ESP Peugeot 307 2002 Handleiding (in Dutch)

Page 65 of 128

De gordel heeft het mees- te effect als deze strak omhet lichaam gedragenwordt.
De gordelspanners kunnen,afhankelijk van de aard en dekracht van de aanrijding, v——r enonafhankelijk van de airbagsafgaan. Het verklikkerlampje van de air- bag op het instrumentenpaneelgaat in ieder geval branden. Laat het systeem na een aanrij- ding controleren door een
PEUGEOT-servicepunt. Het systeem is ontworpen om 10 jaar volledig operationeel tezijn. Laat het daarna vervangen.
VEILIGHEIDSGORDELS Hoogteverstelling van de veiligheidsgordels v——r Druk de knop 1in om het
bovenste bevestigingspunt omlaag te schuiven,
Schuif de knop 1omhoog om het
bovenste bevestigingspuntomhoog te schuiven.
Veiligheidsgordels omdoen Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting. Veiligheidsgordels v——r metpyrotechnischegordelspanners engordelkrachtbegrenzers Dankzij de toepassing van veili- gheidsgordels met gordelspannersen gordelkrachtbegrenzers is de vei-ligheid van de voorste inzittenden bijfrontale aanrijdingen nog verder ver-beterd. De gordelspanners dienenom, afhankelijk van de kracht van deaanrijding, de veiligheidsgordels ste-vig tegen de lichamen van de inzit-tenden te trekken. De veiligheidsgordels met gordel- spanners werken alleen als hetcontact is aangezet. De gordelkrachtbegrenzer beperkt de kracht waarmee de gordel tegenhet lichaam van de inzittende getrok-ken wordt.
Veiligheidsgordels achter De zitplaatsen achter zijn voorzien van drie driepuntsgordels met oprol-automaat. De gordels van de bui-tenste zitplaatsen zijn voorzien van
een gordelkrachtbegrenzer.
UW 307 IN DETAIL
64

Page 90 of 128

Automatische bediening Automatisch schakelen in de vier
versnellingen :
selecteer de stand Din het scha-
kelpatroon.
De versnellingsbak kiest voortdu- rend de meest geschikte versnellingafhankelijk van de volgende parame-ters:
- de rijstijl,
- het profiel van de weg,
- de belading van de auto. De versnellingsbak werkt dan auto- matisch, zonder dat u zelf hoeft teschakelen.
LET OP Zet de selectiehendel nooit in de stand Nals de auto rijdt.
Zet de selectiehendel nooit in destand Pof Rals de auto niet volledig
stilstaat. Zet de selectiehendel nooit in een andere stand om af te remmen opeen glad wegdek. Opmerkingen
Voor een maximale acceleratie zon- der de stand van de selectiehendelte wijzigen, moet het gaspedaal vol-ledig worden ingedrukt (kick down).De versnellingsbak schakelt automa-tisch terug of handhaaft de inge-schakelde versnelling totdat de motorhet maximum toerental bereikt. Bij het remmen schakelt de versnel- lingsbak automatisch terug om ster-ker op de motor af te remmen. Om de veiligheid te verbeteren scha- kelt de versnellingsbak niet naar eenhogere versnelling als u het gaspedaalplotseling loslaat. Programma's Sport en Sneeuw Naast het auto-adaptieve programma heeft u de beschikking over tweespecifieke programma's. De gekozenstand wordt in het instrumentenpaneelaangegeven. Programma Sport
Druk op de toets Sals de auto is
gestart en de stand Dis geselec-
teerd.
De versnellingsbak maakt automa- tisch een dynamische rijstijl mogelijk. Programma Sneeuw Dit programma zorgt ervoor dat u gemakkelijker kunt rijden op eenondergrond met weinig grip. Druk op de toets

als de auto is
gestart en de stand Dis geselec-
teerd.
De versnellingsbak past zich aan voor het rijden op gladde wegen. Opmerking: u kunt op elk moment
terugkeren naar het auto-adaptatie- ve programma. Druk nogmaals op de toets Sof


om het huidige programma uit
te schakelen. Handmatige bediening Handmatig schakelen in de
vier
versnellingen: selecteer de stand Min het scha-
kelpatroon,
duw de selectiehendel naar het symbool +om op te schakelen,
trek de selectiehendel naar hetsymbool -om terug te schakelen.
Er kan elk moment van de stand D
(rijden in de automatische stand)naar de stand M(rijden in de hand-
bediende stand) worden geschakeld. Opmerkingen Het schakelen naar een andere stand kan alleen als de snelheid vande auto en het toerental van demotor dit toestaan, anders wordt ertijdelijk overgegaan op de automa-tische bediening. Als de auto stopt of langzaam rijdt, kiest de automatische transmissieautomatisch de stand M1.
De programma's S(sport) en

(sneeuw) kunnen niet worden inge-schakeld in de handbediende stand.
UW 307 IN DETAIL 87

Page 93 of 128

ANTI SPIN REGELING (ASR)* EN ELEKTRONISCH
STABILITEITS PROGRAMMA(ESP)* Deze systemen staan in verbinding
met het ABS en zijn hier een aanvul-ling op.
Het ASR-systeem past de aandrijf- kracht aan om het doorspinnen van dewielen te voorkomen via de remmenvan de aangedreven wielen en de
motor. De ASR zorgt ook voor meerkoersstabiliteit bij het accelereren. Het ESP-systeem grijpt automatisch via het remsysteem en de motor inals de koers van de auto afwijkt vande door de bestuurder gewensterichting.
Werking van het ASR- en ESP-systeemAls ŽŽn van deze twee sys- temen is ingeschakeld,
knippert het desbetreffendepictogram.
* Volgens uitvoering. Uitschakelen ASR/ESP In bijzondere omstandigheden (als
de auto vastzit in de modder,
sneeuw, in mulle grond, ...) kan het
nuttig zijn het ASR/ESP uit te scha-kelen, zodat de wielen kunnen slip-pen en weer grip kunnen krijgen.
Druk op de schakelaar "ESP
OFF" , die zich op het middenpa-
neel van het dashboard bevindt.
Het verklikkerlampje van de schakelaar en het pictogram
verschijnen: het ASR en
ESP zijn uitgeschakeld.
De systemen worden opnieuw: automatisch ingeschakeld als het contact is afgezet,
handmatig ingeschakeld doornogmaals op de schakelaar tedrukken. Controle van werking
Bij een storing in de syste-men zal het verklikkerlamp-je van de schakelaar gaanknipperen en het pictogramverschijnen in combinatie
met een geluidssignaal en de mel-ding "ESP/ASR buiten gebruik" op
het multifunctionele display.
Raadpleeg uw PEUGEOT-servicepunt om het systeem na te laten kijken.
UW 307 IN DETAIL 89
Het ESP-systeem zorgt voor meer veiligheid tij-dens het rijden. De be-stuurder mag zich echternooit laten verleiden tot
het nemen van meer risico's enhet te hard rijden. De goede werking van het sys- teem wordt verzekerd door denaleving van de voorschriften vande constructeur op het gebied vanwielen (banden en velgen), onder-delen van het remsysteem, elek-tronische onderdelen alsmede demontageprocedure en het uitvoe-ren van werkzaamheden door een
PEUGEOT-servicepunt. Laat het systeem na een aanrij- ding controleren door een
PEUGEOT-servicepunt.

Page 113 of 128

Bij het ontwerp van het elektrische circuit van uwauto is reeds rekeninggehouden met de monta-ge van zowel de stan-
daarduitrusting als eventuele opties.
Raadpleeg uw PEUGEOT-servi- cepunt voordat u andere elek-trische voorzieningen of acces-soires in de auto monteert of laatmonteren. PEUGEOT is niet aansprakelijk voor kosten die voortvloeien uithet verhelpen van storingenveroorzaakt door het monterenvan extra accessoires die nietdoor PEUGEOT aanbevolen engeleverd worden of door voorzie-ningen die niet volgens de voor-schriften van PEUGEOT zijngemonteerd. Dit geldt met namevoor apparatuur met een stroom-verbruik van meer dan 10 milliam-
** De zekeringen zorgen voor een extra beveiliging van de elektrische
installatie. Werkzaamheden aande zekeringen dienen door een
PEUGEOT-servicepunt uitgevoerdte worden.Zekeringen in de motorruimte ZekeringenkastOpenen zekeringenkast in de motor- ruimte (naast de accu): Maak het deksel los.
Sluit na de werkzaamheden het deksel zorgvuldig en plaats dekap terug.
PRAKTISCHE INFORMATIE
108
Zekering Functies*
1** 30 A Koelventilator.
2** 30 A Pompmotor ESP/ABS.
3** 30 A Elektrokleppen ESP/ABS
4** 60 A Voeding intelligente servicecentrale.
5** 70 A Voeding intelligente servicecentrale.
6** 20 A Stoelverwarming.
7** 30 A Contactslot/stuurslot.
8** 70 A Elektropompgroep stuurbekrachtiging.

Page 114 of 128

PRAKTISCHE INFORMATIE109
Zekering
Functies*
1 10 A Achteruitrijlichtschakelaar automatische transmissie, voeding relais startbeveiliging automa- tische transmissie, achteruitrijlichtschakelaar handgeschakelde versnellingsbak, snelheids-
sensor, elektronische eenheid voorgloeien, sensor water in brandstof, luchthoeveelheid-
meter DW motor.
2 15 A Elektroklep absorptievat, brandstofpomp.
3 10 A Elektronische eenheid stuurbekrachtiging - elektronische eenheid ABS of elektronische
eenheid ESP.
4 10 A Elektronische eenheid injectie, voeding relais koelventilator, voeding relais extra verwar-ming, elektronische eenheid automatische transmissie, sequenti‘le bediening automatischetransmissie, relais shift lock automatische transmissie.
5 15 A Elektronische eenheid roetfilter.
6 15 A Mistlampen v——r.
7 20 A Pomp koplampsproeiers.
8 20 A Voeding relais koelventilator, voeding elektronische eenheid injectie.
9 15 A Dimlicht links.
10 15 A Dimlicht rechts.
11 10 A Grootlicht links.
12 10 A Grootlicht rechts.
13 15 A Claxon.
14 10 A Pomp ruitensproeiers voor en achter.
15 30 A Lambdasondes, elektroklep UGR, bobine, regeling hoge druk brandstofinspuiting (diesel),voeding verstuivers (benzine).
16 40 A Luchtpomp benzinemotor met automatische transmissie.
17 30 A Lage/hoge wissnelheid ruitenwissers v——r.
18 40 A Aanjager airconditioning.
* Volgens uitvoering.

Page 116 of 128

PRAKTISCHE INFORMATIE107
Zekering
Functies*
9 30 A Ruitbediening - automatische bediening ruiten - schuifdak.
10 15 A Diagnose-aansluiting, 12 V-aansluiting achter.
11 15 A Autoradio, multifunctioneel display B, stuurkolomschakelaar, automatische transmissie.
12 10 A Parkeerlicht rechts voor, achterlicht rechts, kentekenplaatverlichting en trekhaak, schake- laars centrale portiervergrendeling/alarm/ESP/alarmknipperlichten, verlichting paneel aircon-
ditioning/asbak, schakelaars stoelverwarming, aansteker, schakelaars automatische trans-missie, koplampverstelling.
14 30 A Bediening vergrendelen/ontgrendelen portieren/achterklep , bediening supervergrendeling.
15 30 A Ruitbediening achter.
16 5 A Intelligente servicecentrale motor, alarm, roetfilter, stuurkolomschakelaar, airbags.
17 10 A Remlicht rechts, derde remlicht.
18 10 A Diagnose-aansluiting, stuurkolomschakelaar, remlichtschakelaar en schakelaar koppelings-
pedaal, schakelaar koelvloeistofniveaumeter, extra remlichtschakelaar.
19 30 A Shunt tijdens opslag.
22 10 A Parkeerlicht links voor, achterlicht links, kentekenplaatverlichting en trekhaak.
23 15 A Sirene alarminstallatie, infraroodeenheid alarm.
24 15 A Instrumentenpaneel, autoradio, multifunctioneel display, airconditioning.
26 30 A Achterruitverwarming.
* Volgens uitvoering.

Page 120 of 128

TREKKEN VAN EEN AANHANGER Gebruik uitsluitend een door
PEUGEOT goedgekeurde trekhaak. Laat een trekhaak alleen door een
PEUGEOT-servicepunt monteren. Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor het vervoer van personen enbagage, maar is tevens geschikt
voor het trekken van een aanhanger. Het rijden met een aanhanger heeft veel invloed op het rijgedrag van deauto en vergt daarom extra aandacht
van de bestuurder. Door een geringere luchtdichtheid nemen de prestaties van de motor afals men op grotere hoogte boven de
zeespiegel komt. Trek boven de1000 m 10% van het maximum aan-hangergewicht af en herhaal dit voorelke volgende 1000 m.Adviezen Gewichtsverdeling :
verdeel het
gewicht in de caravan/aanhanger gelijkmatig en houd u aan de toegesta-ne kogeldruk. Koeling: het trekken van een aanhan-
ger op een helling veroorzaakt een
hogere koelvloeistoftemperatuur. De koelventilator wordt elektrisch bediend en is niet afhankelijk van hetmotortoerental. Gebruik daarom een zo hoog mogelij- ke versnelling om het toerental tebeperken en pas uw snelheid aan. Het maximum aanhangergewicht is afhankelijk van het hellingspercentageen de temperatuur van de buitenlucht. Let in elk geval goed op de aanwijzing
van de koelvloeistoftemperatuurmeter. Als het verklikkerlampje van de koel- vloeistoftemperatuur gaat branden,stop dan zo snel mogelijk en zet demotor af. Banden:
controleer de banden-
spanning van de auto en de aanhan-ger en breng deze indien nodig opde juiste waarde. Remmen: het trekken van een aan-
hanger vergroot de remweg.
Verlichting: controleer de verlich-
ting van de aanhanger.Zijwind: houd er rekening mee dat
de zijwindgevoeligheid van de auto groter is.
PRAKTISCHE INFORMATIE 113

Page:   < prev 1-10 11-20 21-30