sport Alfa Romeo MiTo 2017 Handleiding (in Dutch)

Page 12 of 220

SAFE LOCK SYSTEEM(indien aanwezig)
Deze veiligheidsvoorziening verhindert
de werking van de binnenhandgrepen en
de toets voor vergrendeling/
ontgrendeling van de portieren. Wij
adviseren om deze voorziening te
activeren wanneer de auto geparkeerd
wordt.
Het systeem inschakelen
Het systeem wordt op alle portieren
ingeschakeld door twee keer snel op de
toets op de sleutel te drukken.
Wanneer het systeem wordt
ingeschakeld, gaan de richtingaanwijzers
3 maal knipperen en knippert de led op de
toets
op het dashboard. Het systeem
wordt niet ingeschakeld als een of meer
portieren/deuren niet goed zijn gesloten.Het systeem uitschakelen
Het systeem wordt in de volgende
gevallen automatisch uitgeschakeld:
door de contactsleutel in het
bestuurdersportier te steken en de
sleutel rechtsom te draaien;
door te drukken op deknop op de
sleutel;
door de contactsleutel naar de stand
MAR te draaien.
BELANGRIJK Als het Safe Locksysteem
is ingeschakeld, dan is het niet meer
mogelijk om de portieren vanuit het
interieur te openen. Controleer daarom,
voordat het voertuig wordt verlaten, of
er niemand meer aan boord is. Wanneer
de batterij van de afstandsbediening leeg
is, kan het systeem alleen worden
uitgeschakeld door de sleutel in een van
beide portiersloten te steken en te
draaien.
BELANGRIJK
1)Druk knop 2 alleen in wanneer de sleutel
ver genoeg van het lichaam (vooral de ogen)
en van voorwerpen die snel beschadigen
(bijvoorbeeld kleding) is verwijderd. Laat de
sleutel nooit onbewaakt achter om te
voorkomen dat iemand (bijvoorbeeld een
kind) per ongeluk op de knop drukt.
BELANGRIJK
1)Gebruikte batterijen kunnen schadelijk
zijn voor het milieu als ze niet op de juiste
wijze als afval verwerkt worden. Ze moeten
overeenkomstig de wet in speciale bakken
gedeponeerd worden. Ze kunnen ook
ingeleverd worden bij het Alfa Romeo
Servicenetwerk dat voor hun verwerking zal
zorgen.
4A0J0073C
10
WEGWIJS IN UW AUTO

Page 15 of 220

laatste keer dat een van de portieren of
achterklep werd geopend en opnieuw
gesloten.
Deze toestand wordt aangeduid door de
knipperende verlichting van de LED op de
alarmuitschakelingsknop op het
plafondlicht en door de
inschakelingsindicaties hiervoor
beschreven.
Druk, om hun correcte werking weer te
herstellen, op de knop
op de
afstandsbediening.
Zelfinschakeling van het alarm vindt ook
plaats wanneer de portieren gesloten zijn
door de metalen baard van de sleutel in
het bestuurdersportierslot te draaien. Bij
open achterklep worden de portieren niet
vergrendeld.
UITSCHAKELEN VAN HET ALARM
Druk op deknop. Het volgende gebeurt
(uitgezonderd enkele
marktuitvoeringen):
de richtingaanwijzers knipperen twee
keer kort;
er klinken twee korte geluidssignalen;
de portieren worden ontgrendeld.
BELANGRIJK Wanneer de portieren met
de metalen baard van de sleutel centraal
worden ontgrendeld, wordt het alarm
niet uitgeschakeld.
PORTIEREN
CENTRALE PORTIERVERGRENDELING
De portieren vergrendelen van buitenaf
Druk bij gesloten portieren op de knop
van de afstandsbediening of steek en
draai de metalen baard (in de sleutel) in
het slot van het bestuurdersportier.
De portiervergrendeling werkt:
als alle portieren gesloten zijn;
als alle portieren gesloten zijn en de
achterklep open is.
Portieren ontgrendelen van buitenaf
Druk op de knop
van de
afstandsbediening of steek en draai de
metalen baard (van de sleutel) in het slot
van het bestuurdersportier.
De portieren ver-/ontgrendelen van
binnenuit
Druk op de 1 fig. 6 knop op het
dashboard. De knop is voorzien van een
led-lampje dat aangeeft wanneer de
portieren worden ver-/ontgrendeld.Led
aan: portieren vergrendeld.Led uit:
portieren ontgrendeld.Als er geen stroomtoevoer is
(doorgebrande zekering, losgekoppelde
accu, enz.) kunnen de portieren nog
steeds met de hand worden vergrendeld.
BELANGRIJK Trek aan de deurkruk van
een van de portieren om alleen dat
portier te openen, met de centrale
portiervergrendeling ingeschakeld (de
led op knop 1 blijft branden als dit het
portier aan de passagierszijde is).
NOODVERGRENDELING VOORPORTIER
PASSAGIERSZIJDE
Het voorportier aan passagierszijde
heeft een voorziening om het te
vergrendelen als er geen elektrische
stroom is. Steek de metalen baard van de
contactsleutel in zitting 1 fig. 7 en draai
de sleutel rechtsom om het portier te
vergrendelen.
6A0J0030C
13

Page 17 of 220

SPORT VOORSTOELEN(indien aanwezig)
Verstellen in lengterichting
Trek hendel 1 fig. 10 omhoog en schuif de
stoel naar voren of naar achteren: in de
rijstand moeten de armen op de rand van
het stuurwiel rusten.
Verstelling rugleuning
Draai aan knop 2 tot de gewenste stand
is bereikt
Rugleuning kantelen
Om toegang te krijgen tot de achterbank
dient u hendel 3 omhoog te zetten
(achter de rugleuning). Laat dan de hendel
los, duw tegen de rugleuning en schuif de
stoel naar voren.
ACHTERBANK
Stoel opklappen
Ga als volgt te werk:
zet de hoofdsteunen helemaal
omhoog, druk op beide knoppen 1
fig. 11 aan de zijkanten van de twee
steunen en verwijder de hoofdsteunen
door ze omhoog te trekken;
Plaats de veiligheidsgordels opzij en
controleer of ze goed uitgetrokken en
niet verdraaid zijn.
zet de bevestigingshendels 1
fig. 12 van de rugleuning omhoog envouw het gewenste kussen vooruit
(hendel 1 omhoog wordt aangegeven met
een "rode band").
Achterbank terugklappen
Plaats de veiligheidsgordels opzij en
controleer of ze goed uitgetrokken en
niet verdraaid zijn.
Zet de eerder neergeklapte rugleuning
omhoog tot de klik van het
9A0J0301C
10A0J0163C
11A0J0083C
12A0J0082C
15

Page 19 of 220

BELANGRIJK
9)De hoofdsteunen moeten zodanig
versteld worden dat het hoofd en niet de nek
er tegenaan steunt. Alleen op deze manier
oefenen ze hun beschermende werking uit.
STUURWIEL
10) 11)
Het stuurwiel kan in axiale en verticale
richting versteld worden.
Duw de hendel 1 fig. 15 naar voren (stand
A) en verstel het stuurwiel, om het
stuurwiel te verstellen. Trek na het
verstellen hendel 1 naar het stuur (stand
B) om hem te vergrendelen.
OPMERKING: "Veloce"- en
"Sport"-versies zijn uitgerust met een
stuurwiel in de sportconfiguratie.
BELANGRIJK
10)De verstelling mag alleen bij stilstaande
auto en uitgeschakelde motor gebeuren.11)After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem, de
garantie en de veiligheid in gevaar brengen
waardoor de auto niet meer aan de
typegoedkeuring voldoet.
15A0J0034C
17

Page 31 of 220

ELEKTRISCHE RUITBEDIENING
15)
2)
Deze werken met de contactsleutel in de
stand MAR en gedurende circa 3 minuten
nadat de contactsleutel naar de stand
STOP is gedraaid of verwijderd is als een
van de portieren geopend is.
Knelbeveiliging
Er wordt een knelbeveiliging
ingeschakeld wanneer de ruiten worden
gesloten. Dit veiligheidssysteem
detecteert de aanwezigheid van een
obstakel tijdens het sluiten van de ruit en
grijpt in door de slag van de ruit te
stoppen en, afhankelijk van de stand van
de ruit, om te keren. De knelbeveiliging is
actief tijdens een handmatige en
automatische bediening van de ruit.
BEDIENINGSELEMENTEN
Voorportier bestuurderszijde1 fig. 26: linker voorruit
openen/sluiten
2: rechter voorruit openen/sluitenRuit openen
Druk op de knoppen om de gewenste ruit
te openen. Wanneer een van de twee
knoppen kort wordt ingedrukt, beweegt
de ruit in "stappen"; als de knop ingedrukt
wordt gehouden, wordt de "continue
automatische" werking geactiveerd. Als
er opnieuw op de knop wordt gedrukt,
stopt de ruit in de gewenste stand. Als de
knop enkele seconden ingedrukt wordt
gehouden, gaat de ruit automatisch open
of dicht (alleen met de contactsleutel in
de stand MAR).
Ruit sluiten
Trek de knoppen omhoog om de
gewenste ruit te sluiten.
Portier passagierszijde
Het portier aan de passagierszijde is
uitgerust met een knop waarmee u het
openen en sluiten van de ruit aan de
passagierszijde kunt bedienen.Initialisatie elektrische ruitbediening
Als de accu werd losgekoppeld of als de
zekering is doorgebrand, moet het
systeem opnieuw worden geïnitialiseerd.
Voer de volgende initialisatieprocedure
uit:
sluit de ruit volledig om handmatig te
initialiseren;
houd, nadat de ruit de eindaanslag
heeft bereikt, de knop "naar boven"
minstens 1 seconde ingedrukt.
Bij sommige versies of voor sommige
markten moet, na een
stroomonderbreking van de
regeleenheden (accu vervangen of
losgekoppeld of zekeringen van de
regeleenheden voor elektrische
ruitbediening vervangen), de
automatische ruitbediening opnieuw
geïnitialiseerd worden.
De initialisatieprocedure moet met
gesloten portieren uitgevoerd worden,
zoals hieronder beschreven:
open de ruit van het
bestuurdersportier volledig en houd de
bedieningstoets minstens drie seconden
ingedrukt nadat de (onderste)
eindaanslag bereikt is;
sluit de ruit van het bestuurdersportier
volledig en houd de knop minstens
3 seconden ingedrukt nadat de
(bovenste) eindaanslag bereikt is;
26A0J0023C
29

Page 37 of 220

Alfa DNA-SYSTEEM
(dynamische controle van de
auto)
Dit systeem wordt bediend met hendel 1
fig. 33 (op de tunnelconsole) hiermee
kunnen vier verschillende rijmodi
geselecteerd worden overeenkomstig de
rijstijl en de conditie van het wegdek:
d=Dynamic(sportieve rijmodus);
n=Natural(modus voor rijden in
normale omstandigheden);
a=All Weather(modus voor rijden in
omstandigheden van weinig grip, zoals
regen en sneeuw).
Hendel 1 beschikt over een stabiele
stand. Met andere woorden, de
schakelaar blijft altijd in de middelste
stand.
De gekozen rijmodus wordt aangegeven
met een brandende led op het paneel eneen indicatie op het display. Wanneer de
modus “Natural” is gekozen, worden er
geen berichten of symbolen op het
display weergegeven.
Het systeem werkt ook op de
dynamische regelsystemen van het
voertuig (motor, stuurinrichting,
ESC-systeem, instrumentenpaneel).
“Dynamic” MODUS AAN/UIT
SCHAKELEN
4)
Inschakelen
Breng hendel 1 omhoog (naar de letter
"d") en houd hem 0,5 seconden in deze
stand tot de betreffende led gaat
branden of tot het woord "Dynamic" op
het display verschijnt.
Uitschakelen
Beweeg hendel 1 naar de stand "Natural".
1.4 Turbo MultiAir-versies
Door de bedrijfsmodus "Dynamic" te
kiezen, wordt de overboostfunctie van de
turbocompressor ingeschakeld. De
motorregeleenheid maakt het - in
verhouding tot de stand van het
gaspedaal en gedurende korte tijd -
mogelijk dat er binnenin de
turbocompressor maximale drukniveaus
bereikt kunnen worden, waardoor een
groter motorkoppel verkregen wordt in
vergelijking met wat normaal gesproken
mogelijk is.Deze functie is met name handig wanneer
maximale prestaties gevraagd worden
voor een korte tijd (bijv. bij het inhalen).
BELANGRIJK Tijdens het accelereren,
wanneer de "Dynamic"-functie wordt
gebruikt, kan het stuur enigszins trillen,
wat kenmerkend is voor een sportieve
instelling.
"All Weather"-MODUS AAN/UIT
SCHAKELEN
Inschakelen
Breng hendel 1 omlaag (naar de letter "a")
en houd hem 0,5 seconden in deze stand
tot de betreffende led gaat branden of
tot het woord "All Weather" op het
display verschijnt.
Uitschakelen
Om de "All Weather"-modus uit te
schakelen (en terug te keren naar de
"Natural"-modus), op dezelfde wijze te
werk gaan als voor de "Dynamic"-modus,
maar beweeg de hendel 1 naar "a".
BELANGRIJK
4)"FAST" VERSIE: Gezien de hoge niveaus
van de prestaties van het voertuig wordt
aanbevolen de "Dynamic" modus niet te
gebruiken bij het rijden van de eerste
kilometers met het voertuig, zoat de
mechanische onderdelen de noodzaklijke
inrijperiode hebben.
33A0J0090C
35

Page 38 of 220

DYNAMIC SUSPENSION (actief
schokdempersysteem)
Dit systeem heeft een wisselwerking met
het "Alfa DNA"-systeem. De hendel van
het "Alfa DNA"-systeem biedt u de
mogelijkheid om afhankelijk van het type
route en het wegoppervlak (zie de
paragraaf "Alfa DNA-systeem") te kiezen
tussen drie verschillende rij-instellingen.
In de modus "Natural" en "All Weather"
zorgt het actief schokdempersysteem
ervoor dat de ophanging van de auto
wordt aangepast aan het type route en de
rijomstandigheden, dus aanzienlijk het
rijcomfort verbetert met name op ruw
terrein.
De modus "Dynamic" produceert een
sportieve rij-instelling gekarakteriseerd
door een betere acceleratiereactie en
een betere prestatie van het stuurwiel,
om een sportief gevoel te geven. Het
schokdempersysteem is ook afgesteld
en verdeeld, om een hogere
nauwkeurigheid en reactie van de auto te
waarborgen, terwijl het hoge
comfortniveau gehandhaafd blijft.
De bestuurder zal merken dat het
voertuig nauwkeuriger reageert in
bochten en sneller bij het veranderen van
richting.
VERSIE MET LPG-SYSTEEM
20) 22)
5) 6) 7) 8) 9) 11)
INLEIDING
De LPG-uitvoering heeft twee
brandstoftoevoersystemen: een voor
benzine en een voor LPG.
PASSIEVE VEILIGHEID/ACTIEVE
VEILIGHEID
Alhoewel het LPG-systeem talrijke
veiligheidsvoorzieningen heeft, wordt
geadviseerd als volgt te werk te gaan als
het voertuig lange tijd niet gebruikt
wordt of als het voertuig verplaatst
wordt in een noodgeval na pech of een
ongeval:
de bevestigingselementen 1 fig. 34 los
te maken en vervolgens het deksel 2 te
verwijderen;
Draai de LPG-kraan dicht door de ring
1 fig. 35 rechtsom te draaien.
Zet het deksel terug en draai de
bevestigingen weer vast.
LPG-TANK
De auto heeft een onder druk staande
tank voor de opslag van LPG in vloeibare
staat. Deze is toroïdaal en is in de ruimte
voor het reservewiel geplaatst en is op
passende wijze beschermd.
Certificatie LPG-TANK
De LPG tank is gecertificeerd in
overeenstemming met de geldende
voorschriften.
In Italië heeft de tank een levensduur van
10 jaar vanaf de
kentekenregistratiedatum van de auto.
Als de auto in een ander land dan Italië is
geregistreerd, kunnen de duur en test- en
inspectieprocedures van de LPG-tank
variëren, afhankelijk van de wettelijke
34A0K0322C
35A0K0323C
36
WEGWIJS IN UW AUTO

Page 71 of 220

ESC-SYSTEEM
28) 29) 30) 31) 32)
Het ESC-systeem verbetert de
richtingscontrole en stabiliteit van de
auto onder diverse rijomstandigheden.
Het ESC-systeem corrigeert het
onderstuur en overstuur van de auto door
de remkracht naar de juiste wielen te
sturen. Tevens kan het door de motor
geleverde koppel verlaagd worden om de
controle over het voertuig te behouden.
Het ESC-systeem bevat de actieve
veiligheidssystemen zoals: ABS, EBD,
ASR, HILL HOLDER, BRAKE ASSIST,
MSR, CBC, "ELECTRONIC Q2", DST.
Het ESC-systeem wordt automatisch
ingeschakeld wanneer de motor wordt
gestart; het kan niet worden
uitgeschakeld.
Inwerkingtreding van het systeem
Dit wordt aangegeven door het knipperen
van het lampje
op het
instrumentenpaneel, om de bestuurder te
waarschuwen dat de stabiliteit en de grip
van de auto kritiek zijn.
CBC (Cornering Brake Control)
SYSTEEM
Dit systeem grijpt in wanneer in bochten
geremd wordt, waarbij de verdeling van
de remkracht over de vier wielen wordt
geoptimaliseerd: het systeem voorkomtdat de wielen in de binnenbocht (minder
beïnvloed door het gewicht van de auto)
blokkeren, waardoor betere stabiliteit en
richting wordt gegarandeerd.
HILL HOLDER-SYSTEEM
Dit systeem is een integraal onderdeel
van het ESC-systeem en assisteert de
bestuurder bij het wegrijden op hellingen
omhoog of omlaag door op de remmen te
werken:
BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is
geen parkeerrem; laat de auto dus nooit
achter zonder de handrem te hebben
aangetrokken, de motor te hebben
uitgeschakeld en de eerste versnelling te
hebben ingeschakeld, zodat de
geparkeerde auto in veilige
omstandigheden verkeert (lees ook de
paragraaf "Parkeren" in het hoofdstuk
"Starten en rijden").
BELANGRIJK Er kunnen situaties op
kleine hellingen (minder dan 5%)
voorkomen waarin, bij beladen auto, het
Hill Holder-systeem niet in werking
treedt en de auto zich iets naar achteren
verplaatst, waardoor het risico op een
botsing met een ander voertuig of
voorwerp toeneemt. De bestuurder is in
elk geval verantwoordelijk voor een
veilige rijstijl.“ELECTRONIC Q2” (“E-Q2”)
Het "Electronic Q2"-systeem grijpt in bij
acceleratie in bochten door het
binnenwiel af te remmen en hierdoor de
aandrijving van het buitenwiel te
verbeteren (die meer van het
autogewicht draagt): het koppel wordt op
die manier op optimale wijze over de
aangedreven wielen verdeeld, afhankelijk
van de rijomstandigheden en het wegdek,
waardoor een bijzonder effectieve,
sportieve rijstijl wordt bereikt.
BELANGRIJK
28)Het ESC kan niet de door het wegdek
geboden grip boven de limieten van de
natuurkundige wetten laten toenemen.
29)Het ESC-systeem kan geen ongelukken
voorkomen, waaronder ongelukken wegens
overmatige snelheid in bochten, rijden op
wegdek met weinig grip of aquaplaning.
30)De capaciteiten van het ESC-systeem
mogen nooit op onverantwoorde en
gevaarlijke wijze worden uitgetest,
waardoor de persoonlijke veiligheid en die
van anderen in gevaar komt.
31)Voor een goede werking van het
ASR-systeem moeten de banden van alle
wielen van hetzelfde merk zijn, in perfecte
conditie verkeren en vooral van het
voorgeschreven type en maat zijn.
69

Page 76 of 220

SBR-SYSTEEM (Seat Belt
Reminder)
Dit systeem bestaat uit een
geluidssignaal dat, samen met het
branden van de
lampjes op het frame
van de fig. 44 achteruitkijkspiegel, de
passagiers voor en achter waarschuwt
dat hun veiligheidsgordel niet is
omgelegd.
Neem contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk om het SBR-systeem
permanent te laten uitschakelen.
Het SBR-systeem kan te allen tijde via
het Setup-menu van het display opnieuw
worden ingeschakeld (zie "Menuopties" in
de paragraaf "Kennismaking met de
auto").
De lampjes kunnen rood of groen en
werken als volgt:
1 = linker voorstoel (toestand
bestuurder voor versies met stuur links)
2 = links op de achterbank (passagier);
3 = midden op de achterbank
(passagier)
4 = rechts op de achterbank
(passagier);
5 = rechter voorstoel (toestand
passagier voor versies met stuur links).
OPMERKING: op versies uitgerust met
sport voorstoelen, wordt de indicatie
voor het bevestigen van de
veiligheidsgordel aan de passagierszijde
(waarschuwingslampje 1 voor versies
met stuur rechts of
waarschuwingslampje 5 voor versies met
stuur links) nooit weergegeven.
VOORSTOELEN (waarschuwingslampje
1 = bestuurder en 5 = passagier)
Bestuurder
Als de bestuurder de enige inzittende is
en de gordel niet is omgelegd, dan wordt
bij het overschrijden van 20 km/u of
wanneer langer dan 5 seconden met een
snelheid van 10 à 20 km/u wordt gereden
een zoemercyclus (voorstoelen) gestart,
met een 6 seconden durend
geluidssignaal gevolgd door een extra
biep van 90 seconden. Het
waarschuwingslampje gaat branden.
De lampjes blijven continu branden aan
het einde van de cyclus tot de motor is
afgezet. Het geluidssignaal houdt
meteen op wanneer de bestuurder zijn
gordel omlegt en het lampje wordt groen.De waarschuwingscyclus (akoestisch en
visueel) wordt herhaald zoals hiervoor is
beschreven en het rode lampje gaat
knipperen als de veiligheidsgordel tijdens
het rijden wordt losgemaakt.
Passagier
Een gelijkaardige oplossing is van
toepassing voor de passagier voorin, met
het verschil dat het lampje groen wordt
en dat het signaal wordt afgebroken
wanneer de passagier uit de auto stapt.
Als op beide voorstoelen de
veiligheidsgordel tijdens het rijden
worden losgemaakt, heeft het
geluidssignaal betrekking op de laatste
handeling en werken beide lampjes
onafhankelijk voor elke stoel.ACHTERBANK (lampjes 2, 3 en 4)
De waarschuwingscyclus treedt alleen in
werking als een veiligheidsgordel wordt
losgemaakt (rood knipperend lampje).
In deze omstandigheid gaat het lampje
dat aangeeft dat de veiligheidsgordel is
losgemaakt rood knipperen gedurende
circa 30 seconden. Er klinkt ook een
geluidssignaal.
Voor elke veiligheidsgordel die wordt
losgemaakt wordt een apart visueel
signaal (rood knipperend lampje)
ingeschakeld. Het lampje wordt groen als
de betreffende veiligheidsgordel weer
wordt omgelegd.44A0J0108C
74
VEILIGHEID

Page 102 of 220

START&STOP SYSTEEM
(indien aanwezig)
Het Start&Stop-systeem zet
automatisch de motor af wanneer het
voertuig stilstaat en start de motor zodra
de bestuurder weer wil gaan rijden. Dit
verhoogt de efficiëntie van het voertuig
dankzij een beperking van het
brandstofverbruik, de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en de
geluidsoverlast.
BEDIENINGSWIJZE
Afzetten van de motor
Bij stilstaand voertuig, wordt de motor
afgezet als de versnellingspook in de
vrijstand staat en het koppelingspedaal
niet is ingetrapt.
OPMERKING De motor kan alleen
automatisch worden afgezet bij een
snelheid van meer dan 10 km/h, om
herhaaldelijk afzetten van de motor te
voorkomen wanneer erg traag wordt
gereden.
Het symbool
verschijnt op het display
wanneer de motor wordt afgezet.
De motor opnieuw starten
Trap het koppelingspedaal in om de
motor weer te starten.
SYSTEEM HANDMATIG INSCHAKELEN
/ UITSCHAKELEN
Druk op de knop fig. 70 op het dashboard
naast het stuurwiel om het systeem
handmatig in of uit te schakelen.
Start&Stop-systeem inschakelen:Er
verschijnt een bericht op het display
wanneer het Start&Stopsysteem wordt
ingeschakeld.
Start&Stop-systeem uitschakelen: Het
symbool en een bericht wordt op het
display weergegeven. Als het systeem is
uitgeschakeld, gaat het
waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel branden.
GEMISTE AFZETOMSTANDIGHEDEN
VANDEMOTOR
25)
Wanneer het systeem actief is, voor meer
comfort en veiligheid, en om de uitstoot
te beperken, wordt de motor in sommigeomgevingsomstandigheden,
motorcondities niet afgezet, met het
portier van de bestuurder niet gesloten
en de veiligheidsgordels niet vastgezet.
VEILIGHEIDSINSTELLINGEN
Als het Start&Stop-systeem de motor
heeft afgezet en de bestuurder maakt
zijn veiligheidsgordel los en opent het
bestuurdersportier of het
passagiersportier, dan kan de motor
alleen opnieuw gestart worden met de
contactsleutel.
De bestuurder wordt op de hoogte
gebracht door een geluidssignaal, het
knipperen van het symbool
op de
display (en bij sommige versies verschijnt
ook een melding op de display).
"ENERGY SAVING" FUNCTIE(indien aanwezig)
Als de bestuurder, na een automatische
start van de motor, gedurende enige tijd
(ongeveer 3 minuten) geen enkele
handeling uitvoert, dan schakelt het
Start&Stop-systeem de motor definitief
uit om brandstof te besparen. In
dergelijke gevallen kan de motor alleen
opnieuw gestart worden met de
contactsleutel.
OPMERKING De motor kan in elk geval
draaiende worden gehouden door het
Start&Stop-systeem uit te schakelen.
70A0J0307C
100
STARTEN EN RIJDEN

Page:   1-10 11-20 next >