ESP Peugeot 208 2013 Handleiding (in Dutch)

Page 3 of 332

WELKOM
Waarschuwing:
dit symbool geeft waarschuwingen weer die u absoluut dient te respecteren omwille van uw veiligheid en die van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen.
Informatie:
dit symbool vestigt uw aandacht opaanvullende informatie die u helpt de gebruiksmogelijkheden van uw autooptimaal te benutten.


Bescherming van het
milieu:
dit symbool verschijnt bij adviezen met betrekking tot de bescherming van het milieu.
Verwijzing:
dit symbool ver wijstnaar de bladzijde
waar meer informatie over de desbetreffende functie is te vinden.
Wi
j danken u voor uw keuze voor de 208.


Dit instructieboek
je is ontwikkeld om u
in de
gelegenheid te stellen onder alle
omstandigheden optimaal gebruik te maken
van de mogelijkheden van uw auto.
In het eerste deel van het boekje is de
belangrijkste informatie samengevat om u in
kor te tijd ver trouwd te maken met de bedieningvan uw auto.
Ver volgens komen alle details van uw auto
op het gebied van comfor t, veiligheid enpraktische informatie uitgebreid aan bod, zodat
u en uw passagiers maximaal van de auto kunnen genieten.
Uw auto kan, a
fhankelijk van het
uitrustingsniveau en de specifieke kenmerken
voor het land waarvoor uw auto bestemdis, slechts van een deel van de in dit boekje
vermelde uitrustingen zijn voorzien.

Page 5 of 332

.
.
Inhoud
Richtingaanwijzers 125Alarmknipperlichten 125Urgence-oproep of Assistance-oproep 126Claxon 126ESP 127Veiligheidsgordels 130Airbags 133Kinderzitjes 137ISOFIX-kinderzitjes 143Kinderbeveiliging 146
Veiligheid
Bandenreparatieset 147Wiel ver wisselen 153Sneeuwkettingen 160Een lamp vervangen 161Zekering ver vangen 16812V-accu 174Eco-mode 177Wisserbladen vervangen 178Slepen van de auto 179Trekken van een aanhanger 181Allesdragers monteren 183Onderhoudstips 184Accessoires 185
Praktische informatie
Motorkap 188Benzinemotoren 189Dieselmotoren 190Brandstoftank 191Vulpistoolrestrictie (diesel) 193Brandstoftank leeg (diesel) 195Niveaus controleren 196Controles 199
Onderhoud
Benzinemotoren 201Gewichten (benzine) 203Dieselmotoren 206Gewichten (diesel) 208Afmetingen 211Identificatie 212
Technische gegevens
Urgence-oproep of Assistance-oproep 213Touchscreen 215Autoradio / Bluetooth 275Autoradio 301
Audio en telematica
Visuele index
Index

Page 33 of 332

1
31
Controle tijdens het rijden
ControlelampjeStatusOorzaakActies / Opmerkingen
Motoroliedruk
permanent.Er is een storing in de motorsmering. Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.
Parkeer de auto, zet het contact af en raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Laadstroomaccu permanent. Er is een storing in het
laadstroomcircuit van de accu (ver vuilde of losgeraakte
accuklemmen, aandrijfriem dynamo
ontspannen of gebroken...). Het lamp
je moet bij het starten van de motor uitgaan.
Parkeer de auto op een veilige plek.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.



Laag brandstofniveau
permanent, met de
wijzer in het rodegebied.Er zit er no
g ongeveer 5 literbrandstof in de tank.Vanaf dit moment worden de
laatste liters brandstof in de tank
aangesproken. Ga zo snel mo
gelijk tanken om te voorkomen dat umet een lege tank strandt.
Dit controlelampje gaat elke keer na het aanzetten
van het contact branden zolan
g er niet voldoende
brandstof getankt is.
Inhoud brandstoftank: ongeveer 50 liter.r Rijd nooit door tot de tank helemaal leeg is,hierdoor kunnen het emissieregelsysteem en het
injectiesysteem beschadigd raken.
knipper t met de wi
jzer
in het rode
gebied.Er zit no
g een minimale hoeveelheid
brandstof in de tank.

Page 34 of 332

32
Controle tijdens het rijden
ControlelampjeStatusOorzaakActies / Opmerkingen
Airbagstijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact
wordt aangezet. Het lamp
je moet doven zodra de motor wordt gestart.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats als dit niet het geval is.
permanent.
Er is een storing in een van de airbags of de pyrotechnische gordelspanners.Laat dit controleren door het PE
UGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Stuurbekrachtigingpermanent. Er is een storing met betrekking tot
de stuurbekrachtiging. Rijd voorzichtig en met lage snelheid.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Veiligheidsgordel(s)niet vastgemaakt of weerrlosgemaaktt
permanent, en
knippert vervolgens
in combinatie met een
in volume toenemend geluidssignaal.
Een van de veiligheidsgordels is niet
vastgemaakt of weer losgemaakt. Trek aan de gordel en klik de gesp vast in de gesphouder.
Een of meer portierrengeopend
permanent, in combinatie met een melding die het
desbetreffende portier
aan
geeft, bij een snelheidlager dan 10 km/h.
Een por tier of de achterklep is niet goed gesloten. Sluit het desbetreffende carrosseriedeel.
permanent, in combinatie
met een melding die
h
et desbetreffende
portier aangeeft en een geluidssignaal, bij eensnelheid hoger dan 10 km/h.

Page 94 of 332

92
Rijden
Handmatig schakelen
)Selecteer de stand M om sequentieel
te
sc
hakelen tussen de vier versnellingen. )Duw de selectiehendel naar het symbool +om één versnelling op te schakelen. )Trek de selectiehendel naar het symbool -om één versnelling terug te schakelen.
Het schakelen naar een andere versnellingkan alleen als de snelheid van de auto enhet toerental van de motor dit toestaan,anders wordt er tijdelijk overgegaan op de automatische bediening.

Op het instrumentenpaneel verdwijnt
de aanduiding Den verschijnen
achtereenvolgens de ingeschakelde
versnellingen.

Onjuiste waarde bij handmatigebediening
Dit symbool verschijnt als een
versnelling niet goed is ingeschakeld
(de selectiehendel bevindt zich
tussen twee standen in).


Parkeren van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel in de stand P
of N
bewegen om de neutraalstand te selecteren.
Trek in beide gevallen de handrem aan om de auto stil te zetten.


Storing
Als bij aangezet contact dit
verklikkerlampje gaat branden incombinatie met een geluidssignaal en een
waarschuwingsmelding op het display, duidt dit
op een storing in de versnellingsbak.
In dit geval werkt de versnellingsbak met eennoodprogramma en blijft de 3e versnelling ingeschakeld. U kunt dan een hevige schokvoelen bij het selecteren van Rvanuit de stand P, of PRvanuit de stand N . Dit beschadigtde versnellingsbak niet.
Rijd niet harder dan 100 km/h (afhankelijk van
de geldende snelheidslimiet).
Raadpleeg zo snel mogelijk het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.

Als het motortoerental te laag of te hoog is,
knippert de geselecteerde versnelling enkele
seconden en ver volgens wordt de werkelijk
ingeschakelde versnelling weergegeven.
Er kan elk moment van de stand D (rijden in deautomatische stand) naar de stand M
(rijden in
de handbediende stand) worden geschakeld.
Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de
versnellingsbak automatisch de stand M1.De programma's Sport en Sneeuw kunnen niet
worden ingeschakeld in de handbediende stand.

De automatische versnellingsbak kanbeschadigd raken:


- als u gelijktijdig het gas- en hetrempedaal intrapt,

- als u, wanneer de accu geen stroom lever t, de selectiehendelgeforceerd in de stand P
of eenandere stand zet.
Als u langere tijd stilstaat met draaiende
motor (files...), kunt u, om brandstof te besparen, de selectiehendel in de standN
zetten en de handrem aantrekken.


Als de selectiehendel niet in de stand P
staat, verschijnt bij hetopenen van het bestuurdersportier of na ongeveer 45 seconden een waarschuwingsmelding op het display.)Zet de selectiehendel in de stand P
;
de melding verdwijnt.

Page 111 of 332

109
5
!
Zicht
Als de buitenspiegels zijn ingeklapt met behulp van de schakelaar A , worden ze niet automatischuitgeklapt als de auto wordt ontgrendeld. Treknogmaals de schakelaar A
naar achteren om de Abuitenspiegels uit te klappen.


Het automatisch in- en uitklappen van de buitenspiegels kan wordengedeactiveerd door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerdewerkplaats.
Klap de buitenspiegels in als u uw auto in een automatische autowasstraat laatwassen.



Inklappen



- Automatisch: vergrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel.

- Handmatig: trek bij aangezet contact deschakelaar Anaar achteren.

Uitklappen



- Automatisch: ontgrendel de auto met deafstandsbediening of de sleutel.

- Handmatig: trek bij aangezet contact deschakelaar Anaar achteren.

Automatisch dimmende binnenspiegel


Dankzij een sensor die de hoeveelheid licht die
vanaf de achterzijde van de auto op de spiegel
valt meet, gaat de binnenspiegel geleidelijk en
automatisch over van de dag- in de nachtstand. Verstelbare spiegel voor het zicht recht achter
de auto.
De binnenspiegel is voorzien van
een nachtstand waardoor de spiegel
donkerder wordt en de bestuurder minder hinder ondervindt van de zon en vankoplampverlichting van achteropkomend
verkeer ...
Binnenspiegel
Binnenspiegel met handbediende dag-/nachtstand
Verstellen
) Stel de spiegel af als deze in de dagstand
staat.

Dag-/nachtstand
)
Trek aan het hendeltje om de spiegel in de
nachtstand te zetten.) Duw het hendeltje naar voren om despiegel terug te zetten in de dagstand.



Zodra de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt de spiegel in dedagstand gezet voor een maximaal zicht naar achteren.

Om veiligheidsredenen moeten despiegels zo zijn ingesteld dat de "dode hoek" zo klein mogelijk is.

Page 129 of 332

127
6
Veiligheid
Elektronisch stabiliteitsprogramma dat de
volgende systemen omvat:


- het antiblokkeersysteem (ABS) en de elektronische remdrukregelaar (EBD),

- noodremassistentie (AFU),

- de antislipregeling (ASR),

- de dynamische stabiliteitscontrole (CDS).





























Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar (EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto en voor een betere controle in bochten,
vooral op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in het geval van een noodstop.
De EBD verdeelt de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (AFU)
Dit systeem zorgt ervoor dat in noodgevallen de
optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat
de remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt ingeschakeld als hetrempedaal snel wordt ingetrapt en zorgt ervoor dat de benodigde bedieningskracht wordt
verminderd en de effectiviteit van het remmenwordt vergroot.

Antislipregeling (ASR)

De ASR past de aandrijfkracht aan om het
doorspinnen van de wielen te voorkomen
via de remmen van de aan
gedreven wielen en de motor. De ASR zorgt ook voor meer koersstabiliteit bij het accelereren.

Dynamische stabiliteitscontrole (CDS)

De CDS houdt de vier wielen in de gaten en
grijpt, als de koers van de auto afwijkt van
de door de bestuurder gewenste richting,automatisch in via de remmen van een of
meerdere wielen en het motorkoppel om de
auto voor zover mogelijk weer in de juiste koers
te brengen.

Page 132 of 332

130
Veiligheid
Veiligheidsgor dels
Veiligheidsgordels vóór
Vastmaken
)
Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.)
Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door even aan de riem te
trekken.



Losmaken
)
Druk op de rode knop van de gordelsluiting.)
Houd de gordel vast ter wijl deze zichoprolt.

De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien vaneen pyrotechnische gordelspanner en eenspankrachtbegrenzer.
Deze systemen zorgen voor extra bescherming van
de bestuurder en passagier bij frontale en zijdelingseaanrijdingen. Bij een krachtige aanrijding zorgen
de pyrotechnische gordelspanners ervoor dat de
veiligheidsgordels stevig tegen de lichamen van de
inzittenden worden getrokken.
De pyrotechnische gordelspanners zijn actief zodra het contact wordt aangezet.
De spankrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee
de gordel tegen het lichaam van de inzittendengetrokken wordt en bevordert daarmee de veiligheid.



Hoogteverstelling (5-deurs)
)Knijp de knop A
in en schuif deze omlaagom het bevestigingspunt lager te plaatsen. )Schuif de knop A
omhoog om het
bevestigingspunt hoger te plaatsen.

Page 133 of 332

131
6
Veiligheid
Veiligheidsgordels achter
De zitplaatsen achter zijn voorzien van een
driepuntsveiligheidsgordel met op de buitenste zitplaatsen een spankrachtbegrenzer. Als het contact wordt aan
gezet, gaat
dit controlelampje branden.

Controlelampje veiligheidsgordel
losgemaakt/niet vastgemaakt (op instrumentenpaneel)
Vastmaken
)
Trek aan de gordel en steek de gesp in degordelsluiting.)
Controleer of de gordel goed is
vastgemaakt door even aan de riem te
trekken.

Losmaken
)
Druk op de rode knop van de gordelsluiting. )
Houd de gordel vast ter wijl deze zich
oprolt.) Breng bij de veiligheidsgordels van
de buitenste zitplaatsen de gesp naar
de bovenzijde van de rugleuning om
te voorkomen dat de gesp tegen de
zijbekleding klappert.
Waarschuwingslampje veiligheidsgordel (op instrumentenpaneel)

Als de snelheid hoger is dan 20 km/h,
knipper t dit waarschuwingslampje gedurende twee minuten in combinatie
met een steeds sterker wordendgeluidssignaal als een of meerdere
achterpassagiers hun gordels losmaken.
Na deze twee minuten blijft het
waarschuwingslampje branden zolang de
achterpassagiers hun gordels niet hebben
vastgemaakt.

Als de voorpassagier zijn gordel nog niet heeft
vastgemaakt, blijft dit lampje een bepaalde tijd
branden. Na het verstrijken van deze tijd gaat het lampje uit als de bestuurder zijn gordelheeft vastgemaakt.
Als de snelheid hoger is dan 20 km/h en
de bestuurder en/of de voorpassagier zijn
veiligheidsgordel nog niet heeft vastgemaakt, knippert het controlelampje gedurende
2 minuten in combinatie met een steeds sterker wordend geluidssignaal. Na deze
2 minuten blijft het controlelampje branden
zolang de bestuurder en/of voorpassagier zijn
veiligheidsgordel niet heeft vastgemaakt.

Page 134 of 332

132
Veiligheid



Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder te controleren of alle passagiers hunveiligheidsgordel goed hebben omgedaan en
vastgemaakt. Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het een korte rit.
Draai de gespen van de veiligheidsgordels niet om; de gordels zijn dan niet voldoendeeffectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een oprolautomaat die ervoor zorgt dat de lengtevan de gordel automatisch wordt aangepast aan de lichaamsbouw van de gebruiker. Degordel wordt automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van de gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het bekken worden geplaatst. De schoudergordel moet langs het holle gedeelte van de schouder worden geplaatst. De oprolautomaten zijn voorzien van een automatische blokkeerinrichting die in werking treedt bij een aanrijding, een noodstop of het over de kop slaan van
de auto. U kunt de blokkeerinrichtingdeblokkeren door stevig aan de riem te trekken en deze weer los te laten, zodat de riem weer een stukje wordt opgerold.
Voorschriften voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 1,50 m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer danéén persoon gedragen worden. Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het rijden.

Voor een ef fec tieve wer king van deveiligheidsgordel:


- dient deze strak om het lichaam teworden gedragen,

- moet deze in een vloeiende bewegingnaar voren worden getrokken, zonder dat de gordel gedraaid raakt,

- mag deze door niet meer dan één persoon worden gedragen,

- mag deze geen beschadigingen of rafelsvertonen,

- mag er om te voorkomen dat de gordel niet goed werkt, niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijkeveiligheidsvoorschriften moetenwerkzaamheden en controles aan de veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het PEUGEOT-netwerk of eengekwalificeerde werkplaats, die tevens voor de garantie zorgt en de werkzaamheden volgens de voorschriften uitvoert.
Laat de veiligheidsgordels van uw autoregelmatig controleren door het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,vooral als de gordels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsopof een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het PEUGEOT- net wer k .
Controleer na het neerklappen of verstellen van een stoel of de achterbank of de gordel zich opde juiste plaats bevindt en goed is opgerold.
Bij aanrijdingen
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van de aard en de kracht van de aanrijding
, vóór en onafhankelijk van de airbags afgaan. Het activeren van de gordelspanners gaatgepaard met wat onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de activering van de pyrotechnische lading die in het systeem isgeïntegreerd.In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van de airbag branden. Laat het systeem na een aanrijdingcontroleren en eventueel vervangen door het PEUGEOT- net wer k of een gekwalificeerde werkplaats.

Page:   1-10 11-20 21-30 31-40 41-50 ... 50 next >