Start Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 21 of 232

STOELEN
VOORSTOELEN MET HANDMATIGE
VERSTELLING
9)
4)
Afstelling in de lengte
Til hendel 1 fig. 13 omhoog en duw de
stoel naar voren of naar achteren.
10)
BELANGRIJK Voer de verstelling uit
terwijl u op de betreffende stoel zit
(bestuurderszijde of passagierszijde).
Hoogteregeling
Verzet hendel 2 fig. 13 omhoog of
omlaag om de gewenste hoogte in te
stellen.
BELANGRIJK Voer de verstelling uit
terwijl u op de betreffende stoel zit
(bestuurderszijde of passagierszijde).
Verstelling rugleuning
Verplaats hendel 3 fig. 13 om de hoek van
de rugleuning af te stellen, help daarbij
met de beweging van de romp (bedien de
hendel tot de gewenste stand is bereikt,
laat hem daarna los).
ELEKTRISCH VERSTELBARE
VOORSTOELEN
5)
De knoppen voor elektrische verstelling
van de stoel bevinden zich aan de
buitenkant van de stoel, vlakbij de vloer.
Deze knoppen kunnen gebruikt worden
om de stoel in de hoogte, in de lengte ten
opzichte van het voertuig en de hoek van
de rugleuning te verstellen.Hoogteregeling
Bedien de achterkant van schakelaar 1
fig. 14 om de hoogte en/of de hoek van
het stoelkussen te verstellen.
Afstelling in de lengte
Druk schakelaar 1 fig. 14 naar voren of
naar achteren om de stoel in de
overeenkomstige richting te verplaatsen.
Verstelling rugleuning
Druk schakelaar 2 fig. 14 naar voren of
naar achteren om de rugleuning in de
overeenkomstige richting te verplaatsen.
Elektrisch verstelbare lendensteun
Gebruik de joystick 3 om het mechaniek
van de lendenzone te activeren tot het
beste comfort tijdens het rijden is
verkregen.
Het indrukken van de punten op de
joystick:
hoog: het kussen wordt opgeblazen;
laag: de lucht uit het kussen ontsnapt;
voor: het bovenste deel van het kussen
wordt opgeblazen;
achter: het onderste deel van het
kussen wordt opgeblazen.
BELANGRIJK Het elektrisch verstellen is
alleen toegestaan wanneer de
startinrichting naar AAN is gedraaid en
gedurende ongeveer 60 seconden nadat
deze naar STOP is gedraaid. De stoel kan
ook ongeveer gedurende 60 seconden
1304066S0001EM
1404066S0003EM
19
Page 22 of 232

verplaatst worden na het openen/sluiten
van het portier; het vergrendelen/
ontgrendelen van het voertuig of het
inschakelen van de plafondverlichting
middenvoor.
Verstelling inclinatie zitting
(schuinstelling)
(indien aanwezig)
De hoek van de zitting van de stoel kan
worden versteld in vier standen. Trek het
voorste deel van bediening 1
fig. 14 omhoog of druk het in om het
voorste deel van de stoel in de gewenste
richting te verplaatsen. Laat bediening
1 los wanneer de zitting de gewenste
positie heeft bereikt.
Verstelling van de rugleuning
(indien aanwezig)
Druk op de schakelaars 4 fig. 15 om de
breedte van de rugleuning aan te passen,
door het inbrengen van lucht in de vulling
aan de zijkant, aan de eigen
lichaamskenmerken.
Een omhullender rugleuning garandeert
een betere steun voor het lichaam tijdens
het rijden in bochten.De standen van de bestuurdersstoel in
het geheugen opslaan
Met de knoppen 5 fig. 15 kunnen drie
verschillende standen van de
bestuurdersstoel worden opgeslagen en
opgeroepen. Het opslaan en oproepen is
mogelijk met de contactsleutel in de
stand ON en gedurende 3 minuten na het
bestuurdersportier te hebben geopend
of zolang het portier gesloten is, ook met
de contactsleutel in de stand STOP. Ga
als volgt te werk om een stoelstand op te
slaan: gebruik de bedieningselementen
om de stoel te verstellen en houd de knop
1,5 seconden ingedrukt wanneer de
gewenste stand is bereikt die u wilt
opslaan. Druk kort op de betreffende
knop om een opgeslagen stand op te
roepen.
ELEKTRISCHE VERWARMING
VOORSTOELEN
(indien aanwezig)
Druk, met de startinrichting in stand AAN,
op de knoppen
fig. 16 op het
dashboard.
Er kunnen drie verwarmingsniveaus
gekozen worden:
"minimale verwarming": er brandt één
oranje led op de knoppen;
"gemiddelde verwarming": er branden
twee oranje leds op de knoppen;
"maximale verwarming": er branden
twee oranje leds op de knoppen.
Houd de knoppen voor een paar
seconden ingedrukt om de "snelle
maximale verwarming" functie te
activeren.
1504066S0015EM
1604066S0004EM
20
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 26 of 232

ELEKTRISCHE VERWARMING
STUURWIEL
(indien aanwezig)
Met de startinrichting op ON, druk op de
fig. 24 knop op het controlepaneel
van de airconditioning.
Wanneer de functie ingeschakeld wordt,
gaat de led op de knop branden.
BELANGRIJK Als deze functie wordt
ingeschakeld terwijl de motor
uitgeschakeld is, kan de accu leeglopen.
BELANGRIJK
14)De verstelling mag alleen bij stilstaande
auto en uitgeschakelde motor gebeuren.15)After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem en de
garantie in gevaar brengen en het kan ook
ERNSTIGE VEILIGHEIDSPROBLEMEN
veroorzaken of erin resulteren dat de auto
niet meer aan de typegoedkeuring voldoet.
ACHTERUITKIJKSPIEGELS
BINNENSPIEGEL
Gebruik hendel fig. 25 om de spiegel in
twee standen te zetten: normaal of
anti-verblindingsstand.
Deze spiegel is voorzien van een
beveiligingsmechanisme dat ervoor zorgt
dat de spiegel losschiet bij een heftige
botsing met de passagier.
ELEKTRISCH DIMBARE
ACHTERUITKIJKSPIEGEL
(indien aanwezig)
Bij sommige versies is een elektrisch
dimbare spiegel leverbaar, die
automatisch de reflecterende werking
kan wijzigen om verblinding van de
bestuurder te voorkomen fig. 26.
2404086S0002EM
2504106S0001EM
24
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 27 of 232

De elektrisch dimbare spiegel heeft een
ON/OFF-toets om de elektrisch dimbare
anti-verblindingsfunctie in/uit te
schakelen.
Bij inschakeling van de achteruit, wordt
de spiegel automatisch ingesteld op de
dagstand.
BUITENSPIEGELS
Elektrisch verstellen
De spiegels kunnen alleen worden
versteld met de startinrichting in stand
ON.
Kies de gewenste spiegel met knop 1
fig. 27:
16)
knop in stand A: linker spiegel gekozen;
knop in stand B: rechter spiegel
gekozen.
Om de gekozen spiegel te verstellen,
gebruik apparaat 1 in de vier richtingen.
BELANGRIJK Zodra verstelling voltooid
is, apparaat 1 in stand D draaien om
onverwachtse bewegingen te
voorkomen.
Handmatig inklappen
Om de spiegels in te klappen, deze
bewegen vanuit de open stand naar de
gesloten stand fig. 28.Elektrisch inklappen
(indien aanwezig)
Met apparaat 1 in stand D, deze bewegen
naar stand C fig. 27. Draai apparaat
1 opnieuw op stand C om de spiegels
weer in de rijstand te draaien.
Als apparaat 1 opnieuw wordt gedraaid
tijdens het in-/uitklappen van de
buitenspiegels (van gesloten naar
geopende stand en omgekeerd), dan
wordt hun bewegingsrichting omgekeerd.
Automatische activering
Het activeren van het centrale
deurvergrendelingssysteem van de
buitenkant van het voertuig doet de
spiegels automatisch inklappen. Ze keren
terug in de rijstand wanneer het
contactslot op de ON stand is gedraaid.
Als de portierspiegels ingeklapt werden
bij gebruik van apparaat 1, kunnen ze
alleen worden teruggezet in de rijstand
2604106S0002EM
2704106S0004EM2804106S0005EM
25
Page 28 of 232

door middel van een nieuwe bediening op
hetzelfde apparaat.
BELANGRIJK De spiegels moeten tijdens
het rijden altijd geopend zijn en mogen
nooit ingeklapt zijn.
ELEKTRISCH DIMBARE
BUITENSPIEGELS
(indien aanwezig)
Net als een achteruitkijkspiegel, is een
elektrisch dimbare spiegel ook
beschikbaar op sommige versies, die zijn
reflecterende eigenschappen
automatisch aanpast om oogverblinding
van de bestuurder te voorkomen. De
oogverblindingpreventie elektrochrome
inschakel-/uitschakelknop fig. 26 is
dezelfde voor alle achteruitkijkspiegels.
BELANGRIJK
16)Omdat de buitenspiegels gebogen zijn,
kunnen zij uw perceptie van de afstand
enigszins wijzigen.
BUITENVERLICHTING
LICHTSCHAKELAAR
De lichtschakelaars fig. 29, die zich op de
linkerzijde (versies met stuur links) of op
de linkerzijde (versies met stuur rechts)
van het dashboard bevindt, worden de
koplampen, het stadslicht, de
dagrijlichten, het dimlicht, de mistlampen,
mistachterlichten en de regeling
lichtsterkte instrumentenpaneel en de
symbolen op de bedieningsknoppen
bediend.
De externe lampen kunnen alleen worden
ingeschakeld wanneer de startinrichting
in de ON positie staat, behalve voor
parkeerlichten. Zie de "Parkeerlichten"
paragraaf, in dit hoofdstuk voor meer
informatie.Het instrumentenpaneel en de
verschillende bedieningstoetsen op het
dashboard worden verlicht wanneer de
buitenverlichting wordt ingeschakeld.AUTO-FUNCTIE (schemersensor)
Dit is een infrarood-ledsensor die samen
met de regensensor werkt en die zich op
de voorruit bevindt. Deze kan variaties in
het buitenlicht detecteren op basis van
de lichtgevoeligheid die ingesteld is via
het Connectsysteem.
Hoe hoger de gevoeligheid, des te minder
buitenlicht is er nodig om de verlichting in
te schakelen.
Inschakeling van de functie
Draai de lichtschakelaar naar AUTO.
BELANGRIJK De functie kan alleen
worden ingeschakeld met de
startinrichting in stand AAN.
Uitschakeling van de functie
Om de functie uit te schakelen, draai de
lichtschakelaar naar een andere stand
dan AUTO.
DIMLICHT
Draai de lichtschakelaar naarom het
stadslicht, de verlichting van het
instrumentenpaneel en het dimlicht in te
schakelen.
Het
controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
2904126S0005EM
26
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 29 of 232

DAGVERLICHTING (DRL) EN
STADSLICHT
(indien aanwezig)
17) 18)
Met de startinrichting op ON gedraaid en
de lichtschakelaar in standOgedraaid,
gaat de dagverlichting automatisch aan;
de andere lichten en de binnenverlichting
blijven uit.
Waar voorzien, indien de
richtingaanwijzers worden bediend, zal
de helderheid van de overeenkomende
DRL worden afgenomen zolang de
richtingsaanwijzers aan zijn.
Waar voorzien kan de DRL worden
ingeschakeld/uitgeschakeld via het
Connectsysteem, door het selecteren van
de volgende functies in volgorde op het
hoofdmenu: "Instellingen", "Verlichting"
en "Dagverlichting".
BELANGRIJK : op markten waar DRL
gebruik niet vereist is, werken deze
verlichtingen als zijverlichtingen en
worden deze in en uitgeschakeld samen
met de grootlicht koplampen.MISTLAMPEN VOOR
(indien aanwezig)
De schakelaar voor de mistlampen is
ingebouwd in de lichtschakelaar.
Druk op knop
om de mistlampen
samen met het stadslicht en het dimlicht
in te schakelen.
Om de mistlampen voor uit te schakelen
nogmaals op de
schakelaar drukken
of deze naar standOdraaien.
De mistlampen worden ingeschakeld met
het dimlicht of DRL aan (deze laatste
werkend als zijverlichting) en worden
ingeschakeld wanneer de grootlicht
koplampen worden ingeschakeld maar
niet wanneer de grootlichtkoplampen
alleen knipperen.
Als de mistlampen niet uitgeschakeld zijn
voordat de motor uit wordt gezet, wordt
de volgende keer dat de motor gestart
wordt, deze weer ingeschakeld.
Flanklichten
(indien aanwezig)
De mistlampen hebben een
flanklichtenfunctie Met deze functie kan
de weg of een hoek beter worden verlicht
door de overeenkomende mistlamp.
De flanklichtfunctie kan buiten werking
worden gesteld via het Connectsysteem
door het selecteren van de volgendefuncties in volgorde op het hoofdmenu:
"Instellingen", "Verlichting" en
"Flanklichten".
MISTACHTERLICHT
De schakelaar voor het mistachterlicht is
ingebouwd in de lichtschakelaar.
Druk op
om het licht in- of uit te
schakelen.
Het mistachterlicht gaat alleen branden
als het dimlicht of de mistlampen voor
zijn ingeschakeld. Het licht kan worden
uitgeschakeld door opnieuw op de
knop te drukken of door het dimlicht
buiten werking te stellen.
Wanneer de motor wordt afgezet met de
achterste mistlampen aan, zullen de
lampen uit zijn wanneer de volgende keer
de motor wordt gestart.
PARKEERLICHTEN
Deze zijn ingeschakeld als binnen een
paar seconden na het uitzetten van de
motor de lichtschakelaar eerst naar deO
stand is gebracht en dan in stand
. Alle
stadslichten gaan aan, als u ze alleen aan
een kant (rechts/links) wilt aanlaten,
moet u de richtingaanwijzersbediening
naar de stand bewegen van de zijde die u
aan wilt laten.
Het
controlelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden.
27
Page 30 of 232

TIJDREGELING UITSCHAKELING
KOPLAMPEN
De "Follow Me" functie vertraagt het
uitschakelen van de koplampen nadat het
voertuig is uitgezet.
De functie kan in werking worden gesteld
via het Connectsysteem door het
selecteren van de volgende functies in
volgorde op het hoofdmenu:
"Instellingen", "Lampen" en "Follow me";
de stadslichten en de dimlichten blijven
aan gedurende een tijd die kan worden
ingesteld tussen 30, 60 en 90 seconden.
Inschakeling van de functie
Bij brandende koplampen, de
startinrichting naar STOP draaien: de
tijdregeling gaat in wanneer de
lichtschakelaar naarOwordt gedraaid.
BELANGRIJK Om deze functie in te
schakelen moeten de koplampen, binnen
2 minuten nadat de startinrichting naar
STOP is gedraaid, uitgeschakeld worden.
Uitschakeling van de functie
Deze functie wordt uitgeschakeld door
het inschakelen van de koplampen, de
stadslichten of door de startinrichting op
ON te zetten.
AFS (Adaptive Frontlight System)
FUNCTIE
(indien aanwezig)
Dit is een systeem gecombineerd met
Bi-Xenon koplampen (35W) dat de
lichtbundel op voortdurende en
automatische wijze, horizontaal en
verticaal, richt en aanpast aan de
rijomstandigheden in bochten.
Het systeem richt de lichtbundel zodanig
dat het wegdek zo goed mogelijk verlicht
wordt, rekening houdende met de
rijsnelheid, de draaihoek en de
stuursnelheid.
GROOTLICHT
Om het vaste grootlicht in te schakelen,
duw de linker hendel richting het
instrumentenpaneel fig. 30. De
lichtschakelaar moet in de standAUTOof
.
Wanneer het grootlicht is ingeschakeld,
gaat tegelijkertijd het lampje/pictogram
op het instrumentenpaneel branden.Het grootlicht wordt uitgeschakeld door
nogmaals de linker hendel naar voren te
trekken. Controlelampje
gaat uit op
het instrumentenpaneel.
Grootlichtsignaal
Het knipperen van de koplampen wordt
ingeschakeld door de linkerhendel naar
het stuurwiel te trekken, de lampen
blijven aan terwijl u de hendel bedient.
Automatische inschakeling grootlicht
(indien aanwezig)
Om andere weggebruikers niet te
verblinden, worden de lichten
automatisch uitgeschakeld wanneer er
voertuigen naderen die uit de
tegengestelde richting komen of
wanneer u achter een voertuig in
dezelfde richting rijdt.
Deze functie wordt ingeschakeld via het
Connectsysteem en met de
lichtschakelaar op AUTO gedraaid.
3004126S0020EM
28
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 31 of 232

De eerste keer dat het grootlicht wordt
ingeschakeld (door de linkerhendel naar
voren te duwen), wordt de functie
ingeschakeld (groen controlelampje
of hetsymbool gaat branden op
het instrumentenpaneel).
Als het grootlicht daadwerkelijk brandt,
gaat ook het blauwe controlelampje/
pictogram
op het instrumentenpaneel
branden.
RICHTINGAANWIJZERS
Beweeg de linker hendel fig. 30 zo ver
mogelijk (onstabiele stand):
omhoog: rechter richtingsignaal
ingeschakeld, het waarschuwingslampje
knippert op het instrumentenpaneel;
omlaag: linker richtingsignaal
ingeschakeld, het waarschuwingslampje
knippert op het instrumentenpaneel;
De richtingaanwijzers worden
automatisch uitgeschakeld als het
stuurwiel weer wordt rechtgezet.
"Rijbaanwissel"-functie
Wanneer u een wijziging van rijstrook wilt
signaleren, beweeg de hendel dan tot aan
de eerste impuls (ongeveer halverwege
de slag).
De richtingaanwijzer aan de gekozen kant
knippert vijf maal en wordt vervolgens
automatisch uitgeschakeld.
SBL-FUNCTIE (Statische
bochtverlichting)
(indien aanwezig)
De SBL-LEDs schakelen in om de weg
beter te verlichten en de lichthoek bij het
draaien te vergroten. Deze functie wordt
ingeschakeld door de lichtschakelaar te
draaien naar stand
ofAUTODe
SBL-LEDs schakelen in als de snelheid
hoger is dan 20 km/h en de stuurradius
onder de 500 m is.
HOOGTEREGELING KOPLAMPEN
Hoogteregeling koplampen
(indien aanwezig)
Dit apparaat is niet beschikbaar op
voertuigen uitgerust met Xenon
koplampen (Bi-Xenon 35 W
koplampversie), omdat deze een
automatisch
hoogteregelingscorrectiesysteem
vereisen.
Dit werkt alleen met de startinrichting in
de stand ON.Om deze te verstellen, draai aan de
ringmoer fig. 31.
Stand 0: een of twee personen op de
voorstoelen;
Stand 1: 4 of 5 passagiers;
Stand 2: 4 of 5 passagiers + bagage in
de bagageruimte
Stand 3: bestuurder + maximum
toegestane lading uitsluitend in de
bagageruimte.
BELANGRIJK Controleer de afstelling
van de koplampen elke keer als het
gewicht van de te vervoeren lading
verandert.
3104126S0015EM
29
Page 34 of 232

Automatische wis-/wasregeling
Trek de hendel naar het stuur (onstabiele
stand) om de ruitensproeier in te
schakelen.
Houd de hendel aangetrokken om zowel
de ruitensproeier als de ruitenwisser in
één enkele beweging automatisch in te
schakelen.
Als de hendel wordt losgelaten, stopt de
ruitenwisser na drie slagen.
Na circa 6 seconden volgt nog een extra
reinigingsslag.
REGENSENSOR
Deze bevindt zich achter de
achteruitkijkspiegel, in contact met de
voorruit en detecteert de aanwezigheid
van regen en regelt het wissen van de
voorruit aan de hand van de hoeveelheid
water op de ruit.
Inschakelen/uitschakelen
9) 10)
Door het draaiknopje fig. 34 naar stand
ofte draaien, wordt de
regensensor geactiveerd.
Als de regensensor wordt ingeschakeld,
maken de ruitenwissers één wisslag.
(aanduidend dat de opdracht is
aangenomen).
Gebruik het draaiknopje fig. 34 of draai
de startinrichting op STOP.Als de startinrichting naar de stand STOP
wordt gedraaid, terwijl draaiknopje
fig. 34 in in
ofstaat, zal er,
wanneer het voertuig weer wordt gestart
(startinrichting in stand ON), geen
wiscyclus worden uitgevoerd, ook al
regent het.
19)
BELANGRIJK
19)Zorg ervoor dat het systeem is
uitgeschakeld als de voorruit moet worden
schoongemaakt.
BELANGRIJK
7)Gebruik de ruitenwissers nooit om
opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te
verwijderen. Onder dergelijke
omstandigheden wordt bij overbelasting van
de ruitenwisser de beveiliging ingeschakeld,
waardoor de ruitenwisser enkele seconden
wordt uitgeschakeld. Als hierna de
ruitenwisser niet meer werkt, ook niet na de
motor opnieuw te hebben gestart, neem dan
contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
8)Schakel de ruitenwissers niet met van de
ruit opgeheven wisserbladen in.
9)Schakel de regensensor nooit in tijdens
een schoonmaakbeurt in een wastunnel.
10)Zorg ervoor dat het systeem is
uitgeschakeld als er ijs op de voorruit zit.
32
KENNISMAKING MET DE AUTO
Page 36 of 232

Luchtstroom naar de
uitstroomopeningen van de voorruit
en de voorste zijruiten om deze te
ontwasemen/ontdooien.
Luchtstroom naar de luchtroosters
in het midden en aan de zijkant van
het dashboard om de borst en het
gezicht tijdens het warme seizoen
te verkoelen.
Luchtstroom naar de
uitstroomopeningen voor de
beenruimten voor en achter. Deze
luchtverdeling zorgt voor een snelle
verwarming van het interieur,
waardoor onmiddellijk een
behaaglijk gevoel wordt verkregen.
Luchtstroomverdeling tussen
uitstroomopeningen beenruimten
(hetere lucht) en
uitstroomopeningen
midden/zijkanten dashboard
(koelere lucht). Deze luchtverdeling
is bijzonder nuttig op zonnige dagen
in het voor- en najaar.
Luchtstroom verdeeld over
uitstroomopeningen beenruimten
en uitstroomopeningen voor
ontwasemen/ontdooien
voorruit/voorste zijruiten. Deze
luchtverdeling zorgt voor een snelle
verwarming van het interieur en
voorkomt dat de ruiten beslaan.
Luchtstroomverdeling tussen de
uitstroomopeningen voor
ontwasemen/ontdooien voorruit en
de uitstroomopeningen in het
midden en aan de zijkant van het
dashboard. Zo kan de lucht op de
voorruit worden gericht bij sterk
zonlicht.
Luchtstroomverdeling naar alle
uitstroomopeningen van het
voertuig.
In de AUTO-modus beheert de
airconditioning automatisch de
luchtverdeling. Bij handmatige bediening
wordt de ingestelde luchtverdeling
aangegeven door de betreffende
symbolen op het Connectsysteemdisplay
dat inschakelt.
START & STOP-EVO
De automatische dual-zone
klimaatregeling heeft een wisselwerking
met het Stop Start&Evo-systeem (motor
wordt afgezet wanneer devoertuigsnelheid 0 km/h is) om een
passend comfort in het interieur te
garanderen.
De klimaatregeling schakelt het
Start&Stop Evo met name uit als:
de klimaatregeling is ingesteld op de
AUTO-modus (led op de knop brandt) en
de temperatuuromstandigheden in het
voertuig verre van comfortabel zijn;
de klimaatregeling is ingesteld op LO
voor maximale verkoeling;
de klimaatregeling is ingesteld op
MAX DEF.
Wanneer het Start & Stop Evo-systeem
werkt (motor afgezet en
voertuigsnelheid is gelijk aan 0 km/h),
wordt de luchtstroom zo veel mogelijk
beperkt, om de comfortabele toestand in
het interieur langer te handhaven.
BELANGRIJK
2)Het systeem gebruikt het koelmiddel
R1234YF dat het milieu niet verontreinigt
als het per ongeluk weglekt. Gebruik onder
geen enkele omstandigheid R134a en
R12 vloeistoffen, die niet compatibel zijn
met de componenten van het systeem.
34
KENNISMAKING MET DE AUTO