschakeld.
Maximale koeling Ruiten kortstondig openen zodat de
warme lucht snel kan ontsnappen.
■ Koeling n aan.
■ Luchtrecirculatiesysteem 4 aan.
■ Luchtverdelingsschakelaar op M
zetten.
■ Draaiknop voor temperatuur in laagste stand zetten.
■ Luchtdebiet op hoogste stand zet‐ ten.
■ Alle ventilatieopeningen openen.
Ruiten ontwasemen en
ontdooien ■ Koeling n aan.
■ Luchtverdelingsschakelaar op l
zetten.
■ Draaiknop voor temperatuur in hoogste stand zetten.
■ Luchtdebiet op hoogste stand zet‐ ten.
Page 124 of 225

122Klimaatregeling
Luchtdebiet
In de automatische modus A regelt de
aanjager automatisch het luchtdebiet.
De luchtstroom kan eventueel met de
hand worden bijgesteld.
Koeling n
Wordt bediend met toets n en werkt
alleen wanneer de motor draait en de aanjager is ingeschakeld.
Het airconditioningssysteem koelt en
ontvochtigt (droogt) de lucht vanaf
een bepaalde buitentemperatuur. Er
kan zich dan condens vormen en on‐
der de auto op de grond druppelen.
Als geen koeling of droging gewenst is, ter besparing van brandstof de
koeling uitschakelen.
Luchtrecirculatiesysteem 4
De luchtrecirculatiestand wordt in- of
uitgeschakeld met de 4-toets.9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten kunnen be‐
slaan. De kwaliteit van de binnen‐
lucht neemt na verloop van tijd af,
wat tot vermoeidheidsverschijnse‐ len bij de inzittenden kan leiden.
Maximale koeling
Ruiten kortstondig openen zodat de
verwarmde lucht snel kan ontsnap‐
pen.
■ Koeling n aan.
■ Luchtverdelingsschakelaar op M
zetten.
■ Draaiknop voor temperatuur in ge‐ wenste stand zetten.
■ Aanjagerschakelaar naar A
draaien.
■ Alle ventilatieopeningen openen.
De automatische airconditioning koelt
automatisch met maximaal vermogen totdat de aangegeven waarde is be‐
reikt.
Met de draaiknop voor de tempera‐
tuur in de laagste stand zorgt het sys‐ teem continu voor maximale koeling.
Wanneer het systeem aanstaat wordt
automatisch voor luchtrecirculatie ge‐
kozen.
Ruiten ontwasemen en
ontdooien ■ Koeling n aan.
■ Knop V indrukken: aanjager scha‐
kelt in stand A automatisch over op
hoogste toerental, de luchtstroom
wordt op de voorruit gericht.
■ Draaiknop voor temperatuur in hoogste stand zetten.
■ Verwarming achterruit Ü inschake‐
len.
Page 127 of 225

Klimaatregeling125
Het airconditioningssysteem koelt en
ontvochtigt (droogt) de lucht vanaf
een bepaalde buitentemperatuur. Er
kan zich dan condens vormen en on‐
der de auto op de grond druppelen.
Als geen koeling of droging nodig is,
ter besparing van brandstof de koe‐
ling uitschakelen. Eco verschijnt op
het display.
Regeling aanjager in deautomatisch modus
Het regelgedrag van de aanjager in
de automatische modus kan worden
aangepast.
De menuoptie Auto. Circuleeren se‐
lecteren in het menu Klimaat en de
gewenste aanjagerregeling instellen.
Handmatig bediende
luchtrecirculatie De handmatige luchtrecirculatiestand
wordt in- of uitgeschakeld met de
4 -toets.9Waarschuwing
Als het luchtrecirculatiesysteem is
ingeschakeld, vermindert de lucht‐verversing. Bij het gebruik zonder
koeling neemt de luchtvochtigheid
toe waardoor de ruiten kunnen be‐
slaan. De kwaliteit van de binnen‐
lucht neemt na verloop van tijd af,
wat tot vermoeidheidsverschijnse‐ len bij de inzittenden kan leiden.
Airconditioning bij afgezette
motor
Wanneer de ontsteking is uitgescha‐
keld, kan de resterende warmte of
koude in het systeem worden ge‐
bruikt voor klimaatregeling in de pas‐
sagiersruimte.
Hiervoor bij uitgeschakelde ontste‐
king toets AUTO indrukken.
Nawerking airco aan verschijnt kort
op het display.
Klimaatregeling bij uitgeschakelde
ontsteking is beperkt in tijd. Om voor‐ tijdig te beëindigen, toets AUTO in‐
drukken.
Hulpverwarming
Luchtverwarming
Quickheat is een elektrische hulpver‐
warming die de lucht in de passa‐
giersruimte automatisch sneller op‐
warmt.
Koelvloeistofverwarming
Dieselmodellen zijn uitgerust met een koelvloeistofverwarming op brandstof die de koelvloeistof verwarmt als de
motor loopt.
Page 146 of 225

144Rijden en bedieningRijregelsystemenElektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP)
Het elektronische stabiliteitspro‐
gramma (ESP® Plus
) verbetert indien
nodig de rijstabiliteit ongeacht de
staat van het wegdek of de grip van
de banden. Het voorkomt ook dat de
aangedreven wielen doorslaan.
Zodra de auto dreigt uit te breken (on‐ derstuur/overstuur) wordt het motor‐
vermogen verminderd en worden de
wielen afzonderlijk afgeremd. Daar‐
door wordt de rijstabiliteit van de auto
op een glad wegdek aanmerkelijk
verbeterd.
Het ESP® Plus
is gebruiksklaar zodra
controlelamp v dooft.
Wanneer ESP® Plus
ingrijpt, gaat v
knipperen.9 Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Controlelamp v 3 92.
Uitschakelen
Het ESP® Plus
kan in de Sport-modus
worden uitgeschakeld om sportief te rijden:
Toets SPORT ca. 4 seconden lang
ingedrukt houden. Controlelamp v
brandt. Bovendien verschijnt ESPoff
op het servicedisplay.9 Waarschuwing
Als bij het gebruik van banden met
noodloopeigenschappen een van
deze banden zijn spanning ver‐
liest, het ESP® Plus
niet uitschake‐
len.
Het ESP® Plus
kan opnieuw worden in‐
geschakeld door toets SPORT in te
drukken. Bovendien verschijnt
ESPon op het servicedisplay. Ook
wordt het ESP® Plus
weer geactiveerd
als het contact opnieuw wordt inge‐
schakeld.
Sport-modus 3 145.
Page 147 of 225

Rijden en bediening145Interactief rijsysteem (IDS)Het interactieve rijsysteem (IDS Plus
)
combineert het elektronische stabili‐
teitsprogramma (ESP® Plus
) met het
antiblokkeersysteem (ABS) en de
elektronische dempingsregeling
(CDC) voor een verbeterde rijdyna‐ miek en verhoogde veiligheid.
SPORT-modus Demping en besturing worden direc‐
ter en leveren een betere wegligging
op. De motor reageert sneller op be‐
wegingen van het gaspedaal.
Bij een automatische versnellingsbak
wordt ook sneller geschakeld.
Controlelamp IDSPlus
3 93.Inschakelen
Toets SPORT indrukken.
Controlelamp 1 3 92.
Inschakelen in het winterprogramma
niet mogelijk.
Uitschakelen
Toets SPORT kort indrukken. Bij het
inschakelen van de ontsteking of van het winterprogramma wordt de Sport-
modus uitgeschakeld.
Elektronische
dempingsregeling De elektronische dempingsregeling
(CDC) stemt de demping van de ver‐
schillende schokdempers af op de
heersende rijomstandigheden en de
staat van het wegdek.
Bij ingeschakelde Sport-modus wordt
de dempingsregeling afgestemd op
een sportieve rijstijl.
Controlelamp IDS+ 3 93.
Automatische
niveauregeling
Page 155 of 225

Rijden en bediening153
dempt en op de koppelingskogel in‐
werkt, mag de kogel niet worden
gesmeerd.
Voor aanhangers met een geringe rij‐ stabiliteit en aanhangers met eenmaximaal totaalgewicht van meerdan 1300 kg mag de snelheid van
80 km/u niet worden overschreden en
wordt het gebruik van een trillings‐
demper aanbevolen.
Als de aanhanger begint te slingeren,
langzamer gaan rijden, niet tegenstu‐
ren en zo nodig krachtig remmen.
Bergafwaarts dezelfde versnelling in‐ schakelen als bergopwaarts en onge‐veer dezelfde snelheid aanhouden.
Bandenspanning instellen op de
waarde voor maximale belading
3 213.
Aanhanger trekken
Trekgewicht Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht hangt af van de auto en de mo‐
tor en mag niet worden overschre‐
den. Het werkelijke trekgewicht is hetverschilt tussen het werkelijke totaal‐
gewicht van de aanhanger en het
werkelijke kogelgewicht in aangekop‐
pelde toestand.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht staat in de autopapieren ver‐
meld. Dit geldt over het algemeen
voor hellingspercentages tot
max. 12 %.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht geldt tot aan het aangegeven
hellingspercentage en tot een hoogte van 1000 meter boven de zeespiegel.
Omdat het motorvermogen bij toene‐
mende hoogte door de lagere lucht‐
dichtheid daalt en het klimvermogen
daardoor afneemt, moet het maxi‐
maal toelaatbare treingewicht voor ie‐ dere 1000 meter aan hoogtetoename
met 10 % worden verminderd. Bij het
rijden op wegen met een gering hel‐
lingspercentage (kleiner dan 8 %,
bijv. snelwegen) hoeft het maximaal
toelaatbare treingewicht niet te wor‐
den verminderd.Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht mag niet worden overschreden.
Het maximaal toelaatbare treinge‐
wicht staat op het typeplaatje 3 204
vermeld.
Kogeldruk
De kogeldruk is de kracht waarmee
de aanhanger op de koppelingskogel drukt. De gewichtsverdeling bij het la‐
den van de aanhanger is van invloed
op de kogeldruk.
De maximaal toelaatbare kogeldruk ( 75 kg) staat op het typeplaatje van de
trekhaak en in de autopapieren ver‐
meld. Altijd de maximale kogeldruk
nastreven, vooral bij zware aanhan‐
gers. Nooit rijden met een kogeldruk
lager dan 25 kg.
Page 157 of 225

Rijden en bediening155
Klik de aansluiting los en klap deze
omlaag. Verwijder de dop van de ope‐
ning voor de kogelstang en berg de
dop op.
Spanstand kogelstang controleren
■ Het rode merkteken op de draai‐ knop moet tegenover het witte
merkteken op de kogelstang liggen,
■ De speling tussen de draaiknop en de kogelstang moet ca.
6 millimeter bedragen,
■ De sleutel in het slot moet in stand c ( 1) staan.
Anders moet de kogelstang vóór het monteren worden aangespannen:
■ Kogelstang ontgrendelen, daar‐ voor de sleutel naar stand c ( 1)
draaien,
■ Draaiknop uittrekken en zover mo‐ gelijk rechtsom draaien.
Kogelstang monteren
Page 158 of 225

156Rijden en bediening
Aangespannen kogelstang in de trek‐
haakopening steken en stevig om‐
hoogduwen totdat deze hoorbaar
vastklikt.
De draaiknop springt automatisch te‐
rug in de uitgangspositie en rust zon‐
der speling tegen de kogelstang.9 Waarschuwing
Draaiknop bij het monteren niet
aanraken.
Kogelstang vergrendelen door de
sleutel naar stand e ( 2) te draaien.
Sleutel verwijderen en bescherm‐ kapje dichtdrukken.
Oog voor veiligheidskabel
Veiligheidskabel aan oog vasthaken.
Correcte montage van de kogelstang
controleren
■ Het groene merkteken op de draai‐
knop moet tegenover het witte
merkteken op de kogelstang liggen,
■ Tussen de draaiknop en de kogel‐ stang mag geen speling zitten,
■ De kogelstang moet stevig in de trekhaakopening vergrendeld zijn,
■ De kogelstang moet zijn en de sleu‐
tel moet verwijderd zijn.9 Waarschuwing
Rijden met een aanhanger is al‐
leen toegestaan bij een correct ge‐ monteerde kogelstang. Als u de
kogelstang niet correct gemon‐
teerd krijgt, de hulp van een werk‐ plaats inroepen.
Kogelstang demonteren
Beschermkapje openen en de sleutel
naar stand c (1)draaien om de kogel‐
stang te ontgrendelen.
Draaiknop uittrekken en zover moge‐
lijk rechtsom draaien. Kogelstang
naar onderen toe lostrekken.
Afsluitplug in de trekhaakopening
aanbrengen. Stekkerdoos inklappen.
Plaats de afdekking in de bumper:
Plaats de geleidingen van de afdek‐
king in de bumper, eerst aan de voor‐ zijde en daarna aan de achterzijde,
Page 159 of 225

Rijden en bediening157
en klik ze vast. Druk de afdekking
hierbij samen waarbij deze licht
doorbuigt.
Aanhangerstabilisatie
(TSA) Als het systeem een sterke slinger‐
beweging registreert, dan wordt het
motorvermogen verlaagd en de auto/
aanhangercombinatie afgeremd tot‐
dat de slingerbeweging stopt.
Aanhangerstabilisatie (TSA) maakt
deel uit van het elektronische stabili‐
teitsprogramma (ESP® Plus
) 3 144.