stop start Peugeot 508 2019 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2019, Model line: 508, Model: Peugeot 508 2019Pages: 320, PDF Size: 10.22 MB
Page 43 of 320

41
Noodprocedures
De auto volledig ontgrendelen/
vergrendelen met de sleutel
Volg deze procedures in de volgende gevallen:
- batterij afstandsbediening leeg,
-
s
toring van de afstandsbediening;
-
a
uto is in een gebied met sterke
elektromagnetische straling.
In het eerste geval moet u de batterij van de
afstandsbediening vervangen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek.
In het tweede geval kunt u het probleem
mogelijk verhelpen door de afstandsbediening
te synchroniseren.
Zie de desbetreffende rubriek. Als het alarmsysteem is ingeschakeld, klinkt
de sirene bij het openen van het portier. De
sirene stopt als het contact wordt aangezet.
Normale vergrendeling
Als uw auto is uitgerust met het alarmsysteem,
wordt het alarm niet ingeschakeld bij het
vergrendelen met de sleutel.
F Steek de sleutel in het portierslot.
F
D raai de sleutel in de richting van de
achterzijde van de auto.
Supervergrendeling
F Steek de sleutel in het portierslot.
F D raai de sleutel in de richting van de achterzijde
van de auto om deze te vergrendelen.
F
D
raai binnen 5 seconden de sleutel nogmaals
in de richting van de achterzijde van de auto om
de supervergrendeling in te schakelen.
Bij uitvoeringen zonder alarmsysteem gaan
bij de tweede handeling met de sleutel de
richtingaanwijzers enkele seconden branden
om aan te geven dat de super vergrendeling is
ingeschakeld.
De buitenspiegels worden ingeklapt.
Bij het aanschaffen van een gebruikte auto
Laat uw sleutels door het PEUGEOT-netwerk
in het elektronische geheugen van de auto
opslaan, zodat u er zeker van kunt zijn dat
de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn
waarmee de auto kan worden gestart.Ontgrendelen
F Steek de sleutel in het portierslot.
F D raai de sleutel in de richting van de
voorzijde van de auto.
Bij uitvoeringen zonder alarmsysteem knipperen
de richtingaanwijzers enkele seconden om aan
te geven dat de auto is ontgrendeld.
De buitenspiegels worden uitgeklapt. Bij uitvoeringen zonder alarmsysteem
knipperen de richtingaanwijzers enkele
seconden om aan te geven dat de auto is
vergrendeld.
De buitenspiegels worden ingeklapt.
2
Toegang tot de auto
Page 45 of 320

43
F Zet bij een handgeschakelde versnellingsbak de versnellingshendel in
de neutraalstand en trap ver volgens het
koppelingspedaal volledig in.
F
S
electeer bij een auto met een
automatische transmissie de stand P en
trap ver volgens het rempedaal stevig in.
F
Z
et het contact aan door op de knop
" START/STOP " te drukken.
De elektronische sleutel werkt nu weer volledig.
Raadpleeg als de storing na het synchroniseren
niet is verholpen zo snel mogelijk het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Centrale vergrendeling
Met deze functie kunnen de portieren en de
achterklep van binnenuit worden vergrendeld
of
ontgrendeld.
Handmatig
Vergrendelen
Als één van de portieren is geopend,
werkt de centrale vergrendeling van
binnenuit niet.
Ontgrendelen
F Druk nogmaals op deze toets om de auto te ontgrendelen.
Het rode lampje van de toets gaat uit. U zult de vergrendeling horen
"terugspringen", en op het
instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden, in combinatie
met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding.
F
D
ruk op de toets om de auto te
vergrendelen.
Het rode lampje van de toets gaat branden.
Bij vergrendeling/supervergrendeling
van buitenaf
Als de auto van buitenaf is vergrendeld of de
supervergrendeling is ingeschakeld, knippert
het rode lampje en is de knop inactief.
F
A
ls de auto vergrendeld is, trek dan aan
de binnenportiergreep van een van de
portieren om de auto te ontgrendelen.
F
A
ls de supervergrendeling is
ingeschakeld, moet u het Keyless entry
and start-systeem of de geïntegreerde
sleutel gebruiken om de auto te
ontgrendelen.
Automatisch
Deze functie, ook wel carjackbeveiliging
genoemd, vergrendelt de auto automatisch
tijdens het rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de carjackbeveiliging .
Carjackbeveiliging
Deze functie zorgt er voor dat de portieren
en de achterklep automatisch en gelijktijdig
worden vergrendeld vanaf een wagensnelheid
van 10 km/h.
Werking
De automatische centrale vergrendeling werkt
niet als een van de portieren of de achterklep
is geopend.
U zult de vergrendeling horen
"terugspringen", en op het
instrumentenpaneel gaat dit
lampje branden, in combinatie
met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding.
2
Toegang tot de auto
Page 48 of 320

46
Als het lampje snel knippert bij het
ontgrendelen van de auto met de
afstandsbediening of het Keyless entry
and start-systeem, is het alarm tijdens uw
afwezigheid afgegaan. Het lampje stopt met
knipperen als het contact wordt aangezet.
Storing afstandsbediening
Om de beveiligingsfuncties uit te schakelen:
F o ntgrendel de auto met de sleutel
(geïntegreerd in de afstandsbediening) in
het slot van het bestuurdersportier;
F
o
pen het portier; het alarm gaat af;
F
z
et het contact aan: het alarm stopt en het
lampje in de knop gaat uit.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te
schakelen
F Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling in met de sleutel
(geïntegreerd in de afstandsbediening) in
het slot van het bestuurdersportier.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het rode
lampje van de toets blijft branden, duidt dit op
een storing in het systeem.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Automatisch inschakelen
(Afhankelijk van het verkoopland)
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld
2 minuten nadat het laatste portier of de
achterklep is gesloten.
F
O
m het afgaan van het alarm bij het
openen van een portier of de achterklep
te voorkomen, moet u eerst op de
ontgrendelknop van de afstandsbediening
drukken of moet u de auto ontgrendelen met
het Keyless entry and start-systeem.
Portieren
Uw auto heeft portieren met frameloze ruiten.
Zodra de buitenste of binnenste handgreep
wordt gebruikt voor het openen of sluiten
van het portier, wordt het "micro-descent"
ruitsysteem geactiveerd om de ruit iets te laten
zakken.
Openen
Van buitenaf
Wanneer u het portier langer dan één minuut open
laat staan, gaat de ruit weer omhoog; trek nog een
keer aan de portiergreep om het systeem weer te
activeren.
Bij vrieskou kan de aanwezigheid van ijs het
"micro-descent" ruitsysteem (om de ruit iets te
laten zakken) hinderen; ver wijder het ijs dat zich bij
de onderste afdichting van de ruit heeft gevormd
en open vervolgens voorzichtig het portier.
Als het selectief ontgrendelen is geactiveerd
en één keer op de ontgrendelknop van de
afstandsbediening wordt gedrukt, kan alleen
het bestuurdersportier worden geopend.
Van binnenuit
F Ontgrendel de auto of houd de elektronische sleutel van het Keyless entry and start-
systeem in het detectiegebied en trek aan de
portiergreep. De ruit gaat automatisch een paar millimeter
omlaag, zodat u het portier kunt openen.
F
T
rek aan de binnenportiergreep van
een portier; de auto wordt dan volledig
ontgrendeld.
De ruit gaat automatisch een paar millimeter
omlaag, zodat u het portier kunt openen.
Toegang tot de auto
Page 55 of 320

53
Resetten van de
ruitbediening
Als de accu losgekoppeld is geweest, moet de
ruitbediening gereset worden.
Tijdens deze handelingen is de
antiklemvoorziening uitgeschakeld.
Voer de volgende procedure voor elke ruit uit:
-
l
aat de ruit volledig zakken en weer volledig
omhoog gaan. De ruit zal telkens een paar
centimeter omhoog gaan. Herhaal deze
procedure totdat de ruit volledig dicht is;
-
h
oud de schakelaar na het sluiten nog
minimaal 1 seconde vast zodra de ruit
volledig is gesloten. Wanneer tijdens het bedienen van de ruit
iets tussen de ruit en de sponning bekneld
raakt, moet de ruit weer worden geopend.
Druk daar voor op de desbetreffende
schakelaar.
Wanneer de bestuurder de ruit aan
passagierszijde bedient, moet hij/zij
er van verzekerd zijn dat niets het correcte
sluiten van de ruit hindert.
De bestuurder moet er van verzekerd zijn
dat de passagiers op de juiste manier
gebruik maken van de elektrische
ruitbediening.
Wees extra alert op kinderen, zodat deze
zich tijdens het bedienen van de ruit niet
kunnen bezeren.
Let op inzittenden en/of personen in de
buurt van de auto tijdens het sluiten van
de ruiten met de elektronische sleutel of
het 'Keyless entry and start'-systeem.
Laat de vier ruiten iets zakken voordat er
eventuele wijzigingen of aanpassingen
aan de accu worden uitgevoerd.
Panoramisch schuif-/
kanteldak
Het panoramische schuif-/kanteldak bestaat
uit een beweegbaar glaspaneel dat over het
vaste glaspaneel schuift en een zonnescherm
dat onafhankelijk kan worden geopend. Bij het
automatisch openen van het dak wordt automatisch
ook het zonnescherm geopend.
F
G
ebruik de knoppen in de dakconsole om het
dak en het zonnescherm te bedienen.
A. Bediening zonnescherm
B. Bediening panoramisch schuif-/kanteldak
Het dak of het zonnescherm kan worden
bediend wanneer het contact is aangezet
(als de accu voldoende is geladen), bij een
draaiende motor, in de STOP-stand van het
Stop & Start-systeem en tot 45
seconden
na het afzetten van het contact of het
vergrendelen van de auto.
2
Toegang tot de auto
Page 62 of 320

60
Gebruik de functie niet als de stoel niet
wordt gebruikt.
Zet de stoelver warming zo snel mogelijk
in een lagere stand.
U kunt de functie uitschakelen zodra
de temperatuur van de stoelen en
in het interieur op een aangenaam
niveau is gekomen. Dit vermindert
het stroomverbruik waardoor ook het
brandstofverbruik lager wordt.
Langdurig gebruik wordt afgeraden voor
personen met een gevoelige huid.
Personen waarvan de warmtewaarneming
beperkt is (ziekte, medicijnen enz.) kunnen
brandwonden krijgen.
Het systeem kan over verhit raken als
materiaal met isolerende eigenschappen zoals
kussens of stoelhoezen wordt gebruikt.
Gebruik het systeem niet:
-
a
ls vochtige kleding wordt gedragen,
-
al
s kinderzitjes zijn aangebracht.
Om breken van het verwarmingselement in de
stoel te voorkomen:
-
p
laats geen zware voor werpen op de stoel,
-
k
niel of sta niet op de stoel,
-
p
laats geen scherpe voor werpen op de
stoel,
-
m
ors geen vloeistoffen op de stoel.
Voorkomen van de kans op kortsluiting:
-
g
ebruik geen vloeibare producten om de
stoel te reinigen,
-
g
ebruik de ver warmingsfunctie nooit
wanneer de stoel vochtig is.
Meerkeuzemassagefunctie
Systeem waarbij kan worden gekozen uit
verschillende massagesoorten en waarbij de
intensiteit van de massage kan worden ingesteld.
Dit systeem werkt bij draaiende motor en in de
STOP-stand van het Stop & Start-systeem.
Inschakelen/instellen
Via het touchscreen kunnen de instellingen van
de massagefunctie worden aangepast. De meerkeuzemassagefunctie wordt
ook aangestuurd door de functie
i-Cockpit
® Amplify
.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de functie i-Cockpit
®
Amplify .
Vanaf de voorstoel:
F
D
ruk op deze toets. Het groene
lampje gaat branden.
De pagina met de laatst opgeslagen
instellingen wordt op het touchscreen geopend.
Als de instellingen naar uw zin zijn, hoeft u niets
te doen en zal deze pagina automatisch weer
sluiten. De functie wordt direct ingeschakeld.
De stoelen moeten één voor één worden
ingesteld, beginnend bij de bestuurdersstoel.
Inschakelen
F Druk op de toets voor uw stoel.
F E lke keer dat u op de toets drukt, wijzigt
de sterkte van de ver warming; het
bijbehorende aantal lampjes gaat oranje
branden (1 = laag, 2 = gemiddeld, 3 = hoog).
Uitschakelen
F Druk nogmaals op de toets tot alle lampjes uit zijn.
De status van de functie wordt opgeslagen bij
het afzetten van het contact. De functie kan rechtstreeks worden ingeschakeld
met de schakelaar van de voorstoel of door een
persoonlijke ambiance van de functie i-Cockpit
®
Amplify te activeren.
Als u de instellingen wilt wijzigen:
F
b
egin bij de bestuurdersstoel.
F
se
lecteer een massage-intensiteit uit de
drie verschillende niveaus: " 1" (Laag), " 2"
(Medium) of " 3" (Hoog).
F
s
electeer een ander type massage uit de
geboden opties.
F
w
acht tot de pagina met de instellingen van
de bestuurdersstoel verdwijnt.
Ergonomie en comfort
Page 69 of 320

67
Als de auto lange tijd in de zon heeft gestaan
en de temperatuur in het interieur hoog is
opgelopen, zet dan de ruiten enige tijd open.
Zorg er voor dat de regeling van de
luchtopbrengst voldoende hoog is ingesteld,
zodat de lucht in het interieur goed ver verst
wordt.
Condensvorming door de airconditioning kan
ertoe leiden dat zich een klein plasje water onder
de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
Onderhoud van het ventilatie- en
airconditioningssysteem
F
C
ontroleer regelmatig de staat van het
interieurfilter en laat de filterelementen
periodiek vervangen.
Wij raden u een gecombineerd
interieur filter aan. Dankzij het
toegevoegde speciale actieve middel
draagt het bij aan een schonere lucht voor
de inzittenden en een schoon interieur
(vermindering van allergische reacties,
onaangename geuren en vetaanslag).
F
L
aat om de per fecte werking van de
airconditioning te garanderen het
systeem regelmatig controleren zoals
voorgeschreven in het garantie- en
onderhoudsboekje. Stop & Star t
De verwarmings- en
airconditioningssystemen werken alleen
als de motor draait.
Schakel tijdelijk de Stop & Start-functie uit
om een comfortabele temperatuur in het
interieur te behouden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het Stop & Star t
-
systeem.
ECO-rijstand
De selectie van deze stand optimaliseert het
brandstofverbruik, maar beperkt het gebruik
van de verwarming en de airconditioning
zonder deze echter uit te schakelen.
Automatische airconditioning
met gescheiden regeling
Druk op de toets van het menu
Airconditioning om de pagina
met de bedieningstoetsen van het
systeem weer te geven.
Het airconditioningssysteem werkt bij draaiende
motor, maar de aanjager en bedieningsfuncties
werken ook bij ingeschakeld contact.1.
Regeling van de temperatuur.
2. Regeling van de luchtopbrengst.
3. Regeling van de luchtverdeling.
4. Airconditioning aan/uit.
5. Automatisch comfortprogramma aan/uit.
6. Maximale stand van de airconditioning.
7. Toegang tot de secundaire pagina.
8. Centrale regeling/gescheiden regeling.
9. Selectie van de instellingen voor het
automatische comfortprogramma (Soft/
Normal/Fast).
10. "AQS"-functie (Air Quality System)
(afhankelijk van de uitvoering).
11. Voorverwarming interieur (afhankelijk van
de uitvoering).
12 . Automatisch programma "Zicht".
13. Recirculatie van de interieurlucht.
14 . Uitschakelen van het systeem.
3
Ergonomie en comfort
Page 72 of 320

70
Centrale regeling/gescheiden
regeling
De temperatuurinstelling aan voorpassagierszijde
kan worden afgestemd op de instelling aan
bestuurderszijde (functie centrale regeling).
U kunt deze functie inschakelen op de secundaire
pagina die u kunt openen via de toets "OPTIES".
F
D
ruk op de toets 8 om de functie "MONO"
(centrale regeling) in te schakelen; de functie
krijgt de status " ON".
De functie wordt automatisch uitgeschakeld
als de passagier de toetsen voor de
temperatuurregeling aan zijn zijde bedient
(functie gescheiden regeling).
Ventilatie bij aangezet contact
Bij aangezet contact kunt u het ventilatiesysteem
gebruiken om de luchtopbrengst 2 en de
luchtverdeling 3 in het interieur te regelen
afhankelijk van de laadtoestand van de accu.
Bij deze functie kan de airconditioning niet
worden ingeschakeld.
Uitschakelen van het systeem
F Druk op de toets 14 .
Het lampje van de toets gaat branden en alle
andere lampjes van het systeem gaan uit.
Alle functies van het airconditioningsysteem
zijn nu uitgeschakeld.
Door de luchtopbrengst 2 in de laagst mogelijke
stand te zetten wordt de aanjager volledig
uitgeschakeld.
Het thermische comfort wordt niet meer
geregeld. Er blijft door de rijwind echter nog wel
een kleine luchtstroom gehandhaafd.
Vermijd het te lang rijden met een uitgeschakelde
aanjager of een uitgeschakeld systeem om
te voorkomen dat de ruiten beslaan of de
luchtkwaliteit vermindert.
Door op een willekeurige toets te drukken wordt het
systeem weer ingeschakeld waarbij de instellingen
van vóór het uitschakelen weer worden gebruikt.
Recirculatie van de
interieurlucht
De toevoer van buitenlucht voorkomt het beslaan
van de voorruit en de zijruiten.
De luchtrecirculatie dient om de toevoer van
buitenlucht bij stank en stofoverlast af te sluiten.
Deze functie kan ook worden gebruikt om sneller de
gewenste temperatuur in het interieur te bereiken.
F Druk op deze toets om de functie in of uit te schakelen.
De recirculatie wordt automatisch ingeschakeld
als de ruitensproeiers vóór worden gebruikt of
de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
Schakel zo snel mogelijk de toevoer van
buitenlucht weer in om te voorkomen
dat de luchtkwaliteit in het interieur
achteruitgaat en de ruiten beslaan.
Ontwasemen – ontdooien
voorruit
Automatisch programma
"Zicht"
Selecteer dit programma om de voorruit en de
zijruiten snel te ontwasemen of te ontdooien.
F
D
ruk op deze toets om de
functie in of uit te schakelen.
Als het lampje brandt, is de functie ingeschakeld.
Het systeem regelt automatisch de
airconditioning (afhankelijk van de uitvoering),
de luchtopbrengst en de luchttoevoer en stelt de
luchtverdeling zodanig in dat de voorruit en de
zijruiten zo snel mogelijk schoon worden.
De luchtopbrengst kan handmatig worden
gewijzigd zonder dat het automatische
programma "Zicht" wordt uitgeschakeld.
Bij auto's met een Stop & Start-systeem geldt
dat zolang de voorruitontwaseming in werking
is, de STOP-stand niet beschikbaar is.
Als het lampje brandt, is de functie
ingeschakeld.
Ergonomie en comfort
Page 79 of 320

77
Draadloze smartphonelader
Met dit systeem kan externe apparatuur, zoals
een smartphone, door middel van magnetische
inductie draadloos worden opgeladen. Het
systeem voldoet aan de norm Qi 1.1.
Het op te laden apparaat moet zelf compatibel
zijn met de Qi-norm of moet zijn voorzien van
een compatibele hoes of houder.
Het laadgedeelte is te herkennen aan het
symbool Qi.
Werking
De lader werkt als de motor draait en in de
STOP-stand van het Stop & Start-systeem.
Het opladen wordt aangestuurd door de
smartphone.
Bij uitvoeringen met Keyless entry and start-
systeem kan de werking van de lader tijdelijk
worden gestoord bij het openen van een portier
of bij het afzetten van het contact.
Laden
F Zorg er voor dat het laadgedeelte vrij is.
F Plaats een apparaat in het midden van het
laadgedeelte.
Het systeem kan niet meerdere apparaten
tegelijkertijd opladen.
F Zodra het apparaat wordt gedetecteerd, gaat het lampje van de lader groen branden.
F
D
e batterij van het apparaat wordt dan
opgeladen.
F
Z
odra de batterij volledig opgeladen is, gaat het
lampje van de lader uit.
Zorg dat er geen metalen voor werpen
(munten, sleutels, afstandsbediening van
de auto enz.) in het laadgedeelte liggen
tijdens het opladen van een apparaat –
kans op over verhitting of onderbreking
van het opladen!
Controle van de werking
De status van het lampje geeft de werking van
de lader aan.
Status van het
lampje Betekenis
Uit Motor afgezet.
Geen compatibel apparaat
gedetecteerd.
Opladen voltooid.
Permanent,
groen Detectie van een
compatibel apparaat.
Opladen bezig.
Knipperend,
oranje Detectie van een
vreemd voor werp op het
laadgedeelte.
Apparaat niet goed
gecentreerd op het
laadgedeelte.
Permanent,
oranje Storing van de
laadindicator van het
apparaat.
Temperatuur van de
batterij van het apparaat
te hoog.
Storing van de lader.
3
Ergonomie en comfort
Page 94 of 320

92
Reinig de voorruit, met name het gedeelte
vóór de camera, regelmatig.
De binnenkant van de voorruit kan
ook rondom de camera beslagen
raken. Bij vochtige en koude
weersomstandigheden moet u de voorruit
regelmatig ontwasemen.
Laat geen sneeuw op de motorkap of op
het dak liggen, omdat de detectiecamera
erdoor kan worden afgedekt.
Statische bochtverlichting
Inschakelen/uitschakelen
Deze functie kan geactiveerd en
gedeactiveerd worden via het menu
Rijden/Auto van het touchscreen.
Activering
Deze functie wordt geactiveerd vanaf een
bepaalde stuuruitslag.
Uitschakelen
De verlichting werkt in de volgende gevallen niet:
-
b ij een geringe stuuruitslag,
-
b
ij snelheden boven 90 km/h,
-
a
ls de achteruit is ingeschakeld.
Night Vision
Met behulp van een infraroodcamera aan
de voorzijde van de auto kan het systeem bij
weinig omgevingslicht de aanwezigheid van
voetgangers en dieren in het gezichtsveld van
de bestuurder vaststellen en signaleren.
Voor een permanente beeldweergave van de
infraroodcamera op het instrumentenpaneel,
selecteert u de weergavemodus "Night Vision"
door aan de rolknop links van het stuur wiel te
draaien. Wanneer aan de voor waarden wordt
voldaan, wordt er een waarschuwing gegeven
bij een kans op een aanrijding. Night Vision is een rijhulpsysteem voor
de bestuurder die echter te allen tijde
zijn aandacht op het verkeer moet blijven
vestigen.
Onder sommige omstandigheden zijn
de temperatuurcontrasten onvoldoende
en kan het systeem niet alle gevaren
detecteren of, omgekeerd, onjuiste
waarschuwingen geven (bijv. door warme
motoren van langs de weg geparkeerde
vrachtwagens).
Werkingsvoorwaarden
Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld,
zorgt deze functie er voor dat de binnenkant van
de bocht met leds wordt verlicht.
De snelheid van de auto moet lager zijn dan
90 km/h.
Deze functie is alleen beschikbaar met het
"Full
LED"-verlichtingssysteem. Als de functie "Night Vision" niet is geselecteerd,
wordt de waarschuwing via een pop-upvenster
in het instrumentenpaneel weergegeven.
De functie is beschikbaar als de motor draait en
in de Stop-stand van het Stop & Start-systeem.
De omgeving moet zeer donker zijn. Het dimlicht
moet zijn ingeschakeld en goed werken.
Het temperatuurbereik voor de detectie ligt
tussen -30°C en +30°C.
De snelheid van de auto moet lager zijn dan
160
km/h.
Het detectiebereik van de camera ligt tussen
15
m (voor voetgangers) en 200 m, afhankelijk
van het zicht.
Dieren kleiner dan 0,50
m worden niet
gedetecteerd.
Verlichting en zicht
Page 103 of 320

101
Antiblokkeersysteem
(ABS) en elektronische
remdrukregelaar (EBD)
Als dit lampje blijft branden, duidt dit
op een storing in het ABS.
De normale remwerking blijft behouden.
Noodremassistentie (BAS)
Dit systeem zorgt er voor dat in noodgevallen
de optimale remdruk sneller wordt bereikt,
zodat de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als het
rempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt er voor
dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmen
wordt vergroot.
Antispinregeling (ASR)
Dit systeem past de aandrijfkracht aan om
het doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aangedreven wielen
en de motor. De ASR zorgt ook voor meer
koersstabiliteit bij het accelereren.
Dynamische stabiliteitscontrole
(DSC)
Dit systeem houdt de vier wielen in de gaten
en grijpt, als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting,
automatisch in via de remmen van een of
meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.
Aanhangerstabiliteitscontrole
(TSA)
Dit systeem helpt de auto onder controle te
houden bij het trekken van een aanhanger,
om
de kans op slingeren te verkleinen. Rijd
wel voorzichtig en matig uw snelheid.
Neem zo snel mogelijk contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Als dit lampje en de lampjes
STOP en ABS gaan branden in
combinatie met een melding en
een geluidssignaal, duidt dit op
een storing in de elektronische
remdrukregelaar (EBD).
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Als het antiblokkeersysteem ingrijpt, kunt
u trillingen in het rempedaal voelen; dit is
normaal.
Trap het rempedaal bij een noodstop
zeer krachtig in en laat het niet los.
Zorg er bij vervanging van de wielen (banden
en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd
die voor uw auto zijn gehomologeerd.
Laat deze systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Antispinregeling
(ASR)/Dynamische
stabiliteitscontrole (DSC)
Werking
Deze systemen worden automatisch
geactiveerd zodra de motor wordt gestart.
Deze systemen treden in werking zodra de
wielen te weinig grip of tractie hebben. In dat geval gaat dit lampje op het
instrumentenpaneel knipperen.
Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de auto
vastzit in de modder, sneeuw, in mulle grond
enz.) kan het nuttig zijn het ASR-systeem uit te
schakelen, zodat de wielen kunnen spinnen en
weer grip kunnen krijgen.
Schakel het systeem weer in zodra de
gripomstandigheden dit toelaten.
5
Veiligheid