brandstof Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 69 of 232

Symbool Wat betekent dat?
DOP BRANDSTOFTANK
(indien aanwezig)
Gaat branden als de brandstoftankdop open of niet goed afgesloten is.
Draai de benzinetankdop goed aan.
STORING ELEKTRISCHE PARKEERREM
Het inschakelen van het symbool, samen met een bericht op het beeldscherm, geeft een storing weer in het elektrische
parkeerremsysteem.
Deze storing kan de auto gedeeltelijk of compleet blokkeren omdat de parkeerrem ingeschakeld zou kunnen blijven, ook al zijn
deze automatisch of handmatig uitgeschakeld met de betreffende bedieningen. In deze omstandigheden kunt u de parkeerrem
uitschakelen volgens de nooduitschakelprocedure beschreven in het hoofdstuk "In een Noodgeval".
Als u nog in de auto kunt rijden (parkeerrem is niet ingeschakeld), rijd dan naar het dichtstbijzijnde Alfa Romeo Servicenetwerk en
denk eraan bij het uitvoeren van manoeuvres en bedieningen, dat de elektrische parkeerrem niet operationeel is.
30)
STORING ACTIVE CRUISE CONTROL-SYSTEEM
Als tijdens het rijden het waarschuwingslampje gaat branden, duidt dit op een storing in het Active Cruise Control-systeem.
Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de installatie te laten controleren.
BELANGRIJK
30)Indien zich een storing voordoet bij hard remmen kunnen de achterwielen blokkeren en kan het voertuig gaan slippen.
Symbool Wat betekent dat?
ALGEMENE INDICATIE
Signaleert informatie en storingen.
De begeleidende berichten beschrijven de storing.
STORING VIERWIELAANDRIJVING
Dit symbool wordt ingeschakeld om een storing van het vierwielaandrijvingssysteem aan te geven.
Neem zo snel mogelijk contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk om de storing op te lossen.
STORING AFS-SYSTEEM
Het symbool verschijnt om storing in het systeem van automatische richtingverlichting aan te geven.
Laat het systeem onmiddellijk controleren door een Alfa Romeo Servicenetwerk.
67
Page 74 of 232

ACTIEVE
VEILIGHEIDSSYSTEMEN
Het voertuig kan voorzien zijn van de
volgende actieve
veiligheidsvoorzieningen:
ABS (antiblokkering van de wielen);
DTC (Regeling aandrijflijn);
ESC (Electronic Stability Control)
(Elektronische Stabiliteitsregeling);
TC (Traction Control) (Tractieregeling);
PBA (Hydraulic Brake Assist)
(Hydraulische remondersteuning);
HSA (Hill Starting Assist)
(Ondersteuning bij wegrijden op een
helling);
AST (Alfa™ Steering Torque);
ATV (Alfa™ Active Torque Vectoring).
Zie de volgende pagina's voor de
beschrijving van de werking van deze
systemen.
ABS (Anti-lock Braking System)
Dit systeem, dat deel uitmaakt van het
remsysteem, voorkomt het blokkeren of
slippen van een of meerdere wielen op
alle soorten wegdek en ongeacht de
kracht van de remwerking, zodat het
voertuig ook tijdens paniekremmen
onder controle gehouden kan worden en
de remweg wordt geoptimaliseerd.Het systeem grijpt in tijdens het remmen
wanneer de wielen dreigen te blokkeren
tijdens paniekremmen of onder slechte
adhesiecondities, waarbij blokkering
vaker kan voorkomen.
Het systeem verhoogt tevens de
controleerbaarheid en stabiliteit van het
voertuig wanneer op oppervlakken met
verschillende grip voor de wielen aan
rechter- en linkerzijde of in bochten
wordt geremd.
Het geheel wordt aangevuld met het
EBD-systeem (Electronic Braking Force
Distribution) dat voor de verdeling van de
remkracht tussen de voor- en de
achterwielen zorgt.
Inwerkingtreding van het systeem
De ABS uitgerust op dit voertuig is
voorzien van de "Brake-by-wire"-functie
(Remsysteem - IBS). Wanneer dit
systeem wordt de rempedaalbesturing
gegeven door het intrappen van het
rempedaal niet hydraulisch maar
elektronisch overgebracht, daarom is de
lichte pulsatie die gevoeld kon worden op
het pedaal bij het traditionele systeem,
niet langer voelbaar.
32) 33) 34) 35) 36) 37)
DTC-SYSTEEM (Regeling aandrijflijn)(indien aanwezig)
Sommige versies van dit voertuig zijn
uitgerust met een vierwielaandrijving
(AWD), met automatische
activering/deactivering, die u een
optimale rijmanier geven voor ontelbare
rijcondities en wegoppervlakken. Het
systeem reduceert slippen van de banden
tot een minimum, herverdeelt
automatisch het koppel naar de voorste
en achterste wielen, waar nodig.
Om brandstofbesparing tot een
maximum te verhogen, gaat het voertuig
met AWD automatisch over op
achtervierwielaandrijving (RWD)
wanneer de weg en de
milieuomstandigheden zodanig zijn dat
de banden daardoor niet gaan slippen.
Wanneer de weg en de
milieuomstandigheden betere tractie
vereisen, gaat het voertuig automatisch
in de AWD-modus.
38)
De rijmodus, RWD of AWD, wordt
getoond op het
instrumentenpaneeldisplay.
BELANGRIJK Als het storingssymbool
van het systeem inschakelt na het
starten van de motor of tijdens het rijden,
betekent dit dat het AWD-systeem niet
goed werkt. Het waarschuwingsbericht
72
VEILIGHEID
Page 113 of 232

103)Het elektro-hydraulische remsysteem
is niet actief totdat de motor begint te lopen.
De rempedaalslag zal langer zijn dan
normaal. Dit duidt niet op een storing.
104)Probeer de motor nooit te starten door
de auto te duwen, te slepen of van een
helling af te laten rijden. Hierdoor kan de
katalysator worden beschadigd.
BELANGRIJK
32)Wij adviseren om gedurende de
beginperiode, of gedurende de eerste
1600 km (1000 mijl) niet de maximale
prestaties van de auto te eisen (bijv. snel
accelereren, lange afstanden op topsnelheid,
krachtig remmen etc.).
33)Laat de startinrichting nooit in de stand
MAR staan als de motor is afgezet, zodat de
accu niet onnodig wordt ontladen.
34)Als het
waarschuwingslampje na
het starten of na langdurig "aanzwengelen"
gaat knipperen, duidt dit op een defect van
het voorgloeisysteem. Als de motor start,
kan het voertuig normaal gebruikt worden,
maar moet er zo snel mogelijk contact
opgenomen worden met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
35)Even snel gas geven voordat de motor
wordt uitgezet heeft geen enkel nut, verspilt
brandstof en is schadelijk voor de motor.
PARKEREN
105) 106) 107)
BELANGRIJK Naast het parkeren van het
voertuig met de parkeerrem altijd
ingeschakeld, het wiel gestuurd, wiggen
of stenen geplaatst voor de wielen
(indien op een steile helling), moet u altijd
inschakelen:
Handgeschakelde versnellingsbak:
De 1eversnelling als de auto op een
helling naar boven geparkeerd staat, of
de achteruit als de auto op een helling
naar beneden geparkeerd staat.
Automatische versnellingsbak:
zet hem in P (Parkeren) modus;
neem altijd de sleutel mee als u het
voertuig verlaat.
BELANGRIJK Schakel de elektrische
parkeerrem altijd in voordat u het
voertuig verlaat.
ELEKTRISCHE PARKEERREM
Het voertuig is uitgerust met een
elektrische parkeerrem die een beter
gebruik en optimale prestaties
garandeert in vergelijking met een
handbediende parkeerrem.
De elektrische parkeerrem bestaat uit
een schakelaar, die zich op de
tunnelconsole bevindt fig. 102, een
motor met remklauw voor elk achterwiel
en een elektronische regelmodule.De elektrische parkeerrem kan op twee
manieren worden ingeschakeld:
handmatig, door de schakelaar op de
tunnelconsole uit te trekken;
automatischin de omstandigheden
van "Safe Hold" of "Auto Park Brake".
BELANGRIJK Normaalgesproken wordt
de elektrische parkeerrem automatisch
ingeschakeld wanneer de motor wordt
afgezet. De functie kan worden
ingeschakeld/uitgeschakeld via het
Connectsysteem door het selecteren van
de volgende functies in volgorde op het
hoofdmenu: "Instellingen",
"Bestuurdersassistentie" and
"Automatische parkeerrem".
BELANGRIJK Als de accu van het
voertuig defect is, moet de accu
vervangen worden om de elektrische
parkeerrem te ontgrendelen.
10207046S0001EM
111
Page 120 of 232

"ALFA DNA™"SYSTEEM
"ALFA DNA™"SYSTEEM
Dit systeem wordt bediend met de
selector (op de tunnelconsole) fig. 107,
hiermee kunnen verschillende rijmodi
geselecteerd worden overeenkomstig de
rijstijl en de conditie van het wegdek:
d = Dynamic (sportieve rijmodus)
n = Normal (rijmodus voor normale
omstandigheden)
a = Advanced Efficiency
(ECO-rijmodus voor maximale
brandstofbesparing).
Op het display van het
instrumentenpaneel worden de
verschillende modus gekenmerkt door
verschillende kleuren:
Normal - Blauw,
Dynamic – Rood
Advanced Efficiency - Groen
RIJMODI
"Normale" modus
Inschakelen/uitschakelen
Deze wordt geactiveerd door de
kiesschakelaar naar de letter "n" te
draaien, het display wordt blauw verlicht.
Om de Normaal modus uit te schakelen,
de kiesschakelaar bewegen naar een
andere modus ("d" of "a").
Modus "Dynamic"
Inschakelen/uitschakelen
Deze wordt ingeschakeld door de
kiesschakelaar naar de letter "d" te
draaien, het display wordt rood verlicht.
Om de Dynamische modus uit te
schakelen, de selector naar "n", Normale
modus, bewegen.
"Advanced Efficiency" Modus
Inschakelen/uitschakelen
Deze wordt ingeschakeld door de
kiesschakelaar naar de letter "a" te
draaien, het display wordt groen verlicht.
Om de Advanced Efficiency modus uit te
schakelen, de selector naar "n", Normale
modus, bewegen.BELANGRIJKE OPMERKINGEN
Wanneer de motor de volgende keer
gestart wordt, blijft de eerdere keuze
"Advanced Efficiency", "Dynamic" en
"Normal" modus ingeschakeld. Het
systeem zal heractiveren in "Advanced
Efficiency", "Dynamic" of "Normal"
afhankelijk van welke modus
geselecteerd was voordat de motor werd
uitgeschakeld.
Direct schakelen van de “Dynamic”
naar de “Advanced Efficiency” modus en
omgekeerd is niet mogelijk. Eerst moet
altijd de "Normal" modus worden
geactiveerd en dan de andere modus
selecteren.
10707076S0504EM
118
STARTEN EN RIJDEN
Page 121 of 232

START & STOP-EVO
Het Start & Stop Evo-systeem zet
automatisch de motor af wanneer het
voertuig stilstaat en start de motor zodra
de bestuurder weer wil gaan rijden.
Dit verhoogt de efficiëntie van het
voertuig dankzij een beperking van het
brandstofverbruik, de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en de
geluidsoverlast.
BEDIENINGSWIJZE
Afzetten van de motor
Versies met mechanische
versnellingsbak
Bij stilstaand voertuig, wordt de motor
afgezet als de versnellingspook in de
vrijstand staat en het koppelingspedaal
niet is ingetrapt.
Versies met automatische
versnellingsbak
Bij stilstaand voertuig en ingetrapt
rempedaal, wordt de motor
uitgeschakeld als de versnellingspook in
een andere stand dan R staat.
Het systeem werkt niet als de
keuzehendel in R staat, om
parkeermanoeuvres makkelijker te
maken.Als het voertuig heuvelopwaarts tot
stilstand wordt gebracht, dan wordt het
uitschakelen van de motor verhindert om
de "Hill Start Assist" functie beschikbaar
te houden (die alleen bij draaiende motor
werkt).
OPMERKING De motor kan alleen
automatisch worden afgezet bij een
snelheid van ongeveer 10 km/u. Na een
automatische herstart, hoeft u, om de
motor af te zetten, het voertuig slechts
over een korte afstand (met een snelheid
hoger dan 0,5 km/h) te verplaatsen.
Het afzetten van de motor wordt
aangegeven door hetsymbool op de
display van het instrumentenpaneel.
De motor opnieuw starten
Versies met mechanische
versnellingsbak
Trap het koppelingspedaal in om de
motor weer te starten.
Als het voertuig niet start door het
intrappen van het koppelingspedaal, de
versnellingspook in de vrijstand zetten en
de procedure herhalen. Als het probleem
aanhoudt, contact op nemen met het Alfa
Romeo Servicenetwerk.Versies met automatische
versnellingsbak
Laat het rempedaal los om de motor
weer te starten.
Met ingetrapt rempedaal, als de
versnellingspook in automatische modus
- D (Drive) staat - kan de motor weer
gestart worden door de pook naar R
(Achteruit) of N (Vrijstand) of "AutoStick"
te verplaatsen.
Met ingetrapt rempedaal, als de
versnellingspook in "AutoStick"-modus
staat - kan de motor weer gestart worden
door de pook naar "+" of "–", of R
(Achteruit) of N (Vrijstand) te
verplaatsen.
Wanneer de motor automatisch is
afgezet kan, door het rempedaal
ingetrapt te houden, de rem gelost
worden terwijl de motor uit blijft, door de
versnellingspook snel naar P (Parkeren)
te zetten.
Om de motor weer te starten, de pook uit
een stand halen die niet P is.
HET SYSTEEM HANDMATIG
INSCHAKELEN/UITSCHAKELEN
112)
39)
Om het systeem handmatig
inschakelen/uitschakelen druk op de
knop aangebracht in het controlepaneel
links van het stuurwiel, fig. 108
119
Page 138 of 232

BELANGRIJK
123)De verantwoordelijkheid voor het
parkeren en andere mogelijk gevaarlijke
manoeuvres ligt echter altijd bij de
bestuurder. Controleer tijdens deze
manoeuvres altijd of er geen mensen (vooral
kinderen) of dieren in het betreffende gebied
aanwezig zijn. De camera dient als hulp voor
de bestuurder, die echter nooit zijn aandacht
mag laten verslappen tijdens potentieel
gevaarlijke manoeuvres, ook al worden ze
met lage snelheden verricht. Houd altijd een
lage snelheid aan, zodat meteen geremd kan
worden in geval van obstakels.
BELANGRIJK
56)Voor een correcte werking is het van
extreem belang dat de camera altijd schoon
en vrij van modder, vuil, sneeuw of ijs wordt
gehouden. Zorg ervoor dat de camera tijdens
het reinigen niet gekrast of beschadigd
wordt. Vermijd het gebruik van droge, ruwe
of harde doeken. De camera moet met
schoon water worden gewassen, waaraan
eventueel autoshampoo is toegevoegd. In
wasstraten met stoomreinigers of
hogedrukreinigers moeten de camera snel
gewassen worden door de spuitmond op
minstens 10 cm van de sensoren te houden.
Breng geen stickers op de camera aan.
TANKEN
Zet altijd de motor af alvorens te tanken.
BENZINEMOTOREN
Tank alleen loodvrije benzine met een
octaangehalte (R.O.N.) van ten minste 95
(EN228-specificatie).
124) 125) 126)
DIESELMOTOREN
Gebruik alleen diesel voor
motorvoertuigen (specificatie EN590 en
EN16734).
Werking bij lage temperaturen
Bij zeer lage buitentemperaturen kan de
vloeibaarheid van de Dieselolie
onvoldoende worden wegens de vorming
van paraffine met een slechte werking
van het brandstoftoevoersysteem als
gevolg.
Om deze problemen te voorkomen, zijn
afhankelijk van het seizoen verschillende
soorten Dieselolie beschikbaar:
zomerdiesel, winterdiesel en arctische
diesel (koude landen).
In geval van tanken met diesel die niet
geschikt is voor de bedrijfstemperatuur,
wordt geadviseerd de diesel te mengen
met een speciaal additief, giet dit in de
tank vóór de antivries en tank vervolgens
de diesel.
TANKPROCEDURE
Het brandstofklepje wordt samen met de
centrale portiervergrendeling
ontgrendeld en wordt automatisch
vergrendeld wanneer de centrale
vergrendeling wordt ingeschakeld.
Het klepje openen
Ga als volgt te werk om te tanken:
open klepje fig. 129, door op het door
de pijl aangegeven punt te drukken;
verwijder de tankdop;
steek het vulpistool in de vulopening
en tank;
wacht na het tanken minstens
10 seconden alvorens het vulpistool te
verwijderen zodat de brandstof in de
tank kan vloeien;
verwijder dan de automaat uit de
vulopening, sluit de tankdop en sluit
vervolgens de klep.
12907206S0001EM
136
STARTEN EN RIJDEN
Page 139 of 232

De eerder beschreven tankprocedure is
afgebeeld op het plaatje dat aan de
binnenkant van de tankklep is
aangebracht.
Op het plaatje staat ook het soort
brandstof (LOODVRIJE BRANDSTOF =
benzine; DIESEL = diesel), en het symbool
ter certificering van de conformiteit aan
de normen EN228 (benzine), EN590 en
EN16734 (diesel), fig. 130.
De hierna gegeven symbolen maken de
herkenning van de correcte soorten
brandstof te gebruiken op uw voertuig
gemakkelijker.
Alvorens te tanken, controleer de
symbolen (waar voorzien) in het klepje
van de brandstofvulopening en vergelijk
ze met het symbolen op de benzinepomp
(waar voorzien).E5: loodvrije benzine met tot 2,7% (m/m)
zuurstof en met maximaal ethanol van
5,0% (V/V) conform aan de norm EN228.
E10: loodvrije benzine met tot 3,7%
(m/m) zuurstof en met maximaal ethanol
van 10,0% (V/V) conform aan de norm
EN228.
B7: diesel met tot 7% (V/V) Biodiesel
FAME (Fatty Acid Methyl Esters )
conform aan de norm EN590.
B10: diesel met tot 10% (V/V) Biodiesel
FAME (Fatty Acid Methyl Esters )
conform aan de norm EN16734.
Tanken in geval van nood
dieselmotoren
(voor bepaalde versies/markten)
Ga als volgt te werk:
open de bagageruimte en pak de
specifieke adapter die onder de laadvloer
is opgeborgen fig. 131;
open klepje fig. 129, door op het door
de pijl aangegeven punt te drukken;
verwijder de tankdop;
plaats de tankdop terug in zijn zitting;
breng de adapter aan op de
tankopening;
verwijder de adapter na het tanken,
draai de tankdop dicht en sluit vervolgens
de tankklep;
berg tenslotte de adapter op in de
bagageruimte.
Brandstofklepje openen in een
noodgeval
In een noodgeval kan het brandstofklepje
geopend worden door te werk te gaan
vanuit de binnenkant van de
bagageruimte.
Ga als volgt te werk:
open de achterklep en zoek het
kabeltje voor opening in een noodgeval
dat naast de vulopening is aangebracht;
trek aan het touwtje om het slot van
het brandstofklepje te ontgrendelen,
13007206S0002EM
13107206S0005EM
137
Page 140 of 232

open het brandstofklepje door er op te
drukken (zie eerdere aanwijzingen).
BELANGRIJK Houd de waterstraal van
een hogedrukreiniger op minstens 20 cm
afstand van de brandstofvulopening.
BELANGRIJK
124)Monteer geen voorwerp/dop op de
rand van de vulopening die niet geschikt is
voor het voertuig. Het gebruik van
voorwerpen/doppen van het verkeerde type
kan de druk in de tank doen toenemen,
waardoor gevaarlijke situaties kunnen
ontstaan.
125)Breng geen open vuur of brandende
sigaretten in de buurt van de vulopening van
de tank: brandgevaar. Kom niet te dicht met
het gezicht bij de vulopening, om geen
schadelijke dampen in te ademen.
126)Maak geen gebruik van een mobiele
telefoon in de buurt van de benzinepomp:
brandgevaar.
138
STARTEN EN RIJDEN
Page 143 of 232

Een lekke band of een doorgebrand lampje?
Soms kan een probleem uw reis in gevaar brengen.
De pagina's over noodsituaties kunnen u helpen om op
zelfstandige en kalme wijze kritieke situaties op te lossen.
Wij adviseren u om in een noodsituatie het gratis telefoonnummer
te bellen dat in het garantieboekje is vermeld.
U kunt ook het gratis landelijke of internationale universele
telefoonnummer bellen om het dichtstbijzijnde Alfa romeo
Servicenetwerk te vinden.
NOODGEVALLEN
ALARMKNIPPERLICHTEN........................142
EEN LAMP VERVANGEN.........................142
ZEKERINGEN VERVANGEN . . .....................148
BANDENREPARATIEKIT . . .......................153
NOODSTART................................156
AFSLUITER VAN DE BRANDSTOFTOEVOER.............158
SLEPEN VAN VOERTUIG MET PECH..................158
SLEPEN VAN HET VOERTUIG......................159
Page 160 of 232

BELANGRIJK
62)Gebruik nooit een accusnellader om de
motor te starten, aangezien deze de
elektronische systemen kan beschadigen,
met name de regeleenheden van de
ontsteking en de brandstoftoevoer.
63)Verbind de startkabel niet met de
minpool (–) van de lege accu. De afgegeven
vonk kan explosie van de accu tot gevolg
hebben en ernstige schade veroorzaken.
Gebruik alleen het specifieke massapunt;
gebruik geen andere blootgestelde metalen
onderdelen.
AFSLUITER VAN DE
BRANDSTOFTOEVOER
BESCHRIJVING
Afhankelijk van het type en het geweld
van de botsing, bepaalt de regeleenheid
van de ORC-beschermingssystemen voor
inzittenden of de air bags en de voorste
veiligheidsgordelaanspanners moeten
worden geactiveerd en of de stroom
onmiddellijk moet worden gestopt in de
batterijen om pompen te voeden en naar
apparatuur dat de motor bedient. De
kracht van de accu wordt onderbroken
door de pyrotechnische zekering
geplaatst op de zekeringenkast naast de
positieve pool van de accu “te laten
exploderen”.
Wanneer de zekering “geëxplodeerd” is,
blijven alleen sommige diensten,
noodzakelijk voor de veiligheid van het
voertuig (bijv. portiervergrendeling,
antidiefstalapparaat, etc.), gevoed.
BELANGRIJK Controleer na de aanrijding
het voertuig zorgvuldig op
brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de
motorruimte, onder het voertuig of in de
buurt van de tank.
BELANGRIJK Laat de correcte werking
van het systeem herstellen door het Alfa
Romeo Servicenetwerk.
SLEPEN VAN VOERTUIG MET
PECH
VERSIES MET
ACHTERWIELAANDRIJVING (RWD)
Het wordt aanbevolen het voertuig te
slepen met alle vier de wielen van de
grond getild op het platform van een
takelwagen.
Als er geen voertuig voor pech onderweg
met platform beschikbaar is, moet het
voertuig gesleept worden met de
achterwielen OPGEHEVEN van de grond
(met behulp van een aanhanger of
speciale inrichtingen die het opheffen
van de achterwielen mogelijk maken).
BELANGRIJK Het slepten van voertuigen
zonder te voldoen aan bovenstaande
voorschriften kan ernstige schade aan
het voertuig toebrengen.
VERSIES MET VIERWIELAANDRIJVING
(AWD)
Het wordt aanbevolen het voertuig te
slepen met alle vier de wielen van de
grond getild op het platform van een
takelwagen.
BELANGRIJK Vermijd het optillen van de
voor- of de achterwielen alleen, met
gebruik van een trailer of voertuig
waarmee de wielen van een as alleen
kunnen worden opgetild. Als alleen de
158
NOODGEVALLEN