ESP Seat Alhambra 2018 Handleiding (in Dutch)
Page 136 of 340
Bedienen
●
Nad at
het contact is uitgeschakeld, kunt u
het panoramaschuifdak nog even openen of
sluiten zolang het bestuurders- of bijrijder-
sportier niet wordt geopend. Let op
● Als
er een storing in het panoramaschuif-
dak optreedt, werkt de sluitkrachtbegrenzing
niet correct. Raadpleeg een gespecialiseerde
werkplaats.
● Bij het van buitenaf activeren van het com-
fort
sluiten blijft de draaischakelaar van het
panoramaschuifdak in de laatst gekozen
stand staan en moet deze aan het begin van
de rit weer opnieuw worden ingesteld. Rolgordijn openen of sluiten
Afb. 138
In de hemelbekleding: knoppen voor
r o
l
gordijn.
FunctieNodige handelingen
Volledig openen
(automatisch):Druk kort op de toets ››› afb. 138
1.
Automatisch func-
tioneren stoppen:Druk de knop ››› afb. 138 1 of
››› afb. 138 2 kort in.
De tussenstand
afstellen:Houd de knop
››› afb. 138 1of
››› afb. 138 2 ingedrukt tot de
gewenste stand bereikt is.
Volledig sluiten
(automatisch):Druk kort op de toets ››› afb. 138
2. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u
het
panor
amaschuifdak nog enkele minuten
openen of sluiten zolang het bestuurders- of
bijrijdersportier niet wordt geopend.
Sluitkrachtbegrenzing van het pano-
rama
schuifdak en rolgordijn De sluitkrachtbegrenzing kan tijdens het ope-
nen en s
luit
en
van het panoramaschuifdak
en het rolgordijn het risico op letsel vermin-
deren ››› . Indien moeizaam schuiven of
een o b
s
takel tegenkomen, gaan ze weer
open.
● Controleer waarom het panoramaschuifdak
of het r
olgordijn niet gesloten kan worden.
● Probeer het panoramaschuifdak of het rol-
gordijn opnieu
w te sluiten. ●
Als
het panoramaschuifdak of het rolgor-
dijn weer niet gesloten kan worden vanwege
een voorwerp of weerstand, stopt het panora-
maschuifdak of het rolgordijn in deze stand.
Sluit het dan zonder de beveiliging tegen be-
kneld raken.
Zonder inklembeveiliging sluiten
● De schakelaar ›››
afb. 13 moet in de
"sluitstand" 1 staan.
● Panoramaschuifdak: houd de s c
h
akelaar
na het activeren van de sluitkrachtbegren-
zing de eerstvolgende 5 seconden naar ach-
teren getrokken ›››
afb. 13 (pijl
5 ) tot
het p
anor
amaschuifdak volledig gesloten is.
● Rolgordijn: druk binnen 5 sec
onden na het
activeren van de sluitkrachtbegrenzing de
knop ››› afb. 138 2 in tot het rolgordijn vol-
l edig g
e
sloten is.
● Het panoramaschuifdak of het rolgordijn
worden
zonder de sluitkrachtbegrenzing ge-
sloten.
● Als het panoramaschuifdak nog steeds niet
ges
loten kan worden, neem dan contact op
met de werkplaats van een officiële dealer. ATTENTIE
Als het panoramaschuifdak of het rolgordijn
zonder de s luitk
rachtbegrenzing gesloten
worden, kan dit ernstig letsel tot gevolg heb-
ben. 134
Page 137 of 340
Lichten en zicht
●
Sluit het p
anoramaschuifdak altijd voor-
zichtig.
● In de looprichting van het panoramaschuif-
dak of
het rolgordijn mag zich niemand bevin-
den, vooral niet wanneer het panorama-
schuifdak of het rolgordijn zonder de sluit-
krachtbegrenzing gesloten worden.
● De sluitkrachtbegrenzing voorkomt niet dat
ving
ers of andere lichaamsdelen tegen het
ruitframe worden gedrukt, en kan verwondin-
gen veroorzaken. Let op
De sluitkrachtbegrenzing treedt ook in werk-
ing w anneer met
de wagensleutel het com-
fortsluiten voor de ruiten en het panorama-
schuifdak wordt gebruikt ››› pag. 132. Lichten en zicht
Lic ht
C ontr
olelampjes
Springt aan
Rijlicht geheel of ge-
deeltelijk defect.
Vervang het betreffende lamp-
je
››› pag. 95.
Als alle lampjes correct zijn,
wendt u zich dan tot een ge-
specialiseerde werkplaats, in-
dien nodig.
Storing van de boch-
tenverlichting.››› pag. 137.
Knippert
Storing in het systeem
van de bochtenverlich-
ting.Raadpleeg een gespeciali-
seerde werkplaats
››› pag.
136.
Springt aan
Mistachterlicht aan.›››
pag. 26.
Springt aan
Mistlampen aan.›››
pag. 26.
Springt aan
Linker of rechter knip-
perlicht.
Het controlelampje
knippert twee keer zo
snel wanneer er een
storing in een van de
knipperlichten van de
wagen of de aanhang-
wagen is.
Controleer, indien nodig, de
verlichting van de wagen en
van de aanhangwagen.
Springt aan
Grootlicht aan of groot-
lichtsignaal in werking
gesteld.›››
pag. 136.
Springt aan
Grootlichtregeling
(Light Assist) ingescha-
keld.›››
pag. 136. Wanneer het contact wordt ingeschakeld,
g
aan sommig
e c
ontrole- en waarschuwings-
lampjes enkele seconden aan terwijl ze een
werkingscontrole uitvoeren. Na enkele secon-
den gaan de lampjes uit. ATTENTIE
Veiligheidsaanwijzingen ›››
in Waarschu-
win g
s- en controlelampjes op pag. 110 in
acht nemen. 135
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 138 of 340
Bedienen
Licht in- en uitschakelen Lees aandachtig de aanvullende informatie
›› ›
pag. 26
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor
de juiste afstelling van de koplampen en het
voeren van de juiste verlichting.
Bij wagens die standaard met een trekhaak
zijn uitgerust: als de aanhangwagen elek-
trisch aangesloten is en voorzien is van een
mistachterlicht, wordt dit bij de wagen auto-
matisch uitgeschakeld.
Geluidssignalen om te waarschuwen dat de
lichten niet uit zijn
Wanneer de autosleutel niet in het contact-
slot zit en het bestuurdersportier open is,
hoort u enkele geluidssignalen in de onder-
staande gevallen: hierdoor wordt u eraan
herinnerd dat de lichten nog uitgezet moeten
worden.
● Wanneer het parkeerlicht ingeschakeld is
›› ›
pag. 136.
● Als de lichtschakelaar in stand staat
.ATTENTIE
Het stads- of dagrijlicht is niet helder genoeg
om de we g
voor u voldoende te verlichten of
door andere verkeersdeelnemers te worden
gezien. ●
Sch ak
el daarom 's nachts, bij regen of bij
slecht zicht altijd het dimlicht in. ATTENTIE
Als de koplampen te hoog zijn afgesteld en
het grootlic
ht verkeerd wordt gebruikt, kun-
nen overige weggebruikers hierdoor worden
afgeleid en verblind. Dit kan ernstige onge-
vallen tot gevolg hebben.
● Zorg er altijd voor dat de koplampen correct
zijn afg
esteld.
● Gebruik nooit het grootlicht of het groot-
lichts
ignaal wanneer dat andere weggebrui-
kers kan verblinden. Let op
De bestaande wettelijke verlichtingsvoor-
sc hrif
ten voor elk land moeten in acht worden
genomen. Knipperlicht- en grootlichthendel
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 26
Comfortlichten
Beweeg voor de comfortlichten de hendel
met ingeschakeld contact omhoog of omlaag
tot aan het punt waar u enige weerstand
voelt en laat de hendel los. Het knipperlicht
knippert driemaal. De comfortlichten worden in- en uitgescha-
keld in het
menu Licht & Zicht op het
display van het instrumentenpaneel
››› pag. 28. Bij wagens die niet over het
menu Licht & Zicht beschikken, kan de
functie in een gespecialiseerde werkplaats
worden gedeactiveerd. Let op
● Indien de comf or
tknipperlichten in werking
zijn (driemaal knipperen) en het comfortknip-
perlicht van het tegenoverliggende deel
wordt geactiveerd, dan stopt het actieve deel
met knipperen en knippert het licht slechts
eenmaal in het nieuwe deel dat is geselec-
teerd.
● Het knipperlicht werkt alleen bij ingescha-
keld c
ontact. De alarmlichten werken ook
wanneer het contact is uitgeschakeld ››› pag.
85.
● Als er een storing in een van de knipper-
lichten
van de wagen of van de aanhangwa-
gen is, knippert het controlelampje twee keer
zo snel als normaal.
● Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld
dimlic
ht worden aangezet. Lichten en zicht: functies
Parkeerlicht
W anneer het
p
arkeerlicht ingeschakeld is
(rechter of linker knipperlicht), gaan het
stadslicht voor en het achterlicht aan de
136
Page 141 of 340
Lichten en zicht"Coming home": nodige handelingen
Uitschake-
len:
– Automatisch na beëindiging van de
uitschakelvertraging van de koplampen.
– Automatisch, wanneer 30 seconden na
het inschakelen van het contact nog een
portier of de achterklep geopend is.
– Draai de lichtschakelaar in stand
.
– Schakel het contact in.
"Leaving home": nodige handelingen
Inschake-
len:– Ontgrendel de wagen wanneer de
lichtschakelaar in de stand staat en
de lichtsensor detecteert dat het donker
is.
Uitschake-
len:
– Automatisch, na beëindiging van de
uitschakelvertraging van de koplampen.
– Vergrendel de wagen.
– Draai de lichtschakelaar in stand
.
– Schakel het contact in. Omgevingsverlichting in de buitenspiegels
D
e om
g
evingsverlichting in de buitenspie-
gels verlicht de directe omgeving van het
portier bij het in- en het uitstappen. Deze
gaat aan bij het ontgrendelen van de wagen,
het openen van een portier en het activeren
van de functie "Coming home" of "Leaving
home". Als de lichtsensor deel uitmaakt van
de uitrusting, wordt de omgevingsverlichting
in de buitenspiegels alleen ingeschakeld als
het donker is. Let op
● In het menu Licht & Zicht kan de duur
v
an de uitschakelvertraging van de koplam-
pen worden ingesteld en de functie worden
geactiveerd of gedeactiveerd ›››
pag. 28.
● Als de functie "Coming home" ingescha-
keld i
s, klinkt er bij het openen van het por-
tier geen akoestisch signaal als waarschu-
wing dat het licht nog aan is. Alarmlichten
Afb. 139
In het midden van het instrumenten-
p aneel: drukknop
v
oor alarmlichten. Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
pag. 27
Raadpleeg de wettelijke vereisten voor con-
trole van een defecte wagen. In veel landen
is het bijvoorbeeld verplicht om alarmlichten
aan te zetten en een reflecterend vest te ge-
bruiken ››› pag. 85. Bij het gesleept worden en met de alarmlich-
ten aan, kan een
verandering van rijrichting
of van rijvak worden aangegeven met de hen-
del van de knipperlichten. Het knipperen van
de alarmlichten wordt tijdelijk onderbroken.
Als de wagen dienst weigert:
Parkeer de wagen op een veilige afstand
van het wegverkeer op een vlakke on-
dergrond ››› .
Sc h
ak
el de alarmlichten in met de toets
››› afb. 139.
Schakel de elektronisch parkeerrem in
››› pag. 196.
Zet de keuzehendel in de tussenstand of
in de stand P ››› pag. 201.
Zet de motor af en trek de sleutel uit het
contactslot ››› pag. 191.
Laat alle inzittenden uitstappen en op
voldoende afstand van het wegverkeer
wachten, bijvoorbeeld achter de van-
grail.
Neem bij het uitstappen alle autosleu-
tels mee.
Gebruik de gevarendriehoek om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor de positie van uw wagen.
Laat de motor voldoende afkoelen en
vraag indien nodig hulp aan gespeciali-
seerd personeel. »
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
139
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 142 of 340
Bedienen
Werken de alarmlichten niet, dan moet u de
o v
erig
e verkeersdeelnemers op een andere -
wettelijk toegestane - wijze op uw wagen at-
tenderen. ATTENTIE
Een defecte wagen in het verkeer brengt een
verhoogd ri s
ico op ongevallen met zich mee,
zowel voor de inzittenden als voor de andere
weggebruikers.
● Breng de wagen tot stilstand zodra dit op
een vei
lige wijze mogelijk is. Parkeer de wa-
gen op een veilige afstand van het wegver-
keer en sluit alle deuren af in geval van nood.
Zet de alarmlichten aan om andere wegge-
bruikers te waarschuwen.
● Laat kinderen of gehandicapten nooit al-
leen acht
er in de wagen als alle portieren zijn
vergrendeld. Hierdoor zouden de inzittenden
in de wagen in geval van nood opgesloten
kunnen komen te zitten. Opgesloten perso-
nen kunnen aan extreem hoge of lage tempe-
raturen blootstaan. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem kun-
nen enorm heet w or
den. Dit kan brand of aan-
zienlijke schade veroorzaken.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel v
an het uitlaatsysteem in aanraking kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras of brandstof). Let op
● De w ag
enaccu zal ontladen als de alarm-
lichten te lang aangeschakeld blijven (zelfs
met het contact uit).
● In sommige wagens knipperen de remlich-
ten bij het
bruusk remmen bij een snelheid
van ongeveer 80 km/u (50 mph) om voertui-
gen achter u te waarschuwen. Als u blijft rem-
men, zullen de alarmlichten automatisch wor-
den ingeschakeld bij een snelheid van minder
dan 10 km/u (6 mph). De remlichten blijven
aan. Als u gas geeft, worden de alarmlichten
automatisch weer uitgeschakeld. Koplampen afplakken of aanpassen
In die landen waar aan de andere kant van de
w
e
g w
ordt gereden dan in het land van her-
komst, kunnen tegenliggers door het asym-
metrisch dimlicht verblind worden. Daarom
dient u, als u in het buitenland rijdt, de ko-
plampen af te plakken of aan te passen.
De richting van de koplampen kan in het in-
strumentenpaneel worden aangepast, in het
submenu Reislamp van het menu Confi-
guratie ›››
pag. 32.
Bij wagens waarvan de koplampen niet van-
uit het menu kunnen worden afgesteld, moe-
ten bepaalde zones van het glas van de ko-
plampen met stickers worden afgeplakt of
moeten de koplampen in een gespecialiseer-
de werkplaats worden aangepast. Ga voor nadere informatie naar een gespecialiseerde
werkpl
aats. SEAT raadt u aan om een Techni-
sche Dienst te raadplegen. Let op
Het gebruik van de projectorlampen en
stic k
ers op de koplampen is alleen toege-
staan als deze gedurende een korte tijd ge-
bruikt zullen worden. Als u de projectie van
de koplampen definitief wilt veranderen,
wendt u zich dan tot een gespecialiseerde
werkplaats. SEAT raadt aan om de Technische
Dienst te raadplegen. Lichtbundelhoogteverstelling, instru-
ment
en- en s
c
hakelaarverlichting Afb. 140
Naast het stuur: regelaar instrumen-
t en- en s
c
hakelaarverlichting 1 en regelaar
lic ht
b
undel-hoogteverstelling 2 .
140
Page 154 of 340
Bedienen
Functies van de stoelen St oelv
er
warming* Afb. 153
Deel van de middenconsole: bedie-
nin g
sel
ementen voor de verwarming van de
voorstoelen, hier met de tweede temperatuur-
stand ingesteld. Afb. 154
Deel van de middenconsole: bedie-
nin g
sel
ementen voor de verwarming van de
voorstoelen in wagens uitgerust met Climatro-
nic. De zittingen kunnen elektrisch verwarmd
w
or
den indien het
contact is ingeschakeld. In
een aantal uitvoeringen wordt ook de rugleu-
ning verwarmd.
Schakel de stoelverwarming uit als niemand
daar plaats neemt.
FunctieActie ››› afb. 153, ››› afb. 154
ActiverenIndrukken toets . De stoelverwar-
ming staat aan op de maximale
stand.
Verwarmingsca-
paciteit instel-
lenDruk verschillende malen op de toets, tot de gewenste intensiteit is in-
gesteld.
UitschakelenDruk herhaaldelijk op de toets tot
alle controlelampjes ››› afb. 153,
››› afb. 154 doven. ATTENTIE
Een verkeerd gebruik van de stoelfuncties
kan ern s
tig letsel veroorzaken.
● Neem vóór het rijden de juiste zithouding
aan en blijf tijden
s het rijden zo zitten. Dit
geldt ook voor de andere inzittenden.
● Verstel het stoelgeheugen enkel wanneer
de wagen s
tilstaat.
● Schakel de lendenmassagefunctie enkel in-
en uit wanneer de w
agen stilstaat.
● Houd handen, vingers, voeten en andere li-
chaamsdel
en steeds verwijderd van de wer-
kings- en afstelradius van de stoelen. ATTENTIE
Personen waarvan de gewaarwording van pijn
en warmt e beïn
vloed is door inname van be-
paalde medicijnen, paraplegie of chronische
ziekte (bijv., diabetes), lopen het risico op
brandwonden aan de rug, het zitvlak en de
benen door het gebruik van de stoelverwar-
ming. Dit kan een lang herstelproces of on-
volledige genezing met zich meebrengen.
Raadpleeg een arts indien u twijfels hebt over
uw eigen gezondheidstoestand.
● Personen met een beperkte gewaarwording
van pijn en warmt
e mogen de stoelverwar-
ming nooit gebruiken. VOORZICHTIG
● Om de v er
warmingselementen van de
stoelverwarming niet te beschadigen, mag u
nooit op de stoelen knielen noch geconcen-
treerde druk uitoefenen op een enkel punt
van de zitting of rugleuning.
● Vloeistoffen, scherpe voorwerpen en isole-
rende mat
erialen op de stoel kunnen de
stoelverwarming beschadigen.
● Indien u een geur waarneemt, dient u de
stoelv
erwarming onmiddellijk uit te schake-
len en te laten controleren in een gespeciali-
seerde werkplaats. Milieu-aanwijzing
Gebruik de stoelverwarming niet langer dan
strikt nodig. Ander
s wordt onnodig veel
brandstof verbruikt. 152
Page 167 of 340
Vervoeren en praktische uitrustingen
Scheidingsnet* Afb. 165
Klap het scheidingsnet uit 1 en
w eer dic ht
2 en
3 . Afb. 166
In de bagageruimte: Scheidingsnet
ac ht
er de tw
eede zitrij inbouwen. Het scheidingsnet voorkomt dat voorwerpen
uit
de b
ag
ageruimte in de passagiersruimte
resp. in de bestuurdersruimte terecht kunnen
komen.
Voor het inbouwen van het net moet u het
net uit de tas halen en uitklappen.
Scheidingsnet uitklappen
De dwarssteunen van het scheidingsnet
››› afb. 165 1 volledig uitklappen in de rich-
tin g
v
an de pijl uit tot een "klik" te horen is.
Scheidingsnet achter de tweede zitrij inbou-
wen
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
linksac
hter in het dak bevindt ››› afb. 166. Let er hierbij op dat u de steun van bovenaf naar
beneden begel
eidt.
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
rechts
achter in het dak bevindt in door de
steun aan te duwen.
● Maak de twee haken van het scheidingsnet
aan de voor
ste banden van de bagageruimte
››› afb. 166 vast en trek de banden aan.
Scheidingsnet achter de voorstoelen inbou-
wen
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
linksac
hter in het dak ››› afb. 166 bevindt. Let
er hierbij op dat u de steun van bovenaf naar
beneden begeleidt.
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
rechts
voor in het dak bevindt in door de
steun aan te duwen.
● Maak de twee haken van het scheidingsnet
vas
t aan de bevestigingsogen aan de rechter-
en linkerzijde in de voetenruimte van de twee
zitrij en trek de banden aan.
Scheidingsnet uitbouwen
● Maak de banden van het scheidingsnet los.
● Maak de haken van het scheidingsnet los
van de beve
stigingsogen ››› afb. 166.
● Maak het scheidingsnet los van de rechter-
steu
n in het dak ››› afb. 166 door de steun
aan te duwen. »
165
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Veiligheid
Page 168 of 340
Bedienen
● Maak
het
scheidingsnet los van de linker-
steun in het dak.
Scheidingsnet inklappen
● Druk de ontgrendelingsknop ›››
afb. 165 2in en klap terwijl u de ontgrendelingsknop in-
g
edrukt
houdt
de steun A in de richting van
de pijl .
● Druk de ont
grendelingsknop ›››
afb. 165 3in en klap terwijl u de ontgrendelingsknop in-
g
edrukt
houdt
de steun B in de richting van
de pijl .
● Ber
g het scheidingsnet op een veilige ma-
nier in de wagen op
.ATTENTIE
Losse voorwerpen in het interieur kunnen bij
bruusk e m
anoeuvres, plotseling remmen of
ongevallen hard door het interieur vliegen.
● Controleer of de steunen correct vergren-
deld z
ijn.
● Ook als het scheidingsnet correct inge-
bouwd is, moet
u voorwerpen vastmaken of
verwijderen.
● Als de wagen in beweging is en het schei-
dings
net ingebouwd is, mag zich niemand
achter het scheidingsnet bevinden. Bevestigingsogen*
Afb. 167
In de bagageruimte: bevestigings-
og en. Voor en achter in de bagageruimte bevinden
z
ic
h bev
estigingsogen voor het vastmaken
van bagage ››› afb. 167 (pijlen). In sommige
modellen bevinden de achterste bevesti-
gingsogen zich helemaal achterin, in het ge-
deelte van de slotplaat.
Links en rechts van de voetenruimte van de
tweede zitrij bevinden zich andere bevesti-
gingsogen.
Sommige van de bevestigingsogen moeten
omhoog worden gebracht om ze te kunnen
gebruiken. ATTENTIE
Ongeschikte of beschadigde touwen of span-
banden k u
nnen bij bruusk remmen of onge-
vallen gaan scheuren. Hierdoor kunnen voor- werpen door het interieur schieten en ernstig
of dodelijk
l
etsel veroorzaken.
● Gebruik altijd geschikte of onbeschadigde
touw
en of spanbanden.
● Maak de touwen en spanbanden aan de be-
ves
tigingsogen vast.
● Losse bagage in de bagageruimte kan plot-
seling v
erschuiven en de gedrag van de wa-
gen veranderen.
● Maak kleine en lichte voorwerpen ook vast.
● Maak nooit een lading aan de bevestigings-
ogen v
ast die de ogen niet dragen kunnen.
● Bevestig nooit een kinderzitje aan de be-
ves
tigingsogen. Let op
● De m ax
imale belasting van de bevesti-
gingsogen is ca. 3,5 kN.
● Geschikte transportbanden en bevesti-
gings
systemen zijn bij gespecialiseerde
werkplaatsen verkrijgbaar. SEAT raadt u aan
de Technische Dienst te raadplegen. 166
Page 172 of 340
Bedienen
Bagagenet in vloer van bagageruimte vast-
m ak
en
● M
aak het bagagenet aan de bevestigings-
ogen ››
› afb. 172 1 en
2 vast.
B ag
ag
enet uitbouwen
Het vastgemaakte bagagenet staat onder
spanning ››› .
● Maak de haken van het bagagenet voor-
z ic
htig lo
s van de bevestigingsogen ››› afb.
172 1 .
● Maak de haken van het bagagenet voor-
z ic
htig lo
s van de bevestigingsogen ››› afb.
172 2 .
ATTENTIE
Het elastische bagagenet moet uitgerekt wor-
den wanneer het aan de bev
estigingsogen in
de bagageruimte wordt vastgemaakt. Het
vastgemaakte bagagenet staat onder span-
ning. De haken van het bagagenet kunnen
letsel veroorzaken als het bagagenet op de
verkeerde wijze wordt vast- of losgemaakt.
● Maak de haken van het bagagenet altijd
vas
t zodat ze bij het vast- of losmaken niet
van de bevestigingsogen schieten.
● Bescherm uw ogen en gezicht om letsel te
voorkomen a
ls de haak tijdens het vast- of
losmaken losschiet.
● Maak de haken altijd in de beschreven
vol
gorde vast. Als een van de haken van het bagagenet terugkaatst, neemt het risico op
ver
w
ondingen toe. Dakdragersysteem*
Inl eidin
g tot thema Het dak van de wagen is ontwikkeld voor een
optimal
e aer
odynamica. Conventionele dak-
dragersystemen kunnen daarom niet meer in
de openingen in het dak worden vastge-
maakt.
Aangezien de watergoot om aerodynamische
redenen in het dak zijn geïntegreerd, kunnen
alleen de basisdragers of door SEAT goedge-
keurde dakdragersystemen gebruikt worden.
Wanneer moet het dakdragersysteem uitge-
bouwd worden?
● Wanneer het niet meer gebruikt wordt.
● Wanneer u de wagen in een wasstraat wilt
gaan w a
ssen.
● Wanneer de hoogte van de wagen de toe-
laatb
are doorgangshoogte overschrijdt (bij-
voorbeeld in een garage). ATTENTIE
Bij het vervoeren van zware voorwerpen of
voor w
erpen met een groot oppervlak op het
dakdragersysteem veranderen de rijeigen- schappen door de verandering van het zwaar-
tep
u
nt resp. door het vergrote oppervlak dat
aan wind onderhevig is.
● Maak de lading altijd op de juiste wijze met
onbesc
hadigde geschikte touwen of bevesti-
gingsbanden vast.
● Grote, zware, lange of platte ladingen heb-
ben een negatiev
e invloed op de aerodynami-
ca en het zwaartepunt van de wagen, en het
rijgedrag.
● Voorkom bruuske manoeuvres en plotse-
ling remmen.
● P
as de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het we
gdek, het verkeer en de weersomstan-
digheden aan. VOORZICHTIG
● Bouw het d
akdragersysteem altijd uit voor-
dat u de wagen een wasstraat inrijdt.
● De hoogte van uw wagen verandert door de
montage
van de dakdragers en de daarop be-
vestigde lading. Vergelijk de hoogte van de
wagen met de beschikbare doorrijdhoogtes,
bijvoorbeeld ondergrondse doorgangen of
garagedeuren.
● De antenne op het dak, de looprichting van
het panor
amaschuifdak en de achterklep mo-
gen niet beïnvloed worden door het dakdra-
gersysteem en de lading die getransporteerd
wordt.
● Let erop dat de achterklep tijdens het ope-
nen niet te
gen de lading op het dak stoot.170
Page 174 of 340
Bedienen
de gewichtsgrens worden belast die in de
mont ag
e-in
structie is aangegeven.
Last verdelen
Verdeel de lading gelijkmatig en maak de
last op de juiste wijze vast ››› .
B ev
e
stigingspunten controleren
U moet nadat u de basisdragers en het dak-
dragersysteem heeft ingebouwd, na een kor-
te afstand en daarna met regelmatige inter-
vallen de bevestigingspunten controleren. ATTENTIE
Als de maximum toelaatbare lading op het
dak o
verschreden wordt, kan dit leiden tot
ongevallen en schade aan de wagen.
● Respecteer altijd het toelaatbare gewicht
voor het d
ak, de toelaatbare belasting op as-
sen en het toelaatbare totaalgewicht van de
wagen.
● Overschrijd de capaciteit van het dakdra-
gersy
steem niet, ook al bereikt u de maxi-
mum toelaatbare lading niet.
● Altijd de zwaarste voorwerpen vooraan be-
ves
tigen en de lading in het algemeen gelijk-
matig verdelen. ATTENTIE
Losse lading en niet correct vastgemaakte la-
ding k an
van het dakdragersysteem vallen en
ongevallen en letsel veroorzaken. ●
Gebruik a
ltijd geschikte of onbeschadigde
touwen of spanbanden.
● Maak de lading op de juiste wijze vast. Opbergvakken
Inl eidin
g tot thema De opbergvakken mogen alleen gebruikt wor-
den om licht
e of
kleine voorwerpen op te ber-
gen.
In het vak voorin in de middenarmsteun be-
vinden zich de ingangen voor de verbindin-
gen USB/AUX-IN gemonteerd af fabriek.
In het linkeropbergvak in de bagageruimte
bevindt zich de cd-wisselaar gemonteerd af
fabriek. ATTENTIE
Bij bruusk remmen of plotselinge manoeu-
vre s, k
unnen losse voorwerpen door het inte-
rieur geslingerd worden. Dit kan ernstig let-
sel veroorzaken bij de inzittenden en leiden
tot het verlies van de controle over de wagen.
● Geen dieren vervoeren noch harde, zware of
scherpe
voorwerpen in het interieur van de
wagen plaatsen in: open opbergvakken,
dashboard, hoedenplank, kleding of tassen.
● Zorg ervoor dat tijdens het rijden de op-
bergv
akken altijd gesloten blijven. ATTENTIE
Het plaatsen van voorwerpen in de voeten-
ruimte v
an de bestuurder kan het bedienen
van de pedalen belemmeren. Dit kan leiden
tot het verlies van de controle over de wagen
en zo het risico op een ernstig ongeval verho-
gen.
● Zorg ervoor dat de pedalen op elk moment
bediend kunnen w
orden en dat er geen voor-
werpen onder kunnen rollen.
● De vloermat moet altijd vast liggen.
● Plaats nooit andere vloermatten of vloerbe-
dekking
en op de af fabriek gemonteerde
vloermat.
● Zorg ervoor dat geen enkel voorwerp in de
voetenruimt
e van de bestuurder kan vallen
onder het rijden. VOORZICHTIG
● De v
erwarmingsdraden van de achterruit
kunnen door schurende voorwerpen op de
hoedenplank beschadigd raken.
● Bewaar geen voorwerpen, voedsel of medi-
cijnen in de wag
en die gevoelig zijn voor
warmte. Hoge of lage temperaturen kunnen
deze beschadigen of onbruikbaar maken.
● Doorzichtige voorwerpen die in de wagen
gele
gd worden, zoals brillen, vergrootglazen
of doorzichtige zuignappen op de ruiten kun-
nen de zonnestralen bundelen en schade ver-
oorzaken aan de wagen. 172