service FIAT DUCATO 2012 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2012, Model line: DUCATO, Model: FIAT DUCATO 2012Pages: 288, PDF Size: 3.44 MB
Page 171 of 288

167
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
CRUISE-CONTROL
(SNELHEIDSREGLAAR)
(indien aanwezig) (groen)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het
lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje op het instrumentenpaneel brandt als de
draaiknop van de cruise-control in stand ON staat. Op
enkele uitvoeringen verschijnt een bijbehorende melding op
het display.
Ü
RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen –
knipperend)
Het lampje gaat branden als de
richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of,
tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer,
als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt
ingedrukt.
D
GROOTLICHT (blauw)
Het lampje gaat branden als het grootlicht wordt
ingeschakeld.
1
STORING STUURBEKRACHTIGING
(rood)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat
het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na
enkele seconden moet het lampje doven.
Als het lampje blijft branden, de melding op het display blijft
weergegeven en er een akoestisch signaal (zoemer) klinkt,
dan werkt de stuurbekrachtiging niet en is meer kracht nodig
voor het draaien van het stuur. Wendt u tot het Fiat
Servicenetwerk.
g
Page 172 of 288

168
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
BEPERKTE ACTIERADIUS
(uitvoeringen met multifunctioneel display)
Op het display verschijnt een melding om de gebruiker te
waarschuwen als de actieradius van de auto kleiner wordt
dan 50 km.
SNELHEIDSLIMIET OVERSCHREDEN
Op het display verschijnt een melding als de ingestelde
snelheidslimiet wordt overschreden (zie “Multifunctioneel
display” in het hoofdstuk “Wegwijs in uw auto”).
GEPROGRAMMEERD ONDERHOUD
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Op het display verschijnt een speciaal bericht naast de
waarschuwingen voor geprogrammeerde onderhoud en dit
bericht verdwijnt pas na afloop van een vervaltermijn. Het
lampje dooft nadat de onderhoudswerkzaamheden door het
Fiat-servicenetwerk zijn verricht of na 1000 km voor de
volgende onderhoudsbeurt.
DAGVERLICHTING DEFECT
(met herconfigureerbare multifunctionele display)
Het display geeft het speciale bericht weer en de icoon
buitenverlichting defect gaat branden wanneer een defect aan
de dagverlichting is vastgesteld. STORING AUTOMATISCHE
VERSNELLINGSBAK/
MAXIMUM OLIETEMPERATUUR IN
AUTOMATISCHE VERSNELLINGSBAK
(rood)
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje
op het instrumentenpaneel branden. Na enkele seconden
moet het lampje doven.
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat knipperen (op
het display verschijnt ook een melding en er klinkt een
akoestisch signaal) als er een storing is in de versnellingsbak
Het lampje op het instrumentenpaneel gaat constant branden
(op het display verschijnt ook een melding en er klinkt een
akoestisch signaal) bij een te hoge temperatuur van de
transmissie-olie.
KANS OP GLADHEID
Als de buitentemperatuur gelijk is aan of lager wordt dan
3 °C, dan knippert de temperatuuraanduiding om aan te geven
dat er kans op gladheid bestaat.
Op het display verschijnt een bijbehorende melding (alleen bij
uitvoeringen met multifunctioneel display). STORING AUTOMATISCHE
NIVEAUREGELING (rood)
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het
lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
Het lampje gaat branden als er een storing is in de
automatische niveauregeling.
Œ
t
Page 173 of 288

F0N0075mfig. 157F0N0076mfig. 158169
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
MOTOR STARTEN
NOODSTART
Als het lampje
Yop het instrumentenpaneel constant blijft
branden, wendt u dan onmiddellijk tot het Fiat
Servicenetwerk.
STARTEN MET EEN HULPACCU fig. 157-158
Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een
hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de
lege accu. Het is raadzaam de accu door het Fiat
Servicenetwerk te laten controleren/vervangen.
NOODGEVALLEN
In geval van nood raden wij u aan het gratis nummer te bellen dat in de Service- en garantiehandleiding
vermeld staat. U kunt ook de site www.fiat.com raadplegen voor de dichtstbijzijnde vestiging van het
Fiat Servicenetwerk.
Laat deze procedure door gespecialiseerd
personeel uitvoeren. Onjuiste handelingen
kunnen leiden tot vonken. De vloeistof in de accu is
giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid
en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met
open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak
geen vonken.
ATTENTIE!
Page 174 of 288

WIEL VERWISSELEN
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik
van de krik en het reservewiel (voor bepaalde
uitvoeringen/markten) moeten de onderstaande
voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. Ga voor het starten als volgt te werk:
❒til het klepje A omhoog zodat de verbinding met de
pluspool van de accu bereikbaar is fig. 157;
❒verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide
accu's met een startkabel;
❒sluit een tweede startkabel aan op de minpool (−) van de
hulpaccu en op de massa-aansluiting zoals afgebeeld in fig.
158;
❒start de motor;
❒neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde
volgorde los.
Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet
proberen maar wendt u tot het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de twee accu's
niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het
explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als
de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto,
mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per
ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan.
ROLLEND STARTEN
Probeer auto's nooit te starten door ze aan te duwen, te
slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan
er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen,
waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen.
BELANGRIJK Houd er rekening mee dat de rem- en
stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is
aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de
bediening van het rempedaal en het stuur.
170
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Attendeer het overige wegverkeer op de
stilstaande auto m.b.v.: de
waarschuwingsknipperlichten, de gevarendriehoek
enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten
alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als
de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand
van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld
is. Trek de handrem aan.
ATTENTIE!
Het reservewiel (voor bepaalde
uitvoeringen/markten) behoort bij de auto
waarbij het geleverd is. Gebruik het reservewiel niet
bij andere auto's en monteer geen reservewielen van
andere auto's. De wielbouten zijn speciaal voor deze
auto: gebruik de wielbouten niet bij andere auto's
en gebruik geen wielbouten van andere auto's.
ATTENTIE!
Page 183 of 288

F0N0182mfig. 174F0N0827mfig. 173
Controleer de bandenspanning op de manometer
F-fig. 173. Voor een nauwkeurige aflezing moet de
compressor worden uitgeschakeld, maar de centrale
keuzeschakelaar moet in de reparatiestand blijven staan;
❒als u er niet in slaagt binnen 10 minuten de
bandenspanning op ten minste 3 bar te krijgen, koppel
dan de doorzichtige vulbuis los van het ventiel, trek de
stekker uit de 12V-stekkerdoos en verplaats vervolgens
de auto ongeveer 10 meter naar voren, zodat de
afdichtvloeistof in de band verdeeld wordt; pomp de band
vervolgens weer op;
❒als u er ook dan niet in slaagt om, binnen 10 minuten na
inschakeling van de compressor, de spanning op ten
minste 3 bar te brengen, mag niet verder worden
gereden, omdat de band te erg beschadigd is en de
reparatieset de vereiste wegligging niet kan garanderen;
wendt u tot het Fiat Servicenetwerk;
❒als de band op de juiste spanning is gebracht (zie de
paragraaf “Bandenspanning” in het hoofdstuk “Technische
gegevens”), vertrek dan onmiddellijk;
179
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Plaats de sticker op een voor de bestuurder
goed zichtbare plaats om aan te geven dat
de band behandeld is met de snelle
bandenreparatieset. Rijd voorzichtig vooral in
bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd
bruusk accelereren en remmen.
ATTENTIE!
❒stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de
bandenspanning; vergeet niet de handrem aan te trekken
Als de bandenspanning onder 3 bar is
gedaald, mag niet verder worden gereden:
de snelle bandenreparatieset Fix & Go automatic
kan de vereiste wegligging niet garanderen omdat de
band te erg beschadigd is. Wendt u tot het Fiat
Servicenetwerk.
ATTENTIE!
Page 184 of 288

F0N0828mfig. 175
❒als een spanning van ten minste 3 bar wordt gemeten,
herstel dan de correcte bandenspanning die vermeld staat
in de paragraaf “Bandenspanning” in het hoofdstuk
“Technische gegevens” (met draaiende motor en
aangetrokken handrem) en rijd verder;
❒rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats
van het Fiat Servicenetwerk.
180
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
U moet absoluut aangeven dat de band is
gerepareerd met de snelle
bandenreparatieset. Overhandig de informatiefolder
aan het personeel dat de band repareert die
behandeld is met de snelle bandenreparatieset.
ATTENTIE!
Als u andere banden gebruikt dan de
banden die bij de auto geleverd zijn, kan
reparatie waarschijnlijk niet mogelijk zijn. Als u de
banden vervangt, is het raadzaam de door de
fabrikant goedgekeurde banden te monteren.
Raadpleeg het Fiat Servicenetwerk.
ATTENTIE!
❒Draai de ventieldop van de band los, trek de slang C-fig.
175 met de snelkoppeling uit en draai deze op het ventiel
van de band.
❒Steek de stekker in de dichtstbijzijnde 12V-stekkerdoos
en start de motor.
❒Draai de keuzeschakelaar rechtsom in de stand voor
oppompen.
❒Schakel de set in door op de on/off-schakelaar te
drukken. Pomp de band op tot de juiste bandenspanning
is bereikt (zie de paragraaf “Bandenspanning” in het
hoofdstuk “Technische gegevens”).
OPMERKING Als de spanning in de band verlaagd moet
worden, druk dan op de knop B die is afgebeeld in
fig. 176. Controleer de bandenspanning op de manometer.
Voor een nauwkeurige aflezing moet de compressor worden
uitgeschakeld, maar de centrale keuzeschakelaar moet in de
stand voor oppompen blijven staan.
ALLEEN VOOR HET CONTROLEREN EN
HERSTELLEN VAN DE SPANNING
De compressor kan ook worden gebruikt voor het herstellen
van de bandenspanning.
❒Trek de handrem aan.
Page 186 of 288

F0N0078mfig. 178
Modificaties of reparaties aan de
elektrische installatie die niet correct
worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt
gehouden met de technische specificaties van het
systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs
brand veroorzaken.
ATTENTIE!
Halogeenlampen bevatten gas onder druk.
Bij breuk kunnen er glassplinters
wegschieten.
ATTENTIE!
BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje
beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een
natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage
temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en verdwijnt snel
als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van
druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt
daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot het
Fiat Servicenetwerk.
TYPEN GLOEILAMPEN fig. 178
Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd:
A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien van een klemfitting.
Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te
trekken.
B Gloeilampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de
houder door hem iets in te drukken en linksom te
draaien.C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de
veercontacten los te maken.
D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer
los te haken uit de zitting.
182
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Page 199 of 288

195
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
F0N0094mfig. 204
ZEKERINGEN VERVANGEN
ALGEMENE INFORMATIE
Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de
zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik
van het systeem.
Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst
of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A-fig.
204 mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet
u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelfde
stroomsterkte (zelfde kleur).
B zekering in goede staat;
C zekering met doorgebrande strip.
Vervang een defecte zekering nooit door
ander materiaal.
Vervang een zekering nooit door een
zekering met een hogere stroomsterkte
(ampère); BRANDGEVAAR.
ATTENTIE!
Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MIDI-
FUSE, MAXI-FUSE) doorbrandt, wendt u
dan tot het Fiat Servicenetwerk. Controleer, voordat
u een zekering vervangt, of de contactsleutel uit het
contactslot is genomen en alle stroomverbruikers
uitstaan en/of zijn uitgeschakeld.
ATTENTIE!
Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt
u dan tot het Fiat Servicenetwerk.
ATTENTIE!
Page 200 of 288

196
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
Als een zekering van de veiligheidssystemen
(airbagsysteem, remsysteem), de aandrijving
van de auto (motormanagementsysteem,
regelsysteem van de versnellingsbak) of de
stuurinrichting doorbrandt, wendt u dan tot het Fiat
Servicenetwerk.
ATTENTIE!
F0N0095mfig. 205
Zekeringenkast in motorruimte
De zekeringen in de zekeringenkast fig. 208 zijn bereikbaar
nadat het beschermdeksel fig. 207 is verwijderd.
Zekeringenkast (optional) op de rechter middenstijl
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
De zekeringen in de zekeringenkast fig. 210 zijn bereikbaar
nadat het beschermdeksel fig. 209 is verwijderd.
TOEGANG TOT DE ZEKERINGEN
De zekeringen van de auto bevinden zich in drie
zekeringenkasten, op het dashboard, op de rechter stijl in het
interieur, en in de motorruimte.
Zekeringenkast op het dashboard
De zekeringen in de zekeringenkast fig. 206 op het dashboard
zijn bereikbaar nadat de schroeven A-fig. 205 zijn losgedraaid
en het deksel is verwijderd.
F0N0513mfig. 206
Page 206 of 288

ACCU OPLADEN
BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu
dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot het
Fiat Servicenetwerk om deze werkzaamheden uit te laten
voeren.
We raden u aan de accu langzaam en met een lage
stroomsterkte (ampèrage) gedurende ca. 24 uur op te laden.
Als u de accu snel oplaadt met een hoge stroomsterkte, kan
de accu worden beschadigd. Ga voor het opladen als volgt te
werk:
❒maak de klem los van de minpool op de accu;
❒sluit de kabels van de acculader aan op de accupolen; let
hierbij op de polariteit;
❒schakel de acculader in;
❒aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader
uit en koppel dan de accu los;
❒sluit de klem weer aan op de minpool van de accu.
202
WEGWIJS
IN UW AUTO
VEILIGHEID
STARTEN
EN RIJDEN
LAMPJES
EN MELDINGEN
NOODGEVALLEN
ONDERHOUD
EN ZORG
TECHNISCHE
GEGEVENS
ALFABETISCH
REGISTER
De vloeistof in de accu is giftig en corrosief.
Vermijd het contact met de huid en de ogen.
Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in
een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van
open vuur en vonkvormende apparaten: brand- en
ontploffingsgevaar.
ATTENTIE!
Probeer een bevroren accu niet op te laden:
eerst moet de accu ontdooid worden, anders
loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu
bevroren is geweest, moet door deskundig personeel
worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd
zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor
de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken.
ATTENTIE!