Stop Peugeot Boxer 2018 Handleiding (in Dutch)
Page 66 of 232
64
In een zeer donkere omgeving en als de
verkeerssituatie het toelaat:
De bestuurder kan indien nodig op elk moment zelf
de verlichting omschakelen.
Geef nogmaals een lichtsignaal om de werking van
de functie te onderbreken; het verlichtingssysteem
wordt overgeschakeld op de stand "automatische
verlichting".
Deze functie wordt automatisch uitgeschakeld
onder 15 km/h.
Geef een nieuw lichtsignaal als u
het grootlicht toch
wilt gebruiken; het grootlicht blijft dan ingeschakeld
tot de auto een snelheid van 40
km/h bereikt.
Vanaf 40
km/h wordt de functie automatisch weer
ingeschakeld (op voor waarde dat u
daar voor niet
nogmaals een lichtsignaal hebt gegeven om het
grootlicht weer uit te schakelen).
Uitschakelen
F Zet de ring van de lichtschakelaar in de stand " dimlicht". Er kunnen storingen in de werking van het
systeem optreden:
-
b
ij slecht zicht (sneeuwval, zware regenval
of dichte mist, enz.),
-
a
ls het gedeelte van de voorruit voor
de camera vuil, beslagen of afgedekt is
(bijvoorbeeld met een sticker),
-
a
ls de verlichting van uw auto wordt
weerkaatst door reflecterende (verkeers)
borden.
Het systeem signaleert geen:
-
w
eggebruikers die geen verlichting voeren,
zoals voetgangers,
-
v
oertuigen waar van de verlichting wordt
afgeschermd, bijvoorbeeld door een
vangrail op de snelweg,
-
v
oertuigen die zich aan de top of de voet
van een steile helling, in een bocht of op
een zijweg bevinden.
Parkeerlichten
De lichten kunnen blijven branden als de auto
geparkeerd staat met afgezet contact, sleutel in de
stand STOP of sleutel uit het contact ver wijderd.
Op het instrumentenpaneel gaat dit
verklikkerlampje branden.
De lichten blijven branden zolang de
auto geparkeerd staat.
Als de verlichting langdurig blijft branden, kan
de laadtoestand van de accu van uw auto
aanzienlijk worden verminderd.
-
H
et grootlicht wordt automatisch
ingeschakeld: op het
instrumentenpaneel gaan deze
verklikkerlampje branden.
F
Z
et de ring van de lichtschakelaar in de stand O,
ver volgens op dimlicht of grootlicht.
Verlichting en zicht
Page 68 of 232
66
U kunt de ruitenwisserbladen zelf vervangen.
Zie de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het vervangen van een
ruitenwisserblad.
Bij auto's met een Stop & Start-systeem
geldt dat zolang de ruitenwissers vóór zijn
ingeschakeld in de stand hoge snelheid, de
STOP-stand niet beschikbaar is.
Ruiten- en
koplampsproeiers
F Trek de ruitenwisserschakelaar naar u toe,
de ruitensproeiers treden in werking in
combinatie met het tijdelijk inschakelen van de
ruitenwissers.
De koplampsproeiers treden gelijktijdig met de
ruitensproeiers in werking als de dimlichten zijn
ingeschakeld (afhankelijk van de uitvoering).
Het niveau van de koplampsproeiervloeistof
moet regelmatig worden gecontroleerd, vooral
in de winter.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over het controleren van niveaus ,
in het bijzonder het niveau van de ruiten-/
koplampsproeiers.
Verlichting en zicht
Page 70 of 232
68
Alarmknipperlichten
Lichtsignaal van de richtingaanwijzers om het
overige verkeer te waarschuwen in het geval van
file, pech, slepen of een ongeval.
F
D
ruk deze schakelaar in: de richtingaanwijzers
knipperen tegelijkertijd.
De alarmknipperlichten werken ook als het contact
is afgezet.
Elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP)
Het elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) omvat
de volgende systemen:
-
a
ntiblokkeersysteem (ABS) en elektronische
remdrukregelaar (EBD),
-
n
oodremassistentie (BAS),
-
an
tispinregeling (ASR),
-
d
ynamische stabiliteitscontrole (DSC).
Claxon
F Druk op het middelste gedeelte van het stuurwiel.
Begrippen
Antiblokkeersysteem (ABS) en
elektronische remdrukregelaar
(EBD)
Deze systemen zorgen tijdens het remmen voor een
betere stabiliteit en bestuurbaarheid van uw auto en
dragen bij tot een betere controle in bochten, vooral
op een slecht of glad wegdek.
Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen in
het geval van een noodstop.
De elektronische remdrukregelaar (EBD) verdeelt
de remdruk over de wielen.
Noodremassistentie (BAS)
Dit systeem zorgt er voor dat in noodgevallen de
optimale remdruk sneller wordt bereikt, zodat de
remafstand kleiner wordt.
Het systeem wordt geactiveerd als het rempedaal
sneller wordt ingetrapt dan een bepaalde
grenswaarde. Het systeem zorgt er dan voor dat de
benodigde bedieningskracht minder wordt en dat de
effectiviteit van het remmen wordt vergroot.
Antispinregeling (ASR)
De ASR (ook wel aangeduid met tractieregeling)
past de aandrijfkracht aan om het doorspinnen
van de wielen te beperken via de remmen van de
aangedreven wielen en de motor. De ASR zorgt ook
voor meer koersstabiliteit bij het accelereren.
Veiligheid
Page 71 of 232
69
Dynamische stabiliteitscontrole
(DSC)
De dynamische stabiliteitscontrole bewaakt de vier
wielen en grijpt, als de koers van de auto afwijkt
van de door de bestuurder gewenste richting,
automatisch in via de remmen van een of meerdere
wielen en het motorkoppel om de auto voor zover
mogelijk weer in de juiste koers te brengen.
Antiblokkeersysteem
(ABS) en elektronische
remdrukregelaar (EBD)
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding op het
display, duidt dit op een storing in het
antiblokkeersysteem (ABS). Door deze
storing zou u tijdens het remmen de
controle over uw auto kunnen verliezen.
Als dit waarschuwingslampje gaat
branden in combinatie met een melding
op het display, duidt dit op een storing
in het antiblokkeersysteem (ABS). Door
deze storing zou u
tijdens het remmen
de controle over uw auto kunnen
verliezen.
Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.
Raadpleeg in beide gevallen het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats. Voor een optimale werking van het
remsysteem is het raadzaam een
inremperiode van 500
km aan te houden.
Vermijd gedurende deze periode situaties
waarbij u hard, veelvuldig en aanhoudend
moet remmen.
Het antiblokkeersysteem garandeert geen
kortere remweg. Op een erg glad wegdek
(ijzel, olie enz.) kan de remweg door de
werking van het ABS juist langer zijn.
Zorg er bij vervanging van de wielen (banden
en velgen) voor dat wielen worden gemonteerd
die voor uw auto zijn gehomologeerd.
Trap het rempedaal bij een noodstop
krachtig en volledig in en laat het niet los,
ook niet op een glad wegdek. Het ABS
zorgt er dan voor dat u
om het obstakel
heen kunt sturen.
Laat de systemen na een aanrijding
controleren door het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats.
Dynamische
stabiliteitscontrole (DSC)
Inschakelen
Het DSC-systeem wordt automatisch ingeschakeld
zodra de motor wordt gestart.
Het systeem wordt geactiveerd zodra de wielen te
weinig grip hebben of de koers van de auto afwijkt
van de door de bestuurder gewenste richting.
In dat geval gaat dit verklikkerlampje op
het instrumentenpaneel knipperen.
Uitschakelen
De bestuurder kan dit systeem niet uitschakelen.
Storing
Als dit verklikkerlampje brandt, in
combinatie met een geluidssignaal
en een melding ter bevestiging op het
display van het instrumentenpaneel,
wijst dit op een storing in het DSC-
systeem.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
5
5
Veiligheid
Page 75 of 232
73
Vast maken
Losmaken
F Druk op de rode knop van de gordelsluiting. De veiligheidsgordel rolt automatisch op maar het
wordt aanbevolen de veiligheidsgordel vast te
houden ter wijl deze zich oprolt.
Uit veiligheidsoverwegingen mogen deze handelingen
niet tijdens het rijden worden uitgevoerd.
Hoogteverstelling
Verklikkerlampje niet-
vastgemaakte veiligheidsgordels
F Trek de gordel met een gelijkmatige beweging voor u langs en verzeker u er van dat deze niet
gedraaid is.
F
S
teek de gesp in de gordelsluiting.
F
T
rek kort en snel aan de gordel om de
automatische blokkering van de gesp te
controleren. F K
nijp de knop van de geleider in, schuif deze
omhoog of omlaag tot de gewenste stand is
bereikt en laat de knop los om de geleider in
deze stand te blokkeren (veiligheidsgordel aan
de zijde van de bestuurdersstoel en de zijde van
de zitplaats van de buitenste voorpassagier).
De veiligheidsgordel van de middelste zitplaats is
niet in hoogte verstelbaar.
Als de bestuurder en/of de
voorpassagier zijn veiligheidsgordel niet
heeft vastgemaakt, gaat bij het starten
van de motor dit verklikkerlampje
branden in combinatie met een alsmaar
sterker wordend geluidssignaal. Deze waarschuwing werkt zowel bij uitvoeringen
met individuele passagiersstoel als bij uitvoeringen
met tweezits passagiersbank vóór.
Als de veiligheidsgordel van de bestuurder
is losgemaakt, kan bij auto's met het Stop &
Start-systeem de START-stand van de motor
niet worden geactiveerd. De motor kan dan
uitsluitend met de contactsleutel worden gestart.
Veiligheidsgordels achter
De stoelen/banken achterin zijn voorzien van
driepunts veiligheidsgordels met oprolautomaat.
De middelste zitplaats is voorzien van een
gordelgeleider en een oprolautomaat die zijn
bevestigd aan de rugleuning.
Bij alle buitenste zitplaatsen kan de gesp van de
veiligheidsgordel als deze niet wordt gebruikt aan
een steun worden bevestigd.
5
5
Veiligheid
Page 76 of 232
74
Alvorens te gaan rijden dient de bestuurder
te controleren of alle passagiers hun
veiligheidsgordel goed hebben omgedaan en
vastgemaakt.
Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens het rijden
hun veiligheidsgordel dragen, ook al betreft het
een korte rit.
Wissel de gespen van de veiligheidsgordels
onderling niet om; de gordels zijn dan niet
voldoende effectief.
De veiligheidsgordels zijn voorzien van een
oprolautomaat die er voor zorgt dat de lengte van
de gordel automatisch wordt aangepast aan de
lichaamsbouw van de gebruiker. De gordel wordt
automatisch opgerold als deze niet wordt gebruikt.
Controleer zowel voor en na het gebruik van de
gordel of deze goed is opgerold.
De heupgordel moet zo laag mogelijk op het
bekken worden geplaatst.
De schoudergordel moet langs het holle gedeelte
van de schouder worden geplaatst.
De oprolautomaten zijn voorzien van een
automatische blokkeerinrichting die in werking
treedt bij een aanrijding, een noodstop of
het over de kop slaan van de auto. U kunt de
blokkeerinrichting deblokkeren door stevig aan de
riem te trekken en deze weer los te laten, zodat de
riem weer een stukje wordt opgerold.
Veiligheidsadviezen
Voor een effectieve werking van de
veiligheidsgordel:
-
d
ient deze strak om het lichaam te worden
gedragen,
-
m
oet deze in een vloeiende beweging naar
voren worden getrokken, zonder dat de
gordel gedraaid raakt,
-
m
ag deze door niet meer dan één persoon
worden gedragen,
-
m
ag deze geen beschadigingen of rafels
vertonen,
-
m
ag er om te voorkomen dat de gordel niet
goed werkt, niets aan worden gewijzigd.
Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften
moeten werkzaamheden en controles aan de
veiligheidsgordels worden uitgevoerd door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats, om te garanderen dat de
werkzaamheden volgens de voorschriften
worden uitgevoerd.
Laat de veiligheidsgordels van uw auto
regelmatig controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde werkplaats,
vooral als de gordels beschadigingen vertonen.
Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop of een
reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar bij het
PEUGEOT-netwerk.
Controleer na het neerklappen of verstellen van
een stoel of de achterbank of de gordel zich op
de juiste plaats bevindt en goed is opgerold. Aanbevelingen voor kinderen
Maak voor kinderen tot 12
jaar of kleiner dan
1,50
m gebruik van een geschikt kinderzitje.
De veiligheidsgordel mag door niet meer dan één
persoon gedragen worden.
Laat nooit een kind op schoot zitten tijdens het
rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over kinderzitjes .
In het geval van een aanrijding
De gordelspanners kunnen, afhankelijk van de
aard en de kracht van de aanrijding , vóór en
onafhankelijk van de airbags afgaan. Het afgaan
van de gordelspanners gaat gepaard met wat
onschadelijke rook en een knal, als gevolg van de
activering van de pyrotechnische lading die in het
systeem is geïntegreerd.
In alle gevallen gaat het verklikkerlampje van de
airbag branden.
Laat het systeem na een aanrijding controleren en
eventueel vervangen door het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
Veiligheid
Page 89 of 232
87
Rijadviezen
Houd u altijd aan de verkeersregels en let onder alle
om standigheden goed op.
Richt uw aandacht op het verkeer en houd uw
handen op het stuur wiel, zodat u
snel kunt reageren
op onverwachte situaties.
Uit veiligheidsoverwegingen moet de bestuurder
handelingen die veel aandacht vergen altijd bij
stilstaande auto uitvoeren.
Las tijdens een lange rit om de twee uur een pauze
in.
Rijd bij slecht weer defensief, rem eerder af en houd
meer afstand tot uw voorligger.
Laat de motor nooit stationair draaien
in een slecht geventileerde, afgesloten
ruimte: verbrandingsmotoren stoten giftige
uitlaatgassen uit, zoals koolmonoxide. Dit kan
leiden tot een vergiftiging met dodelijke afloop!
Laat onder extreem koude omstandigheden
(temperaturen lager dan -23
°C) de motor
gedurende 4
minuten stationair draaien
alvorens weg te rijden. Deze handelswijze
komt de goede werking en de duurzaamheid
van de mechanische onderdelen van de auto,
motor en versnellingsbak ten goede.
Rijden op een
overstroomde weg
Probeer het rijden over overstroomde wegen zo veel
mogelijk te vermijden, want het water kan de motor,
versnellingsbak en het elektrische systeem van uw
auto ernstig beschadigen.
Belangrijk!
Bent u genoodzaakt over een overstroomd
w eggedeelte te rijden, doe dan het volgende:
-
c
ontroleer dat de diepte van het water nergens
meer is dan 15
cm en houd daarbij rekening met
de golven die kunnen worden veroorzaakt door
andere gebruikers;
-
s
chakel het Stop & Start-systeem uit;
-
r
ijd zo langzaam mogelijk zonder de motor te
laten afslaan. Rijd in elk geval niet sneller dan
10
km/h;
-
z
et de auto niet stil en zet de motor niet af.
Als u
het overstroomde weggedeelte achter u hebt
gelaten, rem dan, zodra de verkeerssituatie dat
toelaat, meerdere keren licht af om de remschijven
en remblokken te drogen. Als u
twijfels hebt over de staat van uw auto, neem
dan contact op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
Rijd nooit met aangetrokken parkeerrem –
kans op oververhitting en beschadiging van
het remsysteem!
Parkeer uw auto niet en zet uw auto niet
met draaiende motor stil op een plaats waar
brandbaar materiaal (droog gras, afgevallen
blad, …) in contact kan komen met het warme
uitlaatsysteem – Kans op brand!
Laat de auto nooit onbewaakt met draaiende
motor achter. Als u uw auto met draaiende
motor moet verlaten, trek dan de parkeerrem
aan en zet de versnellingsbak in de
neutraalstand of in de stand N of P, afhankelijk
van het type versnellingsbak.
Voor een lange levensduur van uw auto en voor uw
eigen veiligheid is het raadzaam om de volgende
voorzorgsmaatregelen te nemen bij het gebruik van
de auto:
6
Rijden
Page 91 of 232
89
Koeling
Het trekken van een aanhanger op een helling
veroorzaakt een hogere koelvloeistoftemperatuur.
De koelventilator wordt elektrisch bediend en is niet
afhankelijk van het motortoerental.
F
P
as uw snelheid aan om het motortoerental te
beperken.
Het maximale aanhangergewicht op een helling
is afhankelijk van het hellingspercentage en de
buitentemperatuur.
Houd in elk geval de koelvloeistoftemperatuur in de
gaten.
F
A
ls dit verklikkerlampje gaat
branden in combinatie met het
verklikkerlampje STOP, stop dan zo
snel mogelijk en zet de motor af.
Nieuwe auto
Koppel geen aanhanger achter de auto
voordat deze een kilometerstand van ten
minste 1000
km heeft.
Remmen
Het trekken van een aanhanger verlengt de
remweg.
Vermijd langdurig gebruik van de remmen om te
voorkomen dat de remmen over verhit raken. In
dat geval is het raadzaam om op de motor af te
remmen.
Banden
F Controleer de bandenspanning van de auto en de aanhanger en breng deze indien nodig op de
juiste waarde.
Verlichting
F Controleer de verlichting van de aanhanger en de hoogteverstelling van de koplampen van uw
auto.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de handmatige
hoogteverstelling van de koplampen .
Om bij het gebruik van een originele
PEUGEOT-trekhaak het onnodig activeren
van het geluidssignaal te voorkomen, wordt
de parkeerhulp achter hierbij automatisch
uitgeschakeld.
Diefstalbeveiliging
Elektronische
startblokkering
De sleutels zijn voorzien van een chip voor de
elektronische startblokkering.
Dit systeem blokkeert het brandstofsysteem van de
motor en wordt automatisch ingeschakeld zodra de
sleutel uit het contact wordt ver wijderd.
Als de sleutel wordt herkend, gaat dit
verklikkerlampje uit, wordt het contact
aangezet en kan de motor worden gestart.
Als de sleutel niet wordt herkend, kan de
motor niet worden gestart. Start de auto met
een andere sleutel en laat de defecte sleutel
controleren door het PEUGEOT-netwerk.
Noteer het sleutelnummer zorgvuldig. Het
PEUGEOT-netwerk kan dan bij verlies snel
voor een nieuwe sleutel zorgen wanneer u
dit
nummer en de codekaart meebrengt.
Bij het aanzetten van het contact moet de code van
de sleutel worden herkend door de startblokkering.
Breng geen wijzigingen aan in de
elektronische startblokkering.
Speel niet met de knop van de
afstandsbediening, om te voorkomen dat de
portieren per ongeluk ontgrendeld worden.
Als zich in de buurt van de afstandsbediening
andere apparaten bevinden die in hetzelfde
frequentiegebied werken (mobiele telefoons,
alarmsystemen van gebouwen), kan de
werking van de afstandsbediening tijdelijk
verstoord worden.
De afstandsbediening werkt niet als de sleutel
in het contact zit, ook niet als het contact
is afgezet. Dit geldt niet voor het opnieuw
synchroniseren.
6
Rijden
Page 92 of 232
90
Het rijden met vergrendelde portieren kan in
geval van nood de toegang tot het interieur
belemmeren.
Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen
in de auto) de sleutel met afstandsbediening
mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor
korte duur.
Let er bij het aanschaffen van een
tweedehands auto op dat:
-
u i
n het bezit bent van een codekaart,
-
u
w sleutels door het PEUGEOT-netwerk
in het elektronische geheugen worden
opgeslagen, zodat u
er zeker van kunt zijn
dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige
zijn waarmee de auto kan worden gestart.
Codekaart
Op deze kaart staat de identificatiecode die het
PEUGEOT-netwerk nodig heeft bij werkzaamheden
aan de elektronische startblokkering. De code
is afgedekt, ver wijder de film alleen als dit strikt
noodzakelijk is.
Bewaar de codekaart op een veilige plaats buiten
de auto.
Neem de codekaart mee wanneer u
een verre
reis maakt en bewaar de kaart bij uw persoonlijke
documenten.
Starten – afzetten van de
motor
Contactslot
Hang geen zware voor werpen aan de sleutel
of de afstandsbediening: dit kan namelijk
storingen aan het contactslot veroorzaken.
Starten van de motor
F Zet het contact in de stand MAR terwijl
de parkeerrem is aangetrokken en de
versnellingsbak in de neutraalstand staat.
Hoe lang het lampje brandt, is afhankelijk van de
weersomstandigheden.
Als de motor warm is, brandt het lampje slechts een
kort ogenblik en kunt u
de motor direct starten.
F
L
aat de sleutel los zodra de motor draait. Verklikkerlampje startblokkering
Gebruik als dit lampje brandt een
andere sleutel en laat de defecte
sleutel controleren door het PEUGEOT-
netwerk.
Afzetten van de motor
F Breng de auto tot stilstand.
F Draai de contactsleutel in de stand STOP .
Strand
STOP: stuurslot.
Het contact is afgezet.
Stand MAR: contact aan.
Verschillende accessoires functioneren.
Stand AV V (Avviemento): startmotor.
De startmotor wordt in werking gezet. F
W
acht tot dit lampje uitgaat en zet
ver volgens de startmotor in werking
(stand AV V) tot de motor aanslaat.
De codekaart wordt u
bij aflevering van de auto
samen met de twee sleutels overhandigd.
Rijden
Page 93 of 232
91
Bij lage temperaturen
In bergachtige en/of koude gebieden wordt
aanbevolen zogenaamde "winter" brandstof te
tanken die speciaal geschikt is voor (zeer) lage
temperaturen.
Opslagmodus van de
accu
Wanneer uw auto langdurig niet gebruikt wordt,
bijvoorbeeld als deze in een winterstalling staat, is
het sterk aan te bevelen de accu in de opslagmodus
te zetten om deze te beschermen en langer te laten
meegaan.Tijdens de opslagmodus van de accu
is de auto alleen toegankelijk door het
bestuurdersportier met de sleutel in het slot te
ontgrendelen.
Nadat de accu is uitgeschakeld, wordt de
informatie (tijd, datum, radiozenders, enz.)
opgeslagen in het geheugen.
Activeren van de accu:
F
Z
et het contact in de stand MAR.
F
S
tart de auto op de gebruikelijke wijze (stand
AV V ).
Inschakelen van de opslagmodus van de accu:
F
Z
et de motor af (stand STOP) .F
D
ruk op de rode knop en draai de contactsleutel
in de stand B AT T .
Na ongeveer 7 minuten wordt de opslagmodus van
de accu geactiveerd.
Deze tijd is nodig om:
-
U d
e gelegenheid te geven de auto te verlaten
en de portieren te vergrendelen met de
afstandsbediening.
-
E
r van verzekerd te zijn dat alle elektrische
systemen van de auto zijn uitgeschakeld.
Parkeerrem
Aantrekken
F Trek de hendel van de parkeerrem aan om uw auto stil te zetten.
F
C
ontroleer voordat u uitstapt of de parkeerrem
goed is aangetrokken.
Het is niet voldoende om alleen een versnelling in te
schakelen bij het parkeren van de auto, zeker niet bij
een beladen auto.
Als de auto stilstaat op een helling, draai
dan de wielen richting trottoir en trek de
parkeerrem aan.
Trek, in het uitzonderlijke geval dat de
parkeerrem wordt gebruikt als de auto rijdt,
deze voorzichtig aan om de achter wielen niet
te blokkeren (slipgevaar).
6
Rijden