radio FIAT FREEMONT 2012 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2012, Model line: FREEMONT, Model: FIAT FREEMONT 2012Pages: 356, PDF Size: 8.41 MB
Page 103 of 356

De bak kan eenvoudig worden gereinigd door de bak,
zoals is afgebeeld, aan de openingen op te tillen en hem
te verwijderen. (afb. 71)ELEKTRISCHE AANSLUITCONTACTEN
In de middenconsole onder de radio bevindt zich een
aansluitcontact van 12 volt (13 amp). Op dit aansluit-
contact staat spanning wanneer de contactschakelaar
in de stand ON/RUN of ACC staat. (afb. 72)
Dit aansluitcontact wordt ook gebruikt als gewone
aanstekerbus.
Om het verwarmingselement te
sparen, mag de aansteker niet ingedrukt wor-
den gehouden in de verhittingsstand.
In het opbergvak in de middenconsole bevindt zich het
tweede aansluitcontact van 12 volt (13 amp). Op dit
aansluitcontact staat spanning wanneer de contact-
schakelaar in de stand ON/RUN, ACC of LOCK staat.
(afb. 73)(afb. 71) Uitneembare bak
(afb. 72)Voorste 12 volt-aansluitcontact
97
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 129 of 356

ELEKTRONISCH REMSYSTEEM
Uw auto is uitgerust met een geavanceerde elektroni-
sche remkrachtregeling die gewoonlijk ESC wordt ge-
noemd. Dit systeem bestaat uit een antiblokkeersys-
teem (ABS), een remassistent (Brake Assist System
(BAS)), een tranctieregelsysteem (Traction Control
System (TCS)), elektronische kantelbeveiliging (Elec-
tronic Roll Mitigation (ERM)), elektronische stabili-
teitsregeling (Electronic Stability Control (ESC)), en
stabilsatieregeling voor aanhangers (Trailer Sway Con-
trol (TSC)). Deze systemen werken samen zodat de
auto stabiel en bestuurbaar is bij verschillende rijom-
standigheden.
ANTIBLOKKEERSYSTEEM (ABS)
Het antiblokkeersysteem (ABS) zorgt voor extra voer-
tuigstabiliteit en meer remwerking als er geremd moet
worden. Het systeem gaat automatisch pompend rem-
men in moeilijke remsituaties, om zo het blokkeren van
de wielen te voorkomen.
Wanneer u sneller rijdt dan 11 km/u hoort u mogelijk
ook een zacht klikkend geluid, samen met wat geluid uit
de motor. Deze geluiden horen bij een zelftest die het
systeem uitvoert om te controleren of het ABS naar
behoren functioneert. Deze zelftest wordt steeds uit-
gevoerd na het starten van de motor, zodra de auto een
snelheid van 11 km/u bereikt.ABS wordt geactiveerd onder bepaalde rijomstandig-
heden en remcondities. ABS grijpt mogelijk in als de
auto over ijs, sneeuw, grint, kuilen, spoorrails of losse
rommel rijdt of wanneer u een noodstop maakt.
Wanneer het ABS-systeem actief is, kunt u dit als volgt
merken:
De ABS-pompmotor draait (deze kan nog korte tijd
aan blijven nadat de auto al stilstaat),
De hydraulische magneetkleppen maken klikgelui- den,
Pulsering van het rempedaal en
het rempedaal daalt iets of kan iets verder ingetrapt worden nadat de auto tot stilstand is gekomen.
Dit zijn normale eigenschappen van het ABS-systeem.
WAARSCHUWING!
Het ABS-systeem bevat geavanceerde
elektronica die onderhevig is aan storin-
gen van een onjuist geïnstalleerde of krachtige
radiozendinstallatie. Dergelijke storingen kun-
nen zorgen dat de ABS-werking geheel wegvalt .
Dergelijke apparatuur mag uitsluitend door be-
voegde vakmensen worden geïnstalleerd.
(Vervolgd)
123
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 141 of 356

herhaald indien de systeemfout zich nog steeds voor-
doet. Het waarschuwingslampje voor lage bandenspan-
ning gaat uit als de storing is opgeheven. Systeemfouten
kunnen optreden door de volgende oorzaken:
1. Storing door elektronische toestellen of als menlangs installaties rijdt die dezelfde radiofrequenties
afgeven als de TPMS-sensors.
2. Installatie van een bepaalde kleur ramen die men later aanbrengt waardoor de radiogolfsignalen wor-
den beïnvloed.
3. Veel sneeuw of ijs aan de wielen of de wielhuizen.
4. Het gebruik van sneeuwkettingen op het voertuig.
5. Het gebruik van wielen/banden die niet zijn voor- zien van TPMS-sensors.
OPMERKING:
1. De thuiskomer heeft geen sensor voor het meten
van de bandenspanning. Het TPM-systeem registreert
de spanning van de thuiskomer dan ook niet.
2. Als u de thuiskomer installeert in plaats van een
wegband waarvan de spanning onder de waarschu-
wingsgrens ligt, klinkt er een geluidssignaal en gaat het
TPM-verklikkerlampje aan als de auto opnieuw wordt
gestart.
3. Nadat de auto maximaal 20 minuten met een snel-
heid van meer dan 25 km/u heeft gereden, gaat het
waarschuwingslampje voor lage bandenspanning gedu-
rende 75 seconden knipperen en daarna aanhoudendbranden. 4. Elke keer dat de auto opnieuw wordt gestart, klinkt
er een geluidssignaal en gaat het waarschuwingslampje
voor lage bandenspanning gedurende 75 seconden
knipperen en daarna aanhoudend branden.
5. Nadat de oorspronkelijke band is gerepareerd of
vervangen en op de auto is gelegd in plaats van de
thuiskomer, wordt het TPMS automatisch bijgewerkt
en gaat het TPM-verklikkerlampje uit, mits alle wegban-
den de juiste spanning hebben. Het is mogelijk dat u
eerst ongeveer 20 minuten met een snelheid boven de
24 km/u moet rijden, voordat het TPMS-systeem deze
informatie ontvangt.
In en buiten werking stellen van het
bandenspanningssysteem (TPMS)
Het TPMS kan buiten werking worden gesteld door alle
vier banden- en wielstellen (wegbanden) te vervangen
met banden- en wielstellen zonder TPMS-sensors, zo-
als wanneer u banden en wielen voor de winter op de
auto aanbrengt.
Om het TPMS buiten werking te stellen moet u eerst
alle vier banden- en wielstellen (wegbanden) vervangen
met banden zonder TPM-sensors (bandenspannings-
controle). Rij daarna minstens 20 minuten met een
snelheid van meer dan 25 km/u. Het TPMS geeft een
geluidssignaal af en het TPM-verklikkerlampje knippert
75 seconden lang en blijft daarna aanhoudend branden.
De volgende keer dat de auto wordt gestart, geeft het
TPM-systeem geen geluidssignaal meer af en gaat het
135
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 143 of 356

Als dit gebeurt, dient u direct te stoppen en de banden
met te lage spanning (knipperend op het EVIC-scherm)
op de spanning te brengen die in de bandenspannings-
tabel staat vermeld. Het systeem wordt automatisch
bijgewerkt, het knipperen van de te lage waarden in de
grafiek op het EVIC-display stopt en het waarschu-
wingslampje dooft zodra het systeem de juiste banden-
spanning registreert. Het is mogelijk dat u eerst onge-
veer 20 minuten met een snelheid boven de 24 km/u
moet rijden, voordat het TPMS-systeem deze informa-
tie ontvangt.
TPMS waarschuwing controleren
Als een fout in het systeem wordt ontdekt gaat het
Waarschuwingslampje voor het meten van banden-
spanning 75 seconden lang knipperen en blijft daarna
branden. Bij een systeemfout gaat er ook een geluids-
signaal af. Verder verschijnt er op het EVIC 3 seconden
lang het bericht "CHECK TPM SYSTEM" (TPM-
SYSTEEM CONTROLEREN) en daarna worden er
streepjes (- -) weergegeven in plaats van de banden-
spanning om aan te geven welke sensor niet meer
opneemt. (afb. 102)
Als de contactschakelaar wordt uitgezet en vervolgens
weer aangezet, zal deze volgorde worden herhaald
indien de systeemfout zich nog steeds voordoet. Als de
storing in het systeem is opgeheven, stopt het waar-
schuwingslampje met knipperen, verdwijnt het bericht
"CHECK TPM SYSTEM" van het EVIC-display en ver-
schijnt er een spanningwaarde in plaats van de tweestreepjes. Systeemfouten kunnen optreden door de
volgende oorzaken:
1. Storing door elektronische toestellen of als men
langs installaties rijdt die dezelfde radiofrequenties
afgeven als de TPMS-sensors.
2. Installatie van een bepaalde kleur ramen die men later aanbrengt waardoor de radiogolfsignalen wor-
den beïnvloed.
3. Veel sneeuw of ijs aan de wielen of de wielhuizen.
4. Het gebruik van sneeuwkettingen op het voertuig.
5. Het gebruik van wielen/banden die niet zijn voor- zien van TPMS-sensors.
OPMERKING:
1. De thuiskomer heeft geen sensor voor het meten
van de bandenspanning. Het TPM-systeem registreert
de spanning van de thuiskomer dan ook niet.
(afb. 102) 137
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 151 of 356

PARKVIEW® ACHTERUITRIJCAMERA
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Uw auto is mogelijk voorzien van een ParkView
®
achteruitrijcamera. Hiermee kunt u het gebied achter
de auto op het scherm zien wanneer de schakelhendel
in de stand REVERSE (achteruit) wordt gezet. De
afbeelding wordt aan de bovenzijde van het aanraak-
scherm van de radio weergegeven, samen met de
waarschuwing "Controleer de gehele omgeving". Na
vijf seconden verdwijnt deze opmerking. De Park-
View
®camera bevindt zich aan de achterzijde van het
voertuig boven de kentekenplaat. Als u uit de achteruitversnelling schakelt, wordt de
achteruitrijcamera uitgeschakeld en verschijnt het
navigatie- of audioscherm.
Indien weergegeven, geven statische rasterlijnen de
breedte van het voertuig aan, terwijl een onderbroken
lijn de middellijn van het voertuig aangeeft. Deze lijnen
kunnen bijv. van dienst zijn bij het uitlijnen van het
voertuig voor een aanhanger. De statische rasterlijnen
geven verschillende zones aan waarmee u de afstand
tot de achterzijde van het voertuig kunt inschatten. De
onderstaande tabel geeft bij benadering de afstanden
weer voor elk van deze zones:
Zone Afstand tot de achterzijde van het voertuig
Rood 0 - 30 cm
Geel 30 cm - 1 m
Groen 1 m of meer
145
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 152 of 356

WAARSCHUWING!
Bestuurders moeten voorzichtig achter-
uit rijden, ook al wordt er gebruik ge-
maakt van de achteruitrijcamera. Kijk altijd goed
vóór of achter uw auto, controleer of zich daar
geen voetgangers, dieren, andere voertuigen of
obstakels bevinden en let op dode hoeken voor-
dat u voor- of achteruitrijdt . U bent verantwoor-
delijk voor de veiligheid van uw omgeving en
moet blijven opletten als u achteruitrijdt . Anders
bestaat er een risico op ernstig of dodelijk letsel. Om schade aan het voertuig te voorko-
men mag ParkView
®alleen worden ge-
bruikt als parkeerhulp. De ParkView
®
camera kan niet elk obstakel of voorwerp detec-teren.
Om schade aan het voertuig te voorkomen
moet u langzaam rijden bij gebruik van de achter-
uitrijcamera, zodat u tijdig kunt stoppen als u een
obstakel ziet . Het wordt de bestuurder aanbevo-
len om regelmatig over zijn/haar schouder te kij-
ken bij het gebruik van ParkView
®. OPMERKING:
Wanneer de cameralens bedekt is
met sneeuw, ijs, modder of ander vuil, moet de lens
worden gereinigd, met water worden gespoeld en met
een zachte doek worden gedroogd. De lens niet afdek-
ken.
ParkView
®in- of uitschakelen — met het
aanraakscherm van de radio
1. Zet de radio aan.
2. Druk op de schermtoets " More".
3. Druk de schermtoets " Settings".
4. Druk op de schermtoets "Safety & Driving Assis- tance".
5. Druk op het vakje naast de knop "Parkview
®Bac-
kup Camera" om het systeem in of uit te schakelen.
146
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-
WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD
TECHNISCHE
SPECIFICATIES
INHOUD
Page 154 of 356

STUURBEDIENING VOOR AUDIO
De knoppen van de afstandsbediening van het audio-
systeem bevinden zich achter op het stuur. De regel-
knoppen rechts en links zijn tuimelschakelaars met een
druktoets in het midden van elke schakelaar. Reik met
uw vingers achter het stuur om de knoppen te bedie-
nen. (afb. 108)
FUNCTIES RECHTERSCHAKELAAR
Druk de bovenkant van de schakelaar in om degeluidssterkte hoger te zetten.
Druk de onderkant van de schakelaar in om de geluidssterkte lager te zetten.
Druk op de toets midden op de schakelaar om van modus te veranderen (d.w.z. AM, FM, enz). FUNCTIES LINKERSCHAKELAAR VOOR RADIOBEDIENING
Druk de bovenkant van de schakelaar in om de
volgende radiozender in opgaande richting te ZOE-
KEN vanaf de huidige instelling.
Druk de onderkant van de schakelaar in om de volgende radiozender in neergaande richting te
ZOEKEN vanaf de huidige instelling.
Druk op de toets midden op de schakelaar om op de volgende vooringestelde zender die u heeft gepro-
grammeerd af te stemmen.
FUNCTIES LINKERSCHAKELAAR VOOR
BEDIENING VAN DE MEDIA (BIJV. CD)
Druk eenmaal op de bovenkant van de schakelaar om het volgende nummer te beluisteren.
Druk eenmaal op de onderkant van de schakelaar om het begin van het huidige nummer of het begin van
het vorige nummer te beluisteren. Doe dit binnen
één seconde nadat het huidige nummer is begonnen.
Druk de schakelaar tweemaal naar boven of naar beneden om het tweede nummer te horen, drie keer
om het derde nummer te horen, enzovoort.
Druk op de toets midden op de schakelaar om over te gaan naar de volgende voorinstelling die u heeft
geprogrammeerd.(afb. 108) Afstandsbediening geluidssysteem (achteraanzicht stuurwiel)
148
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-
WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD
TECHNISCHE
SPECIFICATIES
INHOUD
Page 155 of 356

UCONNECT™ MULTIMEDIA VIDEO
ENTERTAINMENT SYSTEM (VES)™
(voor bepaalde uitvoeringen/markten)
Het Video Entertainment Systeem (VES)™ achterin is
een systeem waaraan u en uw gezin jarenlang plezier
kunnen beleven. U kunt uw lievelings-cd's en dvd's
afspelen, luisteren naar muziek via de draadloze hoofd-
telefoons of er allerlei spelcomputers of audio-
apparatuur op aansluiten. U wordt verzocht deze ge-
bruikershandleiding door te lezen om uzelf vertrouwd
te maken met de functies en bediening van het systeem.
Systeemoverzicht
Het Video Entertainment System (VES)™ achterin
bestaat uit:
Uw auto kan zijn uitgerust met een enkel LCD-scherm in de dakconsole.
Een infrarode afstandsbediening biedt audio- en vi- deobediening van het VES™ vanaf de achterbank.
Twee infrarode draadloze tweekanaal- hoofdtelefoons voor de passagiers achterin.
Extra RCA-audio/video-ingangsaansluitingen (AUX- aansluitingen) voor het luisteren en kijken naar media
op elektronische apparaten van derden, zoals MP3-
spelers en spelcomputers.
Radio die dvd's kan afspelen. Video Entertainment System (VES)™
Deze handleiding is bedoeld als hulpmiddel bij de be-
diening van het Video Entertainment System (VES)™
achter in uw auto.
Het Video Entertainment System (VES)™ vergroot de
audio- en videomogelijkheden van uw auto, zodat de
achterpassagiers kunnen genieten van films, muziek en
externe audio/video-apparaten, zoals spelcomputers
en MP3-spelers. Het VES™ is naadloos in de autoradio
geïntegreerd zodat men de audio via de autoluidspre-
kers en/of de hoofdtelefoons kan horen. Het systeem
kan worden bediend met behulp van de radio door de
inzittenden voorin of met behulp van de afstandsbedie-
ning door de inzittenden achterin.
Het VES™ is een systeem met twee kanalen. Het
videoscherm toont informatie in een gedeeld scherm-
formaat. De linkerkant van het scherm is kanaal 1 en de
rechterkant van het scherm is kanaal 2. Alle modi,
behalve de videomodi (DVD-video, Aux-video) wor-
den getoond op een gedeeld scherm. Als een videomo-
dus wordt getoond, wordt het op het hele scherm
getoond. De afstandsbediening kan elk van beide kana-
len bedienen door de keuzeschakelaar aan de rechter-
kant van de afstandsbediening te gebruiken. De hoofd-
telefoons zijn gemaakt om naar elk van beide kanalen te
luisteren door de keuzeschakelaar op de rechter-
oordop te gebruiken.
149
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD
Page 156 of 356

Met de bijgeleverde draadloze tweekanaals hoofdtele-
foons stelt het VES™ de passagiers achterin in staat om
tegelijkertijd naar twee verschillende geluidskanalen te
luisteren. Dankzij de draadloze afstandsbediening kun-
nen de passagiers achterin wisselen van zender, mu-
zieknummer en cd en omschakelen van geluids- naar
beeldfunctie of omgekeerd.Werking afstandsbediening
Kaart met beknopte informatie
Deze kaart geeft beknopte informatie over de functies
van de regelknoppen op de afstandsbediening voor de
verschillende radiomodi en menuschermen. OPMERKING:
Zorg dat de kanaal/schermkeuzeschakelaar ingesteld
is op het scherm of kanaal dat bediend moet worden.
Zorg dat de kanaalkeuzeschakelaar op de hoofdtele-
foon ingesteld is op het scherm of kanaal waar u naar
wilt luisteren.Knop voor
de afstands- bediening Standaard schermen Menuschermen
AM/FM/
MW/LW SAT–
Audio HDD–
HardDisc
Drive DISC/
DVD AUX/AUX1/
AUX2
Menuvoor
modus- selec- tie
Instellenscherm
Voeding Scherm AAN/UIT
Verlichting Achtergrondverlichting afstandsbediening AAN/UIT
Pijl
omhoog,
volgende Omhoog
zoeken*
Volgende
zender *VolgendezenderVolgende
nummerAudio:
Volgende
nummerNiet be-
schik-baarSelectieomhoog
Selectieomhoog
Videoafspelen: Volgend
hoofd-stuk
Video-
menu: Selectieomhoog
150
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-
WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD
TECHNISCHE
SPECIFICATIES
INHOUD
Page 163 of 356

keuzeschakelaar op kanaal 2 staat, regelt de af-
standsbediening de functies van kanaal 2 van de
hoofdtelefoon (linkerkant van het scherm).
5. ▸▸ – In radiomodus: druk hierop om de volgende
zender te zoeken. In diskmodi: druk hierop en houd
de toets ingedrukt om snel vooruit te spoelen door
het huidige audionummer of videohoofdstuk. In
menumodi: gebruik deze toets voor menunavigatie.
6. ▾/ Prev – In radiomodus: druk hierop om de vorige
zender te selecteren. In diskmodi: druk hierop om
terug te gaan naar het begin van het huidige of vorige
audionummer of videohoofdstuk. In menumodi: ge-
bruik deze toets voor menunavigatie.
7. MENU – Druk hierop om terug te keren naar het hoofdmenu van de dvd-disk, om een audio- of vi-
deosatellietzender uit de lijst zenders te kiezen of
de afspeelfuncties (RANDOM (scannen of willekeu-
rig afspelen) van een cd) te kiezen.
8. ▸/|| (Afspelen/Pauzeren) – afspelen van disk
starten/hervatten of pauzeren.
9. ■(Stop) – Stoppen met afspelen van de disk
10. PROG Up/Down – Bij het luisteren naar de radio wordt de volgende of vorige voorkeurzender op
de radio geselecteerd als u op PROG Up resp.
PROG Down drukt. Bij het beluisteren van gecom-
primeerde audio op een gegevensdisk kiest u met
PROG Up de volgende map en met PROG Down
de vorige map. Bij het beluisteren van een cd op een radio met cd-wisselaar, kiest u met PROG Up
de volgende cd en met PROG Down de vorige cd.
11. MUTE – Druk hierop om het geluid van het gese- lecteerde kanaal naar de hoofdtelefoon te dempen.
12. SLOW – Druk hierop om een dvd langzaam af te spelen. Druk op afspelen ( ▸) om het afspelen met
de normale snelheid te hervatten.
13. STATUS – Druk hierop om de huidige status te tonen.
14. MODE – Druk hierop om de modus van het geselecteerde kanaal te veranderen. Zie het hoofd-
stuk "Moduskeuze" van deze handleiding voor
meer informatie over het wijzigen van modi.
15. SETUP – Druk terwijl een videomodus actief is op de toets SETUP om toegang te krijgen tot de
scherminstellingen te gaan (zie hoofdstuk over de
scherminstellingen) en vervolgens het menu voor
dvd-instellingen te openen door op de menutoets
op de radio te drukken. Wanneer een disk in de
dvd-speler (voor bepaalde uitvoeringen/markten)
zit, de modus VES™ is gekozen en de disk is
gestopt, druk dan op de toets SETUP om het menu
met dvd-instellingen te openen. (zie Menu voor
dvd-instellingen in deze handleiding.)
16. BACK – Druk bij menunavigatie op deze toets om terug te gaan naar het vorige scherm. Bij het
navigeren door een dvd-menu is de werking afhan-
kelijk van de inhoud van de disk.
157
UW AUTOVEILIGHEIDCORRECT
GEBRUIK VAN
DE AUTOWAARSCHU-WINGSLAMPJES
EN MELDINGENNOODGEVALLENONDERHOUD TECHNISCHE
SPECIFICATIESINHOUD