onderhoud Peugeot 208 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2018, Model line: 208, Model: Peugeot 208 2018Pages: 240, PDF Size: 7.79 MB
Page 87 of 240

85
F Zet de selectiehendel in stand M.
F
B
eweeg de selectiehendel kort
naar voren om op te schakelen.
F
B
eweeg de selectiehendel
kort naar achteren om terug te
schakelen.
Ongeldige waarde
Dit symbool verschijnt als een versnelling
niet goed is ingeschakeld (de selectiehendel
bevindt zich tussen twee standen in).
U kunt op elk gewenst moment overschakelen
van stand D naar M en van M naar D .
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en stand R, D of
M is geselecteerd, zet de auto zich zelfs
al in beweging als het gaspedaal niet is
ingetrapt.
Laat bij draaiende motor daarom geen
kinderen alleen in de auto achter.
Trek de parkeerrem aan en
selecteer stand P indien er
onderhoudswerkzaamheden moeten
worden uitgevoerd bij draaiende motor. Zet de selectiehendel nooit in stand N als
de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in stand P of R
als de auto niet volledig stilstaat.
Als tijdens het rijden per ongeluk
stand N wordt geselecteerd, laat het
motortoerental dan zakken tot stationair
toerental, zet de selectiehendel in stand D
en trap het gaspedaal weer in.
Laat bij temperaturen onder -23°C de
motor gedurende 4
minuten stationair
draaien. Dit is belangrijk voor de goede
werking en de levensduur van de motor en
transmissie.
Programma's Sport en Sneeuw
Deze twee specifieke programma's vullen de
automatische werking aan onder bijzondere
rijomstandigheden.
Programma Sport " S"
F Druk op toets " S" als de motor is gestart.
Het schakelprogramma maakt dan automatisch
een dynamische rijstijl mogelijk.
S wordt weergegeven op het
instrumentenpaneel.
Programma Sneeuw T
(Afhankelijk van de motor).
F D ruk bij draaiende motor op toets " T".
De transmissie past zich aan voor het rijden op
gladde wegen.
Dit schakelprogramma zorgt er voor dat
u
gemakkelijker weg kunt rijden en rijden op
een ondergrond met weinig grip.
T wordt weergegeven op het
instrumentenpaneel.
Om terug te keren naar de auto-adaptieve
stand kunt u het geselecteerde programma
op elk gewenst moment uitschakelen door
opnieuw op de desbetreffende toets te drukken.
Terugkeren naar de
automatische werking
F Om terug te keren naar de auto-adaptieve stand kunt u het programma op elk gewenst
moment uitschakelen door opnieuw op de
desbetreffende toets S of T te drukken.
Stilzetten/parkeren van de auto
Voordat u de motor afzet:
F Z et de selectiehendel in stand P of N .
F
T
rek de parkeerrem aan.
F
B
eveilig de auto eventueel tegen wegrollen.
6
Rijden
Page 101 of 240

99
Uitschakelen/inschakelen van de
parkeerhulp vóór en achter
Zonder touchscreen
F U kunt het systeem in- of uitschakelen door op deze toets te drukken.
Het verklikkerlampje brandt als het systeem is
uitgeschakeld.
De functie kan worden uit- of
ingeschakeld via het menu Rijden/
Auto.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld
zodra een aanhanger wordt aangekoppeld
of een fietsendrager wordt gemonteerd
(auto's voorzien van een door PEUGEOT
aanbevolen trekhaak of fietsendrager).
Beperkingen van de werking
- Bepaalde obstakels die aanvankelijk wel
worden gedetecteerd, worden mogelijk
niet meer gedetecteerd als ze zich in de
dode hoek van het detectiebereik van de
sensoren bevinden.
-
B
epaalde omgevingsgeluiden, zoals lawaai
afkomstig van voertuigen en machines (bijv.
vrachtwagens, pneumatische boren enz.),
kunnen de sensoren van de auto verstoren.
-
B
epaalde materialen (stoffen) kunnen
geluidsgolven absorberen: hierdoor worden
voetgangers mogelijk niet gedetecteerd.
-
O
phopingen van sneeuw of dode bladeren
op de weg kunnen de werking van de
sensoren van de auto verstoren.
-
E
en aanrijding aan de voorzijde
of achterzijde van de auto kan de
sensorinstellingen verstoren, hetgeen niet
altijd door het systeem wordt vastgesteld:
afstandsmetingen kunnen hierdoor incorrect
zijn.
-
B
ij zware belading van de bagageruimte kan
de hoek van de auto de afstandsmetingen
verstoren.
-
D
e sensoren kunnen worden beïnvloed
door slechte weersomstandigheden (zware
regenval, dichte mist, sneeuwval, enz.).
Aanbevelingen over
onderhoud
Zorg er voor dat de sensoren bij slecht
of winters weer niet bedekt zijn met
modder, ijs of sneeuw. Bij het inschakelen
van de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat de
sensoren vuil kunnen zijn.
Wassen met een hogedrukreiniger
Houd tijdens het wassen van de auto
het uiteinde van de hogedrukspuit op
minimaal 30
cm van de sensoren.
Storing
Als er een storing optreedt
bij het inschakelen van de
achteruitversnelling, gaat op
het instrumentenpaneel dit
verklikkerlampje branden, in
combinatie met de weergave van
een melding en een geluidssignaal
(kort piepsignaal).
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Met touchscreen
6
Rijden
Page 108 of 240

106
Geschikte brandstoffen
Brandstof voor
benzinemotoren
De benzinemotoren zijn geschikt voor
biobrandstoffen die aan de huidige en
toekomstige Europese richtlijnen voldoen en
die bij tankstations getankt kunnen worden:Benzine die voldoet aan de norm
EN228
en is gemengd met een
biobrandstof die voldoet aan de
norm EN15376.
Alleen brandstofadditieven die voldoen
aan de norm B715001
mogen worden
gebruikt.
Brandstof voor
dieselmotoren
De dieselmotoren zijn geschikt voor
biobrandstoffen die aan de huidige en
toekomstige Europese richtlijnen voldoen en
die aan de pomp getankt kunnen worden:Raadpleeg voor meer informatie het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Het gebruik van elk ander type (bio)
brandstof (zuivere of verdunde
plantaardige of dierlijke olie, stookolie …)
is nadrukkelijk verboden (kans op schade
aan de motor en het brandstofcircuit). Alleen het gebruik van dieseladditieven
die voldoen aan de norm B715000
is
toegestaan.
Diesel bij lage buitentemperaturen
Bij temperaturen beneden het vriespunt kan
paraffine in zomerdiesel vlokvorming en
storingen in het brandstofsysteem van uw
auto veroorzaken. Om dit te voorkomen is het
raadzaam winterdiesel te tanken en de tank
voor minimaal 50% gevuld te houden.
Als desondanks de motor bij een temperatuur
lager dan -15°C moeilijk aanslaat, laat dan
de auto even in een garage of ver warmde
werkplaats staan.
Reizen naar het buitenland
Sommige brandstoffen kunnen de motor
van uw auto beschadigen.
In bepaalde landen kan het nodig zijn een
specifieke brandstofsoor t te gebruiken
(specifiek octaangetal, specifieke
commerciële benaming enz.) om de goede
werking van de motor te garanderen.
Neem voor meer informatie contact op met uw
dealer.
Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN590
gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214
(met
een gehalte aan methyl-ester vetzuren
van 0
tot 7%), Diesel die voldoet aan de richtlijn
EN16734
gemengd met biobrandstof die
voldoet aan de richtlijn EN14214
(met
een gehalte aan methyl-ester vetzuren
van 0
tot 10%),
Paraffinehoudende diesel die voldoet
aan de richtlijn EN15940
gemengd met
biobrandstof die voldoet aan de richtlijn
EN14214
(met een gehalte aan methyl-
ester vetzuren van 0
tot 7%).
De brandstof B20
of B30
die voldoet
aan de richtlijn EN16709
is ook geschikt
voor de dieselmotor van uw auto. Maar
als deze brandstof, ook al is het slechts
incidenteel, wordt gebruikt, moeten de
bijzondere onderhoudsvoorschriften
(voor "Zware rijomstandigheden") strikt
worden nageleefd.
Praktische informatie
Page 114 of 240

112
Motoren
Benzine
Diesel
De afbeeldingen van deze motoren dienen als
voorbeeld.
De plaats van de volgende elementen kan
verschillen:
-
Luchtfilter.
-
Oliepeilstok.
-
V
uldop motorolie.
-
Handopvoerpomp. 1.
Ruitensproeiervloeistofreservoir.
2. Koelvloeistofreservoir.
3. Remvloeistofreservoir.
4. Accu.
5. Zekeringkast.
6. Luchtfilter.
7. Oliepeilstok.
8. Olievuldop.
9. Afzonderlijk massapunt.
10. Handopvoerpomp*
Het dieselcircuit staat onder zeer hoge
druk.
Laat werkzaamheden aan dit circuit
alleen door het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats uitvoeren.
Niveaus controleren
Controleer deze niveaus regelmatig en respecteer de
voorwaarden zoals vermeld in het onderhoudsschema
van de fabrikant. Vul indien nodig bij, tenzij anders
aangegeven.
Laat in het geval van een sterk gedaald niveau het
desbetreffende circuit controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
De vloeistof moet voldoen aan de
aanbevelingen van de fabrikant en moet
geschikt zijn voor de motor van de auto. Let bij werkzaamheden onder de
motorkap goed op, want bepaalde delen
van de motor kunnen zeer heet zijn (kans
op brandwonden) en de koelventilator kan
ieder moment aanslaan (zelfs bij afgezet
contact).
Afgewerkte producten
Vermijd langdurig huidcontact met
afgewerkte olie en andere vloeistoffen.
De meeste van deze vloeistoffen zijn
bijtend en schadelijk voor de gezondheid.
Gooi afgewerkte olie en andere
vloeistoffen niet in het riool, in het water
of op de grond.
Deponeer afgewerkte olie in de daar voor
bestemde containers bij het PEUGEOT-
dealer of een gekwalificeerde werkplaats.
Motorolieniveau
Het motorolieniveau kan bij
aangezet contact worden
gecontroleerd via de
motorolieniveaumeter op het
instrumentenpaneel (bij auto's met
een motorolieniveaumeter) of met de
oliepeilstok.
*
A
fhankelijk van de motoruitvoering.
Praktische informatie
Page 115 of 240

113
De controle van het motorolieniveau is
alleen betrouwbaar als de auto op een
horizontale ondergrond staat en de motor
ten minste 30 minuten niet heeft gedraaid.
Het is normaal dat u
tussen twee
onderhoudsbeurten door olie moet bijvullen.
PEUGEOT adviseert u
om elke 5000 km het
olieniveau te controleren en, indien nodig, olie
bij te vullen.
Controle met de peilstok
De plaats van de oliepeilstok is aangegeven
op de desbetreffende afbeelding van de
motorruimte.
F
T
rek de oliepeilstok aan het gekleurde
uiteinde helemaal naar buiten.
F
V
eeg de peilstok af met een schone, niet
pluizende doek.
F
S
teek de oliepeilstok weer volledig in de
schacht en trek deze er weer uit om het
oliepeil te controleren: het oliepeil is correct
als het tussen de merktekens A en B ligt.
A = MA X
B = MIN Als u
ziet dat het peil boven merkteken A of
onder merkteken B ligt, star t dan de motor
niet .
-
A
ls het oliepeil boven het merkteken MAX
ligt (kans op motorschade), neem dan
contact op met het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
-
A
ls het oliepeil lager is dan het merkteken
MIN , vul dan altijd motorolie bij.
Eigenschappen van de olie
Controleer voordat u olie bijvult of ver verst of
d e motorolie die u wilt gebruiken overeenkomt
met de door de fabrikant aanbevolen motorolie
voor uw auto en motoruitvoering.
Motorolie bijvullen
De plaats van de vulopening voor de motorolie
is aangegeven op de desbetreffende
afbeelding van de motorruimte.
F
D
raai de dop van de vulopening.
F
G
iet de olie voorzichtig in de opening om
morsen op motoronderdelen te voorkomen
(dit kan brand veroorzaken).
F
W
acht enkele minuten en controleer
ver volgens nogmaals het oliepeil met de
peilstok.
F
V
ul indien nodig nog olie bij.
F
D
raai nadat u het oliepeil nogmaals hebt
gecontroleerd de dop zorgvuldig op de
vulopening en steek de peilstok weer in de
schacht. Na het bijvullen zal de olieniveaumeter op
het dashboard bij het aanzetten van het
contact na 30
minuten de juiste waarde
aangeven.
Olie ver versen
Raadpleeg het onderhoudsschema van de
fabrikant voor het ver versingsinter val voor uw
auto.
Voeg nooit additieven toe aan de motorolie
om een verminderde betrouwbaarheid van de
motor en de emissieregeling te voorkomen.
Remvloeistofniveau
Het remvloeistofniveau dient zich
zo dicht mogelijk bij het merkteken
"MA X" te bevinden. Controleer
indien dit niet het geval is of de
remblokken van uw auto zijn
versleten.
Vloeistof ver versen
Raadpleeg het onderhoudsschema van de
fabrikant voor het inter val voor uw auto.
7
Praktische informatie
Page 116 of 240

114
Koelvloeistofniveau
Controleer het koelvloeistofniveau regelmatig.
Het is normaal dat tussen twee
onderhoudsbeurten door koelvloeistof moet
worden bijgevuld.
Het controleren en bijvullen moet altijd worden
uitgevoerd bij koude motor.
De motor van uw auto kan door een te laag
koelvloeistofniveau zwaar beschadigd raken.
Het koelvloeistofniveau dient zich zo dicht mogelijk
bij het merkteken "MA X" te bevinden, maar mag
beslist niet hoger zijn.
Als het niveau zich dicht bij of onder het merkteken
"MIN" bevindt, moet u koelvloeistof bijvullen.
Als de motor warm is, wordt de temperatuur van de
koelvloeistof geregeld door de koelventilator.
Bovendien staat het koelsysteem onder druk. Wacht na het
afzetten van de motor daarom ten minste één uur alvorens
werkzaamheden aan het koelsysteem uit te voeren.
Wanneer u met spoed werkzaamheden moet uitvoeren,
neem dan, om brandwonden te voorkomen, een doek en
draai de dop twee omwentelingen los om de druk te laten
dalen.
Ver wijder, als de druk eenmaal gedaald is, de dop en vul
koelvloeistof bij.
De koelventilator kan ook gaan draaien
nadat de motor is afgezet: houd
daarom voor werpen en kleding uit de
buurt van de ventilator.
Niveau ruitensproeiervloeistof
Vul het reser voir bij wanneer dit
nodig is.
Type vloeistof
Maak voor de ruitensproeiers uitsluitend gebruik
van kant-en-klare ruitensproeiervloeistof.
's Winters (bij temperaturen beneden het
vriespunt) moet voor de omstandigheden
geschikte ruitensproeiervloeistof met antivries
worden gebruikt om de onderdelen van het
systeem (pomp, reser voir, leidingen enz.) te
beschermen.
Vul het reser voir nooit bij met kraanwater (kans
op bevriezing, kalkafzetting enz.).
Brandstofadditiefniveau
(dieseluitvoering met
roetfilter)
Het minimumniveau van het
additief wordt aangegeven door het
permanent branden van dit lampje in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding met betrekking tot
een te laag additiefniveau van het
r o e t f i l t e r.
Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
AdBlue
Er verschijnt een waarschuwing zodra het
reserveniveau is bereikt.
Als er geen AdBlue meer aanwezig is in het
reser voir, kan de motor om wettelijke redenen niet
meer gestart worden. Vul om dit te voorkomen
daarom zo snel mogelijk vloeistof bij.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over AdBlue (BlueHDi-motoren) , in
het bijzonder met betrekking tot het bijvullen.
Controles
Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, het
onderhoudsschema van de fabrikant dat betrekking
heeft op de motoruitvoering van uw auto voor het
controleren van bepaalde onderdelen.
Laat de controles eventueel uitvoeren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om regelmatig
te controleren of de accupoolklemmen
goed vastzitten (bij uitvoeringen zonder
snelsluiting voor de accupoolklemmen)
en of de aansluitingen schoon zijn.
Praktische informatie
Page 118 of 240

116
Handgeschakelde versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Automatische transmissie
De transmissie is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Remblokken
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te
laten controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt
een te laag remvloeistofniveau erop dat de
remblokken versleten zijn.
Slijtage remschijven/
remtrommels
Raadpleeg voor informatie over het
controleren van de slijtage van de
remschijf/-trommel het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Parkeerrem
Als de parkeerrem een te grote slag
heeft of als het systeem minder goed
werkt, moet de parkeerrem, zelfs
tussen twee onderhoudsbeurten
door, worden afgesteld.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Velgen en banden
De bandenspanning moet minstens
eens per maand en voorafgaand aan
een lange rit bij alle banden (wanneer
ze koud zijn) gecontroleerd worden. aanbevolen om een regelmatige inspectie van
de staat van de banden (profiel en bandwangen)
en velgen uit te voeren en om te controleren dat
de banden over een ventiel beschikken.
Het gebruik van andere dan de gespecificeerde
velg- en bandmaten kan effect hebben op
de levensduur van de banden, het draaien
van de wielen, de bodemvrijheid en de
snelheidsmeteraanduiding, en kan tevens een
negatieve invloed hebben op het weggedrag van
de auto.
De montage van verschillende banden op
de voor- en op de achteras kan leiden tot
het onjuist ingrijpen van het elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP).
Gebruik uitsluitend door PEUGEOT
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke
onderdelen als het remsysteem te
optimaliseren, selecteert en biedt
PEUGEOT specifieke producten aan.
Na het wassen kan er zich een laagje
vocht of onder winterse omstandigheden
ijs vormen op de remschijven en
remblokken: de remwerking kan daardoor
afnemen. Rem een paar keer lichtjes om
de remmen vocht- en ijsvrij te maken.
De op de sticker aangegeven
bandenspanningen gelden voor koude
banden. Als u
meer langer dan 10
minuten of
meer dan 10
kilometer hebt gereden met een
snelheid van meer dan 50
km/u, moet u
de
bandenspanning 0,3
bar (30
kPa) verhogen
ten opzichte van de op de sticker aangegeven
waarden.
Een te lage bandenspanning leidt ook tot
een hoger brandstofverbruik. Een onjuiste
bandenspanning kan veroorzaakt vroegtijdige
slijtage van banden en heeft een negatieve
invloed op het rijgedrag van de auto. Kans op
een ongeval!
Het rijden met versleten of beschadigde
banden vermindert de remwerking en heeft een
negatieve invloed op het rijgedrag.
Het wordt
Praktische informatie
Page 128 of 240

126
Wiel met wieldop
Monteren: plaats de wieldop met de
uitsparing over het ventiel en druk de
wieldop vervolgens rondom met de hand
vast.
Al het gereedschap is specifiek bestemd voor uw
auto. Van welk gereedschap uw auto is voorzien,
is afhankelijk van de uitvoering van de auto.
Gebruik het niet voor andere doeleinden.
De krik mag uitsluitend worden gebruikt
voor het ver wisselen van een wiel.
Gebruik niet een andere krik dan de door
de fabrikant geleverde krik.
Als de auto niet is voorzien van de
originele krik, neem dan contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats, om de door de fabrikant
voorgeschreven krik aan te schaffen.
De krik voldoet aan de Europese
regelgeving zoals deze is vastgelegd in de
Richtlijn 2006/42/EG over machines.
De krik is onderhoudsvrij.
Toegang tot het reservewiel
Verwijderen van het wiel
F Til het reser vewiel aan de achterzijde op en trek het naar u toe.
F
N
eem het wiel uit de bagageruimte.
Terugplaatsen van het wiel
F Leg het wiel in de reser vewielbak.
F Draai de moer op de bout een aantal omwentelingen los.
F
P
laats het bevestigingssysteem (moer en
bout) in het midden van het wiel.
F
D
raai de centrale moer vast tot deze klikt en
het wiel goed vastzit.
F
P
laats de houder met het gereedschap in het
hart van het wiel en maak de houder vast.
Als er geen wiel in de reser vewielbak ligt,
kan het bevestigingssysteem (moer en
bout) niet teruggeplaatst worden.
Het reser vewiel bevindt zich onder de vloer van de bagageruimte.
Afhankelijk van het land van bestemming, is er een stalen
reservewiel, een lichtmetalen reservewiel of een noodreservewiel
aanwezig.
F Draai de centrale moer los.
F V erwijder het bevestigingssysteem (moer en
bout).
In geval van pech
Page 233 of 240

151
Monteren allesdragers ~ Allesdragers monteren ........................11 0 -111
Motordiagnosesysteem
..................................15
Motoren
.......................................... 142-143, 145
Motorkap
....................................................... 111
Motorkapsteun
.............................................. 111
Motorolie
................................................ 112 -113
Motorolieniveaumeter
.............................2 1, 113
M P3
(CD)
..............................
........................3-5
OOliefilter ......................................................... 115
Oliefilter (vervangen) .................................... 115
Olieniveau
......................................... 2
1, 112 -113
Oliepeilstok
....................................... 2 1, 112 -113
Olieverbruik
............................................ 112 -113
Onder de motorkap ~ Motorruimte
...............112
Onderhoudscontroles
..................................... 20Panoramadak
.............................................
47- 4 8
Park Assist
...............................
.....................
10 0
Parkeerrem
..............................
..........
82-83, 116
Parkeerhulp achter
.........................................
98
Parkeerhulp achter met grafische weergave en geluidssignalen
....... 98
P
arkeerhulp vóór .......................................
98-99
Parkeerlichten ............................51, 5 4, 13 0 -132
PEUGEOT Connect Nav
...................................1
PEUGEOT Connect Radio
...............................1
P
lafonnier
..................................................46 - 47
Profielen
....................................................16, 30
Pyrotechnische gordelspanners
.....................64
P
RRadio ...................................... 2, 2, 6 -7, 9, 21, 24
Radiozender ............................... 2
, 2, 6 -7, 21-22
RDS
................
........................................ 7, 2 1 - 2 2
Regeling luchtopbrengst ~ Aanjager, regeling
.................................. 43-45
Regeling luchtverdeling ~ Luchtverdeling ...43-45Regelmatige controles ~ Controles... 8 3 , 114 -11 6
Regelmatig onderhoud ..................................... 6
R
egeneratie roetfilter
.................................... 11
5
Remblokken
............................................ 8 3 , 11 6
Remlichten
...............................
..................... 132
Remmen
............................................ 12, 83, 116
Remschijven ............................................ 8 3 , 11 6
Reservewiel
................................... 116, 125 -126
Reservoir ruitensproeiers ~ Ruitensproeierreservoir
.............................. 114
Resetten bandenspanningscontrolesysteem ...90
R
ichtingaanwijzers
.................... 52, 54, 130, 132
Rijadviezen
..............................
................. 80 - 81
Roetfilter
...............................
.................. 114 -115
Ruitbediening
...............................
................... 34
Ruitensproeier achter
..................................... 57
Ruitensproeiers
............................................... 56
Ruitenwisser achter
........................................ 57
Ruitenwisserbladen (vervangen)
.................... 57
Ruitenwisserbladen vervangen
...................... 57
R
uitenwissers
...................................... 19, 55 - 56
Ruitenwisserschakelaar
............................ 5
5-57
Niveau AdBlue
® .............................................
11 4
Niveau brandstofadditief diesel ~ Brandstofaddititiefniveau
......................... 114
Niveau koelvloeistof ~ Koelvloeistofniveau
.............................. 2
1, 114
Niveau remvloeistof ~ Remvloeistofniveau ...113
Niveau ruitensproeiervloeistof ~ Ruitensproeiervloeistofniveau
................ 114
Niveaus controleren
............................... 112 -114
Niveaus en controles
............................. 112 -114
Noodbediening achterklep
.............................. 32
Noodbediening portieren
.......................... 3
0 - 31
Noodoproep ~ Urgence-oproep
............... 59-60
Noodprocedure starten
................................. 13 8
Noodremassistentie ~ Brake Assist System (BAS)
.................................... 60
NRA
................................................................. 60
Nulstelling onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator resetten
... 20 -21
N
Onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator ........................ 20
O
ntdooien .................................................. 45-46
Ontgrendelen
.................................................. 28
O
ntgrendelen bagageruimte ~
Bagageruimte ontgrendelen
...................28, 32
Ontgrendelen portieren ~ Portieren ontgrendelen .................... 28, 30, 33
Ontgrendelen van binnenuit ~ Vanuit het interieur ontgrendelen
................. 3
0
Ontluchten brandstofsysteem ~ Brandstofsysteem ontluchten
..................12
1
Ontwasemen
............................................. 45-46
Opbergvakken
........................................... 39, 48
Opbergvakken portieren
................................. 48
O
penen bagageruimte ~
Bagageruimte openen
..................................32
Openen brandstofvulklep ~ Brandstoftanklep openen
...........................107
Openen motorkap ~ Motorkap, openen
.......111
O
penen zonnescherm
panoramadak ~
Zonnescherm panoramadak openen
...... 4
7- 4 8
Overzicht zekeringen ~ Zekeringentabel
................................... 13
3 -13 6
SSchakelaar ................................................ 81- 82
Schakelaars stoelverwarming ~ Stoelverwarming, schakelaars
..................39
Schakelindicator
............................................. 86
SCR (Selective Catalytic Reduction)
............117
SCR-systeem
...............................
.................117
Selectiehendel
................................................ 85
Sel
ectiehendel
handgeschakelde
versnellingsbak ~ Schakelen
elektronisch bediende versnellingsbak
........83
.
Trefwoordenregister