Motor Peugeot 308 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2017, Model line: 308, Model: Peugeot 308 2017Pages: 393, PDF Size: 9.55 MB
Page 186 of 393

184
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
In de volgende tabel worden de bij bepaalde rijomstandigheden weergegeven waarschuwingen en meldingen beschreven.
Deze waarschuwingen worden niet opeenvolgend weergegeven.
Rijomstandigheden en bijbehorende waarschuwingen
PictogramWeergave op het
instrumentenpaneelBijbehorende
meldingToelichting
Geen voertuig gedetecteerd:
het systeem werkt als een normale snelheidsregelaar.
Detectie van een voertuig op de grens van het bereik van de radar:
het systeem werkt als een normale snelheidsregelaar.
"AANGEPASTE
SNELHEID" Detectie van een voertuig dat zich te dicht vóór de auto bevindt of waarvan de
snelheid lager ligt dan de ingestelde snelheid.
Het systeem remt de auto af op de motor (max. 30
km/h) en houdt de wagensnelheid
gelijk aan die van de voorligger om de ingestelde afstand in tijd tot de voorligger te
bewaren.
Bij het automatisch afremmen achter een voorligger kan de werkelijke
wagensnelheid hoger zijn dan de weergegeven "aangepaste snelheid".
"AANGEPASTE
SNELHEID" Als de aangepaste snelheid de grens van het systeem (ingestelde snelheid -
30
km/h) bereikt, gaan de aangepaste snelheid en de waarde van de ingestelde
snelheid knipperen om aan te geven dat de functie binnen enkele ogenblikken
automatisch zal worden uitgeschakeld.
"Snelheidsregelaar op
pauze". Als het systeem de grens voor het aanpassen van de snelheid overschrijdt en als de
bestuurder niet ingrijpt (inschakelen van de richtingaanwijzer, wisselen van rijstrook,
snelheid minderen), wordt de werking van het systeem automatisch onderbroken.
Deze melding verschijnt in combinatie met een geluidssignaal.
Rijden
Page 187 of 393

185
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Als de actieve snelheidsregelaar
automatisch wordt onderbroken, kan
deze pas weer worden geactiveerd als
weer aan alle veiligheidsvoorwaarden
wordt voldaan. De melding "Inschakelen
geweigerd, omstandigheden
ongeschikt" wordt weergegeven zolang
het niet mogelijk is om de actieve
snelheidsregelaar weer te activeren.
Als het activeren weer mogelijk is, is
het raadzaam de functie te activeren
door de toets 2 (SET+) of 3 (SET-) in te
drukken waarbij uw actuele snelheid
als nieuwe ingestelde snelheid wordt
opgeslagen. Het indrukken van de
toets 4
(inschakelen/pauze) om de
functie te activeren met de laatste
ingestelde snelheid is ook mogelijk,
maar daarbij kan deze snelheid sterk
afwijken van uw actuele snelheid. Als het verschil tussen de ingestelde snelheid
en de snelheid van de voorligger groter is dan
30
km/h, werkt het systeem niet.
De werking van het systeem wordt in dat geval
onderbroken als de afstand met de voorligger
te klein wordt.
De actieve snelheidsregelaar vermindert de
wagensnelheid uitsluitend door af te remmen
op de motor. Daardoor neemt de snelheid
langzaam af, zoals dat ook gebeurt bij het
loslaten van het gaspedaal.
De werking van het systeem wordt automatisch
onderbroken:
-
a
ls de voorligger te sterk of te plotseling
afremt en u zelf niet remt,
-
a
ls een voertuig invoegt tussen uw auto en
uw voorligger,
-
a
ls het systeem de snelheid niet voldoende
kan verminderen om een veilige afstand te
bewaren, zoals in een steile afdaling.
Beperkingen van de werking
Omdat het gezichtsveld van de radar relatief
smal is, is het mogelijk dat het systeem het
volgende niet detecteert: De snelheidsregelaar houdt geen
rekening met:
-
s
tilstaande voertuigen,
-
t
egemoetkomende voertuigen.
-
s
malle voertuigen, bijvoorbeeld
motorfietsen, -
v
oertuigen die niet in het midden van de
rijstrook rijden,
-
v
oertuigen die een bocht in rijden,
-
v
oertuigen die plotseling van rijstrook
wisselen.
6
Rijden
Page 189 of 393

187
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Weergave van de afstand in tijd tot de voorligger
Met behulp van een radar aan de voorzijde
van de auto helpt dit systeem de bestuurder
bij het bewaren van een veilige afstand tot
de voorligger door de actuele afstand in
tijd tot de voorligger weer te geven op het
instrumentenpaneel.
Dit betreft het tijdsinterval, uitgedrukt in
seconden, tussen twee voertuigen die achter
elkaar rijden.
Aanbevolen wordt een afstand van ongeveer
2
seconden te bewaren.
Raadpleeg de verkeersregels van uw land.Activeren/deactiveren*
F Druk op deze toets, het lampje gaat branden.
De weergegeven afstand dient alleen
ter informatie: het systeem grijpt op
geen enkele wijze in.
Deze functie is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen en de controle over zijn auto
moet bewaren.
De functie is niet bedoeld voor gebruik
in stadsverkeer of voor een sportieve
rijstijl (snelle bochten, krachtig
accelereren en remmen...), maar alleen
voor constante rijomstandigheden. De functie werkt bij een snelheid van
70
tot 150
km/h.
Stilstaande voertuigen en bepaalde
objecten (bijvoorbeeld fietsen) worden
niet gedetecteerd.
De waarde van de afstand in tijd
tot de voorligger die de functie
kan weergeven, ligt tussen 3
en
0,5
seconden.
Als de afstand korter wordt dan
0,5
seconden, blijft deze waarde
weergegeven worden, zelfs als de
werkelijke afstand korter is. De status van de functie wordt opgeslagen bij
het afzetten van de motor. U kunt de functie activeren via het menu
"
Rijhulpsystemen ", bij draaiende motor.
* Volgens uitvoering.
Voorwaarden voor de
weergave
De actieve snelheidsregelaar mag niet zijn
geselecteerd (de gegevens van de actieve
snelheidsregelaar worden weergegeven in
plaats van de afstand in tijd tot de voorligger).
6
Rijden
Page 195 of 393

193
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Het automatisch noodremsysteem is een
functie die beoogt de snelheid van een frontale
aanrijding te verminderen of de aanrijding
te voorkomen wanneer de bestuurder niet
zelf ingrijpt, door gebruik te maken van een
detectiesysteem met radar en in te grijpen op
het remsysteem van de auto.
Automatisch noodremsysteem
Dit verklikkerlampje knippert als de
auto "begint" te remmen, maar de
auto zal nooit automatisch volledig
worden stilgezet.
U zult het rempedaal krachtig moeten
blijven intrappen totdat de auto
volledig stilstaat.Voorwaarden voor activering
Het automatisch noodremsysteem werkt
alleen als aan de volgende voor waarden wordt
voldaan:
●
d
raaiende motor,
●
g
een storingen in het elektronisch
stabiliteitsprogramma,
●
w
agensnelheid minimaal 20 km/h,
●
m
otortoerental voldoende hoog.
Bovendien werkt de radardetectie van het
systeem niet als de auto een scherpe bocht
maakt. F
D
ruk op het vergrootglas.F
W
ijzig het moment dat de waarschuwing
wordt geactiveerd en vink de regel
" Automatisch remmen " aan.
F
D
ruk op " Afsluiten
" om het gekozen
moment op te slaan en het menu te verlaten.
F
D
ruk op " Bevestigen
" om de wijziging op te
slaan.
Via de secundaire pagina van het menu
" Rijhulpsysteem
":
F
S
electeer het menu " Configuratie auto
".
F
V
ink de regel " Waarschuwing kans op
aanrijding en automatisch remmen " aan.
Als de functie "automatisch
noodremsysteem" niet is
geactiveerd, brandt dit
verklikkerlampje permanent.
6
Rijden
Page 198 of 393

196
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Indien een voertuig - een (motor)fiets,
een auto of een vrachtwagen - zich in de
dode hoek van de auto bevindt, zal er een
waarschuwingslampje gaan branden in de
linker- of rechterbuitenspiegel (afhankelijk van
de situatie) onder de volgende voorwaarden:
-
a
lle voertuigen rijden in dezelfde richting
en op aangrenzende rijstroken,
-
d
e snelheid van uw auto ligt tussen
12
km/h en 140 km/h,
-
h
et snelheidsverschil met het voertuig
dat u aan het inhalen bent, is kleiner dan
10
km/h,
-
h
et snelheidsverschil met het voertuig dat u
inhaalt, is kleiner dan 25
km/h,
-
he
t verkeer stroomt vloeiend door,
-
d
e inhaalmanoeuvre duurt langer dan
normaal, doordat het ingehaalde voertuig
zich blijft ophouden in de dode hoek,
-
u r
ijdt in een rechte lijn of in een flauwe
bocht,
-
u
w auto trekt geen aanhanger of caravan,
enz. Er wordt geen waarschuwingssignaal
afgegeven in de volgende situaties:
-
v
oor stilstaande objecten (geparkeerde
auto's, vangrails, lantaarnpalen, borden...),
-
b
ij tegemoetkomende voertuigen,
-
b
ij rijden over bochtige wegen of in zeer
scherpe bochten, -
b
ij het inhalen van of ingehaald worden
door een zeer lang voertuig (vrachtwagen,
autobus...) die én in de dode hoek
achter wordt gedetecteerd én zich in het
gezichtsveld van de bestuurder bevindt,
-
b
ij erg druk verkeer: de voertuigen die voor
en achter worden gedetecteerd worden
aangezien voor een vrachtwagen of een
stilstaand object,
-
b
ij snelle inhaalmanoeuvres.
Rijden
Page 201 of 393

199
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
De functie wordt automatisch
uitgeschakeld zodra een aanhanger
wordt aangekoppeld of een
fietsendrager op de trekhaak wordt
gemonteerd (auto's voorzien van een
trekhaak die volgens de voorschriften
van de fabrikant is gemonteerd).
Uitschakelen/activeren van
de parkeerhulp vóór en
achter
De functie kan worden uitgeschakeld
via het menu " Rijhulpsysteem " van
het touchscreen.
F
D
ruk op deze knop. Het lampje
van de knop gaat branden.
Door de knop opnieuw in te drukken wordt de
functie weer geactiveerd. Het controlelampje
dooft.
De parkeerhulp is uitgeschakeld wanneer
de functie Park Assist bezig is de
beschikbare ruimte van een parkeerplaats
te meten.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de Park Assist . Wassen met hogedrukspuit
Houd tijdens het wassen van de auto
het uiteinde van de hogedrukspuit op
minimaal 30
centimeter van de sensoren.
Storing
- dit verklikkerlampje gaat op het instrumentenpaneel branden en/of er
wordt een melding weergegeven, in
combinatie met een geluidssignaal,
- dit pictogram schakelt over
op de waarschuwingsmodus,
het verklikkerlampje knippert
enige tijd en blijft vervolgens
branden en er wordt een melding
weergegeven in combinatie met
een geluidssignaal.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats. Controleer bij slecht weer of in winterse
omstandigheden of de sensoren
soms bedekt zijn met modder, ijs
of sneeuw. Bij het inschakelen van
de achteruitversnelling geeft een
geluidssignaal (lange pieptoon) aan dat
de sensoren vuil kunnen zijn.
De parkeerhulp kan geluidssignalen
geven als reactie op bepaalde
omgevingsgeluiden (motoren,
vrachtwagens, drilboren, enz.).
Als er een storing optreedt bij het inschakelen
van de achteruitversnelling, gebeurt,
afhankelijk van de uitvoering, het volgende:
6
Rijden
Page 203 of 393

201
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren:
het detecteert een parkeerplek en neemt
vervolgens het sturen van u over bij het
inparkeren.
Het systeem bedient de stuurinrichting
ter wijl de bestuurder het gaspedaal, het
rempedaal, de versnellingsbak en de koppeling
(handgeschakelde versnellingsbak) bedient.
Tijdens het in- en uitparkeren informeert het
systeem de bestuurder met beelden op het
scherm en geluidssignalen, zodat hij erop
kan toezien dat de manoeuvres veilig worden
uitgevoerd. Bij het parkeren kan het noodzakelijk
zijn dat u enkele keren moet steken.Tijdens de manoeuvres draait het
stuur wiel snel rond: houd daarom het
stuur wiel niet tegen, steek niet uw
handen tussen de spaken en zorg dat
ook uw kleding, uw sjaal of stropdas,
uw handtas en dergelijke niet tussen de
spaken terechtkomen - Kans op letsel!
Als de Park Assist is geactiveerd, gaat
het Stop & Start-systeem niet over op
de STOP-stand. In de STOP-stand
wordt bij het activeren van de Park
Assist de motor weer gestart.
Dit systeem is een hulpmiddel voor de
bestuurder die echter te allen tijde zijn
aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen.
De bestuurder moet ervoor zorgen dat
de auto tijdens de gehele manoeuvre
onder controle blijft en geen obstakels
kan raken.
Onder bepaalde omstandigheden
detecteren de sensoren mogelijk geen
kleine obstakels die zich in hun dode
hoeken bevinden.
De bestuurder kan op elk gewenst moment het
stuur zelf weer overnemen. De Park Assist assisteert u bij de
volgende parkeermanoeuvres:
A.
Fileparkeren.
B.
U
itparkeren na fileparkeren.
C.
H
aaks inparkeren.De Park Assist kan maximaal
4
parkeercycli achter elkaar uitvoeren.
Na deze 4
cycli wordt de functie
gedeactiveerd. Als u vindt dat uw auto
op dat moment niet goed geparkeerd
staat, moet u zelf het stuur weer ter
hand nemen om de manoeuvre te
voltooien.
De functie Park Assist werkt niet als de
motor is afgezet.
6
Rijden
Page 207 of 393

205
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Hulp bij uitparkeren na
fileparkeren
F Druk bij stilstaande auto op deze toets.
F
D
ruk op " Uitparkeren " op het
touchscreen. F
S
chakel de richtingaanwijzer in aan de
zijde van de rijbaan.
F
S
chakel de achteruit- of vooruitversnelling
in en laat het stuur wiel los.
F
D
e geassisteerde parkeermanoeuvre is
bezig. Rijd niet sneller dan 5
km/h vooruit
of achteruit en volg de waarschuwingen
van de "Parkeerhulp" tot wordt aangegeven
dat de manoeuvre is voltooid. De manoeuvre is voltooid zodra beide
voor wielen van de auto zich buiten het
parkeervak bevinden.
Als de manoeuvre is voltooid, gaat het
verklikkerlampje van de functie op het
instrumentenpaneel uit en wordt een
melding weergegeven in combinatie met een
geluidssignaal.
De assistentie wordt gedeactiveerd: u kunt het
stuur weer overnemen.
F
S
tart als u vanuit een fileparkeervak wilt
wegrijden eerst de motor.
of F
Sel
ecteer " Park Assist " in het
menu " Rijhulpsysteem " van
het touchscreen om de functie te
activeren.
6
Rijden
Page 210 of 393

208
308_nl_Chap06_conduite_ed01-2016
Het systeem kan worden gedeactiveerd door
op de toets te drukken.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd:
-
a
ls het contact wordt afgezet,
-
a
ls de motor afslaat,
-
a
ls er binnen 5 minuten na het selecteren
van het type manoeuvre niet wordt gestart
met een manoeuvre,
-
a
ls de auto tijdens de manoeuvre langdurig
blijft stilstaan,
-
a
ls de antispinregeling (ASR) in werking
treedt,
-
a
ls de maximale wagensnelheid wordt
overschreden,
-
a
ls de bestuurder het stuur wiel tegenhoudt,
-
n
a meer dan 4 parkeercycli,
-
a
ls het bestuurdersportier wordt geopend,
-
a
ls één van de voor wielen op een obstakel
stuit.
Het verklikkerlampje van de functie op het
instrumentenpaneel gaat uit en er wordt een
melding weergegeven in combinatie met een
geluidssignaal.
De bestuurder moet nu het stuur weer
overnemen.
Deactiveren
Als het systeem tijdens een manoeuvre
wordt gedeactiveerd, moet de bestuurder het
systeem weer activeren om de meting voort te
zetten. Het systeem wordt automatisch uitgeschakeld:
-
b
ij het trekken van een aanhangwagen,
-
a
ls het bestuurdersportier wordt geopend,
-
b
ij een wagensnelheid van meer dan
70
km/h.
Raadpleeg om het systeem voor langere duur
te laten uitschakelen het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
-
d
it verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat
branden en er wordt een melding
weergegeven, in combinatie met
een geluidssignaal,
Storing
In het geval van een storing in
de stuurbekrachtiging wordt dit
pictogram weergegeven op het
instrumentenpaneel in combinatie
met een waarschuwingsmelding.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Uitschakelen
Controleer bij slecht weer en bij
winterse omstandigheden of de
sensoren niet worden bedekt met vuil,
rijp of sneeuw.
Laat in het geval van een storing
het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
-
d
it pictogram schakelt over op
de waarschuwingsmodus, het
verklikkerlampje knippert enige
tijd waarna het dooft. Als de ruimte tussen uw auto en de
parkeerplek te groot is, kan het systeem
mogelijk de beschikbare ruimte niet
meten.
Objecten die groter zijn dan de
afmetingen van de auto, worden bij een
manoeuvre niet gedetecteerd door het
Park Assist-systeem.
Afhankelijk van de uitvoering gebeurt het
volgende:
Rijden
Page 215 of 393

213
308_nl_Chap07_info-pratiques_ed01-2016
Brandstoftank
Tank meer dan 6 liter brandstof om er voor te
z orgen dat de stijging van het brandstofniveau
wordt weergegeven op de brandstofmeter.
Tijdens het openen van de tankdop kan een
geluid van aangezogen lucht hoorbaar zijn.
Dit wordt veroorzaakt door de onderdruk
die ontstaat door de afdichting van het
brandstofcircuit. Dit geluid is normaal.
Openen
Indien uw auto is voorzien van het
Stop & Start-systeem, tank dan nooit
wanneer de motor zich in de STOP-
stand bevindt; zet in dat geval altijd het
contact af met de sleutel of met de knop
"START/STOP" bij een auto met het
Keyless entry and start-systeem.
F
O
ntgrendel de auto als deze is voorzien
van het Keyless entry and start-systeem.
F
D
ruk op de klep (in het achterste deel van
de zijkant van de auto) en trek de klep
vervolgens open.
Ta n k e n
F Ver wijder de vuldop en plaats deze op de steun (aan de klep).
F
S
teek het vulpistool zo ver mogelijk in de
vulopening en druk hierbij de metalen
klep A in.
F
V
ul de brandstoftank. Laat het vulpistool
maximaal drie keer afslaan, aangezien er
anders storingen kunnen optreden.
F
P
laats de vuldop terug en sluit deze door
de dop rechtsom te draaien.
F
D
ruk de klep van de tankdop dicht (uw auto
moet ontgrendeld zijn).
F
K
ies bij het tankstation de juiste brandstof
(deze staat vermeld op de sticker aan de
binnenzijde van de brandstofvulklep van
uw auto).
Inhoud van de brandstoftank: ongeveer 53
liter (of 45
liter, afhankelijk van de uitvoering).
F
A
ls uw auto is voorzien van een
conventionele sleutel, steek deze dan in de
vuldop.
F
D
raai de vuldop linksom.
7
Praktische informatie