service FIAT FULLBACK 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2018Pages: 332, PDF Size: 10.64 MB
Page 278 of 332

Koelvloeistof bijvullen
Het koelsysteem is een gesloten
systeem en het verlies van koelvloeistof
zou zeer gering moeten zijn. Een
merkbare daling in het koelvloeistofpeil
zou op lekkage kunnen duiden. Als dit
gebeurt, raden we u aan het systeem
zo snel mogelijk te laten nakijken. Open
het deksel en vul koelvloeistof bij, als
het peil in de reservetank daalt tot
onder "L" (laag).
Verwijder bovendien de radiateurdop (B)
en vul koelvloeistof bij tot het peil de
vulhals bereikt, als de reservetank
volledig leeg is.
377) 378)
Antivries
De motorkoelvloeistof bevat een
corrosiewerend middel met
ethyleenglycol. Sommige delen van de
motor bestaan uit een
gietaluminiumlegering en de
motorkoelvloeistof moet dus regelmatig
worden ververst om corrosie van deze
onderdelen te voorkomen.
Gebruik de door Fiat aanbevolen
koelvloeistof of een equivalent (een op
ethyleenglycol gebaseerde koelvloeistof
van vergelijkbare hoge kwaliteit, zonder
silicaat, amine, nitraat en boraat, met
een hybride organische zuurtechnologie
voor een lange levensduur).
De originele koelvloeistof van Fiat biedt
een uitstekende bescherming tegen
corrosie- en roestvorming van allemetalen, inclusief aluminium, en
voorkomt verstoppingen van radiateur,
verwarming, cilinderkop, motorblok,
enz.
Omdat een corrosiewerend middel
noodzakelijk is, mag de koelvloeistof
zelfs 's zomers niet worden vervangen
door water. De vereiste concentratie
antivries varieert, afhankelijk van de
verwachte omgevingstemperatuur.
Hoger dan -35°C: 50 % concentratie
van antivries
Lager dan -35°C: 60 % concentratie
van antivries
183) 184) 185) 186) 187)
Bij koud weer
Als de temperaturen in uw omgeving tot
onder het vriespunt dalen, bestaat het
gevaar dat de koelvloeistof in de motor
of radiateur bevriest en ernstige schade
aan de motor en/of radiateur
veroorzaakt. Voeg voldoende antivries
aan het koelmiddel toe om te
voorkomen dat het bevriest.
De concentratie dient voor aanvang van
het koude weer te worden
gecontroleerd en indien nodig moet het
systeem worden bijgevuld met antivries.
BELANGRIJK
377)De uitgewerkte motorolie en het
vervangen motoroliefilter bevatten stoffen
die schadelijk zijn voor het milieu. Het
verdient aanbeveling de olie en de filters te
laten vervangen door het Fiat
Servicenetwerk.
378)Open de radiateurdop (B) niet zolang
de motor warm is. Het koelsysteem staat
onder druk, waardoor hete koelvloeistof vrij
zou kunnen komen en brandwonden zou
kunnen veroorzaken.
BELANGRIJK
183)Gebruik geen antivries op alcohol- of
methanolbasis of koelvloeistoffen gemengd
met antivries op alcohol- of methanolbasis.
Door gebruik van ongeschikte antivries
kunnen de aluminium onderdelen
corroderen.
184)Concentraties hoger dan 60% leiden
tot een afname in zowel de antivries- als de
koelprestaties en heeft nadelige gevolgen
voor de motor.
185)Vul niet bij met uitsluitend water.
186)Het motorkoelsysteem moet worden
gevuld met PARAFLUUP antivries. Vul
koelvloeistof bij met dezelfde kenmerken als
de koelvloeistof waarmee het koelsysteem
reeds is gevuld. PARAFLU UP mag niet
met andere typen vloeistoffen worden
gemengd. Mocht dit toch gebeuren, start
de motor dan in geen geval en neem
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
276
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 280 of 332

REMVLOEISTOF
Het vloeistofpeil controleren
Controleer het peil van de remvloeistof
in het reservoir. Het remvloeistofpeil
moet tussen de markeringen "MAX" en
"MIN" op het reservoir liggen.
Het remvloeistofpeil wordt bewaakt
door een vlotter. Als het remvloeistofpeil
daalt tot onder de markering "MIN",
gaat het waarschuwingslampje van de
remvloeistof branden.
Het vloeistofpeil daalt enigszins door
slijtage van de remblokken, maar dit
duidt niet op een probleem.
Als het remvloeistofpeil binnen korte tijd
aanmerkelijk daalt, duidt dit op een lek
in het remsysteem. Als dit gebeurt,
raden we u aan het voertuig te laten
nakijken.Vloeistoftype
Gebruik vloeistof conform DOT3 of
DOT4. De remvloeistof is
hygroscopisch. Teveel vocht in de
remvloeistof heeft nadelige gevolgen
voor het remsysteem, waardoor de
remwerking afneemt.
Bovendien is het remvloeistofreservoir
uitgerust met een speciale dop om
toetreding van lucht te voorkomen.
Deze dop mag niet worden verwijderd.
381) 382) 383) 384) 385) 386) 387)
188) 189) 190)
BELANGRIJK
381)Remvloeistof is schadelijk voor de
ogen, kan de huid irriteren en kan gelakte
oppervlakken beschadigen. Betracht dus
uiterste zorg bij het gebruik van
remvloeistof. Veeg gemorste vloeistof
onmiddellijk op. Als remvloeistof op uw
handen of in uw ogen terechtkomt, spoel
dan direct met schoon water. Raadpleeg
zo nodig een arts.
382)Sommige in de handel verkrijgbare
ruitensproeiervloeistoffen zijn licht
ontvlambaar. De motorruimte bevat warme
onderdelen die bij contact met de vloeistof
brand kunnen veroorzaken.
383)Rijd nooit met een leeg
ruitensproeiervloeistofreservoir:
ruitensproeiers zijn van fundamenteel
belang voor een goed zicht.384)Het koelsysteem staat onder druk.
Vervang indien nodig de dop alleen door
een origineel exemplaar om de werking van
het systeem niet negatief te beïnvloeden.
Draai bij warme motor de dop van het
reservoir niet los: gevaar voor
brandwonden.
385)Gebruik alleen de gespecificeerde
remvloeistof. Meng geen remvloeistoffen
en vul de remvloeistof niet bij met een
remvloeistof van een ander merk, om
chemische reacties te voorkomen. Zorg
ervoor dat er geen op petroleum
gebaseerde vloeistof in aanraking komt
met, gemengd wordt met of terechtkomt in
de remvloeistof. Dit leidt tot schade aan de
afdichtingen.
386)Reinig de vuldop voordat u hem
verwijdert en sluit de dop stevig na
onderhoud.
387)Remvloeistof is giftig en uiterst
corrosief. Als er per ongeluk remvloeistof
gemorst wordt, moeten de betrokken delen
onmiddellijk worden gewassen met water
en neutrale zeep. Vervolgens met veel
water afspoelen. In geval van inslikken
onmiddellijk een arts raadplegen.
BELANGRIJK
188)Houd de dop van het reservoir
gesloten om verslechtering van de
remvloeistof te voorkomen, behalve tijdens
onderhoud.
189)Vermijd elk contact tussen de uiterst
corrosieve remvloeistof en de gelakte
delen. Spoel bij contact onmiddellijk uit met
rijkelijk water.
462AHA102566
278
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 281 of 332

190)Het symbool, op het reservoir van
de remvloeistof geeft aan dat een
remvloeistof een synthetische of op
mineralen gebaseerde vloeistof is. Het
gebruik van minerale vloeistoffen kan de
speciale rubberen pakkingen van het
remsysteem onherstelbaar beschadigen.KOPPELINGS-
VLOEISTOF
(indien aanwezig)
Het vloeistofpeil controleren
De koppelingsvloeistof in de
hoofdremcilinder moet worden
gecontroleerd voordat werkzaamheden
onder de motorkap worden verricht.
Bovendien moet het systeem gelijk op
lekkage worden gecontroleerd.
Controleer of het peil van de
koppelingsvloeistof altijd tussen de
markeringen "MAX" en "MIN" op het
vloeistofreservoir staat.
Een snel vloeistofverlies duidt op een
lek in het koppelingssysteem, dat
onmiddellijk nagekeken moet worden
door een Fiat Servicenetwerk.Vloeistoftype
Gebruik remvloeistof conform DOT 3 of
DOT 4. De dop van het reservoir moet
volledig worden gesloten om
verontreiniging met vreemde stoffen of
vocht te voorkomen. ZORG ERVOOR
DAT ER GEEN OP PETROLEUM
GEBASEERDE VLOEISTOF IN
CONTACT KOMT OF GEMENGD
WORDT MET DE REMVLOEISTOF OF
DE REMVLOEISTOF OP ENIGE
ANDERE WIJZE VERONTREINIGT. DIT
LEIDT TOT SCHADE AAN DE
AFDICHTINGEN.
388)
BELANGRIJK
388)Remvloeistof is schadelijk voor de
ogen, kan de huid irriteren en kan gelakte
oppervlakken beschadigen. Wees dus
voorzichtig bij het gebruik van remvloeistof.
Veeg gemorste vloeistof onmiddellijk op.
Als remvloeistof op uw handen of in uw
ogen terechtkomt, spoel dan onmiddellijk
met schoon water. Raadpleeg zo nodig een
arts.
463AHA106519
279
Page 282 of 332

STUUR-
BEKRACHTIGINGS-
OLIE
389)
3)
Het vloeistofpeil controleren
Controleer het vloeistofpeil in het
reservoir, terwijl de motor stationair
draait. Controleer of het peil van de
stuurbekrachtigingsolie altijd tussen de
markeringen "MAX" en "MIN" op het
vloeistofreservoir staat en vul, indien
nodig, bij.
BELANGRIJK
389)Vermijd elk contact tussen de
stuurbekrachtigingsolie en de hete
motoronderdelen: de olie is licht
ontvlambaar.
BELANGRIJK
3)Het verbruik van de
stuurbekrachtigingsolie is bijzonder laag; als
na het bijvullen binnen korte tijd het niveau
weer moet worden hersteld, dan moet het
systeem op eventuele lekkages worden
gecontroleerd door het Fiat
Servicenetwerk.
ACCU
4)
De toestand van de accu is zeer
belangrijk voor een snelle start van de
motor en een juiste werking van het
elektrische systeem van het voertuig.
Regelmatige controle en onderhoud zijn
vooral bij koud weer belangrijk.
390) 391) 392) 393) 394) 395) 396) 397)
Accuvloeistofpeil controleren
Het accuvloeistofpeil moet tussen de
op de buitenkant van de accu
gespecificeerde grenzen liggen. Vul
indien nodig bij met gedestilleerd water.
De binnenkant van de accu is
onderverdeeld in verschillende
compartimenten; verwijder de dop van
ieder compartiment en vul de
compartimenten bij tot de bovenste
markering.
464AHA102582
465AHA102595
280
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 284 of 332

BELANGRIJK
390)Accuvloeistof is giftig en corrosief.
Vermijd contact met huid en ogen. Houd
open vuur en bronnen van vonken uit de
buurt van de accu: brand- en
ontploffingsgevaar.
391)Alvorens aan het elektrische systeem
te gaan werken, de negatieve accukabel
losmaken middels de daarvoor bestemde
klem, na ten minste een minuut te hebben
gewacht nadat de contactsleutel op STOP
is geplaatst.
392)Zorg ervoor dat er geen vonken,
sigaretten en vlammen in de buurt van de
accu komen; hierdoor zou de accu kunnen
ontploffen.
393)Accuvloeistof is extreem bijtend.
Vermijd contact met uw ogen, huid, kleding
of de gelakte oppervlakken van het
voertuig. Gemorste accuvloeistof moet
onmiddellijk worden weggespoeld met ruim
water. Irritatie van de ogen of de huid door
contact met accuvloeistof vereist
onmiddellijk medische zorg.
394)Gebruik of laad accu's alleen op in
goed geventileerde ruimtes.
395)Draag altijd oogbescherming als u in
de buurt van de accu werkt.
396)Houd accu's buiten bereik van
kinderen.
397)Als de accu met onvoldoende
vloeistof werkt, kan dit de accu
onherstelbaar beschadigen en een explosie
veroorzaken.
BELANGRIJK
191)Onjuiste installatie van elektrische en
elektronische apparatuur kan ernstige
schade aan het voertuig toebrengen. Als na
aanschaf van het voertuig accessoires
(alarmsysteem, mobiele telefoon, enz.)
gemonteerd moeten worden, neem dan
contact op met het Fiat Servicenetwerk,
dat de geschiktste apparaten weet aan te
raden en vooral kan beoordelen of een
accu met een grotere capaciteit nodig is.
192)Als het voertuig langdurig gestald
moet worden bij zeer lage temperaturen,
verwijder dan de accu en breng deze naar
een verwarmde plek, om bevriezing te
voorkomen.
193)Breng omliggende onderdelen,
kunststof onderdelen, enz. niet in contact
met zwavelzuur (accuvloeistof), aangezien
die zouden kunnen scheuren, vlekken of
verkleuren. Mochten deze onderdelen er
toch mee in contact komen, veeg ze dan
schoon met een zachte doek, zeem, o.i.d.
en een oplossing van een neutraal
reinigingsmiddel in water en spoel de
aangetaste delen af met ruim water.
194)Als de auto langdurig gestald moet
worden bij zeer lage temperaturen,
verwijder dan de accu en breng deze naar
een verwarmde plek, om bevriezing te
voorkomen.
195)Ontkoppel nooit een accu met de
contactschakelaar of de bedieningsmodus
in de stand "ON"; hierdoor zouden de
elektrische componenten van het voertuig
kunnen beschadigen.196)Zorg ervoor dat de accu nooit wordt
kortgesloten. Hierdoor kan de accu
oververhit raken en beschadigen.
197)Als de accu snel moet worden
opgeladen, ontkoppel dan eerst de
accukabels.
198)Zorg ervoor dat eerst de minpool (-)
wordt ontkoppeld, om kortsluiting te
voorkomen.
BELANGRIJK
4)Accu’s bevatten stoffen die zeer
gevaarlijk zijn voor het milieu. Neem voor
het vervangen van de accu contact op met
het Fiat Servicenetwerk.
282
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 286 of 332

ALGEMEEN
ONDERHOUD
Brandstof-, motorkoelvloeistof-,
olie- en uitlaatgaslekken
Kijk onder de carrosserie van uw
voertuig om te controleren op
brandstof-, motorkoelvloeistof-, olie- en
uitlaatgaslekken.
Werking van de binnen- en
buitenverlichting
Bedien de schakelaar van de
combinatieverlichting om te controleren
of alle lampen naar behoren werken. Als
de lampen niet gaan branden, zou dat
kunnen komen door een gesprongen
zekering of een defecte lamp.
Controleer eerst de zekeringen. Als er
geen gesprongen zekeringen zijn,
controleer dan de lampen. Raadpleeg
"Zekeringen" en "Lampen vervangen"
voor informatie over de controle en
vervanging van zekeringen en lampen.
Werking meters, tellers en
indicatie-/waarschuwingslampjes
Start de motor om de werking van alle
instrumenten, meters, en indicatie- en
waarschuwingslampjes te controleren.
Als er iets niet in orde is, raden we aan
het voertuig te laten nakijken.
Smering scharnieren en
vergrendelingen
Controleer alle vergrendelingen en
scharnieren en laat deze, indien nodig,
smeren.
VOORZORGSMAAT-
REGELEN VOOR
VOERTUIG-
VERZORGING
399)
200)
5)
Om de waarde van uw voertuig te
behouden, moet regelmatig onderhoud
verricht worden volgens de correcte
procedures.
Zorg ervoor dat uw voertuig altijd
voldoet aan de milieuvoorschriften.
Selecteer zorgvuldig de materialen die u
voor het wassen, enz. gebruikt, om
zeker te zijn dat ze geen
schuurmiddelen bevatten. We raden u
aan bij twijfel een specialist te
raadplegen voor de selectie van deze
materialen.
BELANGRIJK
399)Reinigingsmiddelen kunnen gevaarlijk
zijn. Volg altijd de instructies van de
fabrikant van het reinigingsmiddel.
BELANGRIJK
200)Gebruik om schade te voorkomen
nooit de volgende producten om uw
voertuig te reinigen: Benzine;
Verfverdunner; Wasbenzine; Petroleum;
Terpentijn; Nafta; Lakverdunner;
Koolstoftetrachloride; Nagellakremover;
Aceton.
BELANGRIJK
5)Schoonmaakmiddelen verontreinigen het
milieu. Was het voertuig daarom op een
plaats waar het afvalwater direct wordt
opgevangen en gezuiverd.
284
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 288 of 332

BELANGRIJK
400)Bewaar geen spuitbussen in het
voertuig: ontploffingsgevaar. Spuitbussen
mogen niet blootgesteld worden aan
temperaturen boven 50°C. Wanneer het
voertuig in de zon staat, kan de
binnentemperatuur deze waarde ruim
overschrijden.
401)Gebruik nooit ontvlambare producten
zoals petroleum of wasbenzine voor het
reinigen van het interieur van de auto. De
elektrostatische lading die door het wrijven
tijdens het reinigen ontstaat, kan brand
veroorzaken.
BELANGRIJK
201)Gebruik geen organische stoffen
(oplosmiddelen, wasbenzine, petroleum,
alcohol, benzine, enz.) of basische of zure
oplossingen. Door deze chemicaliën kan
het oppervlak verkleuren, vlekken of
scheuren. Als u reinigings- of
polijstmiddelen gebruikt, controleer dan dat
deze middelen de bovengenoemde stoffen
niet bevatten.
DE BUITENKANT
VAN HET VOERTUIG
REINIGEN
Als de volgende zaken op uw voertuig
achterblijven, kunnen ze corrosie,
verkleuring en vlekken veroorzaken;
was het voertuig daarom zo snel
mogelijk.
Zeewater, dooimiddelen.
Roet en stof, ijzerpoeder van
fabrieken, chemische stoffen (zuren,
basen, koolteer, enz.).
Vogelpoep, dode insecten,
boomsappen, enz.
Wassen
Langdurig contact met chemicaliën in
vuil en stof afkomstig van het wegdek
kan leiden tot schade aan de laklaag en
de carrosserie van uw voertuig.
De beste manier om uw voertuig tegen
deze schade te beschermen is door het
regelmatig te wassen en in de was te
zetten. Dit biedt ook een effectieve
bescherming tegen de elementen, zoals
regen, sneeuw, zoute lucht, enz.
Was het voertuig van boven naar
beneden met een borstel of spons en
ruim water. Gebruik, indien nodig, een
mild autoreinigingsmiddel. Spoel het
voertuig grondig af en veeg het droog
met een zachte doek. Reinig na het
wassen van het voertuig de naden en
randen van de portieren, de motorkap
en andere delen waar vuil zich in zou
kunnen hebben verzameld.
202) 203) 204) 205) 206) 207) 208) 209) 210)
6)
Bij koud weer
Strooizout en andere chemicaliën die 's
winters in sommige gebieden op de
wegen worden gestrooid, kunnen een
schadelijk effect op de carrosserie
hebben. Was daarom het voertuig zo
vaak mogelijk volgens onze instructies
voor de verzorging. We raden aan om
vóór en na het winterseizoen een
conserveermiddel aan te laten brengen
en de bescherming van de ondervloer
te laten controleren.
Veeg na het wassen van uw voertuig
alle waterdruppels van de rubberen
delen om de portieren, om te
voorkomen dat de portieren
vastvriezen.
Waxen
Door het voertuig in de was te zetten,
voorkomt u dat stof en van de weg
afkomstige chemicaliën aan de lak
blijven plakken. Breng ten minste eens
in de drie maanden na het wassen van
het voertuig een wasoplossing aan om
te helpen het vocht af te drijven.
Zet het voertuig niet in direct zonlicht in
de was. Zet het voertuig in de was
nadat de oppervlakken zijn gekoeld.
Raadpleeg voor nadere informatie over
het in de was zetten van uw voertuig de
instructies van de autowax.
211)
286
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 290 of 332

Niet wassen met rollen en/of borstels
in autowasstraten. Gebruik voor het
wassen van het voertuig, uitsluitend
met de hand, pH-neutrale
reinigingsmiddelen; afdrogen met een
vochtige zeem. Schuur- en/of
polijstmiddelen mogen niet gebruikt
worden om het voertuig schoon te
maken.
Als voor het wassen van het voertuig
hogedrukreinigers worden gebruikt,
houd dan een afstand van minimaal
40 cm t.o.v. de carrosserie aan om
beschadiging of aantasting te
voorkomen. Onthoud dat stagnerend
water op lange termijn de auto kan
beschadigen.
Was de carrosserie met een
waterstraal onder lage druk.
Gebruik een spons om de
carrosserie met een lichte
zeepoplossing te wassen en spoel de
spons regelmatig uit.
Spoel goed af met ruim schoon
water en droog met een luchtstraal of
een zeemleren lap. Droog de minder
zichtbare delen (bijv. randen van
portieren, motorkap, koplampranden)
zorgvuldig, aangezien in deze zones
water makkelijker kan stagneren. De
auto moet na het wassen niet
onmiddellijk binnen gezet worden, maar
even buiten gelaten worden zodat
waterresten kunnen verdampen.
Was de auto niet nadat deze in de
zon geparkeerd heeft gestaan.
De kunststof carrosseriedelen
moeten op dezelfde wijze als de rest
van het voertuig gewassen worden.
Parkeer de auto zo min mogelijk
onder bomen: de hars die uit de bomen
druppelt, maakt de lak mat en vergroot
de kans op roestvorming.
Opmerking Vlekken (veroorzaakt door
water) op de stickers of wrapping
kunnen verwijderd worden door het
gedeelte nogmaals te bevochtigen en
te drogen met een zachte,
niet-schurende doek.
Opmerking Vogelpoep moet zo snel en
zo goed mogelijk verwijderd worden,
omdat hierin bijzonder agressieve zuren
aanwezig zijn.
Opmerking Vermijd (indien mogelijk) om
de auto onder bomen te parkeren;
verwijder plantaardige harsen
onmiddellijk omdat deze, als ze drogen,
alleen verwijderd kunnen worden met
schuur- en/of polijstmiddelen die ten
zeerste afgeraden zijn omdat ze de lak,
de stickers of de wrapping kunnen
aantasten.
BELANGRIJK
202)Niet wassen met rollen en/of borstels
in autowasstraten. Was het voertuig
uitsluitend met de hand en gebruik
pH-neutrale reinigingsmiddelen; droog af
met een vochtige leren zeem. Schuur- en/of
polijstmiddelen mogen niet gebruikt worden
om het voertuig schoon te maken.
Vogelpoep moet zo snel en zo goed
mogelijk verwijderd worden, omdat hierin
bijzonder agressieve zuren aanwezig zijn.
Vermijd (indien mogelijk) om het voertuig
onder bomen te parkeren; verwijder
plantaardige harsen onmiddellijk omdat
deze, als ze drogen, alleen verwijderd
kunnen worden met schuur- en/of
polijstmiddelen die ten zeerste afgeraden
worden omdat ze de karakteristieke
matheid van de lak kunnen aantasten.
Gebruik geen onverdunde
ruitensproeiervloeistof om de voorruit en
achterruit te reinigen; verdun dit met
minstens 50% water. Gebruik alleen
onverdunde ruitensproeiervloeistof wanneer
de buitentemperaturen dit vereisen.
203)Wees voorzichtig dat u tijdens het
wassen van de onderkant van het voertuig
of wiel, uw handen niet verwondt.
204)Indien uw voertuig is uitgerust met de
achterspoiler, informeer dan bij het
personeel van de wastunnel alvorens het
voertuig door de wastunnel te halen.
288
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 292 of 332

BANDEN
402)
Bandenmaat TOT 3 PASSAGIERSMAX. BELASTING OF AANHANGWAGENS
TREKKEN
Voor Achter Voor Achter
205R16C 110/108R 8PR2,4 bar
(240 kPa)
{35 psi}2,4 bar
(240 kPa)
{35 psi}2,4 bar
(240 kPa)
{35 psi}4,5 bar
(450 kPa)
{65 psi}
245/70R16 111S RF2,0 bar
(200 kPa)
{29 psi}2,0 bar
(200 kPa)
{29 psi}2,0 bar
(200 kPa)
{29 psi}2,9 bar
(290 kPa)
{42 psi}
245/65R17 111S RF2,2 bar
(220 kPa)
{32 psi}2,2 bar
(220 kPa)
{32 psi}2,2 bar
(220 kPa)
{32 psi}2,9 bar
(290 kPa)
{42 psi}
Controleer de bandenspanning van alle banden als ze koud zijn; corrigeer een te lage of te hoge bandenspanning tot de
gespecificeerde waarde.
Controleer de banden, nadat de bandenspanning is gecorrigeerd, op schade of lekken. Doe altijd doppen op de ventielen.
290
SERVICE EN ONDERHOUD
Page 293 of 332

Bandentoestand
403) 404) 405)
218)
1. Locatie van de slijtage-indicator van
het loopvlak
2. Slijtage-indicator van het loopvlak
Controleer de banden op sneden,
scheuren en andere schade. Vervang
de banden als er diepe sneden of
scheuren in zitten. Controleer ook
iedere band op stukken metaal of grind.
Gebruik van versleten banden kan zeer
gevaarlijk zijn in verband met het
grotere risico op slippen of
aquaplanning. Volgens de
minimumvereisten voor gebruik dienen
de banden een profieldiepte van
minimaal 1,6 mm te hebben.
Minimaal 3 mm voor sneeuw (winter)
banden (voor markten, waar voorzien).
Naarmate de band slijt, worden
slijtage-indicatoren op het loopvlakzichtbaar, wat aangeeft dat de band
niet langer voldoet aan de
minimumvereisten voor gebruik. Als
deze slijtage-indicatoren op het
loopvlak verschijnen, moeten de
banden worden vervangen door
nieuwe.
Vervang bij voertuigen met
vierwielaandrijving alle banden, als één
band moet worden vervangen.
Banden en wielen vervangen
219) 220)
Banden wisselen
Bandenslijtage varieert afhankelijk van
de voertuigomstandigheden, het
wegdek en de individuele rijgewoonten.
Voor een gelijkmatige slijtage en een
langere levensduur van de band, raden
we aan de banden onmiddellijk te
wisselen als ongebruikelijke slijtage
wordt waargenomen, of als het verschil
tussen de voor- en achterbanden
duidelijk waarneembaar is.
Controleer de banden bij het wisselen
op ongelijke slijtage en schade.
Ongebruikelijke slijtage wordt meestal
veroorzaakt door een verkeerde
bandenspanning, wieluitlijning of
-balancering, of hard remmen.
Raadpleeg een erkend Fiat Servicepunt
om de oorzaak van onregelmatige
slijtage te bepalen.
406)
221) 222)
471AA0002549
472AHE100140
291