schakelen FIAT 500 2020 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2020, Model line: 500, Model: FIAT 500 2020Pages: 244, PDF Size: 6.18 MB
Page 109 of 244

Uitschakelen handrem
Ga als volgt te werk om de handrem uit
te schakelen:
trek de handrem iets omhoog en
druk op de ontgrendelknop A fig. 74;
druk knop A in, houd deze ingedrukt
en plaats de hendel omlaag. Het
waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel zal doven.
Trap het rempedaal in terwijl de
handrem wordt uitgeschakeld, om te
voorkomen dat de auto onbedoeld
beweegt.
BELANGRIJK
124)De auto moet geremd worden na
enkele klikken van de hendel; indien niet,
neem dan contact op met het Fiat
Servicenetwerk om hem te laten afstellen.
125)Laat kinderen nooit zonder toezicht
in het voertuig achter. Verwijder altijd de
contactsleutel als de auto wordt verlaten
en neem deze mee.
126)In geval van parkeermanoeuvres op
wegen met een helling, moeten de
voorwielen naar het trottoir worden
gedraaid (bij het parkeren op een helling
omlaag), of in de tegenovergestelde
richting als het voertuig op een helling
omhoog is geparkeerd. Als de auto op een
steile helling wordt geparkeerd, blokkeer
de wielen dan met wiggen of stenen.
HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
(voor bepaalde versies/markten)
127)
41)
Trap, om de versnellingen in te
schakelen, het koppelingspedaal
volledig in en plaats de pook in de
gewenste stand (het schakelschema is
aangegeven op de pookknop fig. 75).
Bij auto's met een versnellingsbak
met zes versnellingen kan de 6e
versnelling worden gekozen door de
pook naar rechts te duwen om te
voorkomen dat per ongeluk de 4e
versnelling wordt ingeschakeld.
Hetzelfde geldt bij het schakelen van de
6
enaar de 5eversnelling.Om de achteruitversnelling R te kiezen
vanuit de vrijstand, trekt u de ring A
fig. 75 onder de knop omhoog en
beweegt u de pook naar rechts en naar
achteren.
BELANGRIJK De achteruit kan
uitsluitend bij stilstaand voertuig worden
ingeschakeld. Wacht bij draaiende
motor minstens 2 seconden met het
koppelingspedaal helemaal ingetrapt
alvorens de achteruit in te schakelen,
om beschadiging aan de tandwielen te
voorkomen.
BELANGRIJK Het koppelingspedaal
mag uitsluitend voor het schakelen
gebruikt worden. Laat tijdens het rijden
de voet nooit, zelfs niet licht, op het
koppelingspedaal rusten. Bij bepaalde
versies/markten kan de regelelektronica
van het koppelingspedaal een foutieve
rijstijl als een defect interpreteren.
BELANGRIJK
127)Trap het koppelingspedaal helemaal
in om op juiste wijze te schakelen. Daarom
is het van fundamenteel belang dat er
niets onder het pedaal ligt: let erop dat de
matten vlak liggen en dat ze de slag van de
pedalen niet hinderen.
75F0S0597
107
Page 110 of 244

BELANGRIJK
41)Rijd niet met de hand op de
versnellingspook aangezien de
uitgeoefende druk, hoe licht ook, na
verloop van tijd kan leiden tot slijtage van
de interne onderdelen van de
versnellingsbak.
DUALOGIC-
VERSNELLINGSBAK
(voor bepaalde versies/markten)
42) 44)
BEDIENINGSWIJZE
HANDMATIGE BEDIENING
In deze modus beslist de bestuurder
zelf wanneer hij zal schakelen;
Ga als volgt te werk:
trap het rempedaal in;
de motor starten;
duw de versnellingspook A fig. 76
naar (+) om de eerste versnelling in
te schakelen (vanuit N of R kan de pook
ook in de middelste stand worden
gezet) of in R om de achteruitversnelling
in te schakelen;
laat het rempedaal los en trap het
gaspedaal in;
duw tijdens het rijden de
versnellingspook A naar (+) om op te
schakelen of naar (–) om terug te
schakelen.
AUTOMATISCHE BEDIENING
(AUTO)
In deze modus beslist het systeem
wanneer zal worden geschakeld.
Ga als volgt te werk:
trap het rempedaal in
start de motor
duw de versnellingspook naar A/M
-om de automatische modus in te
schakelen of naar R-om de
achteruitversnelling te kiezen.
laat het rempedaal los en trap het
gaspedaal in.
ECO-functie
De ECO-functie, die de werking van de
versnellingsbak optimaliseert en het
brandstofverbruik beperkt, kan alleen
worden ingeschakeld bij de
automatische werking. Schakel de
functie in door op de knop E fig. 76 op
het paneel van de versnellingsbak
drukken.
76F0S0576
108
STARTEN EN RIJDEN
Page 111 of 244

Als de ECO-stand actief is, ziet u op het
display de gekozen versnelling en de
woorden AUTO en ECO. Het systeem
selecteert nu de meest geschikte
versnelling, afhankelijk van de
voertuigsnelheid, het motortoerental en
de intensiteit waarmee het gaspedaal
wordt ingetrapt, met als doel het
brandstofverbruik te beperken.
De functies ECO en AUTO worden
automatisch geactiveerd als de motor
wordt gestart.
SCHAKELPEDDELS AAN
HET STUURWIEL
(voor bepaalde versies/markten)
43) 44) 43)
De verschillende versnellingen kunnen
opeenvolgend worden gekozen via
de schakelpeddels op het stuur fig. 77.Om de schakelpeddels aan het
stuurwiel te kunnen gebruiken, moet de
versnellingspook in de middelste stand
tussen + en – staan:
trek aan de peddel + (naar de
bestuurder toe) om op te schakelen;
trek aan de peddel – (naar de
bestuurder toe) om terug te schakelen.
OPMERKING Op- of terugschakelen
mag alleen worden gedaan als het
motortoerental dit toestaat.
OPMERKING Bedien, voor een juist
gebruik van het systeem, het pedaal
uitsluitend met de rechtervoet.
BELANGRIJK
42)Houd de hand niet langer op de
versnellingspook dan strikt noodzakelijk is
voor het schakelen of voor de Auto/Manual
bediening.
43)Door onjuist gebruik van de peddels
(peddels naar het dashboard geduwd)
kunnen deze afbreken.
44)Neem zo snel mogelijk contact op met
het Fiat Servicenetwerk in geval van een
storing in de transmissie om het systeem te
laten controleren.
45)Door onjuist gebruik van de peddels
(peddels naar het dashboard geduwd)
kunnen deze afbreken.
ELEKTRISCHE
STUURBEK-
RACHTIGING
DUALDRIVE
(voor bepaalde versies/markten)
In-/uitschakelen (CITY-functie)
Druk op knop A fig. 78 om de functie
in/uit te schakelen.
Wanneer de functie ingeschakeld is,
brandt de tekst CITY op het display.
Wanneer de CITY-functie is
ingeschakeld, draait het stuur erg licht,
waardoor makkelijker kan worden
geparkeerd: daarom is deze functie
bijzonder geschikt voor het rijden in de
stad.
Druk nogmaals op de toets om de
functie uit te schakelen.
128) 129)
77F0S0577
78F0S0650
109
Page 112 of 244

ECO-FUNCTIE
(voor bepaalde versies/markten)
Druk, met de contactsleutel in de
stand MAR, op de ECO-knop B fig. 78
om de functie in te schakelen. Het
woord ECO verschijnt op het display of
er wordt, afhankelijk van de versie,
een speciaal scherm weergegeven.
Bij geactiveerde functie, is de auto
ingesteld voor het rijden in de stad, wat
gekenmerkt wordt door een lichter
draaiend stuur (Dualdrive-systeem
ingeschakeld) en een lager
brandstofverbruik.
Druk nogmaals op de knop om de
functie te deactiveren.
Deze functie wordt niet opgeslagen,
dus zal het systeem met deze functie
ingeschakeld herstarten als de motor
opnieuw wordt gestart.
BELANGRIJK
128)After-market werkzaamheden waarbij
wijzigingen van de stuurinrichting of de
stuurkolom betrokken zijn (bijv. bij montage
van een alarmsysteem) zijn ten strengste
verboden. Dergelijke werkzaamheden
kunnen de prestaties van het systeem, de
garantie en de veiligheid in gevaar brengen
waardoor de auto niet meer aan de
typegoedkeuring voldoet.129)Zet altijd de motor uit en verwijder de
contactsleutel uit het slot om het stuurwiel
te vergrendelen, alvorens
onderhoudswerkzaamheden uit te voeren,
in het bijzonder wanneer de wielen van
de auto de grond niet raken. Als dit niet
mogelijk is (bijv. als de contactsleutel in de
stand MAR moet staan of als de motor
moet draaien), de hoofdzekering van de
elektrische stuurbekrachtiging verwijderen.
START&STOP-
SYSTEEM
130) 131) 132) 133)
46)
(voor bepaalde versies/markten)
Het Start&Stop-systeem zet
automatisch de motor af wanneer de
auto stilstaat en start de motor zodra
de bestuurder weer wil gaan rijden.
Dit verhoogt de efficiëntie van het
voertuig dankzij een beperking van het
brandstofverbruik, de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en de
geluidsoverlast.
BEDIENINGSWIJZE
Afzetten van de motor
Met handgeschakelde versnellingsbak:
bij stilstaande auto, wordt de motor
afgezet als de versnellingsbak in de
vrijstand staat en het koppelingspedaal
niet is ingetrapt.
Met Dualogic versnellingsbak: de motor
wordt afgezet als de auto stil staat en
het rempedaal wordt ingetrapt. De
motor wordt ook afgezet als het
rempedaal niet wordt ingetrapt, maar
als de keuzehendel in de stand N
(Neutraal) staat.
110
STARTEN EN RIJDEN
Page 113 of 244

OPMERKING De motor kan alleen
automatisch worden afgezet bij een
snelheid van meer dan 10 km/h, om
herhaaldelijk afzetten van de motor te
voorkomen wanneer erg traag wordt
gereden.
Uitschakeling van de motor wordt
aangegeven door het aangaan van een
controlelampje of het symbool
op
het instrumentenpaneel (bij sommige
versies, tegelijk met het verschijnen van
een bericht op het display).
De motor opnieuw starten
Met handgeschakelde versnellingsbak:
trap het koppelingspedaal in.
Met Dualogic versnellingsbak: als de
versnellingspook in de stand N
(Neutraal) staat, zet hem dan in een
willekeurige versnelling, of laat het
rempedaal los en zet de
versnellingspook in+,–of R (Achteruit).
HET SYSTEEM
HANDMATIG
INSCHAKELEN/
UITSCHAKELEN
Het systeem kan in-/uitgeschakeld
worden door knop A fig. 79 op het
dashboard in te drukken.
Bij uitgeschakeld systeem verschijnt het
lampje of het symbool
op het
instrumentenpaneel (met een bericht bij
versies met kleurendisplay).
Start&Stop is actief als de motor draait.
BELANGRIJK
130)Laat de accu alleen vervangen door
een dealer van het Fiat Servicenetwerk.
Vervang de accu door een exemplaar van
hetzelfde type (HEAVY DUTY) en met
dezelfde specificaties.
131)Controleer alvorens de motorkap te
openen of de motor is afgezet en of de
contactsleutel in de stand STOP staat. Volg
de instructies op die zijn aangegeven op
het plaatje op de voorste traverse. Wij
adviseren om de contactsleutel te
verwijderen als er zich nog inzittenden in de
auto bevinden. Alle inzittenden moeten uit
de auto stappen nadat de contactsleutel
is uitgenomen of naar de STOP-stand
is gedraaid. Controleer tijdens het tanken
of de motor is afgezet en of de
contactsleutel in de STOP-stand staat.132)Wij adviseren om de contactsleutel te
verwijderen als er zich nog inzittenden in
het voertuig bevinden. Verlaat het voertuig
alleen na de contactsleutel te hebben
uitgenomen of in de stand STOP te
hebben gedraaid. Controleer bij het tanken
of de motor is afgezet en of de
contactsleutel in de stand STOP staat.
133)Als bij voertuigen met een
Dualogic-versnellingsbak de motor
automatisch op een helling is afgezet, dan
moet hij gestart worden door de
versnellingspook naar + of – te verplaatsen
zonder het rempedaal los te laten. Bij
auto's een Dualogic versnellingsbak waar
ook de Hill Holder-functie aanwezig is,
zal bij het stoppen van de auto op een
helling de motor niet automatisch afgezet
worden, om de Hill Holder-functie
beschikbaar te stellen - die alleen werkt als
de motor draait.
BELANGRIJK
46)Als een comfortabele temperatuur
prioritair is, dan kan het Start&Stop-
systeem worden uitgeschakeld zodat de
klimaatregeling kan blijven werken.
79F0S0519
111
Page 114 of 244

SPEED LIMITER
(voor bepaalde versies/markten)
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
Om het systeem in te schakelen de ring
C fig. 80 in de stand
draaien.
Wanneer het apparaat is ingeschakeld,
wordt dit aangeduid door het symbool
dat wordt getoond op het display
samen met de laatst ingestelde
snelheid.
SNELHEIDSLIMIET
PROGRAMMEREN
De minimumsnelheid die ingesteld kan
worden is 30 km/h.
Schakel de speed limiter in door ring C
naar de positie
te draaien.
De snelheidslimiet kan
geprogrammeerd worden zonder het
systeem in te hoeven schakelen.Om een snelheidswaarde hoger
dan weergegeven op te slaan
Draai ring B fig. 80 omhoog (SET +
positie). Bij het loslaten van ring B,
neemt de snelheid met 1 km/h toe.
Door het in de SET + positie te houden,
neemt de snelheid voortdurend toe in
stappen van 5 km/u.
Om een snelheidswaarde lager dan
weergegeven op te slaan
Draai ring B omlaag (SET- positie). Bij
het loslaten van ring B, neemt de
snelheid met 1 km/h af. Door het in de
SET - positie te houden, neemt de
snelheid voortdurend af in stappen van
5 km/u.
INSCHAKELING/
UITSCHAKELING
SYSTEEM
Het systeem inschakelen
druk knop A (CANC/RES) fig. 80 in
en laat hem los of,
als de voertuigsnelheid tussen de 30
tot 130 km/h ligt, draai dan ring B
omhoog of omlaag.
De functie wordt geactiveerd met de
huidige snelheid ingesteld als de
snelheidslimiet. Wanneer het apparaat
is ingeschakeld, wordt dit aangeduid
door het symbool
dat wordt
getoond op het display samen met de
laatst ingestelde snelheid.Het systeem uitschakelen
Druk knop A (CANC/RES) fig. 80 in.
Uitschakeling van het apparaat wordt
aangeduid door de instelling die
vervangen wordt door het woord
CANC.
Het systeem inschakelen
druk knop A (CANC/RES) fig. 80 in
en laat hem los of,
als de voertuigsnelheid tussen de 30
tot 130 km/h ligt, draai dan ring B
omhoog of omlaag.
DE GEPROGRAMMEERDE
SNELHEID
OVERSCHRIJDEN
Als het gaspedaal volledig wordt
ingetrapt, kan de geprogrammeerde
snelheid overschreden worden, ook als
het systeem is ingeschakeld (bijv. om
in te halen).
Het systeem is uitgeschakeld tot de
snelheid onder de ingestelde limiet zakt,
daarna wordt het weer automatisch
ingeschakeld.
80F0S0624
112
STARTEN EN RIJDEN
Page 115 of 244

KNIPPEREN VAN DE
GEPROGRAMMEERDE
SNELHEID
In de volgende gevallen gaat de
geprogrammeerde snelheid knipperen:
wanneer het gaspedaal volledig is
ingetrapt en het voertuig de
geprogrammeerde snelheid heeft
overschreden;
inschakeling van het systeem na het
instellen van een limiet lager dan de
werkelijke snelheid van het voertuig
(met geluidswaarschuwing);
wanneer het apparaat de
voertuigsnelheid niet kan beperken
door de helling van de weg (met
geluidswaarschuwing);
bij snelle acceleratie.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
Om het systeem uit te schakelen, ring
C fig. 80 naar de positie 0 draaien.
Automatische uitschakeling van het
systeem
Het systeem wordt automatisch
uitgeschakeld in geval van een
systeemstoring. Neem in dat geval
contact op met het Fiat Servicenetwerk.AUTOMATISCH
RESETTEN VAN DE
INGESTELDE SNELHEID
Met de Speed Limiter ingeschakeld en
door op de knop A (CANC/RES) fig.
80 te drukken bij een hogere snelheid
dan de ingestelde waarde, zal het
motorkoppel worden beperkt zoals
vereist om die waarde te bereiken,
indien deze waarde niet bereikt is
binnen 20 seconden na het indrukken
van de knop.
ELEKTRONISCHE
CRUISE-CONTROL
(voor bepaalde versies/markten)
Dit systeem kan gebruikt worden bij
snelheden hoger dan 30 km/u.
HET SYSTEEM
INSCHAKELEN
134) 135) 136)
Om het systeem in te schakelen de ring
C fig. 81 in de stand
draaien.
Inschakeling wordt aangegeven door
het brandende symbool
.
Het systeem kan niet worden
ingeschakeld als het voertuig in de 1
e
versnelling of in de achteruit staat.
Het is raadzaam om het systeem in te
schakelen vanaf de 3
eversnelling of
hoger.
81F0S0624
113
Page 116 of 244

BELANGRIJK Het is gevaarlijk het
systeem ingeschakeld te houden als
het niet gebruikt wordt. Er bestaat een
risico van per ongeluk inschakelen
en de controle over het voertuig
te verliezen vanwege onverwachte
overmatige snelheid.
DE GEWENSTE
SNELHEID INSTELLEN
Ga als volgt te werk:
Schakel het systeem in door ring C
fig. 81 omlaag te draaien.
Draai, wanneer het voertuig de
gewenste snelheid heeft bereikt, de ring
B omhoog (of omlaag) en laat de knop
los om het systeem in te schakelen.
Wanneer het gaspedaal wordt
losgelaten, zal het voertuig automatisch
de geselecteerde snelheid aanhouden.
Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen)
kan de snelheid gewoon verhoogd
worden door het gaspedaal in te
trappen; als het gaspedaal vervolgens
wordt losgelaten, keert de auto terug
naar de eerder opgeslagen snelheid.
Op afdalingen kan de snelheid bij
ingeschakelde cruise-control iets hoger
liggen dan de opgeslagen snelheid.
BELANGRIJK Alvorens ring B omhoog
of omlaag te draaien, moet het voertuig
bij een constante snelheid rijden op
een vlakke ondergrond.SNELHEID VERHOGEN
Zodra de elektronische Cruise Control
is ingeschakeld, kan de snelheid
verhoogd worden door op ring B
omhoog te draaien.
SNELHEID VERLAGEN
Om de snelheid te laten afnemen met
het systeem geactiveerd, ring B omlaag
draaien.
DE SNELHEID WEER
OPROEPEN
Bij versies met Dualogic-versnellingsbak
in de D-modus (Drive - automatisch),
om de eerder ingestelde snelheid op te
roepen, knop A (CANC/RES) fig. 81
indrukken en loslaten.
Bij versies met handgeschakelde
versnellingsbak of Dualogic-
versnellingsbak in de sequentiële
modus, om de eerder ingestelde
snelheid op te roepen, accelereren tot
deze snelheid wordt benaderd en de
knop A (CANC/RES) indrukken en
loslaten.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
Door het rempedaal een klein stukje in
te trappen of de knop A (CANC/RES) in
te drukken wordt de elektronische
Cruise-Control uitgeschakeld zonder
dat de opgeslagen snelheid gewist
wordt.Het veranderen van de versnelling zorgt
dat de Cruise Control uitschakelt.
HET SYSTEEM
UITSCHAKELEN
De elektronische Cruise-Control wordt
uitgeschakeld door ring C fig. 81 naar
stand 0 te draaien of de startschakelaar
op STOP te zetten.
BELANGRIJK
134)Als met actieve cruise-control wordt
gereden, mag de versnellingspook nooit in
de vrijstand worden gezet.
135)In geval van slechte werking of storing
van het systeem, contact opnemen met
het Fiat Servicenetwerk.
136)De elektronische Cruise-Control kan
gevaarlijk zijn als het systeem geen
constante snelheid kan handhaven. In
bepaalde omstandigheden kan de snelheid
overmatig zijn, hetgeen kan leiden tot
verlies van controle over het voertuig en
ongevallen. Gebruik het systeem niet
in druk verkeer of op bochtig, met ijzel of
sneeuw bedekt of glad wegdek.
114
STARTEN EN RIJDEN
Page 125 of 244

ALARM-
KNIPPERLICHTEN
Druk op knop A (fig. 89) om de
alarmknipperlichten in/uit te schakelen
ongeacht de stand van de
contactsleutel.
Wanneer deze lichten zijn ingeschakeld,
gaan de waarschuwingslampjes
en
op het instrumentenpaneel branden.
Druk opnieuw op knop A om de lichten
uit te schakelen.
BELANGRIJK Het gebruik van de
alarmknipperlichten wordt geregeld
door de wegenverkeerswetgeving van
het land waar u rijdt: neem de wettelijke
voorschriften in acht.Noodremmen
Bij het remmen in noodsituaties worden
de alarmknipperlichten automatisch
ingeschakeld, evenals de lampjes
en
op het instrumentenpaneel.
De lichten gaan automatisch uit
wanneer het noodremmen ophoudt.
EEN LAMP
VERVANGEN
143) 144) 145) 146)
49) 50)
ALGEMENE INSTRUCTIES
Controleer alvorens een lamp te
vervangen of de contacten zijn
geoxideerd;
vervang defecte lampen door
exemplaren van hetzelfde type en
vermogen;
controleer na vervanging van een
lamp altijd de hoogte van de lichtbundel
van de koplampen;
als een lamp niet werkt, controleer
dan of de betreffende zekering is
doorgebrand alvorens de lamp te
vervangen. Om de zekeringen te vinden
wordt verwezen naar de paragraaf
“Zekeringen vervangen” in dit
hoofdstuk.
89F0S0614
123
Page 162 of 244

Gebruik altijd een trechter met
ingebouwd filter met een zeef van 0,12
mm of minder.
BELANGRIJK Remvloeistof is
hygroscopisch (d.w.z. trekt water aan).
Daarom moet, als de auto voornamelijk
gebruikt wordt in gebieden met hoge
luchtvochtigheid, de vloeistof vaker
worden vervangen dan staat
aangegeven in het “Geprogrammeerd
Onderhoudsschema”.
178) 179)
63)
OLIE HYDRAULISCH
BEDIENINGSSYSTEEM
DUALOGIC
VERSNELLINGSBAK
4)
Het vloeistofniveau mag uitsluitend
gecontroleerd worden bij een
werkplaats van het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK
174)Rook nooit tijdens het uitvoeren van
werkzaamheden in de motorruimte: er
kunnen ontvlambare gassen en dampen
vrijkomen die brand kunnen veroorzaken.
175)Wees erg voorzichtig bij het uitvoeren
van werkzaamheden in de motorruimte
wanneer de motor nog warm is: gevaar
voor brandwonden. Vergeet niet dat bij een
warme motor de ventilator onverwacht
kan inschakelen: gevaar voor letsel. Sjaals,
dassen of andere loszittende kleding
kunnen door de bewegende onderdelen
worden meegetrokken.
176)Het koelsysteem staat onder druk.
Vervang, indien nodig, de dop alleen met
een origineel exemplaar om de werking van
het systeem niet negatief te beïnvloeden.
Draai bij warme motor de dop van het
reservoir niet los: gevaar voor
brandwonden.
177)Rijd nooit met een leeg
ruitensproeiervloeistofreservoir:
ruitensproeiers zijn van fundamenteel
belang voor een goed zicht. Sommige in de
handel verkrijgbare
ruitensproeiervloeistoffen zijn licht
ontvlambaar. De motorruimte omvat warme
onderdelen die bij contact met de vloeistof
brand kunnen veroorzaken.178)Remvloeistof is giftig en uiterst
corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof
gemorst wordt, moeten de betrokken delen
onmiddellijk worden gewassen met water
en neutrale zeep. Vervolgens met veel
water afspoelen. In geval van inslikken
onmiddellijk een arts raadplegen.
179)Het symbool
op het reservoir geeft
aan dat een synthetische remvloeistof
moet worden gebruikt, dus geen minerale
remvloeistof. Het gebruik van minerale
vloeistoffen kan de speciale rubberen
pakkingen in het remsysteem onherstelbaar
beschadigen.
BELANGRIJK
59)Wees voorzichtig bij het bijvullen en
meng nooit verschillende soorten
vloeistoffen: alle vloeistoffen zijn specifiek
en het mengen ervan kan de auto ernstig
beschadigen.
60)Het gebruik van producten met andere
dan de hierboven aangegeven specificaties
kan leiden tot beschadigingen aan de
motor die niet door de garantie worden
gedekt.
61)Vul geen olie bij met andere kenmerken
dan de olie waarmee de motor al is
gevuld.
160
ONDERHOUD EN ZORG