sensor Hyundai Santa Fe 2017 Handleiding (in Dutch)

Page 554 of 735

Rijden met uw auto
106
5
✽AANWIJZING
• Het systeem werkt mogelijk niet goed wanneer de bumper is vervangen of
reparatiewerkzaamheden zijn
uitgevoerd in de buurt van de sensor.
• Het detectiebereik is afhankelijk van de breedte van de weg. Als de weg
smal is, kan het systeem mogelijk
andere voertuigen signaleren op de
naastliggende rijstrook.
• Het systeem wordt mogelijk
uitgeschakeld ten gevolge van
elektromagnetische golven.Gevallen waarbij het systeem niet
mag worden gebruikt
De bestuurder kan mogelijk niet via de
buitenspiegel worden gewaarschuwd
wanneer:
- Het buitenspiegelhuis is beschadigd of vuil.
- De ruit is vuil.
- De ruiten sterk getint zijn
(Vervolg)
• Het Blind Spot Detection- systeem (BSD) en Rear Cross
Traffic Alert (RCTA) zijn geen
vervanging voor een juist en
veilig rijgedrag. Rijd altijd veilig
en wees voorzichtig bij het
wisselen van rijstrook of
achteruitrijden. Het Blind SpotDetection-systeem (BSD)
signaleert mogelijk niet alleobjecten naast de auto.

Page 555 of 735

5 107
Rijden met uw auto
AANDACHT VAN DE BESTUURDER
De bestuurder dient in onderstaande
situaties voorzichtig te zijn, omdat het
systeem onder bepaalde
omstandigheden andere voertuigen of
objecten mogelijk niet signaleert.
- De auto rijdt op een bochtige weg ofdoor een tolpoort.
- De sensor is bedekt met water, sneeuw,
modder, enz.
- De achterbumper, waarin de sensor is ondergebracht, is bedekt of
geblokkeerd door een object, zoals een
sticker, bumperbeschermer,
fietsendrager, enz.
- De achterbumper is beschadigd of de sensor bevindt zich niet meer in zijn
oorspronkelijke positie.
- De voertuighoogte is lager of hoger dan normaal door zware lading in de
bagageruimte, een abnormale
bandenspanning, enz.
- De auto rijdt in slecht weer, zoals hevige regen of sneeuw.
- Er bevindt zich een vast voorwerp in de buurt van de auto, zoals een
vangrail.
- Er is een groot voertuig in de buurt, zoals een bus of vrachtwagen. (Vervolg)(Vervolg)
- Er is een (motor)fiets in de buurt.
- Er bevindt zich een platte aanhanger
in de buurt.
- Als uw auto gelijktijdig weggereden is
met de auto naast u en geaccelereerd
heeft.
- Als het andere voertuig met zeer hoge snelheid passeert.
- Tijdens het wisselen van rijstrook.
- Tijdens het op- of afrijden van een steile weg waar de hoogte van de
rijstroken verschillend is.
- Als het andere voertuig zeer dicht
nadert.
- Er hangt een aanhanger of fietsendrager achter de auto.
- Als de temperatuur in de buurt van de
achterbumper hoog of laag is.
- Als de sensoren geblokkeerd worden door andere voertuigen, wanden of
pilaren rond de parkeerplaats.
- Wanneer het gesignaleerde voertuig ook achteruitrijdt terwijl uw auto
achteruitrijdt.
- Als er kleine objecten zijn, zoals een
winkelwagen of kinderwagen.
- Lage voertuigen, zoals sportwagens.
- Als andere voertuigen zich dicht bij uw auto bevinden.
(Vervolg)(Vervolg)
- Als het voertuig op de naastliggende
rijstrook één rijstrook opschuift ten
opzichte van u OF als het voertuig op
de tweede rijstrook naast u opschuift
naar de naastliggende rijstrook.
- Bij het rijden over een smalle weg met veel bomen en struiken.
- Bij het rijden op een nat wegdek.

Page 556 of 735

Rijden met uw auto
108
5
Het systeem signaleert de rijstrook met
de sensor op de voorruit en waarschuwt
u wanneer de auto de rijstrook verlaat. LANE DEPARTURE WARNING SYSTEM (LDWS) (INDIEN VAN TOEPASSING)
ODM056029
ODM052048
WAARSCHUWING
• Het LDWS helpt de bestuurder niet bij het veranderen van
rijstrook. Het is de
verantwoordelijkheid van de
bestuurder om altijd de
verkeerssituatie te controleren.
• Geef geen ruk aan het stuurwiel wanneer het LDWS u waarschuwt
dat de auto de rijstrook verlaat.
• Als de sensor de rijstrook niet kan signaleren of als de
rijsnelheid niet hoger is dan 60
km/h, dan waarschuwt het LDWS
u niet, zelfs als de auto de
rijstrook verlaat.
• Als de voorruit van uw auto getint glas heeft, als hij is voorzien vaneen coating of als er een
accessoire op is bevestigd,
functioneert het LDWS mogelijkniet goed.
• Laat geen water of andere vloeistoffen op de LDWS-sensor
terechtkomen.
• Verwijder de onderdelen van de sensor niet en stel de sensor niet
bloot aan krachtige schokken.
(Vervolg)(Vervolg)
• Plaats geen voorwerpen op hetdashboard die lichtstralen reflecteren.
• Controleer altijd de verkeerssituatie, omdat u de
waarschuwingszoemer mogelijk
niet hoort doordat het
audiosysteem is ingeschakeld of
door geluiden van buitenaf.

Page 557 of 735

5 109
Rijden met uw auto
Om het LDWS in te schakelen, drukt u op de toets terwijl de toets ENGINE
START/STOP in stand ON staat. Hetcontrolelampje op het
instrumentenpaneel gaat branden. Druk
opnieuw op de toets om het LDWS uit te
schakelen.
De kleur van het symbool is afhankelijk
van de conditie van het LDWS.
- Wit : De sensor signaleert geenrijstrookmarkering.
- Groen : De sensor signaleert de rijstrookmarkering. Als uw auto de rijstrook verlaat terwijl het
LDWS is ingeschakeld en de rijsnelheid
hoger is dan 60 km/h, dan werkt de
waarschuwing als volgt:
1. Visuele waarschuwing
Als u de rijstrook verlaat, knippert de
rijstrook die u verlaat geel op het LCD-
display met een interval van 0,8 s.
2. Hoorbare waarschuwing
Als u de rijstrook verlaat, klinkt het
waarschuwingsgeluid met een interval
van 0,8 s.
ODM056079L
ODM056077L

Waarschuwing bij het overschrijden van de
linker rijstrookmarkering
■ Waarschuwing bij het overschrijden van de
rechter rijstrookmarkeringODM046747
ODM056092L
ODM056078L
■ Wanneer de sensor de rijstrookmarkering
signaleert
■ Wanneer de sensor de rijstrookmarkering niet
signaleert

Page 558 of 735

Rijden met uw auto
110
5
Waarschuwingslampje
Als het waarschuwingslampje LDWS
FAIL (geel) gaat branden, werkt het
LDWS niet op de juiste manier. Als dit
gebeurt adviseren we u het systeem telaten controleren door een officiële
HYUNDAI-dealer. Het LDWS werkt niet wanneer:
• De bestuurder de richtingaanwijzer
inschakelt om van rijstrook te
veranderen. Als echter de
alarmknipperlichten in werking zijn,
werkt het LDWS op de normale
manier.
• De ruitenwisserschakelaar in de hoogste stand staat als gevolg van
zware regenval.
• De auto op de rijstrookmarkering rijdt.
✽AANWIJZING
Om van rijstrook te veranderen, bedient
u de richtingaanwijzerschakelaar en
vervolgens verandert u van rijstrook.
Het LDWS waarschuwt u mogelijk
niet, zelfs als de auto de rijstrook
verlaat of waarschuwt u, zelfs als
de auto de rijstrook niet verlaat,wanneer:
• De rijstrook als gevolg van sneeuw, regen, verkleuring, een plas of andere
oorzaken niet zichtbaar is.
• De helderheid van het omgevingslicht plotseling verandert zoals bij het
inrijden of uitrijden van een tunnel.
• De koplampen zelfs in het donker, in een tunnel of in een slecht verlichte
omgeving niet ingeschakeld worden.
• De kleur van de rijstrookmarkering lastig te onderscheiden is ten opzichte
van het wegdek.
• U rijdt op een steile helling of in een bocht.
• Licht (bijvoorbeeld straatverlichting, zonlicht of de koplampen van
tegemoetkomend verkeer) door water
op de weg wordt gereflecteerd.
• De lens of de voorruit is vervuild.
• De sensor de rijstrook niet kan waarnemen als gevolg van mist of
zware regen- of sneeuwval.
• De temperatuur van de omgeving rond de binnenspiegel hoog is als gevolg
van direct zonlicht.
ODM046750L

Page 564 of 735

Rijden met uw auto
116
5
ISG-systeem deactiveren
• Druk op de ISG OFF-knop als u het
ISG-systeem wilt deactiveren. Het lampje in de ISG OFF-knop gaat
branden en er wordt een melding "Auto
Stop OFF" weergegeven op het LCD-
display (indien van toepassing). • Als u opnieuw op de ISG OFF-knop
drukt, wordt het systeem geactiveerden gaat het lampje in de ISG OFF-knop uit. Storing ISG-systeem
Het systeem werkt mogelijk niet
wanneer:
Er een fout optreedt in de ISG- gerelateerde sensoren of het systeem.
ODM046752L
ODM056087L/ODM056088L
■ Type A
■Type B
ODM056115L
ODM056134L

Page 602 of 735

Wat te doen in een noodgeval
12
6
Het waarschuwingslampje positie lage bandenspanning geeft aan
welke band een te lagebandenspanning heeft doordat het
bijbehorende lampje gaat branden.
Wanneer een van deze
waarschuwingslampjes gaat
branden, verminder dan onmiddellijk
snelheid, vermijd scherp aansnijden
van bochten en anticipeer op een
langere remweg. Zet de auto zo snelmogelijk stil en controleer de
banden. Breng de banden op de
juiste spanning zoals aangegeven op
het voertuigplaatje of hetbandenspanningslabel op de
middenstijl aan bestuurderszijde.
Vervang de band met een te lagebandenspanning door het
reservewiel als u geen tankstation
kunt bereiken of als de band lek is. Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdtmet een snelheid hoger dan 25 km/h
na het vervangen van de band meteen te lage bandenspanning door
het reservewiel, doet zich het
volgende voor:
• Het controlelampje storing TPMS
knippert mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor
niet op het reservewiel isgemonteerd.
✽ AANWIJZING
Het reservewiel is niet uitgerust met
een bandenspanningssensor.
OPMERKING
Mogelijk gaat het waarschuwingslampje lage bandenspanning in de winter ofbij koud weer branden als debanden bij warm weer op de aanbevolen spanning zijngebracht. Het betekent niet dathet TPMS defect is, omdat delagere temperatuur een evenredig lagerebandenspanning tot gevolgheeft.
Controleer de bandenspanningen stel deze af op deaanbevolen spanning wanneeru van een warm gebied naar eenkoud gebied of vice versa rijdt, of wanneer debuitentemperatuur aanmerkelijk toe- of afneemt.

Page 604 of 735

Wat te doen in een noodgeval
14
6
Een wiel wisselen met TPMS
Bij een lekke band gaan de
waarschuwingslampjes lagebandenspanning en positie lage
bandenspanning branden. Weadviseren u het systeem te latencontroleren door een officiële
HYUNDAI-dealer.
Ieder wiel is uitgerust met een bandenspanningssensor achter het
ventiel in het wiel. Gebruik wielen die
speciaal geschikt zijn voor TPMS. Wij
raden u aan uw banden door een
officiële HYUNDAI-dealer te laten
nakijken. Wanneer u ongeveer 10 minuten rijdtmet een snelheid hoger dan 25 km/h
na het vervangen van de band meteen te lage bandenspanning door
het reservewiel, doet zich het
volgende voor:
• Het controlelampje storing TPMS
knippert mogelijk gedurende
ongeveer 1 minuut en blijft daarna
branden omdat de TPMS-sensor
niet op het reservewiel isgemonteerd. Mogelijk kunt u de bandenspanningniet beoordelen door alleen naar de
banden te kijken. Gebruik altijd een
bandenspanningsmeter van een
goede kwaliteit om de
bandenspanning te meten. Houd er
rekening mee dat een band die warm
is (door het rijden) een hogerebandenspanning heeft dan een band
die koud is (doordat deze gedurendeten minste 3 uur heeft stilgestaan ofniet meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode).
Laat de band afkoelen alvorens de
bandenspanning te meten. Zorg er
altijd voor dat de band koud is
alvorens deze op de aanbevolenspanning te brengen.
Een koude band houdt in dat de auto gedurende 3 uur heeft stilgestaan ofniet meer dan 1,6 km heeft gereden
gedurende deze periode.
OPMERKING
Gebruik NOOIT
bandenreparatiemiddel om deband met een te lage spanningte repareren. Hetafdichtingsmiddel kan debandenspanningssensoren beschadigen. In dat geval moetu de bandenspanningssensorvervangen.

Page 605 of 735

615
Wat te doen in een noodgeval
WAARSCHUWING - TPMS
• Het TPMS waarschuwt niet voor ernstige en plotselinge
schade aan de banden
veroorzaakt door externe
factoren, zoals spijkers en
dergelijke.
• Als de auto instabiel aanvoelt, haal dan onmiddellijk uw voet
van het gaspedaal, trap het
rempedaal geleidelijk en lichtin en breng uw auto op een
veilige plaats naast de weg totstilstand.WAARSCHUWING
- TPMS BESCHERMEN
Het aanpassen, wijzigen of
uitschakelen van onderdelen
van het
bandenspanningscontrolesyste
em (TPMS) verhindert mogelijk
dat de bestuurder door het
systeem wordt gewaarschuwd
over een te lagebandenspanning en/of
storingen in het TPMS. Door het
aanpassen, wijzigen of
uitschakelen van onderdelen
van het TPMS vervalt mogelijk
de garantie voor dat deel van deauto.WAARSCHUWING
- EUROPA
• Voer geen wijzigingen door aan de auto; deze kunnen de
TPMS-functie beïnvloeden.
• Universele wielen zijn niet voorzien van een TPMS-
sensor.
Voor uw veiligheid adviseren
we u vervangende onderdelen
te gebruiken die zijn geleverd
door een officiële HYUNDAI-
dealer.
• Als u universele wielen onder uw auto monteert, moet u
TPMS-sensoren gebruiken die
goedgekeurd zijn door een
HYUNDAI-dealer. Als uw auto
niet voorzien is van TPMS-
sensoren of als het TPMS niet
goed werkt, kunt u problemen
krijgen bij de APK.
(Vervolg)

Page 624 of 735

Wat te doen in een noodgeval
34
6
Controleren van de bandenspanning
1.Stop, nadat u ongeveer 7 - 10 km
(of ongeveer 10 minuten) hebt
gereden, op een veilige plaats.
2.Sluit slang 9 van de compressor aan op het ventiel van de band.
3.Sluit de compressor met behulp van de kabel en stekkers aan op
de accu van de auto.
4.Stel de bandenspanning in op 200 kPa (29 psi). Schakel het contact in
en ga dan als volgt te werk.
- De bandenspanning verhogen:Zet de schakelaar op de
compressor in stand I. Schakel de
compressor even uit om de huidigebandenspanningsinstelling tecontroleren. - De bandenspanning verlagen:
Druk knop (8) op de compressorin.
WAARSCHUWING
Gebruik de compressor niet
langer dan 10 minuten, omdat
het apparaat anders oververhit
raakt en beschadigd kan raken.WAARSCHUWING
De bandenspanning moet ten
minste 200 kPa (29 psi) zijn. Rijd
niet verder als dat niet het geval
is. Roep in dat geval hulp in.
OPMERKING
Rijd opnieuw een stukje als de band niet op spanning blijft. Volg de aanwijzigen in 'Hetdichtmiddel verdelen'. Herhaaldan de stappen 1 tot en met 4.
Het IMS kan mogelijk nietgebruikt worden bij bandbeschadigingen groter danongeveer 4 mm.
We adviseren u contact op tenemen met een officiële HYUNDAI-dealer als de bandniet gerepareerd kan wordenmet de TireMobilityKit.
OPMERKING
Rijd niet harder dan 60 km/h. Rijd indien mogelijk nietlangzamer dan 20 km/h.
Als u tijdens het rijdenongewone trillingen opmerkt,een abnormaal rijgedrag ervaart of bijgeluiden hoort, verlaagdan uw snelheid en rijdvoorzichtig verder totdat u deauto op een veilige plaats totstilstand kunt brengen. Roep in dat geval hulp in. Wanneer u debandenreparatieset gebruiktkunnen debandenspanningssensoren envelgen door hetafdichtingsmiddel beschadigd raken. Verwijderafdichtingsmiddel van debandenspanningssensoren envan de velg. Wij raden u aan deband te laten controleren door een officiële HYUNDAI-dealer.

Page:   < prev 1-10 ... 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 next >