lamp FIAT DUCATO 2016 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2016, Model line: DUCATO, Model: FIAT DUCATO 2016Pages: 379, PDF Size: 20.63 MB
Page 47 of 379

Wanneer het systeem werkt, schakelt
de regeleenheid de ventilator van het
verwarmingssysteem in het interieur
met de tweede snelheid in.
Het thermisch vermogen van de ketel
wordt automatisch geregeld door
de elektronische regeleenheid,
afhankelijk van de
koelvloeistoftemperatuur.
BELANGRIJK De verwarming is
voorzien van een thermische beveiliging
die de verbranding onderbreekt in
geval van oververhitting door een te
laag koelvloeistofpeil of door
koelvloeistoflekkage. In dergelijke
gevallen moet, na reparatie van het
defect in het koelsysteem en/of
herstellen van het juiste koelvloeistofpeil
en alvorens de verwarming opnieuw in
te schakelen, de toets voor
programmaselectie worden ingedrukt.
De verwarming kan spontaan
uitschakelen wegens uitgebleven
verbranding na het starten of wanneer
de vlam tijdens de werking dooft.
Voer in dergelijke gevallen de
uitschakelprocedure uit en probeer de
verwarming opnieuw in te schakelen.
Wendt u zich tot het Fiat
Servicenetwerk als de verwarming
hierna nog niet werkt.Inschakeling van het
verwarmingssysteem
Als het voertuig is voorzien van
automatische klimaatregeling, stelt de
regeleenheid de temperatuur en de
luchtverdeling in wanneer de
standverwarming wordt ingeschakeld.
Indien een handbediende
klimaatregeling/verwarming is voorzien,
moet voor een maximale werking van
de verwarming nagegaan worden of de
draaiknop voor de regeling van de
luchttemperatuur in het interieur op de
stand “warme lucht” staat.
Zet, om voorrang te geven aan de
verwarming van het interieur, de
draaiknop van de luchtverdeling in de
stand
.
Zet, om voorrang te geven aan het
ontdooien van de voorruit, de
draaiknop van de luchtverdeling in de
stand
.
Zet, om beide functies te verkrijgen, de
draaiknop van de luchtverdeling in de
stand
.Digitale timer fig. 54
1) Weergave tijd/timer
2) Controlelampje ventilatie
3) Tijdinstelknop "vooruit"
4) Programmakeuzeknop
5) Oproepnummer van klokvoorselectie
6) Inschakelknop voor onmiddellijke
verwarming
7) Controlelampje voor instelling/aflezen
tijd
8) Tijdinstelknop "achteruit"
9) Controlelampje verwarmingscyclus
54F1A0057
43
Page 48 of 379

Onmiddellijke
inschakeling van de
verwarming
Druk op knop 6 van de timer om het
systeem handmatig in te schakelen: het
display en het controlelampje 9 lichten
op en blijven branden zolang het
systeem actief is.
De inschakelduur verdwijnt na 10
seconden.
Geprogrammeerde
inschakeling van de
verwarming
Alvorens de inschakeling van het
systeem te programmeren, moet de
klok op de juiste tijd worden ingesteld.
De juiste tijd instellen
❒Houd knop 4 ingedrukt: het display
en het controlelampje 7 lichten op;
❒Druk tegelijkertijd binnen 10
seconden op knop 3 of 8 om de
juiste tijd is te selecteren.
❒Laat knop 4 los.
Als het display dooft, wordt de
ingestelde tijd opgeslagen.
Houd de toets 3 of 8 ingedrukt om de
cijfers van het klokje sneller voor- of
achteruit te doen verspringen.De instelling van de tijd is niet mogelijk
wanneer de verwarming of de ventilatie
werkt.
WAARSCHUWING Let op bij de
instelling van de zomertijd/
standaardtijd.
De juiste tijd aflezen
Druk, om de juiste tijd af te lezen, op
knop 3 of 8: de tijd wordt ongeveer 10
seconden op het display weergegeven
en tegelijkertijd gaat controlelampje 9
branden.
De inschakeltijd
programmeren
De inschakeltijd kan van 1 minuut tot
24 uur vooraf worden
geprogrammeerd. Er kunnen drie
verschillende inschakeltijden gekozen
worden, maar er kan er slechts één
voor elke voorverwarmingscyclus
geactiveerd worden.
De inschakelduur kan tussen 10 en 60
minuten gekozen worden.
Ga als volgt te werk om de inschakeltijd
te programmeren:
❒druk op knop 4: op het display gaan
het symbool 10 of de eerder
ingestelde tijd en het nummer 5 van
de opgeroepen voorkeuze 10
seconden branden.BELANGRIJK Als u andere
voorkeuzetijden wilt oproepen, druk
dan meerdere malen op knop 4 binnen
10 seconden.
– druk binnen 10 seconden op knop 3
of 8 om de gewenste inschakeltijd te
selecteren.
BELANGRIJK Ter bevestiging van het
opslaan van de tijd:
❒verdwijnt de inschakeltijd;
❒verschijnt het voorkeuzenummer 5;
❒wordt het display verlicht.
BELANGRIJK Bij inschakeling van de
ketel:
❒gaat het vlamcontrolelampje 9 op het
display branden;
❒dooft het voorkeuzenummer 5.
Standaardinstellingen:
Voorkeuzetijd 1: 6:00
Voorkeuzetijd 2: 16:00
Voorkeuzetijd 3: 22:00
44
WEGWIJS IN UW AUTO
Page 49 of 379

WAARSCHUWING De
fabrieksinstellingen worden gewist door
nieuwe invoer. De voorkeuzetijden
blijven tot de volgende wijziging
opgeslagen. Als de klok van de
elektrische installatie wordt losgemaakt
(bijv. als de accu wordt losgekoppeld),
worden de fabrieksinstellingen hersteld.
De geprogrammeerde
inschakeltijd
uitschakelen
Druk kort op knop 4 om de
geprogrammeerde inschakeltijd te
wissen: de verlichting van het display
dooft en het nummer 5 van de
voorkeuzetijd verdwijnt.
Een van de
geprogrammeerde
inschakeltijden
oproepen
Bedien knop 4 binnen 10 seconden
totdat het programmanummer van de
gewenste voorkeuzetijd wordt
weergegeven.
De gekozen voorkeuzetijd wordt
automatisch na ongeveer 10 seconden
geactiveerd, zonder deze te hoeven
bevestigen met een andere knop.Activeer de voorkeuzetijd met
inachtneming van de
veiligheidsvoorschriften voor de werking
van de onafhankelijke verwarming
(raadpleeg hiervoor de
gebruikershandleiding van de
onafhankelijke verwarming).
BELANGRIJK De onafhankelijke
verwarming schakelt in op de
voorkeuzetijd, ongeacht of het voertuig
geparkeerd is of rijdt.
BELANGRIJK Volg de hiervoor
beschreven instructies om de
geprogrammeerde inschakeltijd te
wijzigen of te wissen.
De inschakelduur
instellen
Houd de knop ingedrukt. Druk
tegelijkertijd op knop 3 of 8.
De tijd en controlelampje 7 worden
weergegeven.
Houd knop 4 opnieuw ingedrukt. Druk
tegelijkertijd op knop 3 of 8.
De vooringestelde inschakelduur wordt
weergegeven en het controlelampje 9
of 2 knippert.
Stel de inschakelduur met knop 3 of 8
in.De ingestelde inschakelduur wordt
opgeslagen zodra de tekst op het
display verdwijnt of door op knop 4 te
drukken.
Het
verwarmingssysteem
uitschakelen
Afhankelijk van de wijze waarop het
systeem is ingeschakeld (automatisch
of handmatig), kan het systeem op
twee manieren worden uitgeschakeld:
❒automatischwanneer de
geprogrammeerde duur is verstreken;
wanneer de ingestelde tijd is
verstreken, dooft het display.
❒handmatigdoor opnieuw op de
knop “onmiddellijke verwarming” van
de timer te drukken (vlamtoets 6).
In beide gevallen doven het
controlelampje van de verwarming en
de displayverlichting, schakelt de
ventilator van het verwarmingssysteem
in het interieur uit en stopt de
verbranding.
De vloeistofcirculatiepomp blijft nog
ongeveer twee minuten werken om
zoveel mogelijk warmte van de
verwarming af te voeren; tijdens deze
fase kan de verwarming opnieuw
worden ingeschakeld.
22)
45
Page 52 of 379

BELANGRIJK
21) Net als de motor verbruikt ook
de verwarming brandstof, maar
in mindere mate. Dus om
vergiftiging en verstikking te
voorkomen, mag de extra
verwarming nooit worden
ingeschakeld in een afgesloten
ruimte, zoals een garage of een
werkplaats zonder een
afzuigsysteem voor uitlaatgassen,
ook niet gedurende korte tijd.
22) Net als de motor verbruikt ook
de verwarming brandstof, maar
in mindere mate. Dus om
vergiftiging en verstikking te
voorkomen, mag de extra
verwarming nooit worden
ingeschakeld in een afgesloten
ruimte, zoals een garage of een
werkplaats zonder een
afzuigsysteem voor uitlaatgassen,
ook niet gedurende korte tijd.
.
BUITENVERLICHTING
IN HET KORT
Met de linkerhendel kan de
buitenverlichting bediend worden.
De buitenverlichting kan alleen
worden ingeschakeld met de
contactsleutel in de stand MAR.
VERLICHTING UIT
Draaischakelaar in de standOfig. 57.DAGRIJLICHTEN (DRL)
(voor bepaalde versies/markten)
Met de contactsleutel in de stand MAR
en de draaischakelaar in standOfig.
57 gedraaid, gaan de dagrijlichten
automatisch aan; de andere lichten en
de binnenverlichting blijven uit. De
automatische werking van de
dagrijlichten kan (voor bepaalde
versies/markten) via het displaymenu
in-/uitgeschakeld worden (zie de
paragraaf "Display" in het hoofdstuk
"Kennismaking met het
instrumentenpaneel).
Als de dagrijlichten zijn uitgeschakeld,
gaat er bij de draaischakelaar in stand
Ogeen enkel licht branden.
23)
STADSLICHT EN
DIMLICHT
Draai, met de contactsleutel in de stand
MAR, de draaischakelaar naar
fig.
58.
Als het dimlicht wordt ingeschakeld,
gaan de dagrijlichten uit en worden het
stadslicht en het dimlicht ingeschakeld.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
57F1A0064
48
WEGWIJS IN UW AUTO
Page 53 of 379

Als de contactsleutel naar STOP wordt
gedraaid of wordt verwijderd en de
draaischakelaar wordt vanOnaar
gedraaid, gaan het stadslicht en de
kentekenplaatverlichting branden.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
GROOTLICHT
Trek, met de draaischakelaar in de
stand
, de hendel naar het stuurwiel
(2e instabiele stand) fig. 59.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.
Trek de hendel nogmaals naar het
stuurwiel om het grootlicht uit te
schakelen (het dimlicht wordt opnieuw
ingeschakeld).GROOTLICHTSIGNAAL
Trek de hendel naar het stuurwiel (1e
instabiele stand) fig. 60 ongeacht de
stand van de draaischakelaar. Het
controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.AUTOMATISCH
GROOTLICHT
Om andere weggebruikers niet te
verblinden, worden de lichten
automatisch uitgeschakeld wanneer er
voertuigen naderen die uit de
tegengestelde richting komen of
wanneer u achter een voertuig in
dezelfde richting rijdt.
Het systeem wordt geactiveerd via het
menu-item en door de
lichtenschakelaar naar de stand AUTO
te draaien.
Bij de eerste bediening van het
grootlicht, door aan de hendel te
trekken om het in te schakelen, wordt
de functie geactiveerd en wordt het
pictogram
op het display
weergegeven; als het grootlicht ook
daadwerkelijk aan is, wordt ook het
betreffende blauwe controlelampje
weergegeven.
Als de rijsnelheid hoger dan 40 km/h is
en de functie ingeschakeld is, wordt
deze uitgeschakeld wanneer de hendel
opnieuw naar de grootlichtstand wordt
getrokken.
58F1A0065
59F1A0066
60F1A0067
49
Page 54 of 379

Als de rijsnelheid lager dan 15 km/h is
en de functie ingeschakeld is, schakelt
deze functie het grootlicht uit. Als de
hendel opnieuw naar de grootlichtstand
wordt getrokken, wordt dit
geïnterpreteerd als verzoek om vast
brandend grootlicht, en dus gaat het
blauwe lampje
op het paneel
branden en gaat het grootlicht vast
branden zolang de snelheid niet boven
40 km/komt. De functie wordt weer
automatisch ingeschakeld zodra de
snelheid boven 40 km/h komt
.
Als in deze fase opnieuw aan de hendel
wordt getrokken, om uitschakeling
van het grootlicht te verzoeken, blijft de
functie uitgeschakeld en gaat ook het
grootlicht uit.
Draai de schakelaar naar de stand
fig. 58 om de automatische functie
uit te schakelen.
25) 24)
PARKEERLICHTEN
Deze lichten kunnen alleen worden
ingeschakeld met de contactsleutel in
de stand STOP of verwijderd, door
de draaischakelaar van de linker hendel
eerst naar de standOen vervolgens
naar de stand
ofte draaien.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden.RICHTINGAANWIJZERS
Breng de hendel in de (stabiele) stand
fig. 61:
❒omhoog (stand 1): inschakeling
rechter richtingaanwijzer;
❒omlaag (stand 2): inschakeling linker
richtingaanwijzer.
Controlelampje
ofknippert op het
instrumentenpaneel.
De richtingaanwijzers gaan automatisch
uit wanneer het voertuig weer rechtuit
rijdt."Rijstrookwissel"-
functie
Zet, als u het verwisselen van rijstrook
wilt aangeven, de linkerhendel korter
dan een halve seconde in de instabiele
stand. De richtingaanwijzer aan de
gekozen kant knippert vijf maal en
wordt vervolgens automatisch
uitgeschakeld.
"FOLLOW ME HOME"
SYSTEEM
Met dit systeem kan de ruimte vóór het
voertuig een bepaalde periode worden
verlicht.
Inschakeling
Trek, met de contactsleutel in de stand
OFF of verwijderd, de hendel binnen
2 minuten na het afzetten van de motor
naar het stuurwiel fig. 62.
Elke keer als de hendel wordt bediend,
blijft de verlichting 30 seconden langer
branden, tot een maximum van 210
seconden; hierna wordt de verlichting
automatisch uitgeschakeld.
Het controlelampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden en er
verschijnt een bericht op de het display
(zie de paragraaf "Lampjes en
berichten") zolang de functie is
ingeschakeld.
61F1A0068
50
WEGWIJS IN UW AUTO
Page 55 of 379

Het controlelampje gaat branden
wanneer de hendel bediend wordt en
blijft branden totdat de functie
automatisch wordt uitgeschakeld.
Telkens als de hendel wordt bediend,
wordt uitsluitend de inschakeltijd van de
verlichting verlengd.
Uitschakeling
Houd de hendel langer dan twee
seconden naar het stuurwiel fig. 62
getrokken.SENSOR AUTOMATISCHE
INSCHAKELING
KOPLAMPEN
(schemersensor)
(voor bepaalde versies/markten)
Deze sensor detecteert de verschillen in
lichtsterkte van de omgeving, op basis
van de lichtgevoeligheid die is ingesteld:
hoe hoger de gevoeligheid, des te
minder buitenlicht er nodig is om de
buitenverlichting in te schakelen.
De gevoeligheid van de schemersensor
kan worden ingesteld in het "Setup-
menu" op het display.
Inschakeling
Zet de draaischakelaar in de stand
fig. 63: hierdoor worden, afhankelijk
van de sterkte van het omgevingslicht,
het stadslicht en het dimlicht gelijktijdig
ingeschakeld.Uitschakeling
Als via de sensor het uitschakelsignaal
wordt gegeven, wordt het dimlicht
uitgeschakeld en gaat na ongeveer 10
seconden ook het stadslicht uit.
De schemersensor is niet in staat om
mist te detecteren. In dat geval moet de
verlichting handmatig ingeschakeld
worden.
BELANGRIJK
23) De dagrijlichten zijn een
alternatief voor het dimlicht in
landen waar dit tijdens het rijden
overdag verplicht is. Ze zijn tevens
toegestaan in landen waar dit
niet verplicht is. De dagrijlichten
mogen het dimlicht niet
vervangen tijdens het rijden in het
donker en in tunnels. Het gebruik
van de dagrijlichten wordt
geregeld door de
wegenverkeerswetgeving van het
land waar u rijdt. Neem de
wettelijke voorschriften in acht.
62F1A0069
63F1A0070
51
Page 56 of 379

24) Het systeem is gebaseerd op
herkenning via een camera.
Bijzondere
omgevingsomstandigheden
kunnen van invloed zijn op de
correcte herkenning van de
verkeersomstandigheden. Daarom
is de bestuurder altijd
verantwoordelijk voor het correcte
gebruik van het grootlicht van de
koplampen in overeenstemming
met de geldende wetten. Zet
de draaischakelaar in de stand
fig. 58 om de automatische
functie uit te schakelen.
25) Als de camera van plaats
verandert door een wijziging in de
belading, kan het systeem tijdelijk
niet werken om de camera in de
gelegenheid te stellen een
automatische kalibratie uit te
voeren.
RUITEN REINIGEN
IN HET KORT
Met de rechter hendel fig. 64 worden
de ruitenwissers/ruitensproeiers
bediend, en daar waar voorzien, ook
de koplampsproeiers en de
regensensor.
De bediening werkt alleen met de
contactsleutel in de stand MAR.
RUITENWISSERS/
-SPROEIERS
De rechterhendel kan in vijf
verschillende standen worden gezet:
Aruitenwissers uit.
Bwissen met interval.
Draai, met de hendel in stand B, de
draaischakelaar F in één van vier
mogelijke snelheden om de werking
met interval te selecteren:
heel langzaam wissen met
interval.
--langzaam wissen met interval.
---gemiddelde snelheid met interval.
----snel wissen met interval.
Clangzaam continu wissen.
Dsnel continu wissen.
Etijdelijk snel wissen (instabiele stand).De tijdelijke snelle wiswerking in stand E
blijft actief zolang de hendel handmatig
in deze stand wordt gehouden. Door
de hendel los te laten, springt deze
onmiddellijk weer in de stand A en
schakelen de ruitenwissers automatisch
uit.
3)
BELANGRIJK Vervang de wisserbladen
zoals aangegeven in het hoofdstuk
“Onderhoud en zorg”.
64F1A0071
52
WEGWIJS IN UW AUTO
Page 57 of 379

Automatische wis-/wasregeling
Trek de hendel naar het stuur (instabiele
stand) om de ruitensproeiers in te
schakelen fig. 65.
Als de hendel langer dan een halve
seconde wordt aangetrokken, dan
worden in één beweging de
ruitenwissers en -sproeiers
ingeschakeld.
Als de hendel wordt losgelaten, stopt
de ruitenwisser na drie slagen.
Na circa 6 seconden volgt nog een
extra reinigingsslag.REGENSENSOR
(voor bepaalde versies/markten)
De regensensor bevindt zich achter de
achteruitkijkspiegel, staat in contact
met de voorruit en zorgt ervoor dat de
frequentie van de slagen van de
ruitenwissers, bij het wissen met
interval, automatisch wordt aangepast
aan de regenintensiteit op de ruit.
BELANGRIJK Houd de ruit rond de
sensor schoon.
Inschakeling fig. 64
Breng de rechter hendel een stand
omlaag (stand B).
Bij inschakeling van de regensensor,
maken de ruitenwissers één wisslag.
Verstel de stand van de draaiknop F om
de gevoeligheid van de regensensor te
verhogen.
Als de gevoeligheid van de regensensor
groter is, maken de ruitenwissers een
wisslag om aan te geven dat de
opdracht is aangenomen.
Als de ruitensproeiers worden bediend
bij ingeschakelde regensensor, dan
werkt de normale reinigingscyclus.
Daarna wordt de normale automatische
werking van de regensensor hervat.Uitschakeling fig. 64
Verwijder de hendel uit stand B of draai
de contactsleutel naar de stand OFF.
Bij de volgende start van de motor
(sleutel in de stand MAR), schakelt de
regensensor niet weer in, ook al bevindt
de hendel zich nog in de stand B.
Breng, om de sensor in te schakelen,
de hendel in de stand A of C en
vervolgens terug in de stand B of
verstel de draaiknop voor de
gevoeligheid van de regensensor. Als
de regensensor op deze manier
opnieuw wordt ingeschakeld, wordt ten
minste één wisslag uitgevoerd, ook
wanneer de ruit droog is.
De regensensor herkent het verschil
tussen dag en nacht en past de
werking zo nodig automatisch aan.
26)
KOPLAMPSPROEIERS
(voor bepaalde versies/markten)
De koplampsproeiers zijn “verzonken”,
d.w.z. in de voorbumper gemonteerd
en worden ingeschakeld wanneer,
bij ingeschakeld dimlicht, de
ruitensproeiers worden ingeschakeld.
BELANGRIJK Controleer regelmatig de
conditie en de aanwezigheid van vuil
in de koplampsproeiers.
65F1A0072
53
Page 58 of 379

BELANGRIJK
3) Gebruik de ruitenwissers niet om
opgehoopte sneeuw of ijs van de
voorruit te verwijderen. Onder
dergelijke omstandigheden wordt
bij overbelasting van de
ruitenwissers de beveiliging
ingeschakeld, waardoor de
ruitenwissers enkele seconden
worden uitgeschakeld. Als hierna
de ruitenwissers niet meer
werken, neem dan contact op met
het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK
26) Eventuele waterstrepen kunnen
de ruitenwissers ongewenst doen
inschakelen.
CRUISE-CONTROL
(voor bepaalde versies/markten)
IN HET KORT
Dit is een elektronisch geregeld
hulpsysteem, waarmee het voertuig
(bij een snelheid boven 30 km/h)
op lange, rechte en droge wegen met
weinig veranderingen qua
rijomstandigheden (bijv. snelwegen),
met een constante, vooraf ingestelde
snelheid blijft rijden zonder het
gaspedaal te hoeven bedienen. Het
gebruik van de cruise-control wordt
dus niet aanbevolen op buitenwegen
met druk verkeer. Gebruik het
systeem niet in de stad.
Inschakeling van het
systeem
Draai schakelaar A fig. 66 - fig. 67 naar
ON of
(afhankelijk van de versie).
Het systeem kan niet in de 1e of de
achteruitversnelling ingeschakeld
worden. Het systeem kan het beste
geactiveerd worden in de 4e versnelling
of hoger.
Op afdalingen kan de snelheid bij
ingeschakelde cruise-control iets hoger
liggen dan de opgeslagen snelheid.Wanneer het systeem is ingeschakeld,
gaat het lampjebranden en
verschijnt er een speciaal bericht op het
instrumentenpaneel.
66 - Versies zonder SnelheidsbegrenzerF1A0364
67 - Versies met SnelheidsbegrenzerF1A0363
54
WEGWIJS IN UW AUTO