air condition Seat Alhambra 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2018, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2018Pages: 340, PDF Size: 7.15 MB
Page 189 of 340

Airconditioning
●
Wanneer het k
oelsysteem niet werkt en de
circulatiefunctie aanstaat, kunnen de ruiten
snel aandampen en kan het zicht zo aanzien-
lijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heef
t.VOORZICHTIG
In wagens met airconditioning mag niet ge-
r ookt w
orden wanneer de luchtcirculatiefunc-
tie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan
neerslaan op de verdamper van het koelsys-
teem en op het actieve koolpatroon van het
stof- en pollenfilter, wat leidt tot een perma-
nente onaangename geur. Let op
Climatronic: Wanneer de automatische rui-
ten w
issers-/sproeiers werken, wordt bij het
achteruit schakelen de circulatiefunctie inge-
schakeld om te vermijden dat de uitlaatgas-
sen het interieur binnenkomen. Interieurvoorverwarming* (ex-
tr
a
v
erwarming)
Inleiding tot thema De interieurvoorverwarming wordt gevoed
met
br
and
stof van de wagentank en kan zo-
wel gebruikt worden tijdens het rijden als wanneer de wagen stilstaat. Selecteer in het
instrument
enpaneel de gewenste gebruiks-
wijze (verwarmen of ventileren ) ››› pag.
189.
In de winter kan de interieurvoorverwarming
gebruikt worden in de functie verwarmen
om de voorruit vrij te maken van ijs, damp en
sneeuw (indien het gaat om een dunne laag)
alvorens weg te rijden. ATTENTIE
De gassen van de interieurvoorverwarming
bevatt en o
.a. koolmonoxide, een giftige,
kleur- geurloze substantie. Koolmonoxide
kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk
zijn.
● Gebruik de interieurvoorverwarming nooit
in ges
loten of slecht geventileerde ruimtes.
● Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit z
odanig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem van de
interieur v
oorverwarming worden zeer warm.
Hierdoor kan brand ontstaan.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel v
an het uitlaatsysteem in contact kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras). VOORZICHTIG
Zet nooit voedingsmiddelen, medicijnen of
andere v
oorwerpen die warmtegevoelig zijn
vóór de luchtroosters. De voedingsmiddelen,
medicijnen of andere voorwerpen die warmte-
gevoelig zijn kunnen beschadigd of onbruik-
baar raken als gevolg van de lucht die uit de
luchtroosters stroomt. Interieurvoorverwarming in- en uit-
sc
h
akelen
Interieurvoorverwarming inschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling.›››
pag.
183
Handmatig, met de afstandsbedie-
ning.›››
pag.
188
Automatisch, met de geprogram-
meerde en geactiveerde tijd van in-
schakeling.››› pag.
189
Interieurvoorverwarming uitschakelen:
Handmatig, met de toets voor on-
middellijke inschakeling van de
airconditioning.›››
pag.
183
Handmatig, met de afstandsbe-
diening.›››
pag.
188
Automatisch, na afloop van de ge-
programmeerde tijd.››› pag.
189» 187
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 191 of 340

Airconditioning
De batterij van de afstandsbediening vervan-
g en
W anneer het
controlelampje ››› afb. 196 Bvan de afstandsbediening niet brandt bij het
drukk
en op de knop
, moet
de batterij ervan
binnenkort vervangen worden.
De batterij bevindt zich aan de achterzijde
van de afstandsbediening, onder een deksel.
Draai de gleuf naar links met een plat en niet-
scherp voorwerp (bijv. een muntstuk). De bat-
terij moet vervangen worden door een nieuw
exemplaar van hetzelfde type, die geplaatst
wordt volgens de polariteit ››› .
B er
eik
D
e ontvanger zit in het interieur van de wa-
gen. De actieradius van de afstandsbedie-
ning bedraagt enkele honderden meters met
nieuwe batterijen. Door obstakels tussen de
afstandsbediening en de wagen, slechte
weersomstandigheden en leeg rakende bat-
terijen kan het bereik (aanzienlijk) minder
worden.
Het optimale bereik wordt verkregen door de
afstandsbediening verticaal te houden, met
de antenne ››› afb. 196 A naar boven. Bedek
de ant enne d
aarb
ij niet met de vingers of
handpalm.
Tussen de afstandsbediening en de wagen
moet zich een minimale afstand van 2 meter
bevinden. VOORZICHTIG
● De r a
diografische afstandsbediening bevat
elektronische onderdelen. Daarom moet de
afstandsbediening beschermd worden tegen
vocht, hevige schokken en direct zonlicht.
● Het gebruik van ongeschikte batterijen kan
de afst
andsbediening beschadigen. Vervang
daarom de lege batterij altijd door een nieu-
we van dezelfde spanning en afmetingen, en
met dezelfde kenmerken. Milieu-aanwijzing
● Le g
e batterijen moeten worden ingeleverd
met het oog op de milieubescherming.
● De batterij van de afstandsbediening kan
perch
loraat bevatten. Leef de wettelijke bepa-
lingen voor hun verwijdering na. Interieurvoorverwarming programme-
r
en De verwarming of ventilatie van het interieur
k
an
v
oor een bepaalde periode geprogram-
meerd worden.
Voor het programmeren moet in het menu
Interieurvoorverwarming - dag van
de week gecontroleerd worden dat de dag
juist ingesteld is ››› .Menu Interieurvoorverwarming
oproe-
pen in het in
strumentenpaneel
● In het hoofdmenu, selecteert u het subme-
nu Interieurvoorverwarming en drukt u
op de toets OK op de ruitenwisserhendel.
● OF: druk verschillende malen op de pijltoet-
sen
of van het multifunctiestuurwiel tot
het menu Interieurvoorverwarming ver-
schijnt.
MenuoptiesBeschrijving
Inschake-
len
Uitschake-
len
Instellen of en wanneer u wenst dat de
interieurvoorverwarming automatisch
ingeschakeld wordt. Selecteer daar-
voor een timer:
– De timer verschijnt aangeduid met
een
.
– Er kan telkens maar één timer gese-
lecteerd worden. Indien een timer ge-
selecteerd werd, verschijnt op het dis-
play Programm. ON . Indien geen en-
kele timer geselecteerd werd, wordt op
het display van het instrumentenpa-
neel Programm. OFF weergegeven.
– Om de reeds geprogrammeerde ti-
mer te wijzigen, kiest u een andere ti-
mer of selecteert u de optie Uitscha-
kelen .
» 189
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 192 of 340

BedienenMenuoptiesBeschrijving
Timer 1
Timer 2
Timer 3
Drie verschillende timers instellen
(uu.mm), die daarna geselecteerd kun-
nen worden in de optie Inschake-
len . Indien u de interieurvoorverwar-
ming slechts één bepaalde dag van de
week wenst in te schakelen, moet u de
dag van de week en het uur van in-
schakeling selecteren.
TijdsduurDe werkingsduur kan variëren tussen
10 en 60 minuten en kan ingesteld
worden met intervallen van 5 minuten.
Werkwijze
Bij het inschakelen van de interieur-
voorverwarming instellen of het interi-
eur verwarmd of geventileerd moet
worden.
DagDe dag van de huidige week instellen.
Afstelling in produc-
tieDe vooraf ingestelde waarden in pro-
ductie voor de functies van dit menu
worden opnieuw ingesteld.
TerugEr wordt teruggekeerd naar het hoofd-
menu. De programmering verifiëren
Indien de timer
ge
activ
eerd is, zal na het
uitschakelen van het contact het controle-
lampje van de toets voor onmiddellijke in-
schakeling gedurende een 10-tal seconden
blijven branden. ATTENTIE
Programmeer de interieurvoorverwarming
nooit z
odanig dat deze in afgesloten of niet-
geventileerde ruimtes ingeschakeld wordt en
gaat werken. De gassen van de interieurvoor-
verwarming bevatten o.a. koolmonoxide, een
giftige, kleur- geurloze substantie. Koolmo-
noxide kan tot bewusteloosheid leiden en do-
delijk zijn. Gebruiksaanwijzing
Het uitlaatsysteem van de interieurvoorver-
w
armin
g, d
at zich onder de wagen bevindt,
mag niet geblokkeerd of verstopt zijn door
sneeuw, modder of andere voorwerpen. De
uitlaatgassen moeten ongehinderd kunnen
worden afgevoerd. De uitlaatgassen die ont-
staan wanneer de interieurvoorverwarming
werkt, worden afgevoerd via een uitlaatpijp,
die aan de onderzijde van de wagen is aan-
gebracht.
Bij de verwarming van het interieur, wordt de
warme lucht eerst naar de voorruit geleid, af-
hankelijk van de omgevingstemperatuur, en
daarna naar de rest van het interieur via de
luchtroosters. Indien de luchtroosters bij-
voorbeeld gericht zijn naar de ruiten, kan dit
de wijze van luchtverdeling beïnvloeden.
Naargelang de buitentemperatuur, kan de
temperatuur waarmee de interieurvoorver-
warming het interieur verwarmt iets hoger zijn indien voor het inschakelen van de ver-
warming de t
emperatuurregelaar van de ver-
warming of airconditioning op de maximale
stand was ingesteld.
Naargelang de motor kunnen wagens met in-
terieurvoorverwarming uitgerust zijn met een
tweede accu in de bagageruimte, die de inte-
rieurvoorverwarming van stroom voorziet.
In welke gevallen wordt de interieurvoorver-
warming niet geactiveerd?
● De interieurvoorverwarming heeft ongeveer
evenv
eel stroom nodig als het dimlicht. In-
dien het accupeil zeer laag is, wordt de interi-
eurvoorverwarming automatisch uitgescha-
keld of zelfs niet geactiveerd. Op die manier
worden problemen bij het starten van de mo-
tor vermeden.
● De verwarming wordt telkens voor een en-
kele k
eer ingeschakeld. Daarnaast moet ook
de timer opnieuw geactiveerd worden telkens
men die wenst te gebruiken. Let op
● Tijdens de w
erking van de interieurvoorver-
warming zijn geluiden te horen.
● Bij hoge luchtvochtigheid en lage buiten-
temperat
uren, is het mogelijk dat het verwar-
mingssysteem condenswater afkomstig van
de interieurvoorverwarming verdampt. In dat
geval kan damp uit de onderzijde van de wa-
gen komen. Dit is geen storing van de wagen! 190
Page 212 of 340

Bedienen
Wagens waarin op het instrumentenpaneel
de v
er
snellingen worden weergegeven, hel-
pen u zuiniger te rijden omdat op het instru-
mentenpaneel aangegeven wordt wanneer u
het beste kunt op- of terugschakelen.
Laten uitrijden
Als u uw voet van het gaspedaal haalt, wordt
de brandstoftoevoer onderbroken en daalt
het brandstofverbruik.
Laat de wagen uitrijden als u ziet dat u bij-
voorbeeld een rood stoplicht nadert. Alleen
als de wagen te langzaam uitrijdt of als de af
te leggen afstand te lang is, wordt aangera-
den het koppelingspedaal in te trappen om
te ontkoppelen. De motor draait vervolgens
stationair.
Als u denkt dat u langere tijd stil zult staan,
dan kunt u de motor afzetten; bijvoorbeeld
bij een spoorwegovergang. In wagens met
een geactiveerd Start-Stop-functie, wordt de
motor automatisch uitgeschakeld wanneer
de wagen stopt.
Anticiperend rijden en met het verkeer "mee-
stromen"
Als u vaak remt en gas geeft, neemt het
brandstofverbruik aanzienlijk toe. Als u anti-
ciperend rijdt en een veilige afstand tot uw
voorliggers aanhoudt, kunt u de verschillen-
de snelheden waarmee u rijdt compenseren
door slechts uw voet van het gaspedaal te halen. Het is dan niet meer nodig om actief
te remmen en g
as te geven.
Rustig en gelijkmatig rijden
Constantheid is belangrijker dan snelheid:
hoe gelijkmatiger er gereden wordt, des te la-
ger het brandstofverbruik.
Als u op de snelweg rijdt, blijkt het effectie-
ver te zijn om met een constante en matige
snelheid te rijden dan wanneer u constant
gas geeft en remt. In het algemeen geldt dat
u even snel op uw eindbestemming aankomt
wanneer u constant rijdt.
Het snelheidsregelsysteem helpt u een con-
stantere rijstijl aan te nemen.
Extra verbruikers matig gebruiken
Het is belangrijk dat u comfortabel reist,
maar u moet de comfortsystemen dan wel
ecologisch gebruiken.
Dit is omdat sommige aangesloten appara-
ten een hoger brandstofverbruik veroorza-
ken; voorbeelden:
● Koelsysteem van airconditioning: als de
airconditionin
g een aanzienlijk temperatuur-
verschil moet creëren, is daarvoor veel door
de motor geproduceerde energie voor nodig.
Daarom wordt aangeraden het verschil tus-
sen de temperatuur in de wagen en de bui-
tentemperatuur niet te veel laten verschillen.
Het is soms nuttig de wagen voor het rijden te ventileren en eerste een korte afstand met
de ruiten open te rijden.
Vervolgens kunt u
de airconditioning met de ruiten gesloten
aanzetten. Houd de ruiten bij hoge snelhe-
den gesloten. Bij geopende ruiten neemt het
brandstofverbruik toe.
● Schakel de stoelverwarming uit wanneer u
uw doel ber
eikt heeft.
● Schakel de achterruit- en de voorruitverwar-
ming uit w
anneer de ruiten vochtvrij zijn en
er geen ijs meer op zit.
● Laat de interieurvoorverwarming niet aan-
staan al
s de wagen in beweging is ››› pag.
187.
Korte ritten mijden
Als de motor koud is, verbruikt de motor di-
rect na het starten veel meer brandstof. U
moet kilometers maken om de motor op te la-
ten warmen en het brandstofverbruik te nor-
maliseren.
Motor en katalysator moeten hun optimale
bedrijfstemperatuur hebben bereikt om ver-
bruik en brandstofemissie doeltreffend te re-
duceren. Van doorslaggevende betekenis is
in dit verband ook de omgevingstempera-
tuur.
Vermijd daarom onnodige korte trajecten en
combineer ritten.
De wagen verbruikt in de winter meer brand-
stof dan in de zomer, zelfs onder gelijke om-
standigheden.
210
Page 274 of 340

Aanwijzingen
Een lakpolijstmiddel of andere schurende
mid del
en mog
en bij het onderhoud van de
wielen niet worden gebruikt.
Als de beschermende laklaag (bijv. door
steenslag) is beschadigd, moet de laklaag zo
spoedig mogelijk worden hersteld.
Afdichtrubbers onderhouden De afdichtrubbers van portieren, ruiten, enz.
blij
v
en soepeler, sluiten beter af en gaan lan-
ger mee, als deze regelmatig met een conser-
veringsmiddel voor rubber (bijv. siliconens-
pray) worden behandeld.
Verwijder voor de behandeling met een zach-
te doek stof en vuil van de afdichtrubbers.
Portierslotcilinders ontdooien Om portierslotcilinders te ontdooien advi-
seer
t
SEAT u de originele SEAT-spray te ge-
bruiken, die voor een vette en corrosieweren-
de laag zorgt. VOORZICHTIG
Als u voor het ontdooien van de portierslotci-
linders pr
oducten gebruikt met ontvetter, dan
kan de portierslotcilinder gaan roesten. Bodembescherming
De onderzijde van de wagen is tegen chemi-
sc
he en mec
hanische invloeden beschermd.
De beschermende laag van het onderstel kan
tijdens het rijden beschadigd raken. Daarom
adviseert SEAT u om de beschermende laag
aan de onderzijde van de wagen en van het
onderstel vóór en na het koude jaargetijde
regelmatig te controleren en zo nodig te laten
bijwerken. ATTENTIE
De extra bescherming voor het onderstel van
de wag en, of
de antiroestproducten kunnen
vlam vatten door het hete uitlaatsysteem of
door andere hete motordelen.
● Breng nooit een bodembeschermingslaag
of corr
osiewerend middel op uitlaten, kataly-
satoren, hitteschilden of andere wagenonder-
delen die heel heet kunnen worden aan. Motorruimte reinigen
De motorruimte van elke wagen is een ge-
v
aarlijk
g
ebied ›››
pag. 287.
Het schoonmaken van de motorruimte mag
alleen door deskundig personeel worden uit-
gevoerd. Als het schoonmaken niet goed uit-
gevoerd wordt, kan de roestwerende be-
scherming aangetast worden en kunnen
sommige elektrische onderdelen beschadigd raken. Daarnaast kan er via de waterkast di-
rect w
ater in het interieur terecht komen ››› .
A l
s
de motorruimte erg vies is, laat dan een
gespecialiseerde werkplaats de motorruimte
op een professionele manier schoonmaken.
SEAT raadt u aan de Technische Dienst te
raadplegen.
Waterkast
De waterkast bevindt zich in de motorruimte,
tussen de voorruit en de motor, onder een af-
dekking met gaten. Via de waterkast wordt
de buitenlucht met de verwarming en de air-
conditioning naar het interieur geleid.
Regelmatig moeten bladresten en andere los-
se voorwerpen met een stofzuiger of met de
hand van het deksel van de waterkast wor-
den verwijderd. ATTENTIE
Bij werkzaamheden aan de motor of in de mo-
torruimt e k
unt u letsel of brandwonden oplo-
pen, of ongevallen of brand veroorzaken.
● Bestudeer voordat u de werkzaamheden
star
t eerst wat u moet doen en welke algeme-
ne veiligheidsmaatregelen u moet nemen
››› pag. 287.
● SEAT raadt aan om daarvoor een gespeciali-
seerde werkp
laats te raadplegen.272
Page 325 of 340

Trefwoordenlijst
Trefwoordenlijst A
Aanbev o
l
en versnelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 206
Aanbrengen trekhaak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
Aandrijfslipregeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Aandrijfslipregeling (ASR) . . . . . . . . . . . . . 215, 217
Aanhangwagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249 aanhangwagengewicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258
aansluiten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250, 254
alarmsysteem uitgeschakeld . . . . . . . . . . . . . . 254
beladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 241
Buitenspiegels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 251
controle van de functie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 254
de stang met kogelkop elektrisch ontgrende-len . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 251
dodehoekhulp (BSD) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 241
een trekhaak inbouwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 257
kabel van de aanhangwagen . . . . . . . . . 250, 254
Kogeldruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 249
koplampen afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 255
led-achterlichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250, 254
optisch parkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224
parkeerhulp . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222
rijden met een aanhangwagen . . . . . . . . . . . . 255
stabilisatie van het samenstel wagen/aanhan- ger . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256
stang met kogelkop . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 251
stopcontact . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
vasthaken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 253
Aanhangwagengewicht maximaal toegelaatbaar . . . . . . . . . . . . . . . . . 258
Aanhangwagengewichten . . . . . . . . . . . . . . . . . . 315 Aantal zitplaatsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61
Aantrekmoment . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
316
wielbouten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
Aanwijzingen voor het rijden beladen wagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 157
ABS zie Antiblokkeersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 214
Accessoires . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260
Achterbank neerklappen laadoppervlak . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 161
Achterklep . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 noodsluiten en noodopenen . . . . . . . . . . . . . . . 12
Waarschuwingslampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 129
zie ook Bagageruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 128
Achterruitverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39
Achteruitkijkspiegels buitenspiegels verstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . 146
Achteruitrijcamera . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228
Achteruitrijsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 228 bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230
display . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229
modus 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
modus 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
storing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 231
AdBlue bijvullen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
informatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 285
minimale vulhoeveelheid . . . . . . . . . . . . . . . . 285 specificatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 286
vulhoeveelheid van het reservoir . . . . . . . . . . 284
waarschuwings- en controlelampjes . . . . . . . . 284
Afdekkingen van de airbags . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
Afdichtrubbers . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272
Afmetingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 322
AFS . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 137 Afstandsbediening
zie Sl eutels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115
Afstandsbediening van de interieurvoorverwar- ming
de batterij vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 189
interieurvoorverwarming . . . . . . . . . . . . . . . . . 188
Afvoer airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 279
Gordelspanner . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 70
wagens aan einde van levensduur . . . . . . . . . 279
Airbags zie Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
Airbagsysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19, 71 activering . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
beschrijving . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 72
Controlelampje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 75
dashboard schoonmaken . . . . . . . . . . . . . . . . 277
frontairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19, 73
gebruik van kinderzitjes . . . . . . . . . . . . . . . . 20, 76
hoofdairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
knie-airbag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
regelmatig onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 277
reparaties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 262
wagen blokkeren na activering . . . . . . . . . . . . 118
Werking . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 73
zijairbags . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21
Airconditioning . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182 bedieningselementen . . . . . . . . . . . . . . . 38, 183
bijzonderheden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
climatronic . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38, 182, 183
gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
handbediende elektrische airconditioning . . 183
indirecte ventilatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
luchtcirculatiefunctie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 186
luchtroosters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 185
plaatsen achterin . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
storingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184
323