sport mode MAZDA MODEL 3 HATCHBACK 2015 Handleiding (in Dutch)

Page 92 of 741

3–6
Alvorens te gaan rijden
Sleutels
OPMERKING
 (Met geavanceerde
afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie
(Europese modellen))
 De instelling kan zodanig veranderd
worden dat een pieptoon hoorbaar
wordt voor bevestiging wanneer
de portieren en de achterklep/het
kofferdeksel met behulp van de
sleutel vergrendeld/ontgrendeld
worden.
(Met geavanceerde
afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie
(Behalve Europese modellen))
 Er kan een pieptoon klinken voor
bevestiging wanneer de portieren
en de achterklep/het kofferdeksel
vergrendeld/ontgrendeld worden
met behulp van de sleutel. Indien
gewenst, kan de zoemtoon worden
uitgeschakeld.
 Het volume van de zoemtoon kan
eveneens veranderd worden.
 Zie Gebruikersinstellingen op pagina
9-16 .
OPMERKING
 Verander de instelling aan de hand
van de volgende procedure.
1. Schakel het contact uit en sluit
alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel.
2. Open het bestuurdersportier.
3. Houd binnen 30 seconden na het
openen van het bestuurdersportier
de LOCK toets op de sleutel
gedurende tenminste 5 seconden
ingedrukt.
  Alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel worden vergrendeld
en de pieptoon klinkt met het
huidige ingestelde volume. (Als
pieptoon-uit de huidige actieve
instelling is, zal de pieptoon niet
klinken.) De instelling verandert
telkens wanneer de LOCK toets
op de sleutel wordt ingedrukt
en de pieptoon klinkt met het
ingestelde volume. (Als pieptoon-
uit de actieve instelling is, zal de
pieptoon niet klinken.)
4. Voer een van onderstaande
handelingen uit om de verandering
van de instelling te voltooien:
 


 Wanneer het contact op ACC of
ON wordt gezet.
 


 Sluiten van het
bestuurdersportier.
 


 Openen van de achterklep/het
kofferdeksel.
 


 Wanneer de sleutel gedurende
10 seconden niet wordt
gebruikt.
 


 Indrukken van een willekeurige
toets behalve de LOCK toets op
de sleutel.
 


 Indrukken van een
verzoekschakelaar.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 100 of 741

*Bepaalde modellen.3–14
Alvorens te gaan rijden
Portieren en sloten
Vergrendelen, ontgrendelen met de
sleutel
Alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel worden automatisch
vergrendeld wanneer het
bestuurdersportier met behulp van
de sleutel vergrendeld wordt. Deze
worden alle ontgrendeld wanneer het
bestuurdersportier met behulp van de
sleutel ontgrendeld wordt.
Draai voor vergrendeling de sleutel
naar de voorzijde van de auto en draai
voor ontgrendeling de sleutel naar de
achterzijde van de auto.
VergrendelenOntgrendelen
Dubbel
portiervergrendelingssysteem *
Het dubbele portiervergrendelingssysteem
voorkomt dat iemand die in uw wagen
heeft ingebroken de portieren vanaf de
binnenzijde kan openen.
Raadpleeg een deskundige reparateur, bij
voorkeur een offi ciële Mazda reparateur
in het geval u problemen heeft met het
dubbele portiervergrendelingssysteem.
WAARSCHUWING
Nooit het dubbele
portiervergrendelingssysteem in
werking stellen wanneer er zich nog
passagiers, vooral kinderen, in de
wagen bevinden:
Het is gevaarlijk als het systeem
wordt geactiveerd terwijl er zich
passagiers, vooral kinderen, in de
wagen bevinden. De passagiers kunnen
de portieren niet vanaf de binnenzijde
openen. Zij zouden opgesloten raken
en blootgesteld kunnen worden aan
extreme temperaturen. Dit kan ernstig
letsel, mogelijk met dodelijke afl oop tot
gevolg hebben.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 101 of 741

*Bepaalde modellen.3–15
Alvorens te gaan rijden
Portieren en sloten
Activeren van het systeem
1. Sluit alle ramen en het schuifdak
* .
2. Zet het contact op uit en neem de
sleutel met u mee.
3. Sluit alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel.
4. Steek de sleutel in het
bestuurdersportier, draai de sleutel naar
de vergrendelstand en draai deze naar
de middenpositie terug. Vervolgens de
sleutel binnen 3 seconden nogmaals
naar de vergrendelstand draaien.
Vergrendelstand
Middenpositie
OPMERKING
  U kunt het systeem ook activeren
door de vergrendeltoets op de zender
binnen 3 seconden tweemaal in te
drukken.
 (Met geavanceerde
afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie)
 U kunt het systeem ook activeren
door de verzoekschakelaar binnen 3
seconden tweemaal in te drukken.
5. Het indikatielampje gaat gedurende
ongeveer 3 seconden branden om aan
te geven dat het systeem geactiveerd is.
OPMERKING
Het systeem kan niet worden
geactiveerd wanneer een van de
portieren of de achterklep open is.
Buiten werking stellen van het systeem
Ontgrendel het bestuurdersportier of zet
het contact op ON.
OPMERKING
Als de stroomvoorziening is
onderbroken (zekering is doorgesmolten
of de accu is losgekoppeld), kan het
systeem enkel buiten werking gesteld
worden door een van de portieren met
de sleutel te ontgrendelen.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 103 of 741

3–17
Alvorens te gaan rijden
Portieren en sloten
OPMERKING
  Na het indrukken van de
verzoekschakelaar kan het enkele
seconden duren voordat de portieren
ontgrendeld worden.
 (Europees model) De instelling kan zodanig veranderd
worden dat een pieptoon hoorbaar
wordt voor bevestiging wanneer
de portieren en de achterklep/het
kofferdeksel met behulp van een
verzoekschakelaar vergrendeld/
ontgrendeld worden.
(Behalve Europese modellen) Er wordt een zoemtoon gegeven voor
bevestiging wanneer de portieren
en de achterklep/het kofferdeksel
vergrendeld/ontgrendeld worden met
behulp van de verzoekschakelaar.
Indien gewenst, kan de zoemtoon
worden uitgeschakeld.
 Het volume van de zoemtoon kan
eveneens veranderd worden. Zie
Gebruikersinstellingen op pagina
9-16 .
OPMERKING
 Verander de instelling aan de hand
van de volgende procedure.
1. Schakel het contact uit en sluit
alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel.
2. Open het bestuurdersportier.
3. Houd binnen 30 seconden na het
openen van het bestuurdersportier
de LOCK toets op de sleutel
gedurende tenminste 5 seconden
ingedrukt.
  Alle portieren en de achterklep/het
kofferdeksel worden vergrendeld
en de pieptoon klinkt met het
huidige ingestelde volume. (Als
pieptoon-uit de huidige actieve
instelling is, zal de pieptoon niet
klinken.) De instelling verandert
telkens wanneer de LOCK toets
op de sleutel wordt ingedrukt
en de pieptoon klinkt met het
ingestelde volume. (Als pieptoon-
uit de actieve instelling is, zal de
pieptoon niet klinken.)
4. Voer een van onderstaande
handelingen uit om de verandering
van de instelling te voltooien:




 Wanneer het contact op ACC of
ON wordt gezet.
 


 Sluiten van het
bestuurdersportier.
 


 Openen van de achterklep/het
kofferdeksel.
 


 Wanneer de sleutel gedurende
10 seconden niet wordt
gebruikt.
 


 Indrukken van een willekeurige
toets behalve de LOCK toets op
de sleutel.
 


 Indrukken van een
verzoekschakelaar.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 106 of 741

*Bepaalde modellen.3–20
Alvorens te gaan rijden
Portieren en sloten
Automatische vergrendel-/
ontgrendelfunctie *
WAARSCHUWING
(Met portiervergrendelschakelaar)
Niet aan de binnenste kruk van het
bestuurdersportier trekken:
Tijdens het rijden aan de binnenste
kruk van het portier trekken is
gevaarlijk. De bestuurder kan als het
portier per ongeluk open zou gaan uit
de auto vallen, wat ernstig of dodelijk
letsel kan veroorzaken.
(Zonder portiervergrendelschakelaar)
Niet aan de binnenste kruk van een
voorportier trekken:
Tijdens het rijden aan de binnenste
kruk van een voorportier trekken is
gevaarlijk. Passagiers kunnen als het
portier per ongeluk open zou gaan uit
de auto vallen, wat ernstig of dodelijk
letsel kan veroorzaken.
 


 Bij rijsnelheden hoger dan 20 km/h
worden alle portieren en de achterklep/
het kofferdeksel automatisch
vergrendeld.
 


 Wanneer het contact wordt
uitgeschakeld, worden alle portieren
en de achterklep/het kofferdeksel
automatisch ontgrendeld.
Deze functies kunnen ook worden
uitgeschakeld zodat ze buiten werking
zijn. Veranderen van de instelling van
de automatische vergrendel-/
ontgrendelfunctie met gebruik van
de portiervergrendelschakelaar (Met
portiervergrendelschakelaar)
Het automatisch vergrendelen of
ontgrendelen van de portieren en
de achterklep/het kofferdeksel
kan ingesteld worden door het
selecteren van een van de functies uit
onderstaande tabel en het gebruik van de
bestuurdersportiervergrendelschakelaar op
het binnenste portierpaneel.
OPMERKING
  Voor uw auto is functie nummer 3 de
standaardinstelling.
  Er zijn enkel in totaal vijf automatische
vergrendel-/ontgrendelinstellingen
beschikbaar voor voertuigen
met automatische transmissie
en drie voor voertuigen met
handgeschakelde versnellingsbak.
Druk de ontgrendelzijde van de
bestuurdersportiervergrendelschakelaar
het juiste aantal malen in,
overeenkomstig het nummer van
de geselecteerde functie. Als de
schakelaar bij een voertuig met
automatische transmissie per ongeluk
zesmaal of bij een voertuig met
handgeschakelde versnellingsbak
viermaal wordt ingedrukt, wordt de
procedure geannuleerd. Voer in dit
geval de procedure opnieuw vanaf het
begin uit.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 140 of 741

*Bepaalde modellen.3–54
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
OPMERKING
  Het anti-diefstal beveiligingssysteem
kan ook in staat van paraatheid
gebracht worden door het
activeren van de automatische
hervergrendelfunctie terwijl
alle portieren, de achterklep/het
kofferdeksel en de motorkap gesloten
zijn.
 Zie Zender op pagina 3-5 .   Het systeem wordt buiten werking
gesteld wanneer binnen 20
seconden na het indrukken van de
vergrendeltoets een van de volgende
handelingen wordt uitgevoerd:
 


 Ontgrendelen van een van de
portieren
 


 Openen van een van de portieren
of de achterklep/het kofferdeksel.
 


 Openen van de motorkap.



 Wanneer het contact op ON wordt
gezet.
  Voor het opnieuw in staat van
paraatheid brengen van het systeem,
de procedure voor het in staat
van paraatheid brengen nogmaals
uitvoeren.
  Wanneer de portieren vergrendeld
worden door het indrukken van de
vergrendeltoets op de zender terwijl
het anti-diefstalbeveiligingssysteem
in staat van paraatheid is, zullen
de waarschuwingsknipperlichten
eenmaal knipperen om aan te
geven dat het systeem in staat van
paraatheid is.
Annuleren van de inbraaksensor
Als het anti-diefstal beveiligingssysteem
in staat van paraatheid gebracht is wanneer
er sprake is van een van onderstaande
omstandigheden, de inbraaksensor
annuleren om te voorkomen dat het alarm
onnodig geactiveerd wordt.
(Inbraaksensor)
 


 Wanneer de auto wordt achtergelaten
terwijl er zich een beweegbaar object,
passagiers of huisdieren in bevinden.
 


 Wanneer u een voorwerp in de auto
achterlaat dat heen en weer kan rollen,
zoals bijvoorbeeld wanneer de auto
bij transport op een schuin afl opende,
onstabiele ondergrond geplaatst wordt.
 


 Wanneer kleine voorwerpen/accessoires
in de auto zijn opgehangen, kleding
aan een kledinghaak is opgehangen of
andere voorwerpen zijn aangebracht die
gemakkelijk binnen in de auto kunnen
bewegen.
 


 Bij het parkeren op een plaats waar
zich sterke trillingen of harde geluiden
voordoen.
 


 Bij het gebruik van een hogedruk of
automatische autowasinstallatie.
 


 Wanneer voortdurend schokken
en trillingen van hagel of donder
en bliksem op de auto worden
overgebracht.
 


 Portieren vergrendeld worden terwijl
een raam of het schuifdak * is open
blijven staan.
 


 Een extra verwarming of apparaat dat
luchtstromen en trillingen produceert
in gebruik is, terwijl het anti-diefstal
beveiligingssysteem in staat van
paraatheid gebracht is.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 143 of 741

*Bepaalde modellen.3–57
Alvorens te gaan rijden
Beveiligingssysteem
Werking
Gevallen waarbij het systeem wordt
ingeschakeld
De claxon worden met
tussenpozen ingeschakeld en de
waarschuwingsknipperlichten zullen
gedurende ongeveer 30 seconden
knipperen wanneer het systeem door een
van onderstaande oorzaken in werking
wordt gesteld:
 


 Ontgrendelen van een portier met de
sleutel of een binnenvergrendelknop.
 


 Open forceren van een portier,
de motorkap of de achterklep/het
kofferdeksel.
 


 Wanneer de motorkap met behulp van
de motorkapontgrendelhendel wordt
geopend.
 


 Het contact op ON zetten zonder de
startdrukknop te gebruiken.
Als het systeem opnieuw in werking
wordt gesteld, zal de verlichting en de
claxon geactiveerd worden totdat het
bestuurdersportier of de achterklep/het
kofferdeksel met de zender ontgrendeld
wordt.
(Met geavanceerde sleutel)
De verlichting en de claxon kunnen ook
buiten werking gesteld worden door het
indrukken van de verzoekschakelaar op
een portier.
OPMERKING
Als de accu uitgeput raakt terwijl het
anti-diefstal beveiligingssysteem in
staat van paraatheid is, zal de claxon
geactiveerd worden en zullen de
waarschuwingsknipperlichten gaan
knipperen wanneer de accu geladen of
vervangen wordt.
In staat van paraatheid brengen
van het systeem
1. De ramen en het schuifdak * goed
sluiten.
2. Zet het contact op OFF.
3. Zorg er voor dat de motorkap,
de portieren en de achterklep/het
kofferdeksel gesloten zijn.
4. Druk op de vergrendeltoets op
de zender of vergrendel het
bestuurdersportier vanaf de buitenzijde
met de hulpsleutel.
De waarschuwingsknipperlichten
zullen eenmaal knipperen.
(Met geavanceerde afstandbediende
portiervergrendelingsfunctie)
Druk op een verzoekschakelaar.
Het veiligheidsindikatielampje in het
instrumentenpaneel gaat gedurende
20 seconden tweemaal per seconde
knipperen.
5. Na 20 seconden is het systeem volledig
in staat van paraatheid.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 183 of 741

4–19
Tijdens het rijden
Motor start/stop
OPMERKING
(Automatische transmissie)
 


 De keuzehendel is in de stand D/M (niet in blokkeermodus voor tweede versnelling)
of stand N.
 


 De automatische transmissievloeistof is voldoende opgewarmd.



 De temperatuur van de automatische transmissievloeistof is niet abnormaal hoog.



 De stand van het stuurwiel is zodanig dat de wielen nagenoeg recht vooruit wijzen
(als kracht op het stuurwiel wordt uitgeoefend terwijl de wielen recht vooruit wijzen,
bestaat de kans dat de i-stop functie niet werkt. Verminder uw greep op het stuurwiel
om de i-stop functie te laten werken).
 


 Het rempedaal wordt ingetrapt om de auto te stoppen (als het i-stop indikatielampje
(groen) gaat knipperen zonder dat de i-stop functie in werking treedt, is het mogelijk
dat het rempedaal niet voldoende is ingetrapt. Trap het rempedaal wat krachtiger in
(behalve Europese modellen)).
 


 Er wordt niet plotseling afgeremd.



 De auto wordt niet tot stilstand gebracht op een steile plaats, zoals in een
parkeergarage met meerdere verdiepingen.
 


(SKYACTIV-D 2.2)
 Het leren van de brandstofi nspuiting dat periodiek en automatisch wordt uitgevoerd,
vindt niet plaats.
 
 Als zich één van de volgende omstandigheden voordoet is het mogelijk dat voor het
automatisch stopzetten van de motor extra tijd nodig is.
 


 De accu is uitgeput doordat de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.



 De omgevingstemperatuur is hoog of laag.



 De accukabels werden voor het vervangen van de accu losgekoppeld en vervolgens
weer aangekoppeld.
 


(SKYACTIV-D 2.2)
 Dieseldeeltjes (PM) worden door het dieseldeeltjesfi lter geëlimineerd. 

 Als één van de volgende handelingen wordt uitgevoerd nadat de motor automatisch
is stopgezet, gaat om veiligheidsredenen het i-stop waarschuwingslampje (oranje)
branden en wordt de motor niet automatisch opnieuw gestart als het koppelingspedaal
wordt ingetrapt (handgeschakelde versnellingsbak) of het rempedaal wordt losgelaten
(automatische transmissie). Gebruik in dit geval de standaard motorstartprocedure voor
het starten van de motor.
 


 De motorkap geopend wordt.



 De bestuurder staat op het punt uit te stappen (de veiligheidsgordel van de
bestuurder is losgemaakt en het bestuurdersportier is geopend).
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 191 of 741

4–27
Tijdens het rijden
Motor start/stop
i-stop indikatielampje (groen)
Wanneer het lampje brandt
Dit lampje gaat branden terwijl de i-stop functie bedrijfsklaar of in werking is en de motor
automatisch is stopgezet. Het lampje gaat uit wanneer de motor automatisch opnieuw gestart
wordt.
Wanneer het lampje knippert
 




 Als zich één van de volgende omstandigheden voordoet gaat het lampje tweemaal per
seconde knipperen als veiligheidsmaatregel om de bestuurder te waarschuwen.
 

 
(Europees model)
 Het lampje knippert wanneer het bestuurdersportier wordt geopend en gaat uit nadat het
portier is gesloten.
 

 
(Handgeschakelde versnellingsbak)
 Het lampje knippert wanneer de keuzehendel in een andere stand dan de neutraalstand
wordt gezet zonder het intrappen van het koppelingspedaal en gaat uit nadat de
schakelhendel in de neutraalstand gezet is.
 


(Europees model)
 Als zich één van de volgende omstandigheden voordoet, gaat het lampje eenmaal per
seconde knipperen gedurende een periode van ongeveer drie seconden om de bestuurder
te informeren dat de motor op het punt staat automatisch opnieuw gestart te worden en
vervolgens gaat het lampje uit nadat de motor opnieuw gestart is.
 (Automatische airconditioning met tweevoudige werkingszone)



 
 De temperatuurinstelknop voor het klimaatregelsysteem aan de bestuurderszijde is
ingesteld op de maximale hoogste of laagste stand.
 

 
 Er is een groot verschil tussen de interieurtemperatuur en de ingestelde temperatuur op
het klimaatregelsysteem.
 

 
 De voorruitontwasemingsschakelaar is aan.


 
 Er zijn twee minuten verstreken sinds de i-stop functie in werking is gesteld.


 
 De accu is uitgeput.




(Behalve Europees model)
 Dit lampje knippert eenmaal per seconde als het rempedaal niet met voldoende kracht
wordt ingetrapt. Er kunnen gevallen zijn waarbij u het rempedaal niet met voldoende
kracht hebt ingetrapt. Trap in dit geval het rempedaal wat krachtiger in.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page 235 of 741

*Bepaalde modellen.4–71
Tijdens het rijden
Schakelaars en regelaars
Zonder automatische verlichtingsregeling
Zonder thuiskomstverlichtingsysteem
Schakelaarstand
Contactstand ON ACC of
OFF ON ACC of
OFF ON ACC of
OFF
Koplampen — — — — × ×
Dagverlichting
* × — — — — —
Achterlichten
Positielampen
Kentekenplaatlampen
Instrumentenpaneelverlichting — — × × × ×
×: Aan
—: Uit
Met thuiskomstverlichtingsysteem
Schakelaarstand
Contactstand ON ACC of
OFF ON ACC of
OFF ON ACC of
OFF
Koplampen — — — — × ×
Dagverlichting
* × *1 — — — — —
Achterlichten
Positielampen
Kentekenplaatlampen
Instrumentenpaneelverlichting — — × × × ×
*2
×: Aan
—: Uit
*1 Wanneer dit tijdens het rijden gaat branden.
*2 Als de verlichting brandt en het bestuurdersportier wordt geopend of 30 sec. zijn verstreken, wordt de
verlichting uitgeschakeld.
/C\FCA'(&0#A'FKVKQPKPFD

Page:   1-10 11-20 next >