ABS Seat Alhambra 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2016, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2016Pages: 340, PDF Size: 7.27 MB
Page 248 of 340

Bedienen
Let op
● Vertr ou
w niet alleen maar op het banden-
spanningscontrolesysteem. Controleer de
banden regelmatig om er zeker van te zijn dat
de bandenspanning correct is en dat de ban-
den niet beschadigd zijn (steken, sneden,
scheuren en bulten). Haal het voorwerp uit de
band, mits dit niet in de band zelf vastzit.
● Het bandenspanningscontrolesysteem is in
de fabriek ing
esteld op de aanbevolen ban-
denspanning. Deze vindt u op de sticker aan
de binnenkant van de stijl ››› afb. 251. Elementen van bandenspanningsindi-
c
at
or
Bandenspanningsindicator met toets.
Zie ››› pag. 247.
Controlelampje in het instrumentenpaneel.
Toets SET in middenconsole.
Controle van afrolomtrek van alle banden met ABS-
sensoren (indirecte meting).
Instelbare bandenspanning voor normale en volle la-
ding.
Toets voor bijwerken van systeem na wijzigen van
bandenspanning. Controlelampje
Knippert of brandt
De bandenspan-
ning van een
band is aanzien-
lijk gedaald ten
opzichte van de
door de bestuur-
der ingestelde
bandenspan-
ning
››› pag.
247. Zet de wagen stil!
Verlaag de
snelheid onmiddellijk! Breng de wa-
gen tot stilstand zodra dit op een
veilige wijze mogelijk is. Voorkom
bruuske manoeuvres en abrupt rem-
men!
Controleer of alle banden alsmede
de bandenspanning daarvan. Ver-
vang de beschadigde banden.
Storing in het
systeem.
Als de bandenspanning correct is en
het lampje na het uit- en inschake-
len van het contact blijft branden,
ga dan naar een gespecialiseerde
werkplaats. Laat het systeem nakij-
ken. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e contr
ole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ››› in Controle- en
waars c
huwingslampjes op pag. 110 in acht
nemen. ATTENTIE
Als de bandenspanning verschillend of te
laag is, k an een
van de banden kapot gaan en kunt u de controle over de wagen verliezen,
wat k
an l
eiden tot een ernstig of dodelijk on-
geval.
● Als het lampje gaat branden,
zet de wa-
gen dan onmiddellijk stil en controleer de
banden.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schil
lend of te laag is, kunnen de banden
sneller slijten, neemt de stabiliteit van de wa-
gen af en neemt de remweg toe.
● Als de bandenspanning van de banden ver-
schil
lend of te laag is, kan een van de banden
kapot gaan en exploderen, waardoor u de
controle over de wagen kunt verliezen.
● De bestuurder is er verantwoordelijk voor
dat al
le banden van de wagen de correcte
bandenspanning hebben. De aanbevolen
bandenspanning vindt u op een sticker ››› afb.
251.
● Het bandenspanningscontrolesysteem
werkt al
leen correct als alle banden in koude
toestand de correcte bandenspanning heb-
ben.
● Als de bandenspanning niet correct is, kun-
nen de banden besc
hadigd raken en kan dit
leiden tot ongevallen. Controleer of de ban-
denspanning van alle banden altijd overeen-
stemt met de lading van de wagen.
● Vul voordat u gaat reizen de banden altijd
eerst met
lucht aan tot de correcte banden-
spanning.
● Als de bandenspanning te laag is, komen
de banden onder druk te s
taan en worden ze
heet waardoor de loopvlakken beschadigd 246
Page 249 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
kunnen raken en de banden kunnen explode-
ren.
●
Bij hoge s nelheden en een o
verbeladen wa-
gen kunnen de b
anden heet worden en explo-
deren, waardoor u de controle over de wagen
kunt verliezen.
● Een te lage of te hoge bandenspanning ver-
kort de l
evensduur van de banden, en heeft
een ongunstige uitwerking op het rijgedrag
van de wagen.
● Als de band niet "lek" is en niet noodzake-
lijkerwij
s onmiddellijk vervangen moet wor-
den, rijd dan met lage snelheid naar de
dichtstbijzijnde gespecialiseerde werkplaats
en laat de bandenspanning controleren en
aanpassen. Bandenspanningsindicator
Afb. 228
Deel van de middenconsole: toets
v an b anden
s
panningsindicator. De bandenspanningsindicator vergelijkt met
de ABS-
sen
soren de om
wentelingen en dus
het loopoppervlak van iedere band. Als de af-
rolomtrek van een band verandert, geeft de
bandenspanningsindicator dit in het instru-
mentenpaneel aan. Het loopoppervlak van
een band kan variëren:
● Als de bandenspanning onvoldoende is.
● Als de bandenstructuur beschadigd is.
● Als de wagen onevenwichtig geladen is.
● Als de banden van een as meer last dragen
(bijv. b
ij het rijden met aanhangwagen).
● Als de wagen met sneeuwkettingen rijdt.
● Als het wiel van een as werd vervangen.
De bandens
panningsindicator kan onder
bepaalde omstandigheden vertraagd reage-
ren of niets aanduiden (bijv. bij sportief rij-
den, besneeuwde wegen of onverharde we-
gen).
Bandenspanningsindicator aanpassen
Houd na het wijzigen van de bandenspan-
ning of het verwisselen van een of meerdere
wielen, en bij ingeschakeld contact, de toets
››› afb. 228 van de bandenspanningsindica-
tor ingedrukt tot een akoestisch bevesti-
gingssignaal weerklinkt. Doe dit bijvoorbeeld
ook wanneer u de voor- en achterwielen om-
wisselt ››› afb. 250. Als de wielen een zware lading moeten dra-
gen (rijden met aanhan
gwagen, zware la-
ding), moet u de bandenspanning vergroten
tot de aanbevolen maximum bandenspan-
ning ››› pag. 302. Druk op de toets van de
bandenspanningsindicator om de nieuwe
spanningswaarde te bevestigen. Let op
Wanneer u sneeuwkettingen gebruikt, kan er
een foute aan w
ijzing worden weergegeven
omdat door de kettingen de wielomtrek toe-
neemt. 247
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 257 of 340

Trekhaak voor aanhangwagen en aanhangwagen
Bijzonderheden bij het rijden met aanhang-
w ag
en
● Bij een aanh an
gwagen met oplooprem
eers
t zacht , daarna stevig remmen. Zo voor-
komt u remstoten door blokkerende wielen
van de aanhangwagen.
● Als gevolg van het totaalgewicht van de wa-
gen/aanhang
wagen, neemt de remweg toe.
● Voor steile hellingen een lagere versnelling
kiezen z
odat de motor als rem kan fungeren.
Als u dit niet doet, kan het remsysteem over-
verhit raken en niet meer goed werken.
● Het zwaartepunt van de wagen en de rijei-
gensc
happen veranderen als gevolg van de
lading van de aanhangwagen en het grotere
gewicht van de wagen/aanhangwagen.
● Als de trekkende wagen leeg is en de aan-
hangw
agen beladen is, is de verdeling van
de lading onvoldoende. Als u onder deze
voorwaarden reizen moet, rijd dan voorzich-
tig en verminder overeenkomstig de snel-
heid.
Starten met aanhangwagen op helling
Rekening houdend met de helling en het to-
taalgewicht van de trekkende wagen/aan-
hangwagen, is het mogelijk dat bij het star-
ten van de wagen en aanhangwagen ze
enigszins"naar achtgeren lopen".
Start als volgt met het op hellingen trekken
van een aanhangwagen: ●
Rempedaal intr
appen en ingetrapt houden.
● Druk de toets een keer in om de elektro-
ni s
che p
arkeerrem uit te schakelen ››› pag.
197.
● Druk de toets in en houd de toets naar
ac ht
eren in
gedrukt om de wagen/aanhang-
wagen en het elektronische parkeersysteem
uit te schakelen.
● Met schakelbak: trap het koppelingspedaal
helemaal in.
● Sc
hakel de eerste versnelling of rijstand D
››› p
ag. 202, Schakelen in.
● Haal de voet van het rempedaal.
● Ga nu langzaam rijden. Laat hiertoe het
koppeling
spedaal langzaam los (met auto-
matische versnellingsbak).
● Laat de toets alleen los als de motor
v o
ldoende ener
gie voor het verplaatsen van
de wagen/aanhangwagen levert. ATTENTIE
Als u op de verkeerde manier aan de aan-
hang w
agen trekt, kunt u de controle over de
wagen verliezen, met hierdoor ernstige gevol-
gen.
● Rijden met aanhangwagen of zware of gro-
te voor
werpen transporteren, kan gemakke-
lijk rijeigenschappen wijzigen en de remweg
vergroten.
● Rijd altijd anticiperend rond en voorzichtig.
Rem iets eer
der. ●
Pas de s
nelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het verkeer en de weersomstan-
digheden aan. Verminder snelheid, vooral op
steile hellingen.
● Geef voorzichtig gas. Voorkom bruuske ma-
noeuvres
en plotseling remmen.
● Neem voorzorgsmaatregelen wanneer u
vooruit rijdt. G
a onmiddellijk langzamer rij-
den als u merkt dat de aanhangwagen kan-
telt.
● Probeer in geen geval de wagen met aan-
hangw
agen weer "recht te krijgen" door te
accelereren.
● Houd u aan de snelheidslimieten voor wa-
gens met
en zonder aanhangwagen. Stabilisatie van wagen/aanhangwa-
g
en De stabilisatie van de trekkende wagen en
aanh
an
gw
agen is een uitbreiding van de
Elektronische Stabiliserings Controle (ESC)
en helpt samen met het tegensturingssys-
teem de "slingerbeweging" van de aanhang-
wagen te verminderen.
U kunt zien dat de stabilisator van de wagen
en aanhangwagen geactiveerd zijn aan het
controlelampje van de ESC in het instru-
mentenpaneel dat twee seconden langer dan
het controlelampje van het ABS blijft bran-
den. »
255
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 277 of 340

Verzorging en onderhoud
● Ge bruik
re
gelmatig en na het reinigen van
het leer een verzorgingsmiddel met bescher-
ming tegen zonlicht en impregnerende werk-
ing. Deze producten voeden het leer, verho-
gen de soepelheid, geven het leer de moge-
lijkheid te ademen en stoten vocht af. Tegelij-
kertijd vormen deze een dunne bescher-
mingslaag.
● Reinig het leer elke 2 à 3 maanden en ver-
wijder vlekk
en zodra deze optreden.
● Behandel het leer elke 6 maanden met een
gesc
hikt leeronderhoudsmiddel.
● Breng de reinigings- en verzorgingsproduc-
ten in de minimale
vereiste hoeveelheid aan
met een droge katoenen of wollen doek die
niet pluist. Breng reinigings- en verzorgings-
producten nooit rechtstreeks aan op het leer.
● Vlekken zoals inkt van een balpen, gewone
inkt, lippenstif
t of schoensmeer indien moge-
lijk direct verwijderen.
● Onderhoud van leerkleur. Voor behoud van
de kleur een spec
iale kleurcrème aanbrengen
voor leer volgens voorschrift.
● Opwrijven met een zachte doek.
Schoonmaken
S
EAT raadt aan een licht bevochtigde katoe-
nen of wollen doek te gebruiken voor alge-
mene schoonmaaktaken.
Vermijd in het algemeen dat het leer te nat
wordt resp. dat water in de naden binnen-
dringt. Voor het reinigen
van de leren bek
leding
moet u het volgende in acht nemen ››› pag.
273, Reinigen van de bekleding van zittingen
met verwarming, elektrisch verstelbare zit-
tingen of airbagonderdelen . VOORZICHTIG
● Het leer m ag in g
een geval met oplosmid-
delen, vloerwas, schoenpoets, vlekkenverwij-
deraar en dergelijke worden behandeld.
● Als de vlek al geruime tijd aanwezig is en is
binnengedr
ongen in het leer, dan kan deze
niet meer worden verwijderd.
● Als een vloeistof gemorst wordt, veeg deze
dan onmiddellijk
met een absorberende doek
weg zodat de vloeistof niet in het leer of de
naden kan trekken.
● Als de wagen lang in de open lucht stil-
staat, dan r
aden wij aan het leer tegen direct
zonlicht te beschermen om verbleken te voor-
komen. Let op
Lichte verkleuringen van het leer door het ge-
bruik z ijn norm
aal. Kunstlederen bekleding schoonmaken
Voor het reinigen van de kunstleren bekle-
din
g moet u het
volgende in acht nemen
››› pag. 273, Reinigen van de bekleding van zittingen met verwarming, elektrisch verstel-
bare z
ittingen of airbagonderdelen .
Gebruik voor het schoonmaken van kunstle-
ren bekleding alleen water en neutrale
schoonmaakmiddelen. VOORZICHTIG
Het kunstleer mag nooit met oplosmiddelen,
vloerwa s, s
choenpoets, vlekkenverwijderaar
en dergelijke worden behandeld. Deze ver-
harden het materiaal waardoor het kunstleer
voortijdig beschadigd wordt. Opbergvakken, bekerhouder en asbak
s
c
hoonm ak
en Opbergvakken en bekerhouder schoonma-
k
en
Sommig e opberg
vakken en bekerhouders
beschikken over een uitneembaar rubberen
mat.
● Gebruik een schone, niet-pluizende doek
met water bev
ochtigde doek om de onderde-
len schoon te maken.
● Wanneer dat niet voldoende is, neem uw
toevlucht t
ot een speciaal oplossingsvrij
kunststofreinigings- en onderhoudsmiddel.
Asbak schoonmaken
● Verwijder de asbak en leeg hem. »
275
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 281 of 340

Controleren en bijvullen
●
Schak el
steeds uw mobiele telefoon en ra-
dio-installatie of andere elektronische appa-
raten uit voordat u begint te tanken. Elektro-
magnetische golven kunnen vonken
produceren en brand veroorzaken.
● Stap nooit in de wagen terwijl u tankt. Als
het absoluut
nodig zou zijn om in te stappen,
sluit dan het portier en raak een metalen op-
pervlak aan voordat u het vulpistool opnieuw
aanraakt. Op deze manier voorkomt u dat er
vonken ontstaan door elektrostatische ontla-
ding. Tijdens het tanken kunnen vonken
brand veroorzaken.
● Het tanken of vullen van jerrycans in de
buurt
van open vuur, vonken of voorwerpen
die langzaam branden (bijvoorbeeld sigaret-
ten) is ten strengste verboden.
● Voorkom elektrostatische ladingen en elek-
tromagnetis
che straling tijdens het tanken.
● Neem de veiligheidsvoorschriften van het
tankst
ation in acht.
● Mors nooit brandstof in de wagen of de ba-
gageruimte. ATTENTIE
SEAT u raadt in verband met de veiligheid aan
geen jerr y
can in de wagen mee te nemen.
Vooral bij een ongeval kan brandstof of res-
ten van brandstof uit de jerrycan lopen en
ontsteken, ook wanneer de jerrycan leeg is.
Dit kan leiden tot explosies, brand en licha-
melijk letsel. ●
Indien het abso luut
nodig zou zijn brand-
stof in een jerrycan te moeten vervoeren,
houd dan rekening met het volgende:
–Plaats de jerrycan voor het vullen nooit in
of op de wagen (bijv. in de bagageruimte
of op de achterklep). Tijdens het vullen
kunnen de gassen van de brandstof ont-
steken door de elektrostatische lading.
– Zet de jerrycan altijd op de grond wan-
neer u deze vult.
– Steek het vulpistool zo ver mogelijk in de
vulopening van de jerrycan.
– Als u een metalen jerrycan gebruikt, dan
moet het vulpistool de jerrycan aanraken
wanneer deze gevuld wordt, om elektro-
statische ladingen te voorkomen.
– Neem de wettelijke voorschriften over het
gebruik, de opslag en het vervoer van jer-
rycans in acht.
– Let erop dat de jerrycan voldoet aan de
fabricagenormen, bijv. ANSI of
ASTM F852-86. VOORZICHTIG
● Verw ijder onmid
dellijk gemorste brandstof
op de wagenlak om de wielkast, band en lak
niet te beschadigen.
● Het tanken van benzine in een dieselmotor
of vic
e versa kan de motor en het brandstof-
systeem ernstig beschadigen. Dergelijke sto-
ringen zijn niet inbegrepen in de SEAT-garan-
tie. Indien u bij vergissing een verkeerd
brandstoftype tankt, mag u in geen geval de motor starten. Zelfs als u maar een kleine
hoeveelheid v
an de
verkeerde brandstof ge-
tankt hebt. Roep de hulp van vakmensen in.
Als de motor draait, kan de samenstelling van
de verkeerde brandstof ervoor zorgen dat het
brandstofsysteem en de motor ernstig be-
schadigd raken.
● In wagens met dieselmotor mag nooit ben-
zine, kero
sine, verwarmingsolie of eender
welk ander brandstoftype dat niet uitdrukke-
lijk goedgekeurd is voor dieselmotoren ge-
tankt, of ermee gereden worden. Andere
brandstoftypen kunnen de motor en het
brandstoftoevoercircuit ernstig beschadigen,
waarvoor de SEAT-garantie elke verantwoor-
delijkheid afwijst. Milieu-aanwijzing
Brandstoffen kunnen het milieu verontreini-
gen. V an
g uitgelopen vloeistoffen op en lever
deze bij de desbetreffende inzamelingspun-
ten in. Let op
Bevat geen enkel noodmechanisme om de
tankkl ep t
e ontgrendelen. Roep indien nodig
de hulp in van gespecialiseerd personeel. 279
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 325 of 340

Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst A
Aanbev o
len
versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 207
Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Aandrijfslipregeling (ASR) . . . . . . . . . . . . . 215, 216
Aanhaalmoment . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 315 wielbouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
Aanhangen beladen maximaal toelaatbaar . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248 aanhangwagengewicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
aankoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249, 253
alarmsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
Functiecontrole . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
kabel van aanhangwagen . . . . . . . . . . . 249, 253
Kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
koplampen verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
Led-achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249, 253
optisch parkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . 223
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
rijden met aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . 254
stabilisatie van wagen/aanhangwagen . . . . . 255
stang met kogelkop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
stang met kogelkop elektrisch ontgrendelen . 250
stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252
trekhaak voor aanhangwagen inbouwen . . . . 256
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 314
Aantal plaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Aanwijzingen op het display . . . . . . . . . . . . . . . . 106 Aanwijzingen op het scherm
buitentemper atuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 107
service-intervalindicatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108
verkeerstekenherkenning . . . . . . . . . . . . . . . . 241
ABS zie Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 259
Accu aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
accuvloeistofpeil controleren . . . . . . . . . . . . . 299
controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 299
laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
loskoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
ontladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194
ontlading . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190
positieve pool voor starthulp . . . . . . . . . . . . . . . 54
starthulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
stroomverbruikers automatisch uitschakelen 301
vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
voorbereidingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299
zuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300
Accu van de wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42, 298 hulp bij het starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
loskoppelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 109
Achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 noodsluiting en -opening . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
zie ook Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Achterruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38
Achteruitkijkspiegels buitenspiegels verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
Achteruitrijcamera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 227 bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229modus 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230
modus 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230 Achteruitrijhulp
displ ay . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
Gebruiksaanwijzingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
AdBlue bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 284
controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 283
informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 284
minimale vulhoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . 284specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
vulcapaciteit van tank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 283
Afdichtrubbers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 321
AFS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137
Afstandsbediening zie Sleutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Afstandsbediening van de interieurvoorverwar- ming
de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
Afstandsregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
Afstelling lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
Afvoer airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
wagens aan eind van levensduur . . . . . . . . . . 278
Airbagafdekkingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17
Airbags zie Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 70 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
airbag voor de knieën . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
dashboard schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . 276
gebruik van kinderzitjes . . . . . . . . . . . . . . . . 18, 75
hoofdairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
reparaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
voorairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17, 72 323
Page 328 of 340

Trefwoordenlijst
Connectoren st
orin g
en . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 181
Contact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 zie "Motor en contact" . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
Contactslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 niet-geautoriseerde autosleutel . . . . . . . . . . . 193
uittrekblokkering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 194
Controle- en waarschuwingslampjes ABS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299
achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
adBlue . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 283
afstandsbediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74
bandenspanningsindicator . . . . . . . . . . . . . . . 246
brandstofpeil . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235
ESC . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
generator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 299
indicatie van slijtage van remblokken . . . . . . 198
katalysator . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
koelvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293
lichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 135
motoroliesensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 289
motorregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33, 110
portier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
remsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198
Rijstrookassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
ruitensproeiervloeistofpeil . . . . . . . . . . . . . . . 142
schakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 203
sleutel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116
snelheidsregelsysteem (GRA) . . . . . . . . . . . . . 231
stuurslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 191
tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
uitlaatgasreinigingssysteem . . . . . . . . . . . . . . 211
uitparkeerhulp (RTA) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235 van de veiligheidsgordel . . . . . . . . . . . . . . . . . . 63
vervan
gen van lampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95
Controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 33
Controleren bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
Controle van niveaus . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40, 289
D Dagrijlicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136
Dakdragersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170 basisdragers vastmaken . . . . . . . . . . . . . . . . . 171
Dakkoffer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170
Dashboard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 103 airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Dashboardkastje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 175
Dashboardkastjeverlichting . . . . . . . . . . . . . . . . 141
DCC zie Dynamische onderstelregeling . . . . . . . . . 244
De accu laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
De achterbank neerklappen laadvloer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 160
De auto starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
De bagageruimte laden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 159 rijden met geopende achterklep . . . . . . . . . . . 158
Defecte lampen zie "Lampen vervangen" . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94
De gordel spannen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 69
De motor starten door aanslepen . . . . . . . . . . 53, 90
De voorairbag van de bijrijder buiten werking stellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18
De wagen duwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 192
De wagen laden bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10
bevestigingsogen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 165
De wagen slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52, 90, 192 sleepoog vooraan . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 91 De wagen wassen
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122
hogedrukreinigers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 267
De werking controleren regensensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
De wisserbladen vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . 55
Diagnosesteker . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 263
Dieselolie tanken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 282
Dieselroetfilter Storing in de werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 211
Differentieel elektronisch vergrendelen (EDS) . . 215
Differentieel vergrendelen Zie "Remhulpsystemen" . . . . . . . . . . . . . . . . . . 215
Digitale klok . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105
Display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 105, 106
Dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235 aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 240
controlelampjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235
indicatie in de buitenspiegel . . . . . . . . . . . . . . 236
rijsituaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 238
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 235
werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 236
Dopjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 307
Draagvermogen van de banden . . . . . . . . . . . . . 309
Draagvermogen van de wielen . . . . . . . . . . . . . . 311
Draailicht Zie "Statisch bochtenlicht" . . . . . . . . . . . . . . . 137
Draairichtinggebonden banden . . . . . . . . . . . . . 310
Dynamische lichtbundel-hoogteverstelling . . . . 140
Dynamische onderstelregeling (DCC) . . . . . . . . . 244 Bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 245
werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244
326