radio Seat Alhambra 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2016, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2016Pages: 340, PDF Size: 7.27 MB
Page 184 of 340

Bedienen
van verhoogd stroomverbruik van de aange-
s lot
en ap p
araten of overmatige omgevings-
temperatuur vermeden. Na een afkoelfase
schakelt de spanningsomvormer automa-
tisch weer in. De apparaten aangesloten op
het stopcontact die aan staan zullen opnieuw
werken. Schakel daarom de elektrische appa-
raten aangesloten op het stopcontact uit
wanneer de stroomomvormer uitgeschakeld
wordt door oververhitting. ATTENTIE
Hoge spanning in de elektrische installatie!
● Vermijd dat vloeistoffen terechtkomen op
het st opc
ontact.
● Sluit geen adapter of verlengsnoer aan op
de 230 V euroc
onnector. Anders wordt de kin-
derbeveiliging uitgeschakeld en staat de con-
nector onder stroom.
● Steek geen stroomgeleidende voorwerpen
zoal
s breinaalden in de 230 V euroconnector. VOORZICHTIG
● Neem de gebruik s
aanwijzing van de aan te
sluiten apparaten in acht!
● Overschrijd nooit het maximale stroomver-
bruik. Dit kan het a
lgemene elektrische sys-
teem van de wagen beschadigen.
● 12 V stopcontact:
– Gebruik uits
luitend accessoires waarvan
de elektromagnetische compatibiliteit goedgekeurd is volgens de geldende
voors
c
hriften.
– Extra voeding voor het stopcontact is niet
toegestaan.
● 230 V euroconnector-contact:
– Nooit te zw
are apparaten of connectoren
direct aansluiten op het stopcontact (bijv.
een transformator).
– Geen lampen met neonbuizen aansluiten.
– Uitsluitend apparaten aansluiten waar-
van het voltage overeenkomt met dat van
het stopcontact.
– Het inschakelen van stroomverbruikers
met hoge aanloopstroom wordt verhin-
derd door de beveiliging tegen overbelas-
ting. In dat geval moet de voedingskabel
losgekoppeld worden van de stroomver-
bruiker en probeert u na ongeveer 10 se-
conden opnieuw het apparaat aan te slui-
ten. Let op
● Het is mog
elijk dat een aantal apparaten
niet correct werkt in de 230 V euroconnector
door een gebrek aan vermogen (watt).
● De 230 V euroconnector kan gewijzigd wor-
den voor app
araten van 115 V en omgekeerd.
Raadpleeg een gespecialiseerde winkel voor
advies over accessoires ter aanpassing aan
de connector. SEAT raadt u aan de Technische
Dienst te raadplegen. Airconditioning
Klim aatr
eg
eling
Inleiding tot thema De informatie van de Climatronic weergeven
Op het dis
p
lay van de radio of het navigatie-
systeem, geïnstalleerd af fabriek, wordt kort
informatie met betrekking tot de Climatronic
getoond.
De meeteenheden van de temperatuur kun-
nen weergegeven worden op de radio of het
navigatiesysteem, geïnstalleerd af fabriek, en
naargelang de uitvoering van de wagen aan-
gepast worden in het menu Configuratie
op het instrumentenpaneel. ATTENTIE
Als het zicht door alle ruiten van de wagen
niet goed i s, neemt
het risico op ongevallen
met ernstige gevolgen toe.
● Zorg ervoor dat alle ruiten ijs- en sneeuw-
vrij zijn, en dat
ze niet beslagen zijn om goed
te kunnen zien wat er buiten de wagen alle-
maal gebeurt.
● Het maximale verwarmingsvermogen en de
snelle ontw
aseming van de ruiten worden
verkregen wanneer de motor zijn normale
werkingstemperatuur bereikt. Ga alleen rij-
den als het zicht goed is. 182
Page 186 of 340

Bedienen
Bediening achterin Afb. 195
Middenconsole: Deel van de bedie-
nin g ac
hterin.Regelaar
››› afb. 195Beschrijving
AKnop om de temperatuur te regelen.
BKnop om de luchtstroom te regelen. Gebruiksaanwijzingen voor de aircon-
ditionin
g Het koelsysteem van het interieur werkt al-
l
een w
anneer de mot or dr
aait en de ventilator
aan staat.
Voor een optimale werking van de aircondi-
tioning moeten de ruiten en het elektrisch
bedienbaar panoramaschuifdak gesloten
blijven. Wanneer echter het interieur bij een
stilstaande wagen door binnenvallende zon- nestralen sterk is verwarmd, kan het afkoelen
worden v
ersneld door de ruiten en het elek-
trisch bedienbaar panoramadak even te ope-
nen.
Instelling voor een optimaal zicht
Wanneer de airconditioning in werking is,
wordt niet alleen de temperatuur van het in-
terieur verlaagd, maar ook het vochtgehalte.
Wanneer de luchtvochtigheid buiten hoog is,
zullen de ruiten op die manier niet beslaan
en wordt het comfort van de inzittenden ver-
hoogd.
Op de handbediende elektrische airconditio-
ning
● Circulatiefunctie uitschakelen ››› p
ag. 186.
● Zet de ventilator in de gewenste stand.
● Zet de temperatuurregelaar in de middelste
stand.
● De luc
htroosters in het dashboard ››› p
ag.
185 openen en richten.
● Draai de luchtverdeelregelaar in de gewen-
ste st
and.
Met Climatronic
● AUTO -toets indrukken.
● Stel de temperatuur in op +22°C (+72°F).
● De luchtroosters in het dashboard ››
›
p
ag.
185 openen en richten. Climatronic: De temperatuurweergave op het
scherm v
an de radio of het geïnstalleerde na-
vigatiesysteem omzetten van de fabrieksin-
stellingen
Het omzetten van de temperatuurindicatie
van Celsius naar Fahrenheit op het scherm
van de radio resp. het navigatiesysteem is
mogelijk via het menu op het instrumenten-
paneel ›››
pag. 30.
Het koelsysteem kan niet geactiveerd wor-
den
Als het koelsysteem niet kan worden inge-
schakeld, kan dit de volgende oorzaken heb-
ben:
● De motor staat uit.
● De ventilator is uitgeschakeld.
● De zekering van de airco is doorgebrand.
● De buitentemperatuur is lager dan ca. +3°C
(+38°F).
● De compressor van de airconditioning is tij-
delijk uitge
schakeld omdat de motorkoel-
vloeistof te veel is opgewarmd.
● Er is sprake van een andere storing aan de
wagen. Laat de w
agen door een gespeciali-
seerde werkplaats nakijken.
Bijzonderheden
In het geval van een hoge luchtvochtigheid
en omgevingstemperatuur is het mogelijk dat
condenswater van de verdamper van de airco
184
Page 224 of 340

Bedienen
staat, wordt geen
akoe
stisch signaal gepro-
duceerd.
● Bij uw technische dienst kunt u het volume
van de waars
chuwingssignalen laten instel-
len. Let op
Als er in de parkeerhulp een storing optreedt,
is de eer s
te keer dat het akoestisch signaal
weerklinkt het signaal constant te horen, en
het lampje in de toets knippert. Schakel met
de toets de parkeerhulp uit en laat het sys-
teem zo snel mogelijk in een gespecialiseer-
de werkplaats controleren. Optisch parkeersysteem* (OPS)
Afb. 210
Aanduiding van OPS op het display:
A er is een obstakel in de botszone waarge-
nomen; B er is een obstakel in het segment
w aar
genomen; C geregistreerde zone achter
de w ag
en. Afb. 211
Aanduiding van OPS op het display:
A er is een obstakel in het segment waarge-
nomen; B geregistreerde zone voor de wa-
g en. Het optische parkeersysteem is een aanvul-
lin
g op de p
arkeerhu
lp ››› pag. 221 en het in-
parkeersysteem ››› pag. 223.
In het in de fabriek ingebouwde scherm van
de radio of het navigatiesysteem wordt de
door de voorste en achterste sensoren van de
wagen opgepikte zone weergegeven. De mo-
gelijke obstakels worden ten opzichte van de
wagen ››› weergeven.
FunctieNodige handelingen
Schakel de dis-
playweergave in:Schakel de parkeerhulp
››› pag. 221
of het inparkeersysteem ››› pag.
223 in. Het OPS wordt automatisch
ingeschakeld.
FunctieNodige handelingen
Schakel de dis-
playweergave
handmatig uit:Druk een zoneselectietoets op de in
de fabriek ingebouwde radio of het
navigatiesysteem in.
OF: Druk de functietoets
of RVCop het scherm kort in.
Schakel de dis-
playweergave
handmatig uit:
Rijd vooruit met ongeveer
10-15 km/u (6-9 mph).
Bij wagens met achteruitkijkcamera
schakelt u de achteruitversnelling in
››› pag. 227. De displayweergave
verdwijnt en het camerabeeld wordt
weergegeven. Gecontroleerde zones
D
e
zone w
aarin obstakels herkend worden,
strekt zich voor de wagen ongeveer 120 cm
en naar de zijkanten ongeveer 60 cm uit
››› afb. 211 B . Achter de wagen wordt een
z one
van on
geveer 160 cm en aan de zijkan-
ten van ongeveer 60 cm geanalyseerd ›››
afb.
210 C .
Aanduidin g op het
sc
herm
De getoonde grafiek geeft de gecontroleerde
zones in verscheidene segmenten weer.
Naarmate de wagen een obstakel nadert,
komt het segment steeds dichter bij de weer-
gegeven wagen ›››
afb. 210 B en
››
›
afb
. 211
A . Ten slotte bij het aanduiden van het voor-
l aats
te se
gment, betekent dit dat de botszo-
ne bereikt is. Zet de wagen stil!
222
Page 225 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurderAfstand van wagen
tot obstakelGe-
luids-
signaal
In kleurendis-
play: kleur van segment wan- neer een ob-stakel wordt
waargenomen
Voor: ongeveer 31 -
120 cm
Achter: ongeveer 31 -
160 cmIntermit- terendgeluidGeel
Ongeveer 0 - 30 cm
voor of achter a)Constant
gefluitRood
a) Bij wagens met in de fabriek ingebouwde trekhaak wordt het
constante gefluit bij een iets grotere afstand geproduceerd.
Met aanhangwagen
Bij wagens met in de fabriek ingebouwde
trekhaak en een elektrisch aangesloten aan-
hangwagen wordt in het scherm de bijbeho-
rende grafiek weergegeven. In dit geval wor-
den de afstanden achter de wagen niet weer-
gegeven.
Geluid van parkeerhulp uitschakelen
U kunt het geluid van de akoestische waar-
schuwingen van het OPS uitschakelen door
de knop in het scherm van de radio of het
n av
igatie
systeem kort in te drukken. Om de
akoestische waarschuwingen weer in te scha-
kelen drukt u de knop opnieuw kort in.
Wanneer u het OPS uitschakelt en opnieuw
inschakelt, wordt de onderdrukking van het geluid geannuleerd. De foutmeldingen kun-
nen niet worden uit
geschakeld. ATTENTIE
Laat u niet afleiden door naar het display te
kijken. Inparkeersysteem* (Park As-
sis
t)
In
leiding tot thema
››› T
ab. op pag. 2
Het inparkeersysteem helpt de bestuurder bij
het zoeken naar een geschikte parkeerplaats,
bij het parkeren van de wagen in plekken die
parallel aan en schuin op het wegdek staan,
en bij het verlaten van de parkeerplaats als
de wagen parallel aan het wegdek gepar-
keerd staat.
Het inparkeersysteem is onderhevig aan de
eigen beperkingen van het systeem, en het
gebruik ervan vereist dat de bestuurder zeer
goed moet opletten ››› .
D e p
ark eerhu
lp is een onderdeel van het in-
parkeersysteem dat de bestuurder helpt bij
het op de parkeerplaats parkeren van de wa-
gen. Bij wagens met optisch parkeersysteem
(OPS) wordt
op het scherm van de radio of
het navigatiesysteem de aan de achterkant
van de wagen gecontroleerde zone weerge-
geven, waarbij - binnen de beperkingen van
het systeem - de relatieve positie van de ob-
stakels ten opzichte van de wagen worden
aangeduid.
Het inparkeersysteem kan niet worden inge-
schakeld als de in de fabriek ingebouwde
trekhaak op een elektrische wijze op de aan-
hangwagen aangesloten is. ATTENTIE
Ondanks de hulp van het inparkeersysteem
moet u tijdens het
parkeren geen risico's lo-
pen. Ondanks het systeem moet de bestuur-
der te allen tijde opmerkzaam blijven.
● Onbedoelde bewegingen van de wagen
kunnen erns
tig letsel veroorzaken.
● Pas de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het
verkeer en de weersomstan-
digheden aan.
● Het oppervlak van bepaalde voorwerpen en
kleding, en e
xterne geluidsbronnen kunnen
de signalen van de parkeerhulp of de sys-
teemsensoren negatief beïnvloeden, of de
signalen ervan niet weerkaatsen.
● De sensoren hebben dode hoeken waarin
personen en obj
ecten niet kunnen worden
waargenomen. » 223
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 229 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
● Het inp
arkeer
systeem bedient alleen het
stuurwiel tijdens de manoeuvre. De bestuur-
der bedient het gaspedaal, het
koppelingspedaal en het rempedaal.
● Wanneer de parkeerplaats verlaten kan
worden, grijpt het
inparkeersysteem automa-
tisch niet meer in. Neem het stuurwiel over
en voeg de wagen wanneer de verkeerssitua-
tie dit toelaat aan het verkeer toe door de
parkeerplaats te verlaten.
Manoeuvre automatisch onderbreken
Het inparkeersysteem onderbreekt de ma-
noeuvre als een van de volgende situaties
zich voordoet:
● De wagen rijdt harder dan 7 km/u (4 mph).
● De bestuurder neemt de besturing over.
● Er wordt een schuifdeur geopend. Om de
manoeuvre af
te maken, sluit u de schuifdeur
en drukt u de toets opnieuw in.
● Er treedt een storing in het systeem (sys-
t eem tijdelijk
niet be
schikbaar) op.
● De ASR is uitgeschakeld, of de ASR of de
ESC grijpt in. ATTENTIE
Tijdens het verlaten van de parkeerplaats met
het inpark eer
systeem draait het stuurwiel
snel zelfstandig rond. Als u uw handen in de
openingen van het stuurwiel steekt, kunt u
zichzelf verwonden. Ingrijpen van remmen
Het inparkeersysteem helpt de bestuurder
door automati
s
ch te remmen. De automati-
sche remfunctie ontheft de bestuurder niet
van zijn verantwoordelijkheid om het gaspe-
daal, rempedaal en koppelingspedaal te be-
dienen ››› .
Remmen om sc h
ade te voorkomen als gevolg
van verkeerde snelheid
Het is mogelijk dat de remmen ingrijpen om
een verkeerde snelheid te voorkomen. U kunt
doorgaan met de parkeermanoeuvre. De rem-
men grijpen tijdens elk parkeerhandeling
één keer in.
Remmen om schade te beperken
Als u met de wagen een obstakel nadert, is
het mogelijk dat de remmen automatisch in-
grijpen. Onder bepaalde omstandigheden
(bijv. storm, detectie van ultrasone geluiden,
wagenstatus, lading, helling) is het mogelijk
dat het inparkeersysteem de wagen volledig
voor een obstakel stilzet.
● Trap het rempedaal in ›››
!
Het inp
arkeer
systeem grijpt na tussenkomst
van de remmen niet meer in. ATTENTIE
Ondanks de hulp van het inparkeersysteem
moet u tijdens het
parkeren geen risico's lo-
pen. Ondanks het systeem moet de bestuur-
der te allen tijde opmerkzaam blijven.
● Wees altijd op uw hoede om te remmen.
● Het automatisch remmen stopt na ongeveer
1,5 seconden. Zet
na het automatisch rem-
men zelf de wagen stil. Achteruitrijcamera* (Rear View
C
amer
a)
In l
eiding tot thema De in de achterklep ingebouwde camera
helpt
de be
st
uurder bij het parkeren of ach-
teruit rijden. In het in de fabriek ingebouwde
scherm van de radio of het navigatiesysteem
wordt het camerabeeld en enkele door het
systeem gegenereerde oriëntatiepunten
weergegeven.
U kunt een keuze maken uit twee soorten ori-
ëntatiepunten (modi):
● Modus 1 : achteruit rijdend h
aaks op het
wegdek parkeren (bijv. op een parkeer-
plaats).
● Modus 2 : achteruit rijdend p
arallel aan de
rand van het wegdek parkeren. »
227
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 230 of 340

Bedienen
U kunt de modus wijzigen door de knop in
het di
sp
lay van de radio of het navigatiesys-
teem in te drukken. De modus waarnaar over-
geschakeld kan worden, wordt altijd alleen
weergegeven. ATTENTIE
Als u de camera gebruikt voor het berekenen
van de afs t
and van de wagen tot obstakels
(personen, wagens, enz.), houdt er dan reke-
ning mee dat dit onnauwkeurig is. U kunt
hierdoor ongevallen en ernstig letsel veroor-
zaken.
● De cameralens vergroot en vervormt het
blikvel
d en geeft de voorwerpen anders en
vaag op het scherm weer.
● Het is mogelijk dat bepaalde voorwerpen
niet of niet er duidelijk
weergegeven worden
(bijv. dunne palen of hekken) vanwege de re-
solutie van de monitor, of als er weinig licht
is.
● De camera heeft dode hoeken waarin per-
sonen en object
en niet kunnen worden waar-
genomen.
● Houd de cameralens schoon en vrij van
sneeuw en ijs. B
edek de lens niet. ATTENTIE
De intelligente techniek in de achteruitkijkca-
mera kan de n at
uurkundig en door het sys-
teem zelf bepaalde grenzen niet overwinnen.
Het onachtzame of ongecontroleerde gebruik
van de achteruitkijkcamera kan ernstig letsel en ongevallen veroorzaken. Ondanks het sys-
teem moet de be
s
tuurder te allen tijde op-
merkzaam blijven.
● Pas de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het
verkeer en de weersomstan-
digheden aan.
● Houd altijd de omgeving van de wagen in
de gaten en kijk
altijd in de richting van de
plek waar u de wagen wilt parkeren. Op het
scherm wordt de rijweg van de achterzijde
van de wagen afhankelijk van de draaihoek
van het stuur weergegeven. De voorzijde van
de wagen zwenkt ten opzichte van de achter-
zijde meer uit.
● Laat u niet afleiden door naar het display te
kijken.
● Houd de omg
eving van de wagen altijd in
de gaten omdat
de camera's niet altijd kinde-
ren, dieren of voorwerpen detecteren.
● Het is mogelijk dat het systeem niet alle
zones duidelijk
weergeeft.
● Gebruik de achteruitrijcamera alleen bij
voll
edig gesloten achterklep. VOORZICHTIG
● De camer a g
eeft de beelden slechts tweedi-
mensionaal in het scherm weer. Vanwege het
ontbreken van diepte kan het moeilijk zijn
voorwerpen die uitsteken of gleuven in het
wegdek te herkennen, of zelfs helemaal niet
herkennen.
● Voorwerpen als aanhangerdissels, dunne
stang
en, hekwerken, palen en bomen worden in bepaalde omstandigheden niet door de ca-
mera's herk
end en k
unnen tot beschadiging
van de wagen leiden. Gebruiksaanwijzingen
Afb. 214
In de achterklep: inbouwplaats van
ac ht
eruitk ijk
camera. Afb. 215
Aanwijzing van achteruitkijkcamera:
modu s
2 in g
eschakeld.228
Page 231 of 340

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Functietoetsen op het display: menu w eer
gev
en; menu verbergen.
Het beeld van de achteruitrijcamera uit-
schakelen.
De help weergeven. In het hulpschema
wordt uitleg gegeven over de oppervlak-
ken en lijnen in het camerabeeld. Druk
op om de help te verlaten.
Het geluid uitschakelen.
De aanwijzing aanpassen: helderheid,
contrast, kleur.
De oriëntatiepunten koppelen om achter-
uit rijdend haaks op het wegdek (modus
1) te parkeren.
Het optische parkeersysteem weergeven.
Bediening in wagens zonder optisch parkeersys-
teem (OPS)
De aanduiding
automatisch in-
schakelen:Schakel de achteruitrijversnelling
bij ingeschakeld contact of draai-
ende motor in. Modus 1 wordt
weergegeven.
Schakel de dis-
playweergave
handmatig uit:
Druk op een toets om het gebied
op de radio of het navigatiesys-
teem te selecteren ››› brochure Ra-
dio of ››› brochure Navigatiesys-
teem.
OF: druk op de knop
op het
scherm.
OF: Na het uitschakelen van het
contact wordt het beeld van de ach-
teruitkijkcamera kort op het scherm
weergegeven. 1
2
3
4
5
6
7
De aanduiding
uitschakelen door
de achteruitrijver-
snelling uit te
schakelen:Het beeld wordt na ongeveer 10 se-
conden uitgeschakeld.
De aanduiding
uitschakelen door
vooruit te rijden:Rijd vooruit met een minimale snel-
heid van ca. 15 km/u (9 mph).
Bediening in wagens met optisch parkeersysteem
(OPS)
De aanduiding
automatisch in-
schakelen:Schakel de achteruitrijversnelling
bij ingeschakeld contact of draai-
ende motor in. Modus 1 wordt
weergegeven.
Schakel de dis-
playweergave
handmatig uit:
Druk op een toets om het gebied
op de radio of het navigatiesys-
teem te selecteren
››› brochure Ra-
dio of ››› brochure Navigatiesys-
teem.
OF: druk op de knop
op het
scherm.
OF: Na het uitschakelen van het
contact wordt het beeld van de ach-
teruitkijkcamera kort op het scherm
weergegeven.
Indrukken toets .
De aanduiding
uitschakelen door
de achteruitrijver-
snelling uit te
schakelen:Onmiddellijk hierna wordt de aan-
duiding van het OPS weergegeven.
De aanduiding
uitschakelen door
vooruit te rijden:Rijd vooruit met een minimale snel-
heid van ca. 10 km/u (6 mph). Bijzonderheden
1) Gebruik de achteruitkijkcamera in de volgen-
de gevallen niet:
– Als er een storing in de dynamische regeling van het
onderstel (DCC) optreedt.
– Als het beeld niet duidelijk of betrouwbaar wordt
weergegeven (weinig zicht of vieze lens).
– Als de ruimte achter de wagen niet duidelijk en in zijn
geheel herkend wordt.
– Als achter in de wagen te veel lading ligt.
– Als de bestuurder niet bekend is met het systeem.
– Als de achterklep geopend is.
– Als de stand of de inbouwhoek van de camera is ver-
anderd (bijv. na een aanrijding), moet u het systeem in
een gespecialiseerde werkplaats laten nakijken.
2) Gezichtsbedrog door de camera (voorbeel-
den)
De beelden van de achteruitrijcamera zijn tweedimen-
sionaal. Gleuven in het wegdek of voorwerpen die uit de
grond of andere wagen steken, zijn moeilijk herkenbaar,
of worden niet weergegeven vanwege het ontbreken van
diepte van het schermbeeld.
Het lijkt soms alsof een voorwerp of een andere wagen
dichter bij of verder weg staat dan dat het voorwerp of
de wagen werkelijk staat:
» 229
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 265 of 340

Verzorging en onderhoud
dan kan het systeem automatisch een sig-
n aal
st
uren. Dit hangt van de netwerkbeheer-
der af. Normaal gesproken kunnen de signa-
len alleen verzonden worden in zones met
een groot bereik.
Geheugenmodule voor opslaan van ongeval-
gegevens (Event Data Recorder)
De wagen is niet uitgerust met een geheu-
genmodule voor het opslaan van ongevalge-
gevens.
In een geheugenmodule voor het opslaan
van ongevalgegevens wordt de wageninfor-
matie tijdelijk geregistreerd. Op deze manier
kan er bij een ongeval gedetailleerde infor-
matie over de oorzaak van het ongeval ver-
kregen worden. In wagens met airbagsys-
teem kunnen bijvoorbeeld gegevens over de
snelheid op het moment van de botsing, de
status van de gespen van de veiligheidsgor-
dels, de standen van de stoel en de active-
ringstijden van de airbags in het geheugen
worden opgeslagen. Het gegevensvolume is
afhankelijk van de fabrikant.
Alleen als de autobezitter toestemming
geeft, mag een geheugenmodule voor het
opslaan van ongevalgegevens worden inge-
bouwd. In sommige landen zijn er wetten die
dit regelen. Regelapparaten herprogrammeren
In het algemeen w
orden alle gegevens die
nodig zijn voor het beheren van onderdelen
in de regelapparaten opgeslagen. De pro-
grammering van sommige comfortfuncties,
zoals de knipperlichten, het afzonderlijk ope-
nen van portieren en de aanduidingen op het
scherm, kunnen met speciale apparaten die
in de gespecialiseerde werkplaatsen aanwe-
zig zijn worden gewijzigd. Als dit het geval is,
dan komen de informatie en beschrijvingen
uit het instructieboekje niet overeen met de
oorspronkelijke functies. SEAT raadt daarom
aan altijd elk type wijziging in het hoofdstuk
"Andere aantekeningen van de werkplaats"
van het Onderhoudsprogramma te raadple-
gen.
De technische dienst moet van elke wijziging
in de programmering op de hoogte worden
gebracht.
Storingsgeheugen van wagen uitlezen
In het interieur van de wagen bevindt zich
een diagnoseconnector voor het lezen van
het storingsgeheugen van de wagen. In het
storingsgeheugen worden de storingen en af-
wijkingen met betrekking tot de theoretische
waarden van de elektronische regelappara-
ten geregistreerd.
De diagnoseconnector bevindt zich in de voe-
tenruimte van de bestuurder, naast de hen-
del voor het openen van de motorkap, onder
een deksel. Het storingsgeheugen mag alleen door een
gespec
ialiseerde werkplaats geraadpleegd
en geactiveerd worden.
Mobiele telefoon in wagen gebruiken
zonder aansluit
en op buitenantenne Mobiele telefoons zenden radiogolven uit en
ontvan
g
en deze, zowel tijdens telefoonge-
sprekken als tijdens de wachtmodus. In hui-
dige wetenschappelijke publicaties wordt
vermeld dat radiogolven die bepaalde waar-
den overschrijden, schadelijk voor het men-
selijk lichaam kunnen zijn. Landen en inter-
nationale commissies hebben bereiken en
richtlijnen opgesteld met als doel de elektro-
magnetische straling afkomstig van mobiele
telefoons binnen bepaalde grenzen te hou-
den die niet schadelijk zijn voor de gezond-
heid. Toch zijn er geen onomstotelijke weten-
schappelijke bewijzen die aangeven dat
draadloze telefoons helemaal veilig zijn.
Daarom raden sommige deskundigen aan de
mobiele telefoon met mate te gebruiken tot
de resultaten van onderzoeken die nog lo-
pen, gepubliceerd worden.
Gebruikt u in de auto een mobiele telefoon
die niet op de buitenantenne voor telefoons
aangesloten is, dan kan de elektromagneti-
sche straling hoger zijn dan wanneer de mo-
biele telefoon aangesloten zou zijn op een »
263
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 279 of 340

Verzorging en onderhoud
Gebruikersinformatie Stic k
er s
en plaatjesIn de motorruimte bevinden zich enkele on-
derdelen met
veiligheidscertificaten, stickers
en plaatjes die in de fabriek zijn aange-
bracht, en die belangrijke informatie over de
werking van de wagen bevatten. Deze certifi-
caten, stickers en plaatjes zijn bijvoorbeeld
te vinden op de tankklep, de zonneklep aan
bijrijderszijde, op de stijl van het bestuurder-
sportier of op de vloer van de bagageruimte.
● Verwijder deze veiligheidscertificaten, stic-
kers en p
laatjes onder geen beding, en zorg
ervoor dat ze in een goede staat verkeren en
leesbaar zijn.
● Als een wagenonderdeel waarbij een veilig-
heidscer
tificaat, sticker of plaatje hoort, ver-
vangen wordt, dan moet deze veiligheidsin-
formatie in de gespecialiseerde werkplaats
opnieuw op dezelfde plaats worden aange-
bracht.
Veiligheidscertificaat
Een veiligheidscertificaat op de stijl van het
portier geeft aan dat op het moment van fa-
bricage aan alle door de nationale verkeers-
autoriteiten voorgeschreven veiligheidsstan-
daarden en -specificaties met betrekking tot
verkeersveiligheid voldaan is. Daarnaast wordt de maand en het jaar van fabricage, en
het cha
ssisnummer vermeld.
Sticker met hoogspanningswaarschuwing*
In de buurt van de sluiting van de motorkap
bevindt zich een sticker met informatie over
de hoge spanning waaronder de elektrische
wagenonderdelen staan. Het ontstekingssys-
teem van de wagen voldoet onder andere
aan de Canadese norm ICES-002.
Wagen gebruiken in andere landen en
continenten Wagens worden in de fabriek voor een be-
p
aal
d land g
eproduceerd en voldoen aan de
nationale goedkeuringsvoorschriften die gel-
den op de bouwdatum.
Als de wagen in een ander land verkocht of
gedurende een lange tijd gebruikt wordt,
moet er rekening worden gehouden met de
wettelijke voorschriften die in dat land gel-
den.
Het is mogelijk dat u bepaalde uitrustingen
moet in- of uitbouwen en bepaalde functies
moet uitschakelen. Ook de servicewerkzaam-
heden kunnen anders zijn. Dit geldt met na-
me als u met uw wagen gedurende lange tijd
in een gebied met een ander klimaat rijdt.
Aangezien er in de wereld verschillende fre-
quentiebanden zijn, is het mogelijk dat de af fabriek meegeleverde radio of het meegele-
verde nav
igatiesysteem in een ander land
niet werkt. VOORZICHTIG
● SEAT k an niet
aansprakelijk gesteld worden
voor schade aan de wagen door een brand-
stof van lage kwaliteit, een gebrekkige servi-
ce of de niet-beschikbaarheid van originele
onderdelen.
● SEAT kan niet aansprakelijk gesteld worden
als de w
agen gedeeltelijk of geheel niet vol-
doet aan de wettelijke eisen van andere lan-
den of continenten. Radio-ontvangst en antenne
Voor radio's en navigatiesystemen die in de
f
abriek
ing
ebouwd zijn, geldt dat de antenne
van de antenne op verschillende plaatsen in
de wagen kan zijn ingebouwd:
● Aan de binnenzijde van de achterruit, naast
de achterruitv
erwarming,
● aan de binnenzijde van de zijruiten achter-
in,
● aan de binnenzijde van de voorruit,
● op het dak van de wagen.
De aan de binnenz
ijde van de ruit geplaatste
antennes zijn herkenbaar aan de dunne dra-
den. »
277
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 333 of 340

Trefwoordenlijst
Parkeerrem aut om
atis
ch uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . 199
elektronisch . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
inschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
noodstopfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
uitschakelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
Parkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 221
Parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197, 200
Pedalen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 59, 61
Plaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
Plaatsing van de gordelband bij zwangere vrouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Polijsten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 269
Portier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125 kinderslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 127
noodsluiten of -openen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
openen en sluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 125
Portieren afzonderlijk openen . . . . . . . . . . . . . . . 118
Portiergreep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Portierslot . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Portierslotcilinder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
Profieldiepte van de banden . . . . . . . . . . . . . . . . 307
R Radio-ontvangst antenne . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
Railsysteem met bevestigingselementen . . . . . . 166 bagagenet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168
Rear Traffic Alert . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 239
Rear View Camera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 227
Recycling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278
Reflecterend vestje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 84
Regelaar van de lichtbundelhoogte . . . . . . . . . . 103 Regelapparaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
herprogrammeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 263
Regelapparaten herprogrammeren . . . . . . . . . . . 263
Regensensor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 143 de werking controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144
Reiniging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266 buitenspiegels inklappen . . . . . . . . . . . . . . . . 147
dashboard . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
de wagen wassen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 266
de wagen wassen met hogedrukreinigers . . . 267
kunstleer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275
kussens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 273
motorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 271
natuurleer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 274
opbergvakken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 275
ruiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 268
textiel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272
textielbekledingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 273
veiligheidsgordels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276
Rem rembekrachtiger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201
Rembekrachtiger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201, 214
Remhulpsystemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Remkrachtassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Remmen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 197 controle- en waarschuwingslampjes . . . . . . . . 198
elektronische parkeerrem . . . . . . . . . . . . . . . . 199
inrijden van de remblokken . . . . . . . . . . . . . . . 201
noodstopfunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 199
remblokken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201
remhulpsystemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
remkrachtassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
remvloeistof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
remvloeistofpeil . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
remvloeistof verversen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
Remsysteem storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 201 Remsystemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Remvloeis
tof . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42
specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296
Reparaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260, 278 airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 261
Reparatiewerkzaamheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . 259
Rijadvies met het voertuig geladen . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
Rijden aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
automatische versnellingsbak . . . . . . . . . . . . 206
bescherming van bodemplaat . . . . . . . . . . . . . . 57
brandstofmeter . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
brandstofpeil te laag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 280
Door het veld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
Gegevensopslag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
met aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248
op hellingen parkeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 200
rijden door water . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
rijden in het buitenland . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 92
veilig . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57
zuinig . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 209
Rijden door water . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213 zout water . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 213
Rijden in de winter bandenspanning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 306
Rijden in het buitenland koplampen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 140
Rijden met aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . 314 brandblusser . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250
technische voorwaarden . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
Rijstrookassistent . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233 controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
storing in de werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233
wanneer moet het systeem uitgeschakeld wor-den? . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 234
werkwijze . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 233 331