onderhoud FIAT DUCATO 2016 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2016, Model line: DUCATO, Model: FIAT DUCATO 2016Pages: 379, PDF Size: 20.63 MB
Page 206 of 379

De trekstang
verwijderen
1. Verwijder de beschermdop van het
slot en duw deze op de greep van
de sleutel. Open het slot met de sleutel.
2. Houd de trekstang stevig vast,
verwijder het vliegwiel in de richting van
de pijl en draai het in de richting van
pijl b tot de aanslag, om het te
verwijderen tot de uitgetrokken stand.
Verwijder vervolgens de trekstang uit de
zittingbuis. Nu kan het vliegwiel
losgemaakt worden; het stopt vanzelf in
de losgemaakte stand.
3. Leg de trekstang op zodanige wijze
in de bagageruimte dat hij niet vuil of
beschadigd kan raken door andere
voorwerpen die vervoerd worden.
4. Plaats de geschikte plug in de
montagepijp.
BELANGRIJK
37) De verwijderbare trekstang met
kogelkop mag uitsluitend
gerepareerd en uit elkaar gehaald
worden door de fabrikant.38) Het bijgeleverde plaatje moet op
een goed zichtbaar punt op het
voertuig worden aangebracht,
dichtbij de montagepijp of in de
bagageruimte.
39) Verwijder regelmatig alle vuil van
de trekstang met kogelkop en van
de montagepijp om een goede
werking van het systeem te
garanderen. De mechanische
onderdelen moeten op de
aangegeven intervallen een
onderhoudsbeurt krijgen. Het slot
mag uitsluitend behandeld
worden met grafiet.
40) Smeer de koppelingen, glij-
oppervlakken en de kogels
regelmatig met vet zonder hars of
olie. Smering is tevens een extra
bescherming tegen corrosie.
41) Verwijder, wanneer het voertuig
wordt gereinigd met een
stoomreiniger, de trekstang met
kogelkop en zet de speciale plug
op zijn plaats. De plug van de
kogelkop mag nooit behandeld
worden met waterstralen onder
hoge druk.
42) Bij de verwijderbare trekstang
met kogelkop worden twee
sleutels geleverd. Noteer het
sleutelnummer op het slot voor
eventuele nabestelling en bewaar
het.
WINTERBANDEN
Het Fiat Servicenetwerk kan u
adviseren over de meest geschikte
band voor elk gebruik.
De specifieke eigenschappen van
winterbanden verminderen drastisch
wanneer de profieldiepte minder is dan
4 mm. Vervang in dergelijke gevallen
de wielen.
Door hun specifieke eigenschappen zijn
de prestaties van winterbanden onder
normale omstandigheden of wanneer
lang op de snelweg wordt gereden,
lager dan die van de standaard
gemonteerde banden. Beperk het
gebruik van winterbanden daarom
uitsluitend tot de omstandigheden
waarvoor ze zijn goedgekeurd.
BELANGRIJK Als winterbanden worden
gebruikt met een maximum toegestane
snelheid die lager is dan de topsnelheid
van het voertuig (plus een marge van
5%), dan moet in de passagiersruimte
een duidelijk zichtbaar
waarschuwingsplaatje worden
geplaatst met de maximum toegestane
snelheid wanneer met winterbanden
wordt gereden (conform de
EU-richtlijnen).
202
STARTEN EN RIJDEN
Page 245 of 379

ONDERHOUD EN ZORG
Dankzij correct onderhoud kunnen de
prestaties van de auto, evenals
beperkte bedrijfskosten en het behoud
van de efficiëntie van de
veiligheidssystemen gedurende langere
tijd gegarandeerd worden.
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe.GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD .................................242
GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUDSSCHEMA ................243
PERIODIEKE CONTROLES .............246
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO ...246
NIVEAUS CONTROLEREN..............247
LUCHTFILTER/ POLLENFILTER ......255
ACCU .............................................256
WIELEN EN BANDEN .....................258
RUBBER SLANGEN........................259
RUITENWISSER ..............................260
CARROSSERIE ...............................261
INTERIEUR......................................263
241
Page 246 of 379

GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
Juist onderhoud is uiterst belangrijk
voor een lange levensduur van het
voertuig onder optimale
omstandigheden.
Om die reden heeft Fiat een reeks
controles en onderhoudsbeurten
opgesteld die, afhankelijk van
de motorversie, elke 48.000 kilometer
uitgevoerd moeten worden.
Het geprogrammeerde onderhoud is
echter niet volledig toereikend om
de auto in optimale toestand te
houden: zowel in de beginperiode vóór
de servicebeurt bij 48.000 kilometer
als daarna, tussen twee servicebeurten
in, is regelmatig wat extra aandacht
vereist, zoals bijvoorbeeld de
vloeistofniveaus controleren en
eventueel bijvullen en de
bandenspanning controleren.
BELANGRIJK De servicebeurten van
het Geprogrammeerde Onderhoud zijn
door de fabrikant voorgeschreven.
Het niet uitvoeren ervan kan het
vervallen van de garantie tot gevolg
hebben.Het geprogrammeerde onderhoud
wordt door alle dealers van het Fiat
Servicenetwerk tegen vaste tarieftijden
uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken
tijdens het uitvoeren van de diverse
inspecties en controles van het
geprogrammeerd onderhoud, mogen
uitsluitend worden uitgevoerd na
uitdrukkelijke toestemming van de
klant.
BELANGRIJK Het is raadzaam het Fiat
Servicenetwerk onmiddellijk te
informeren over eventuele kleine
defecten en niet te wachten tot de
volgende onderhoudsbeurt.
Als het voertuig dikwijls gebruikt wordt
voor het trekken van aanhangers,
dan moet een korter interval tussen de
onderhoudsbeurten worden
aangehouden.
242
ONDERHOUD EN ZORG
Page 247 of 379

GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA
km x 1000 48 96 144 192 240
Jaren 246810
Laadtoestand accu controleren en zo nodig opladen●●●●●
Banden op conditie/slijtage controleren en eventueel op spanning brengen●●●●●
Werking verlichtingssysteem (koplampen, richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, lampjes
instrumentenpaneel, enz.) controleren●●●●●
Werking van ruitenwissers/-sproeiers controleren en zo nodig de sproeiers
afstellen●●●●●
Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers voor/achter controleren●●●●●
Slot van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen smeren●●●●●
Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van carrosserie,
bodemplaatbescherming, slangen en leidingen (uitlaat, brandstof- en
remsysteem en rubber elementen (hoezen, balgen, bussen enz.)●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor controleren en de
werking van remblokslijtagesensor controleren●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen achter controleren en de
werking van remblokslijtagesensor controleren (voor versies/markten, daar
waar aanwezig)●●●●●
Controleren en indien nodig de vloeistofniveaus bijvullen (koelvloeistof, rem-
/ hydraulische koppelingsvloeistof, ruitensproeiervloeistof, batterij en indien
aanwezig, additief voor emissies- UREUM) (!)●●●●●
(!) Het verbruik van additieven voor de emissies (UREUM) is afhankelijk van de gebruikstoestand van het voertuig en wordt aangegeven met LED en het bericht op het
instrumentenpaneel
243
Page 248 of 379

km x 1000 48 96 144 192 240
Jaren 246810
Visueel de conditie controleren van aandrijfriem(en) van hulporganen
(uitvoeringen zonder automatische riemspanner) (110 (°)- 130 - 150 - 180
MultiJet versies)●●
De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen
zonder automatische riemspanner)(^)●●
De spanning controleren van aandrijfriem van hulporganen (uitvoeringen
zonder automatische riemspanner) (115 MultiJet versies) (°)) (^)●●●
De toestand van de getande distributieriem controleren (110 (°)-130-150
MultiJet versies)●●
De toestand van de getande distributieriem controleren (115 MultiJet
versies) (°))●●●●●
Slag van handrem controleren en zo nodig afstellen●●●●●
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren●●●●●
Werking Motormanagementsysteem controleren (via diagnose-aansluiting)●●●●●
De reiniging van onderste rails zijschuifdeuren controleren bij uitvoeringen
met zijschuifdeuren (of elke 6 maanden)●●●●●
Het brandstoffilterelement vervangen (dieseluitvoeringen)●●●●●
Aandrijfriem(en) hulporganen vervangen●
De aandrijfriem(en) van de hulporganen vervangen (115 MultiJet versies) (°))●●
(°) Versie voor specifieke markten
(^) Bij de eerste verversing van de motorolie, moet de spanning van de aandrijfriem van de hulporganen gecontroleerd worden
244
ONDERHOUD EN ZORG
Page 250 of 379

PERIODIEKE
CONTROLES
Vóór een lange reis controleren en
eventueel bijvullen:
❒niveau motorkoelvloeistof;
❒remvloeistofniveau;
❒controle en herstel van het additief
niveau voor AdBlue Diesel emissies
(UREUM) (voor bepaalde versies
/markten indien aanwezig);
❒vloeistofniveau ruitensproeier;
❒conditie en spanning banden;
❒werking verlichting (koplampen,
richtingaanwijzers,
alarmknipperlichten, enz..);
❒werking ruitenwissers/-sproeiers en
stand/slijtage wisserbladen
voor/achter.
Voor een goede werking en onderhoud
van het voertuig, is het raadzaam de
bovenstaande werkzaamheden
regelmatig uit te voeren (het is
raadzaam ongeveer elke 1000 km het
niveau van de motorolie te controleren
en elke 3000 km bij te vullen).
ZWAAR GEBRUIK
VAN DE AUTO
Als vooral een intensief gebruik van het
voertuig wordt gemaakt, zoals:
❒het trekken van aanhangers of
caravans;
❒het rijden op stoffige wegen;
❒talrijke korte ritten (minder dan 7-8
km) en bij buitentemperaturen onder
het vriespunt;
❒de motor vaak stationair draait of
lange afstanden worden gereden
bij lage snelheden of als het voertuig
lang niet wordt gebruikt;
dienen de volgende controles vaker te
worden uitgevoerd dan aangegeven
in het Geprogrammeerd
onderhoudsschema:
❒remblokken van schijfremmen voor
op conditie en slijtage controleren;
❒slot van motorkap en achterklep op
aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen
smeren;
❒visueel de toestand controleren van:
motor, versnellingsbak, transmissie,
slangen en leidingen (uitlaat,
brandstof- en remsysteem) en rubber
elementen (stofkappen - hoezen -
bussen enz.);❒laadtoestand accu en niveau
accuvloeistof (elektrolyt) controleren;
❒conditie van aandrijfriemen van
hulporganen visueel controleren;
❒motorolie en oliefilter controleren en
zo nodig vervangen;
❒Herstel het additief niveau voor
AdBlue Diesel emissies (UREUN)
(voor versies/markten, indien van
toepassing), bij het aangaan van de
lamp of de melding op het
instrumentenpaneel;
❒pollenfilter controleren en zo nodig
vervangen.
246
ONDERHOUD EN ZORG
Page 252 of 379

110 - 130 - 150 MultiJet versies
A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F. Stuurbekrachtigingsolie
47)
185) 186)
240F1A0371
248
ONDERHOUD EN ZORG
Page 254 of 379

180 MultiJet Power versies
A. Motorolievulopening – B. Motoroliepeilstok – C. Motorkoelvloeistof – D. Ruitensproeiervloeistof – E. Remvloeistof – F. Stuurbekrachtigingsolie
47)
185) 186)
242F1A0372
250
ONDERHOUD EN ZORG
Page 256 of 379

STUURBEKRACHTIGINGSOLIE
193)
3)
51)
Controleer of de stuurbekrachtigingsolie
in het reservoir op het maximum niveau
staat. Deze controle mag alleen op
een horizontale ondergrond en bij
uitgeschakelde en koude motor worden
verricht.
Ga als volgt te werk:
❒verwijder het kunststof deksel A fig.
243, door de bevestigingsbouten B
fig. 243 linksom te draaien, om
toegang te krijgen tot de vulopening
van het reservoir;
❒controleer of het niveau op het
MAX-teken op de peilstok staat. De
peilstok is vastgemaakt aan de
dop Ffig. 239 - fig. 240 - fig. 241 -
fig. 242van het reservoir (gebruik voor
de controle bij koude motor het
aangegeven peil op 20°C op
de zijkant van de peilstok).
Als het vloeistofpeil in het reservoir lager
is dan voorgeschreven, vul dan
uitsluitend bij met een van de
producten uit de tabel “Vloeistoffen en
smeermiddelen” in het hoofdstuk
“Technische gegevens”. Ga hiervoor als
volgt te werk:❒Start de motor en wacht tot het
vloeistofpeil in het reservoir stabiel is.
❒Draai bij draaiende motor het
stuurwiel enkele keren helemaal naar
rechts en helemaal naar links.
❒Vul olie bij, totdat het niveau bij het
MAX-teken komt en draai de dop
vast.
VLOEISTOF VOOR
RUITENSPROEIERS/
ACHTERRUITSPROEIER
188) 189)
Om vloeistof toe te voegen:
❒verwijder dop D fig. 239 - fig. 240 -
fig. 241 - fig. 242, door het trekken
van de behouden grip naar buiten;
❒trek de opening van de pijp omhoog
om de telescopische trechter te
verwijderen fig. 244.
BELANGRIJK Controleer, voor het
openen van de dop, dat deze
juist gericht is (zoals aangegeven in fig.
244) om te voorkomen dat hij
beschadigd raakt en interfereert met de
ernaast gelegen mechanische
onderdelen. Draai hem anders tot hij in
de juiste stand staat.
Vul overeenkomstig de volgende
aanwijzingen:Gebruik een mengsel van water en
TUTELA PROFESSIONAL SC 35, in de
volgende mengverhouding:
30% TUTELA PROFESSIONAL SC 35
en 70% water in de zomer.
50% TUTELA PROFESSIONAL SC 35
en 50% water in de winter.
Gebruik bij temperaturen onder –20°C,
onverdunde TUTELA PROFESSIONAL
SC 35 vloeistof.
244F1A0396
252
ONDERHOUD EN ZORG
Page 257 of 379

Ga als volgt te werk om de dop te
sluiten:
❒duw de trechter naar binnen tot hij
vast zit;
❒sluit de dop.
190)
REMVLOEISTOF
191) 192)
50)
Draai de dop E fig. 239 - fig. 240 - fig.
241 - fig. 242 los en controleer of de
vloeistof in het reservoir op het
maximum niveau staat.
Het niveau in het reservoir mag nooit
boven het MAX-teken komen.
Gebruik de remvloeistof vermeld in de
tabel "Vloeistoffen en smeermiddelen"
(zie “Technische gegevens”).
OPMERKING Reinig zorgvuldig de
reservoirdop en het omliggende
oppervlak van de vulopening.
Zorg er goed voor dat er geen
verontreinigingen in het reservoir
terechtkomen als de dop geopend
wordt.
Gebruik voor het bijvullen altijd een
trechter met fijne zeef van maximaal
0,12 mm.BELANGRIJK Remvloeistof is
hygroscopisch (d.w.z. trekt water aan).
Daarom moet bij overwegend gebruik
van het voertuig in gebieden met grote
luchtvochtigheid, de vloeistof vaker
worden vervangen dan is aangegeven
in het “Geprogrammeerd
onderhoudsschema”.
BELANGRIJK
47) Wees voorzichtig bij het bijvullen
en meng nooit verschillende
soorten vloeistoffen: alle
vloeistoffen zijn specifiek en het
mengen ervan kan het voertuig
ernstig beschadigen.
48) De gebruikte motorolie en het
vervangen motoroliefilter bevatten
stoffen die schadelijk zijn voor
het milieu. Het verdient
aanbeveling de olie en de filters te
laten vervangen door het Fiat
Servicenetwerk.49) PARAFLU
UPantivries wordt
gebruikt voor het
motorkoelsysteem. Vul
koelvloeistof bij met dezelfde
kenmerken als de koelvloeistof
waarmee het koelsysteem reeds is
gevuld. PARAFLU
UPmag niet
met andere typen vloeistoffen
worden gemengd. Mocht dit toch
gebeuren, start de motor dan in
geen geval en neem contact op
met het Fiat Servicenetwerk.
50) Vermijd dat remvloeistof, die
uiterst corrosief is, in contact
komt met gelakte zones. Spoel bij
contact onmiddellijk af met water.
51) Houd bij draaiende motor het
stuurwiel niet langer dan 8
opeenvolgende seconden tegen
de eindaanslag gedraaid; dit
veroorzaakt geluid en kan het
systeem beschadigen.
BELANGRIJK
185) Rook nooit als er
werkzaamheden in de
motorruimte worden verricht. Er
kunnen brandbare gassen en
dampen aanwezig zijn en in brand
vliegen.
253