display Peugeot 308 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2018, Model line: 308, Model: Peugeot 308 2018Pages: 324, PDF Size: 10.83 MB
Page 122 of 324

120
Met de flippers kunt u de neutraalstand
niet selecteren en de achteruitversnelling
niet in- en uitschakelen.
Weergave op het instrumentenpaneel
P.Parkeerstand
R. Achteruitversnelling
N. Neutraalstand
D. Rijden (automatisch schakelen)
S. Programma Sport
T . Programma Sneeuw
1 t /m 6. Ingeschakelde versnelling bij
handmatig schakelen
-.
Schakelcommando van de bestuurder in
de handbediende stand niet opgevolgd.
Starten van de auto
F Trap het rempedaal in en selecteer stand P of N .
Wanneer u de selectiehendel door het
schakelpatroon beweegt, verschijnt
het desbetreffende pictogram op het
instrumentenpaneel.
F
S
tart de motor.
Als niet aan de bovenstaande voor waarden
wordt voldaan, klinkt een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display van het
instrumentenpaneel.
F
T
rap bij draaiende motor het rempedaal in.
F
Z
et de parkeerrem vrij als deze niet in de
automatische stand staat.
F
Sel
ecteer stand R
, D of M.
F
L
aat het rempedaal geleidelijk los.
De auto begint onmiddellijk te rijden.
Als tijdens het rijden per ongeluk
stand N wordt geselecteerd, laat het
motortoerental dan zakken tot stationair
toerental, zet de keuzeschakelaar in stand
D en trap het gaspedaal weer in.
Als de motor stationair draait, het
rempedaal is losgelaten en stand R , D of
M is geselecteerd, rijdt de auto ook zonder
dat het gaspedaal wordt ingetrapt.
Laat nooit kinderen alleen achter in de
auto als de motor nog draait.
Trek de parkeerrem aan en
selecteer stand P indien er
onderhoudswerkzaamheden moeten
worden uitgevoerd bij draaiende motor.
Automatische werking
F Selecteer stand D om automatisch te laten
schakelen tussen de zes versnellingen.
De transmissie werkt dan in de auto-adaptieve
stand, zonder dat u zelf hoeft te schakelen.
De transmissie kiest voortdurend de meest
geschikte versnelling, afhankelijk van de rijstijl,
het profiel van de weg en de belading van de
auto.
Als u maximaal wilt accelereren zonder
de selectiehendel te bedienen, trap dan
het gaspedaal volledig in (kick down). De
transmissie schakelt automatisch terug of
houdt de ingeschakelde versnelling vast tot het
maximale toerental van de motor is bereikt.
Bij het remmen schakelt de transmissie
automatisch terug voor een betere
motorremwerking.
Om de veiligheid te verbeteren schakelt de
transmissie niet naar een hogere versnelling
als u het gaspedaal plotseling loslaat.
Selecteer nooit stand N als de auto rijdt.
Selecteer nooit stand P of R als de auto niet
volledig stilstaat.
Rijden
Page 124 of 324

122
Als de selectiehendel niet in stand
P staat, klinkt bij het openen van het
bestuurdersportier of na ongeveer
45 seconden een geluidssignaal en
verschijnt een melding op het display.
F
Z
et de selectiehendel in stand P ; het
geluidssignaal stopt en de melding
verdwijnt.
Storing
Bij aangezet contact wordt een
melding op het display van het
instrumentenpaneel weergegeven die
duidt op een storing in de transmissie.
In dit geval werkt de transmissie met een
noodprogramma en blijft de 3
e versnelling
ingeschakeld. U kunt dan een hevige schok
waarnemen bij het selecteren van R vanuit
stand P of R . Dit beschadigt de transmissie
niet.
Rijd niet harder dan 100
km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats. De transmissie kan beschadigd raken:
-
a
ls u het gaspedaal en het rempedaal
gelijktijdig intrapt,
-
a
ls u, indien de accu geen stroom
levert, de selectiehendel vanuit stand
P geforceerd in een andere stand zet.
Automatische transmissie
E AT 8
Automatische transmissie met acht
versnellingen en een impulsselectiehendel.
De transmissie biedt ook de mogelijkheid
handmatig te schakelen met de schakelflippers
aan de stuurkolom.
Standen van de transmissie
P. Parkeerstand.
Parkeren van de auto: de voor wielen
worden geblokkeerd.
R. Achteruitversnelling.
N. Neutraalstand.
Om de auto te verplaatsen met afgezet
contact: in bepaalde wasstraten, bij het
slepen van de auto enz.
D. Automatische stand.
De transmissie schakelt zelf de juiste
versnelling in, afhankelijk van uw rijstijl, het
wegprofiel en de belading van de auto.
M. Sequentiële stand.
De bestuurder schakelt met de
schakelflippers aan de stuurkolom.
Impulsselectiehendel
Trek in beide gevallen de parkeerrem aan om
de auto te blokkeren (als de parkeerrem niet in
de automatische stand staat).
Rijden
Page 135 of 324

133
Stuurkolomschakelaars
1.Selecteren van de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar.
2. Opslaan van de ingestelde snelheid.
Weergave op het instrumentenpaneel
3.Weergave van de snelheidslimiet.
4. Biedt aan om de snelheid op te slaan.
5. Huidige snelheidsinstelling.
Opslaan van de snelheid
Bij de detectie van een verkeersbord met een
andere snelheid, geeft het systeem de waarde
aan en MEM knippert een paar seconden om
de nieuwe ingestelde snelheid op te slaan.
Bij een verschil van minder dan 10 km/h
t ussen de ingestelde snelheid en de door het
verkeersbordherkenningssysteem weergegeven
snelheid wordt het symbool MEM niet
weergegeven.
F Druk toets 2 eenmaal in om de
voorgestelde snelheid te kunnen opslaan.
Er wordt een melding weergegeven om het
verzoek te bevestigen.
F
S
chakel de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar in.
De informatie over de snelheidsbegrenzer/
snelheidsregelaar wordt weergegeven. F
D
ruk toets 2 toets nogmaals in om deze
nieuwe ingestelde snelheid te bevestigen en
op te slaan.
Het display keert na enige tijd terug naar de
vorige weergave.
Snelheidsbegrenzer
Dit systeem voorkomt dat de auto
de door de bestuurder ingestelde
snelheid overschrijdt.
De snelheidsbegrenzer moet handmatig
worden ingeschakeld .
De ingestelde snelheid moet minimaal 30
km/h
bedragen.
De ingestelde snelheidswaarde blijft na het
afzetten van het contact opgeslagen in het
geheugen.
De snelheidsbegrenzer is niet meer dan
een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat
de snelheidslimiet altijd gerespecteerd
moet worden en dat de bestuurder altijd
waakzaam moet blijven.
Stuurkolomschakelaars
6
Rijden
Page 154 of 324

152
Status van
de functieWaarschuwings- en
of verklikkerlampjeDisplay en/of desbetreffend berichtToelichting
UIT
(grijs)Functie uitgeschakeld.
AAN Functie ingeschakeld, niet voldaan aan de werkingsvoorwaarden:
-
s
nelheid lager dan 65 km/h,
-
g
een rijstrookmarkering gedetecteerd,
-
h
et ESP is uitgeschakeld of bezig met een ingreep,
-
"
sportieve" rijstijl.
AAN Functie automatisch uitgeschakeld/op stand-by gezet (bijvoorbeeld:
detectie van een aanhanger, gebruik van het (bij de auto geleverde)
noodreservewiel.
Status van
de functie
Waarschuwings- en
of verklikkerlampjeDisplay en/of desbetreffend bericht Toelichting
AAN
(g r o e n)Rijstrookmarkering gedetecteerd.
Snelheid hoger dan 65
km/h.
AAN (oranje)/(groen)Het systeem corrigeert de koers op basis van de zijde van de rijstrook
die overschreden dreigt te worden (oranje lijn).
AAN "Neem het stuur weer over". -
A
ls het systeem tijdens de correctie detecteert dat de bestuurder
het stuurwiel binnen enkele seconden loslaat, onderbreekt het
systeem de correctie om de besturing weer over te laten aan de
bestuurder.
-
A
ls het systeem tijdens de correctie vaststelt dat de correctie
onvoldoende zal zijn om het overschrijden van de rijstrookmarkering
(oranje markering) te voorkomen, wordt de bestuurder
gewaarschuwd dat hij de koerscorrectie moet voltooien.
Rijden
Page 170 of 324

168
Controleer voordat u het systeem
gaat resetten of de spanning van
de vier banden overeenkomstig de
gebruiksomstandigheden van de auto
en de voorschriften op de sticker met de
bandenspanningen is.
Het bandenspanningscontrolesysteem
is alleen betrouwbaar als de vier banden
tijdens het resetten de juiste spanning
hebben.
Het bandenspanningscontrolesysteem
geeft geen correcte meldingen als de
bandenspanning bij het resetten onjuist is.
Display C
F Druk op de toets MENU om het hoofdmenu
weer te geven.
F
D
ruk op de toets " 7" of " 8" om het menu
" Persoonlijke instellingen – configuratie "
te selecteren en bevestig ver volgens uw
keuze door op de toets OK te drukken.
F
D
ruk op de toets " 5" of " 6" om het menu
" Configuratie auto instellen " te selecteren
en bevestig ver volgens uw keuze door op
de toets OK te drukken. F
D
ruk op de toets "
5" of " 6" om het
menu Rijhulpsysteem , het menu
Bandenspanning en vervolgens het menu
Resetten te selecteren en bevestig uw
keuzes door op de toets OK te drukken.
Het resetten wordt bevestigd door een
geluidssignaal.
Touchscreen
Het resetten van het systeem moet gebeuren
bij aangezet contact en stilstaande auto.
F
Sel
ecteer "Resetten bandensp.
controle " in het tabblad Rijfuncties
van het menu Auto/Rijden van het
touchscreen.
F
Be
vestig het resetten door op " Ja" te
drukken. Als het resetten is voltooid, klinkt
een geluidssignaal en wordt een melding
weergegeven.
De nieuw opgeslagen waarden van de
bandenspanning worden door het systeem
beschouwd als referentiewaarden.
Storing
In dat geval werkt de bandenspanningscontrole
mogelijk niet goed.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Na het uitvoeren van werkzaamheden
aan het systeem moet de spanning van de
vier banden worden gecontroleerd en het
systeem worden gereset.
Als het lampje te lage bandenspanning gaat
knipperen en vervolgens blijft branden in combinatie met het lampje Ser vice, wijst dit op
een storing in het systeem.
Er verschijnt een melding in combinatie met
een geluidssignaal.
Rijden
Page 183 of 324

181
F Druk op de pal helemaal in en ver wijder de trekhaakkogel door deze naar u toe te
trekken.
F
D
uw op de kogel de pal naar links en
houd deze in die positie.
F
D
uw gelijktijdig de hendel naar voren
om het mechanisme te ontgrendelen
(positie B ).
F
B
reng de beschermdop aan op de
bevestigingssteun onder de achterbumper
en zet deze vast.
F
B
erg de kogel op in de tas.
Eco-mode
De eco-mode bepaalt de maximale
gebruiksduur van een aantal functies om te
voorkomen dat de accu ontladen raakt.
Nadat de motor is afgezet, kunt u een
aantal elektrische functies zoals het audio-
en telematicasysteem, de ruitenwissers,
dimlichten, interieurverlichting, enz.
gecombineerd maximaal veertig minuten
gebruiken.
Inschakelen van deze modus
Een melding op het display van het
instrumentenpaneel geeft aan dat de eco-mode
is ingeschakeld en de actieve functies worden
in de ruststand gezet.
Als u op het moment dat de eco-mode wordt
ingeschakeld aan het telefoneren bent, kan het
gesprek nog gedurende ongeveer 10 minuten
worden voortgezet via het Bluetooth-systeem
van het audiosysteem in uw auto.
Eco-mode afsluiten
De door de eco-mode uitgeschakelde functies
worden automatisch weer ingeschakeld als de
motor gestart wordt.
Start om de functies direct weer te kunnen
gebruiken de motor en laat deze draaien:
-
m
inder dan tien minuten om de functies
ongeveer vijf minuten te kunnen gebruiken, Als de accu ontladen is, kan de motor niet
gestart worden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de 12V-accu
.
Spaarfase
De spaar fase stuurt de elektrische functies van
de auto aan om het ontladen van de accu te
voorkomen.
Tijdens het rijden kunnen in verband met de
laadtoestand van de accu enkele functies
(airconditioning, achterruitverwarming,
...)
tijdelijk worden uitgeschakeld.
Deze functies worden automatisch
ingeschakeld zodra de laadtoestand van de
accu dit toelaat. -
m
eer dan tien minuten om de functies
ongeveer dertig minuten te kunnen
gebruiken.
Neem de tijd die nodig is voor het starten van
de motor in acht om een juiste lading van de
accu te garanderen.
Vermijd het herhaaldelijk en continu starten van
de motor om de accu bij te laden.
7
Praktische informatie
Page 188 of 324

186
Als de motor warm is, wordt de temperatuur
van de koelvloeistof geregeld door de
koelventilator.
Bovendien staat het koelsysteem onder druk.
Wacht na het afzetten van de motor daarom ten
minste één uur alvorens werkzaamheden aan
het koelsysteem uit te voeren.
Wanneer u met spoed werkzaamheden moet
uitvoeren, neem dan, om brandwonden te
voorkomen, een doek en draai de dop twee
omwentelingen los om de druk te laten dalen.
Ver wijder, als de druk eenmaal gedaald is, de
dop en vul koelvloeistof bij.
Type koelvloeistof
Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven
koelvloeistof.De koelventilator kan ook gaan draaien
nadat de motor is afgezet: houd
daarom voor werpen en kleding uit de
buurt van de ventilator.
Niveau
ruitensproeiervloeistof
Vul het reser voir bij wanneer dit
nodig is.
Type vloeistof
Voor een optimale reiniging en om het
bevriezen van de sproeiers te voorkomen,
wordt het (bij)vullen van het reser voir met water
afgeraden. Gebruik onder winterse omstandigheden
vloeistof op ethanol- of methanolbasis.
Brandstofadditiefniveau
(dieseluitvoering met
roetfilter)
Een te laag additiefniveau wordt
aangegeven door dit lampje in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding op het display van
het instrumentenpaneel.
Bijvullen
Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk uitvoeren
door het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Controles
Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, het
onderhoudsschema van de fabrikant dat
betrekking heeft op de motoruitvoering van
uw auto voor het controleren van bepaalde
onderdelen.
Laat de controles eventueel uitvoeren door
het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om regelmatig
te controleren of de accupoolklemmen
goed vastzitten (bij uitvoeringen zonder
snelsluiting voor de accupoolklemmen)
en of de aansluitingen schoon zijn.
Raadpleeg voordat u werkzaamheden
uitvoert aan de 12V-accu
de
desbetreffende rubriek voor
meer informatie en de te nemen
voorzorgsmaatregelen.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12V- loodac c u.
Deze accu mag uitsluitend worden
vervangen door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Luchtfilter
Als de omgeving (veel stof...) en
het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geven, moeten
het twee keer zo vaak worden
vervangen .
Praktische informatie
Page 240 of 324

4
Radio:
Vorige/volgende voorkeuzezender
selecteren.
Vorige/volgende item uit een menu
of lijst selecteren.
Media:
Vorig/volgend nummer selecteren.
Vorige/volgende item uit een menu
of lijst selecteren.
Indrukken van de draaiknop:
bevestigen.
Menu's
Afhankelijk van de uitvoering."Multimedia ": Parameters media,
Radio-instellingen.
" Telefoon ": Bellen, Beheer
index, Instelling telefoon, Gespr.
beëindigen.
" Boordcomputer ".
" Onderhoud ": Diagnose, Logboek
waarschuw., .... "
Verbindingen ": Beheer van de
verbindingen, apparaten zoeken.
" Persoonlijke instelling –
configuratie ": Parameters van
de auto definiëren, Taalkeuze,
Configuratie beeldscherm, Keuze
van eenheden, Datum en tijd
instellen.
Druk op de toets " MENU".
Scrollen tussen de menu's.
Toegang tot een menu.
Radio
Een radiozender selecteren
Druk herhaaldelijk op de toets
SOURCE om de radiofunctie te
selecteren.
Druk op deze toets om het golfbereik
te selecteren (FM/AM/DAB).
Druk op een van de toetsen voor
automatisch zoeken naar een
radiozender. Druk op een van de toetsen om
handmatig naar hogere/lagere
frequenties te zoeken.
Druk op deze toets voor een lijst
van de beschikbare zenders in het
gebied waar u zich bevindt.
Druk langer dan 2
seconden
op de toets om deze lijst bij te
werken. Tijdens het bijwerken is de
geluidsweergave uitgeschakeld.
RDS
Er kunnen storingen in de ontvangst
optreden door obstakels in de
omgeving (bergen, gebouwen, tunnels,
parkeergarages, enz.), ook als de RDS-
functie is ingeschakeld. Dit is een normaal
verschijnsel en duidt niet op een storing in
het audiosysteem.
Als de RDS-functie niet beschikbaar is,
worden de letters RDS doorgestreept
weergegeven op het display.
Bluetooth®-autoradio
Page 250 of 324

14
VR A AGANTWOORDOPLOSSING
Na het afzetten van de motor wordt het
audiosysteem na enkele minuten automatisch
uitgeschakeld. Als de motor is afgezet, blijft de radio nog
werken zolang de laadtoestand van de accu
dat toestaat.
Het automatisch uitschakelen duidt erop
dat de eco-modus van het audiosysteem is
geactiveerd om te voorkomen dat de accu van
de auto ontladen raakt.Start de motor van de auto om de laadtoestand
van de accu te verhogen.
De melding "het audiosysteem is over verhit"
verschijnt op het display. Om het audiosysteem te beschermen tegen
een te hoge omgevingstemperatuur, activeert
de autoradio automatisch een thermische
beveiliging die het geluidsvolume verlaagt.Schakel het audiosysteem enkele minuten uit
om het systeem te laten afkoelen.
Radio
VR A AG
ANTWOORDOPLOSSING
Er is een verschil in geluidskwaliteit tussen de
verschillende geluidsbronnen (radio, USB...). Om een optimale luisterkwaliteit mogelijk te
maken, kunnen de audio-instellingen (Volume,
Bass, hoge tonen, Geluidseffect, Loudness)
worden aangepast aan verschillende
geluidsbronnen, die hoorbare verschillen
kunnen genereren bij het veranderen van de
bron (radio, USB...).Controleer of de audio-instellingen (Volume,
Bass, Hoge tonen, Geluidseffect, Loudness)
zijn afgestemd op de verschillende
geluidsbronnen. Het is raadzaam de
audiofuncties (Bass, Hoge tonen, Fader V-A,
Balans L-R) in de middelste stand te zetten, de
geluidssfeer "Geen" te selecteren en de functie
Loudness in de stand "Inactief " te zetten als de
radio is geselecteerd.
De voorkeuzezenders kunnen niet worden
ontvangen (geen geluid, 87,5
MHz wordt
weergegeven...). Het verkeerde golfbereik is geselecteerd.
Druk op de toets BAND om terug te keren naar
het golfbereik (FM, FM2, DAB, AM) waarin de
voorkeuzezenders zijn opgeslagen.
Bluetooth®-autoradio
Page 315 of 324

237
JJack .............................................................9, 23
Jack-aansluiting ................................ 58, 8, 9, 23
Jack-kabel
................................................... 9, 23
KKaartleeslampjes ............................... .............72
Kentekenplaatverlichting ..............................2 11
Keyless entry and start
.........41 - 4 2 , 4 4 , 112 -113
Kilometerteller
............................................ 27-2 8
Kinderbeveiliging
.......................................... 107
Kinderen
........................................................ 104
Kinderen (veiligheid)
..................................... 107
Kinderzitjes
..................91, 95 - 9 6, 10 0 -101, 107
Kinderzitjes (conventioneel)
.........................10 0
Kleurcode lak
...............................
.................233
Klimaatregeling
...............................
................69
Klokje (instellen)
.......................30 -32, 38, 17, 31
Koelvloeistoftemperatuur
..........................23 -24
Koelvloeistoftemperatuurmeter
................23 -24
Koplampsproeiers
........................................... 81
Koplampverstelling
................................... 79-80
Krik
................................................ 193 -19 4, 201
LLaden accu ~ Accu laden ......................21 6 -217
Lampen ............... .......................................... 205
Lampen (vervangen)
............. 20
5-206, 209-210
Lampen vervangen
...............205-206, 209-210
Lane Departure Warning System
...20, 15 0, 15 6
Lane Departure Warning System (LDWS)
.....20
LED-verlichting
............................................... 76
Lekke band
.................................... 19 4, 19 6 -20 0
Lendensteun
............................................. 5
2, 54
Lendensteun, verstelling
................................. 52
L
ichtschakelaar
............................................... 74
Lokaliseren van de auto ..................................40
Lu chtfilter ............................................... 18 6 -187
Luchtfilter (vervangen)
...........................18 6 -187
Luchtrecirculatie ........................................ 67- 6 9
MMassagefunctie ............................... ................54
Matten ............................................................. 59
Mat verwijderen
.............................................. 59
Meldingen ........................................................ 28
Menu
............................................................... 12
Menustructuren display
..................................12
Menu's (audio)
........................................ 4-5, 3-5
Milieu
........................................................... 6, 46
Mistachterlicht
................ 2
0, 74, 74-75, 209 -210
Mistlampen vóór ................................. 74 -75 , 2 0 7
Monochroom display
.................................30-32
Monteren allesdragers ~ Allesdragers monteren
...............................182
Motoren
................................................. 221-230
Motorkap
....................................................... 183
Motorkapsteun
.............................................. 183
Motorolie
................................................ 18 4 -185
Motorolieniveaumeter
...............................24-25
Multifunctioneel display (met autoradio) ...30 -32, 4
NNeerklappen stoelen achter ..................... 5 7- 5 8
Niveau brandstofadditief diesel ~ Brandstofaddititiefniveau
..................... 18
6 -187
Niveau koelvloeistof ~ Koelvloeistofniveau
................. 2
3 -24, 185 -18 6
Niveau koplampsproeiervloeistof ~ Koplampsproeiervloeistofniveau
.......... 8
1, 18 6
Niveau remvloeistof ~ Remvloeistofniveau ....185
Niveau ruitensproeiervloeistof ~
Ruitensproeiervloeistofniveau ..............81, 18 6
Niveaus controleren
..............................18 4 -18 6
Niveaus en controles
.............................183 -18 6
Noodbediening achterklep
..............................47
Noodbediening portieren
.......................... 4
4-45
Noodoproep ~ Urgence-oproep
...............85-86
Noodprocedure afzetten van de motor
.........113
Noodprocedure starten
.........................113 , 2 15
Noodremassistentie ~ Brake Assist System (BAS)
............................................. 148
Nulstelling dagteller ~ Dagteller resetten ....2 7-2 8Nulstelling onderhoudsindicator ~
Onderhoudsintervalindicator resetten ...23 -24
OOliefilter ......................................................... 187
Oliefilter (vervangen) .................................... 187
Olieniveau
.................................. 2
4 -25, 18 4 -185
Oliepeilstok
................................ 24 -25, 18 4 -185
Olieverbruik
............................................ 18 4 -185
Onder de motorkap ~ Motorruimte
...............183
Onderhoudscontroles
.................................6, 23
Onderhoudsindicator ~ Onderhoudsintervalindicator
........................ 23
O
ntdooien ............................................ 6 6 , 70 -71
Ontgrendelen
............................................ 4
0 - 41
Ontluchten brandstofsysteem ~ Brandstofsysteem ontluchten
.....................220
Ontwasemen
............................................. 66, 70
Ontwasemen achter ~ Achterruitverwarming ...55Opbergvakken ..................................... 58-62, 62
Openen bagageruimte ~ Bagageruimte openen
......................4 0 - 41, 47
Openen motorkap ~ Motorkap, openen
.......18
3
Openen portieren ~ Portieren openen ...4 0 - 41, 4 6Opslaan van snelheden ................................13 0
.
Trefwoordenregister