display Peugeot 206 P 2010 Handleiding (in Dutch)

Page 59 of 107

63
Storing Zij-airbags Activering
De zij-airbags worden aan de desbe-
treffende zijde opgeblazen bij een ern-
stige zijdelingse aanrijding binnen (een
gedeelte van) de impactzone opzij (
B ),
loodrecht op de lengteas van de auto
en vanaf de buitenzijde richting de bin-
nenzijde van de auto.
De zij-airbag wordt opgeblazen tussen
de inzittende en het desbetreffende
portierpaneel.
Registratiezones voor een
aanrijding

A. Impactzone vóór.

B. Impactzone opzij.
Uitschakelen airbag vóór aan
passagierszijde
Schakel voor de veiligheid van uw kind
de airbag vóór aan passagierszijde al-
tijd uit als u een kinderzitje "met de rug
in de rijrichting" op de passagiersstoel
vóór plaatst. Anders kan een kind bij
het
afgaan van de airbag levensgevaarlijk-
gewond raken.

 Zet het contact uit , steek de sleutel
in de schakelaar voor uitschakelen
van de airbag aan passagierszijde,
draai deze in de stand "OFF" en
ver-wijder de sleutel zonder de stand
van de schakelaar te veranderen. Opnieuw inschakelen
Als u het kinderzitje hebt verwijderd,
zet dan de schakelaar op
"ON" om de
airbag weer in te schakelen en zo de
veilig-heid van uw passagier te garan-
deren.
De zij-airbags beschermen de bestuur-
der bij een ernstige zijdelingse aan-
rijding, om de kans op borstletsel te
verkleinen.
De zij-airbag is aangebracht aan de zij-
de van het portier in de rugleuning van
de voorstoel. Als het contact is aangezet, blijft
het verklikkerlampje op het in-
strumentenpaneel branden zo-
lang de airbag is uitgeschakeld.
Als dit verklikkerlampje op het
instrumentenpaneel gaat bran-
den in combinatie met een ge-
luidssignaal en een melding op
het multifunctionele display, laat dan de
airbags door het PEUGEOT-netwerk
controleren. In de stand
"OFF" werkt de airbag aan
passagierszijde bij een eventuele aan-
rijding niet.

Page 64 of 107

!
68
Draai bij het parkeren van de auto
op een helling de wielen vast tegen
het trottoir, trek de parkeerrem aan
en schakel een versnelling in.
PARKEERREM
Aantrekken

 Trek de hefboom van de parkeer-
rem volledig aan om uw auto stil te
zetten. Als tijdens het rijden dit ver-
klikkerlampje en het verklik-
kerlampje
STOP branden in
combinatie met een geluids-
signaal en een melding op het multi-
functionele display, geeft dit aan dat de
parkeerrem nog (iets) is aangetrokken.
Loszetten

 Trek de hefboom van de parkeerrem
licht omhoog, druk de ontgrendel-
knop in en duw de hefboom geheel
omlaag.

Page 65 of 107

i
69
SNELHEIDSREGELAAR
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een constante
ingestelde snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Het inschakelen van de snelheidsrege-
laar geschiedt handmatig. Om de snel-
heidsregelaar te kunnen inschakelen,
moet de ingestelde snelheid minimaal
40 km/h bedragen en moet minimaal de
vierde versnelling zijn ingeschakeld.
Het uitschakelen van de snelheids-
regelaar geschiedt handmatig met de
hendel, door het rem- of koppelingspe-
daal in te trappen of om veiligheidsre-
denen door activering van het ESP.
Door het gaspedaal in te trappen, kan
de ingestelde snelheid tijdelijk worden
overschreden.
Om weer terug te keren naar de inge-
stelde snelheid is het voldoende het
gaspedaal los te laten.
Na het afzetten van het contact worden
alle ingestelde snelheden gewist. De bediening van de snelheidsregelaar
is ondergebracht in de hendel
A .

1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsregelaar

2. Toets voor het programmeren van
een snelheid en het verlagen van de
ingestelde snelheid

3. Toets voor het programmeren van
een snelheid en het verhogen van
de ingestelde snelheid

4. Toets voor het uitschakelen / hervat-
ten van de snelheidsregeling De informatie van de snelheidsregelaar
wordt weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.

5. Snelheidsregelaar uitschakelen /
hervatten van de snelheidsregeling

6. Snelheidsregelaar geselecteerd

7. Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display
Bij het gebruik van de snelheidsre-
gelaar moet de bestuurder te allen
tijde de snelheidslimiet in acht ne-
men, zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen en zijn verantwoor-
delijkheid nemen.
Het is raadzaam uw voeten in de
buurt van de pedalen te houden.

Page 66 of 107

!
70
Programmeren

 Draai de knop 1 in de stand

"CRUISE" : de snelheidsregelaar
is geselecteerd, maar nog niet in-
geschakeld (OFF).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de in-
gestelde snelheid op het display knipperen.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch
als de snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelhei d.
Uitschakelen van de functie

 Draai de knop 1 in de stand "0" : de selectie van de snel-
heidsregelaar wordt ongedaan gemaakt. Op het display
wordt weer de kilometerteller weergegeven.
 Stel de snelheid in door de wa-
gensnelheid op het gewenste ni-
veau te brengen en vervolgens
op de toets 2 of 3 te drukken (bijv.:
110 km/h).

 Uitschakelen van de snelheidsregelaar: druk op de
toets 4: het uitschakelen wordt bevestigd op het dis-
play (OFF).

 Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nog-
maals op de toets 4 .
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de
toetsen
2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden. Storing
In het geval van een storing in de snel-
heidsregelaar wordt de ingestelde snel-
heid gewist en knipperen de streepjes
op het display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Let tijdens het gebruik van de snel-
heidsregelaar op wanneer u de snel-
heid met de toetsen instelt; dit kan
een plotselinge verandering van de
wagensnelheid veroorzaken.
Gebruik de snelheidsregelaar niet
op gladde wegen of bij zeer druk
verkeer.
Bij een steile afdaling kan de snel-
heidsregelaar niet voorkomen dat
de ingestelde snelheid wordt over-
schreden.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- controleer of de mat goed op zijn plaats ligt,
- gebruik nooit meer dan één mat per plaats.

Page 67 of 107

71
SNELHEIDSBEGRENZER
De snelheidsbegrenzer voorkomt dat
de wagensnelheid de door de bestuur-
der ingestelde maximumsnelheid over-
schrijdt.
Als de ingestelde maximumsnelheid is
bereikt, heeft het dieper intrappen van
het gaspedaal geen effect.
Het inschakelen van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt handmatig: de inge-
stelde snelheid dient minimaal 30 km/h
te bedragen.
Het uitschakelen van de snelheidsbe-
grenzer geschiedt eveneens handmatig
met de hendel.
Door het gaspedaal tot voorbij het zwa-
re punt in te trappen, kan de ingestelde
snelheid tijdelijk worden overschreden.
Als het gaspedaal vervolgens gelei-
delijk weer wordt losgelaten en de
wagensnelheid onder de ingestelde
maximumsnelheid komt, wordt de snel-
heidsbegrenzer weer geactiveerd.
De ingestelde maximumsnelheid blijft
na het afzetten van het contact opge-
slagen in het geheugen.
Bij het gebruik van de snelheidsbegren-
zer moet de bestuurder te allen tijde de
snelheidslimiet in acht nemen, zijn aan-
dacht op het verkeer blijven vestigen en
zijn verantwoordelijkheid nemen. De bediening van de snelheidsbegren-
zer is ondergebracht in de hendel
A .

1. Knop voor het selecteren van de
snelheidsbegrenzer

2. Toets voor het verlagen van de inge-
stelde snelheid

3. Toets voor het verhogen van de in-
gestelde snelheid

4. Toets voor het in-/uitschakelen van
de snelheidsbegrenzing De informatie van de snelheidsbegren-
zer wordt weergegeven op het display
van het instrumentenpaneel.

5. Snelheidsbegrenzing AAN/UIT

6. Snelheidsbegrenzer geselecteerd

7. Ingestelde snelheid
Stuurkolomschakelaars Weergave op het display

Page 68 of 107

!
72
Programmeren

 Draai de knop 1 in de stand

"LIMIT" : de snelheidsbegrenzer
is geselecteerd, maar nog niet in-
geschakeld (OFF).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Als het gaspedaal met kracht wordt ingetrapt, tot voorbij het

zware punt , wordt de begrenzer tijdelijk uitgeschakeld en
gaat de ingestelde snelheid op het display knipperen.
Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de sne l-
heid niet verhoogd.
Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automati sch
als het gas wordt losgelaten. Uitschakelen van de functie

 Draai de knop 1 in de stand "0" : de
selectie van de snelheidsbegrenzer
wordt ongedaan gemaakt. Op het
display wordt weer de kilometertel-
ler weergegeven.
Er kan een snelheid worden inge-
steld zonder de begrenzer in te
schakelen.

 Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals
op de toets 4 : het uitschakelen wordt bevestigd op het
display (OFF).

 Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nog-
maals op de toets 4 .

 Stel de snelheid in door op de toets 2 of 3 te drukken
(bijv.: 90 km/h).
U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met de
toetsen 2 en 3 :
- +/- 1 km = kort indrukken,
- +/- 5 km = lang indrukken,
- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

 Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de
toets 4 . Storing
In het geval van een storing in de snel-
heidsbegrenzer wordt de ingestelde
snelheid gewist en knipperen de streep-
jes op het display.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk.
Bij een steile afdaling of bij het
krachtig intrappen van het gaspe-
daal kan de snelheidsbegrenzer
niet voorkomen dat de ingestelde
snelheid wordt overschreden.
Om te voorkomen dat de pedalen
blijven hangen:
- controleer of de mat goed op zijn plaats ligt,
- gebruik nooit meer dan één mat per plaats.

Page 84 of 107

88

Zekering Ampère
Functies
1 - Niet gebruikt
4 20A Multifunctioneel display - bagageruimt everlichting - autoradio - stuurkolomschakelaars - trekhaak
5 - Niet gebruikt
6 10A Koelvloeistofniveaumeter - autoradio
7 15A Dubbele bediening lesauto - naderhand ing ebouwd alarmsysteem
9 - Niet gebruikt
10 40A Achterruitverwarming 11 15A Ruitenwisser achter
12 30A Elektrisch bediende ruiten vóór
14 10A Servicecentrale motor - airbags - stuurkolomschakelaars - re gensensor
15 15A Instrumentenpaneel - multifunctioneel displa y - airconditioning - autoradio
16 30A Bediening centrale portiervergrendeling
20 10A Remlicht rechts
21 15A Remlicht links - derde remlicht
22 20A Plafonnier vóór - 12 V-aansluiting
S1 Shunt Shunt PARC

Page 88 of 107

!i
92
ECO-MODE
Nadat de motor is afgezet wordt, als het
contact in de stand accessoires staat,
een aantal elektrische voorzieningen
(ruitenwissers, plafonniers, autoradio,
dimlichten, enz.) na maximaal onge-
veer een kwartier automatisch uitge-
schakeld, om te voorkomen dat de accu
ontladen raakt.
Op dat moment verschijnt de melding

“Eco-mode actief” op het multifunctio-
nele display en de actieve functies wor-
den in de ruststand gezet.
Deze functies worden automatisch weer
ingeschakeld zodra de motor wordt ge-
start.
Start de motor en laat deze enkele
ogenblikken draaien om de bovenge-
noemde voorzieningen weer meteen te
kunnen gebruiken.
De beschikbare tijd bedraagt dan het
dubbele van de tijd dat de motor heeft
gedraaid. Deze tijd zal echter altijd tus-
sen de 5 en 15 minuten bedragen.
Als de accu ontladen is, kan de
motor niet gestart worden.
SLEPEN VAN DE AUTO
Procedure om de auto te laten slepen.
Slepen van uw auto

 Maak het klepje in de voorbumper
los om het sleepoog te bereiken.

 Schakel de alarmknipperlichten van
uw auto in.

 Zet de versnellingshendel in de neu-
traalstand. Slepen van een andere auto
Het niet opvolgen van deze bij-
zonderheid kan er toe leiden dat
bepaalde onderdelen van het rem-
systeem beschadigd raken en dat
de rembekrachtiger na het starten
niet meer werkt.

Page 101 of 107

10
105
ALGEMENE FUNCTIES
Aan/uit
Druk, als het contact
AAN is of in de stand
ACCESSOIRES staat,
op de knop A om de ra-
dio aan of uit te zetten.
Diefstalbeveiliging
De radio is zodanig gecodeerd dat deze
alleen in uw auto functioneert. Het heeft
geen enkele zin de radio in een andere
auto te monteren.

De diefstalbeveiliging is volledig au-
tomatisch en behoeft daarom niet te
worden ingeschakeld of ingesteld
.
VOLUMEREGELING
Druk herhaaldelijk op de toets C om het
volume te verhogen en op de toets B
om het te verlagen.
Door langer op de toetsen C en B te
drukken wordt het volume sneller gere-
geld.
AUDIO-INSTELLINGEN
Druk herhaaldelijk op
de toets G om achter-
eenvolgens de bassen

(BASS) , de hoge tonen

(TREB) , de loudness-
functie (LOUD) , de fader

(FAD) , de balans (BAL)
en de automatische aan-
passing van het volume
te kiezen.
Deze functie wordt na enkele seconden
automatisch weer uitgeschakeld als er
geen instellingen gewijzigd worden of
door de toets G na het bereiken van
de functie voor de automatische aan-
passing van het volume nogmaals in te
drukken. Bassen
Druk, als er “BASS” op
het display wordt weer-
gegeven, op de toets H
of I om de bassen in te
stellen.
- “BASS -9”
: minimum-
instelling bassen,
- “BASS 0”
: normale
stand,
- “BASS +9” : maximuminstelling
bassen.
Hoge tonen
Druk, als er “TREB” op het display
wordt weergegeven, op de toets H of I
om de hoge tonen in te stellen.
- “TREB -9”: minimuminstelling hoge
tonen,
- “TREB 0”: normale stand,
- “TREB +9”: maximuminstelling hoge
tonen.
Loudness-functie (LOUD)
Met deze functie kunnen de bassen en
hoge tonen bij een gering volume ver-
sterkt worden.
Druk op de toetsen H of I om de functie
in of uit te schakelen.

Opmerking: de instellingen voor de
bassen, de hoge tonen en de loudness
zijn gekoppeld aan de op dat moment
ingeschakelde geluidsbron. Zo kan de
toonhoogte voor de radio of CD-speler
verschillend worden ingesteld.

De radio kan gedurende 30 minuten
werken zonder dat het contact aan-
staat
.

Page 102 of 107

10
106
Faderregeling
Druk, als er “FAD” op het display wordt
weergegeven, op de toets H of I .
Met de toets H wordt het volume vóór
versterkt.
Met de toets I wordt het volume achter
versterkt.
Balansregeling
Druk, als er “BAL” op het display wordt
weergegeven, op de toets H of I .
Met de toets H wordt het volume rechts
versterkt.
Met de toets I wordt het volume links
versterkt.
Automatische volumeregeling
Met deze functie wordt het volume au-
tomatisch aangepast aan het geluidsni-
veau ten gevolge van de snelheid van
de auto.
Druk op de toets H of I om de functie
in- of uit te schakelen. RADIOFUNCTIE
Opmerkingen over de radio-ontvangst
De ontvangst van uw autoradio wijkt af
van de ontvangst van uw radio thuis. De
ontvangst van AM- (middengolf) en FM-
zenders (frequentiemodulatie) kan door
diverse oorzaken worden gestoord. Dit
ligt niet aan de kwaliteit van het appa-
raat, maar aan de opbouw van de radio-
signalen en de wijze van verzenden.
Bij AM-zenders kunnen er storingen
optreden als er onder hoogspannings-
kabels, in tunnels of onder viaducten
wordt gereden.
Bij FM-zenders kunnen de afstand van
de zender, de refl ectie van het signaal
door grote obstakels (bergen, gebou-
wen, enz.) en het zenderbereik oorzaak
zijn van een mindere ontvangst. Selecteren van de radiofunctie
Druk op de toets O .
Selecteren van het golfbereik Druk kort op de toets O
om de golfl engte FM1,
FM2, FMast of AM te
kiezen.

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30 31-40 next >