air conditioning FIAT FULLBACK 2018 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2018, Model line: FULLBACK, Model: FIAT FULLBACK 2018Pages: 332, PDF Size: 10.64 MB
Page 72 of 332

koeltemperatuur gewenst is of als de
buitenlucht stoffig of anderszins
verontreinigd is. Schakel regelmatig
naar de buitenstand voor meer
ventilatie, zodat de ruiten niet beslaan.
Als de motorkoelvloeistoftemperatuur
tot boven een bepaald niveau stijgt,
schakelt de luchtselectie automatisch
over naar de recirculatiestand en gaat
het indicatielampje (A) aan. In dit geval
schakelt het systeem zelfs niet naar de
buitenstand als de
luchtselectieschakelaar wordt
ingedrukt.
Luchtselectie naar wens aanpassen
De functies kunnen naar wens worden
gewijzigd, zoals hieronder aangegeven.
Automatische luchtregeling
ingeschakeld - Als de schakelaar AUTO
wordt ingedrukt, wordt de
luchtselectieschakelaar ook
automatisch bediend.
Automatische luchtregeling
uitgeschakeld - Zelfs als de schakelaar
AUTO wordt ingedrukt, wordt de
luchtselectieschakelaar niet
automatisch bediend.
Instellingen wijzigen - Houd de
luchtselectieschakelaar ongeveer
10 seconden of langer ingedrukt.
1. Als de instelling wordt gewijzigd van
ingeschakeld naar uitgeschakeld,
worden 3 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje 3 keer
knipperen.2. Als de instelling wordt gewijzigd van
uitgeschakeld naar ingeschakeld,
worden 2 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje 3 keer
knipperen.
Opmerking De fabrieksinstelling is
"Automatische luchtregeling
ingeschakeld".
Als de achterruitverwarmingsschakelaar
wordt ingedrukt, schakelt de ventilator,
zelfs als "Automatische luchtregeling
uitgeschakeld" is ingesteld,
automatisch over naar buitenlucht, om
te voorkomen dat de ruiten beslaan.
AUTO-schakelaar
Als de schakelaar AUTO wordt
ingedrukt, gaat het indicatielampje (A)
aan en worden de aan-/uitstatus van de
modusselectie, regeling van de
ventilatorsnelheid, selectie van
gerecirculeerde/buitenlucht,
temperatuurregeling en airconditioning
automatisch geregeld.Airconditioningsschakelaar
Druk op de schakelaar om de
airconditioning aan te zetten; het
indicatielampje
wordt op het display
(A) weergegeven.
Druk opnieuw op de schakelaar om de
airconditioning uit te schakelen.
Airconditioningsschakelaar naar
wens aanpassen
De functies kunnen naar wens worden
gewijzigd, zoals hieronder aangegeven.
Automatische regeling airconditioning
ingeschakeld - Als de schakelaar AUTO
is ingedrukt of de
temperatuurregelingsschakelaar op de
minimumtemperatuur is ingesteld,
wordt de airconditioningsschakelaar
automatisch geregeld.
Automatische regeling airconditioning
uitgeschakeld - De
airconditioningsschakelaar wordt niet
129AHA101556
130AHA101569
70
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 73 of 332

automatisch geregeld zolang de
airconditioningsschakelaar niet wordt
bediend.
Instellingen wijzigen - Houd de
airconditioningschakelaar ongeveer
10 seconden of langer ingedrukt.
1. Als de instelling wordt gewijzigd van
ingeschakeld naar uitgeschakeld,
worden 3 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje
3 keer
knipperen.
2. Als de instelling wordt gewijzigd van
uitgeschakeld naar ingeschakeld,
worden 2 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje
3 keer
knipperen.
Opmerking De fabrieksinstelling is
"Automatische regeling airconditioning
ingeschakeld".
Opmerking Als de
achterruitverwarmingsschakelaar wordt
ingedrukt, wordt de airconditioning,
zelfs als "Automatische regeling
airconditioning uitgeschakeld" is
ingesteld, automatisch geregeld, om te
voorkomen dat de ruiten beslaan.
OFF-schakelaar
Druk op de schakelaar om het
airconditioningssysteem uit te
schakelen.MODE-schakelaar
Iedere keer als de MODE-schakelaar
wordt ingedrukt, schakelt de modus in
de volgende volgorde over naar de
volgende modus:
>>>>. De geselecteerde modus wordt
weergegeven op het display (A)
(raadpleeg "Modusselectie").Achterruitverwarmingsschakelaar
Als deze schakelaar wordt ingedrukt,
schakelt de modus over naar de modus
. Het indicatielampje (A) gaat
branden. De geselecteerde modus
wordt weergegeven op het display (B)
(raadpleeg "Modusselectie").
Opmerking Als de
achterruitverwarmingsschakelaar wordt
ingedrukt, worden automatisch het
airconditioningssysteem en buitenlucht
(in tegenstelling tot gerecirculeerde
lucht) geselecteerd. Deze automatische
inschakeling, zelfs als "Automatische
regeling airconditioning uitgeschakeld"
of "Automatische luchtregeling
uitgeschakeld" zijn ingesteld, dient om
te voorkomen dat de ruiten beslaan
(raadpleeg "Airconditioningsschakelaar
naar wens aanpassen" en
"Luchtselectie naar wens aanpassen").
131AHA101572
132AHA101585
133AHA101598
71
Page 74 of 332

Bediening van het systeem in de
automatische modus
Gebruik het systeem onder normale
omstandigheden in de automatische
modus en volg de volgende
procedures:
1. Druk op de AUTO-schakelaar.
2. Zet de
temperatuurregelingsschakelaar op de
gewenste temperatuur.
De aan-/uitstatus van de
modusselectie, regeling van de
ventilatorsnelheid, selectie van
gerecirculeerde/buitenlucht,
temperatuurregeling en airconditioning
worden allemaal automatisch geregeld.
Opmerking
Als de
ventilatorsnelheidsschakelaar,
airconditioningsschakelaar,
modusschakelaar of
luchtselectieschakelaar wordt bediend,
terwijl het systeem in de automatische
modus staat, krijgt de geactiveerde functie
prioriteit over de desbetreffende functie
van de automatische regeling. Alle andere
functies blijven automatisch geregeld.
Bediening van het systeem in de
handmatige modus
De ventilatorsnelheid en -modus
kunnen handmatig worden geregeld
door de ventilatorsnelheidsschakelaar
en de MODE-schakelaar op de
gewenste stand te zetten. Druk op de
AUTO-schakelaar om de automatische
werking weer in te schakelen.Ontwasemen van de voor- en
portierruiten
67)
Normaal ontwasemen
1. Zet de luchtselectieschakelaar op de
buitenstand.
2. Zet de MODE-schakelaar op de
stand
.
3. Selecteer de gewenste
ventilatorsnelheid door deventilatorsnelheidsschakelaar in te
drukken.
4. Kies de gewenste temperatuur door
op de temperatuurregelingsschakelaar
te drukken.
5. Druk op de
airconditioningsschakelaar.
Snel ontwasemen
1. Druk op de
achterruitverwarmingsschakelaar om
over te schakelen naar de stand
.
135AH3100199
136AH3100203
72
KENNISMAKING MET HET VOERTUIG
Page 75 of 332

2. Zet de ventilator op
maximumsnelheid.
3. Zet de temperatuur op de hoogste
stand.
Opmerking Richt de luchtstroom van
de zijroosters voor een effectieve
ontwaseming naar de portierruiten.
Zet de temperatuur niet op maximale
koeling. De koele lucht blaast tegen de
ruiten en voorkomt condensvorming.
Als de achterruitverwarmingsschakelaar
op voertuigen met een Start&Stop-
systeem wordt ingedrukt, werkt het
Start&Stop-systeem niet en wordt de
motor zelfs niet automatisch afgezet als
het voertuig wordt stilgezet. Dit is om
het goede zicht te behouden.
BELANGRIJKE ADVIEZEN
VOOR GEBRUIK VAN DE
AIRCONDITIONING
Parkeer het voertuig in de schaduw.
Als het voertuig in de hete zon wordt
geparkeerd, wordt het interieur extreem
warm en is meer tijd nodig om het
interieur te koelen. Als toch in de zon
moet worden geparkeerd, zet dan de
ruiten de eerste minuten dat de
airconditioning aanstaat open om de
hete lucht naar buiten te laten.
Sluit de ruiten als de airconditioning
wordt gebruikt. Als buitenlucht door de
ruiten naar binnenkomt, neemt de
koelefficiëntie af.
Teveel koeling is niet goed voor degezondheid. De binnentemperatuur
dient niet meer dan 5 à 6°C lager te zijn
dan de buitentemperatuur.
Zorg er bij gebruik van het systeem
voor dat de luchtinlaat, voor de voorruit,
niet is geblokkeerd door bijvoorbeeld
bladeren of sneeuw. Als bladeren in de
luchtkamer van de luchtinlaat
terechtkomen, kan de luchtstroom
afnemen en kan de waterafvoer van de
luchtkamer verstopt raken.
Aanbevelingen voor het koelmiddel
van het airconditioningssysteem
Als de airconditioning minder effectief
lijkt dan normaal, zou er sprake kunnen
zijn van een koelvloeistoflek. We raden
u aan het systeem na te laten kijken.
Voor het airconditioningssysteem van
uw voertuig moet koelmiddel HFC-134a
(R134a) worden gebruikt.
Gebruik van andere koel- of
smeermiddelen kan ernstige schade
veroorzaken, waardoor het volledige
airconditioningssysteem van uw
voertuig moet worden vervangen. Er
moet voorkomen worden dat het
koelmiddel in de atmosfeer
terechtkomt.
We raden daarom aan het koelmiddel
op te vangen en te recyclen voor verder
gebruik.
Bij lange perioden van onbruik
De airconditioning moet zelfs bij koud
weer minimaal 5 minuten per weekgebruikt worden. Dit is om te
voorkomen dat het smeermiddel van de
interne delen van de compressor
verslechtert en om een optimale
werking van het
airconditioningssysteem te behouden.
VERVANG HET
LUCHTFILTER /
POLLENFILTER VAN HET
INTERIEUR
In deze airconditioning is een luchtfilter
opgenomen, om vuil en stof uit de lucht
te filteren.
Vervang het luchtfilter regelmatig,
aangezien de filterkwaliteit afneemt
naarmate het filter meer pollen en vuil
verzamelt.
Opmerking Gebruik onder bepaalde
omstandigheden, als bijvoorbeeld over
stoffige wegen wordt gereden, en
regelmatig gebruik van de
airconditioning kunnen leiden tot een
minder lange levensduur van het filter.
Vervang het filter als u merkt dat de
luchtstroom minder is dan normaal of
als de ruiten snel beslaan. We raden u
aan het na te laten kijken.
ACHTERRUIT-
VERWARMINGS-
SCHAKELAAR
(indien aanwezig)
De achterruitverwarmingsschakelaar
kan met draaiende motor worden
bediend. Druk op de schakelaar om de
73
Page 77 of 332

ingedrukt. Als de instelling wordt
gewijzigd van ingeschakeld naar
uitgeschakeld, worden
3 geluidssignalen afgegeven en gaat
het indicatielampje 3 keer knipperen.
Als de instelling wordt gewijzigd van
uitgeschakeld naar ingeschakeld,
worden 2 geluidssignalen afgegeven en
gaat het indicatielampje 3 keer
knipperen.
Opmerking De fabrieksinstelling is
"Automatische achterruitverwarming
uitgeschakeld".
BELANGRIJK
67)Zorg er in verband met de veiligheid
voor dat u goed zicht door alle ruiten hebt.
68)Door langdurig gebruik van de
recirculatiestand kunnen de ruiten beslaan.
BELANGRIJK
22)De motorsnelheid kan toenemen
wanneer de airconditioning in werking is.
Met een toegenomen motorsnelheid zal
een voertuig met automatische
versnellingsbak in grotere mate wegrollen
dan met een lagere motorsnelheid. Trap het
rempedaal volledig in om te voorkomen dat
het voertuig wegrolt.23)Tijdens gebruik van de airconditioning
kan het stationaire toerental enigszins
toenemen, doordat de aircocompressor
automatisch aan/uit wordt geschakeld.
Trap het rempedaal van stationair
draaiende voertuigen met een
automatische versnellingsbak volledig in,
om te voorkomen dat het voertuig naar
voren rolt.
24)Zet de luchtselectieschakelaar op
buitenlucht, als de
modusselectieschakelaar tussen de
standen
enstaat, om te voorkomen
dat de ruiten beslaan (raadpleeg
"Luchtselectieschakelaar").
25)Door langdurig gebruik van de stand
(recirculatie) kunnen de ruiten
beslaan.
26)Zet de luchtselectieschakelaar op de
stand
(recirculatie) en draai de
temperatuurregelingsschakelaar volledig
naar rechts, als de buitenlucht stoffig of
anderszins verontreinigd is of een hoge
koeling vereist is. Schakel regelmatig naar
de stand
(buiten) voor meer ventilatie,
zodat de ruiten niet beslaan.
BELANGRIJK
2)Het systeem gebruikt een koelmiddel dat
compatibel is met de wetten die van kracht
zijn in de landen waar het voertuig wordt
verkocht, R134a (aangeduid op een
specifiek plaatje in de motorruimte). Het
gebruik van andere koelmiddelen heeft
invloed op de efficiency en de conditie van
het systeem. Ook de
compressorkoelmiddelen moeten
compatibel zijn met het aangeduide
koelmiddel.
75
Page 107 of 332

De weergegeven eenheden van het
rijbereik en het gemiddelde
brandstofverbruik worden
overgeschakeld, maar de eenheden
van de snelheidsmeter, de
kilometerteller, de tripmeter en de
herinnering voor onderhoud blijven
ongewijzigd.
Als de accu wordt ontkoppeld, wordt
het geheugen van de instelling van de
eenheid gewist en wordt automatisch
de fabrieksinstelling hersteld.
De eenheden van de afstand worden in
overeenstemming met de
geselecteerde eenheid van het
brandstofverbruik ook in de
onderstaande volgorde veranderd.
Brandstof-
verbruikAfstand (rijbereik)
km/l km
l/100 km km
mpg mijl(en)
De temperatuureenheid veranderen
De weergegeven eenheid van de
buitentemperatuur kan worden
gewijzigd.
1. Als u de knop van het
multi-informatiedisplay een paar keer
zachtjes indrukt, schakelt de
informatieweergave over naar de
weergave van de buitentemperatuur.
Raadpleeg “Informatieweergave”.
2. Iedere keer dat tijdens de weergave
van de buitentemperatuur de knop van
het multi-informatiedisplay 2 seconden
of meer wordt ingedrukt, kunt u de
weergegeven eenheid van de
buitentemperatuur overschakelen van
°C naar °F of van °F naar °C.
De temperatuurwaarde op het paneel
van de airconditioning wordt op het
multi-informatiedisplay afgewisseld met
de weergave van de buitentemperatuur.
"°C" of "°F" wordt echter niet op het
temperatuurdisplay van een
airconditioning weergegeven.
BELANGRIJK
115)Zelfs als dit symbool niet knippert, zou
er ijs op de weg kunnen liggen, dus rijd
voorzichtig.
116)Als de koelvloeistof oververhit raakt,
gaat "
" knipperen. Het staafdiagram
staat in dit geval in de rode zone. Zet
onmiddellijk het voertuig stil op een veilige
plaats en tref de vereiste maatregelen.
Raadpleeg "Oververhitting van de motor".
117)De bestuurder dient het display niet te
bedienen tijdens het rijden.
118)Zet het voertuig op een veilige plek
stil, voordat u het systeem bedient.
BELANGRIJK
49)Ga niet rijden met een extreem laag
brandstofpeil, een laag brandstofpeil kan
schade aan het brandstofsysteem
veroorzaken.
50)Het is de verantwoordelijkheid van de
klant om ervoor te zorgen dat de periodieke
inspectie en het geprogrammeerde
onderhoud worden verricht. Inspecties en
onderhoud moeten worden verricht om
ongelukken en storingen te voorkomen.
195AHA101367
105
Page 156 of 332

ZUINIG RIJDEN
Om zuinig te rijden, moet aan een
aantal technische vereisten worden
voldaan. Een eerste vereiste voor een
laag brandstofverbruik is een juist
afgestelde motor. Voor een langere
levensduur van het voertuig en de
zuinigste werking, raden we u aan het
voertuig regelmatig te laten controleren,
volgens de onderhoudsnormen.
De zuinigheid en de generatie van
uitlaatgassen en geluid worden enorm
beïnvloed door de persoonlijke
rijgewoonten en het specifieke gebruik.
De volgende zaken moeten in de gaten
gehouden worden om de slijtage van
de remmen, banden en de motor,
evenals de milieuvervuiling, tot een
minimum terug te brengen.
Versnellen en afremmen
Pas uw rijstijl aan het verkeer aan.
Vermijd plotseling starten en abrupt
optrekken en afremmen, omdat het
brandstofverbruik daardoor toeneemt.
Schakelen
Schakel alleen op de juiste snelheid en
het juiste motortoerental. Gebruik altijd
een zo hoog mogelijke versnelling.
Als met voertuigen met 4WD over
normale wegen en snelwegen wordt
gereden, moet de tussenbakpook of de
rijmodusschakelaar altijd op "2H"
worden gezet, voor het laagst mogelijke
brandstofverbruik.Stadsverkeer
Regelmatig starten en stoppen
verhoogt het gemiddelde
brandstofverbruik. Gebruik zoveel
mogelijk wegen met een soepele
verkeersdoorstroming. Vermijd gebruik
van lage versnellingen met hoge
motortoeren als u op drukke wegen
rijdt.
Stationair draaien
Het voertuig verbruikt zelfs brandstof
als de motor stationair draait. Vermijd
stationair draaien zoveel mogelijk.
Snelheid
Bij hogere voertuigsnelheden wordt
meer brandstof verbruikt. Vermijd op
volle snelheid rijden. Zelfs als het
gaspedaal maar iets wordt losgelaten,
scheelt dit al een enorme hoeveelheid
brandstof.
Bandenspanning
Controleer regelmatig de
bandenspanning. Een lage
bandenspanning, verhoogt de
rolweerstand en het brandstofverbruik.
Bovendien heeft een lage
bandenspanning nadelige gevolgen
voor de slijtage van de banden en de
stabiliteit tijdens het rijden.Belading
Rijd niet met onnodige voorwerpen in
de bagageruimte. Vooral in
stadsverkeer waarbij regelmatig moet
worden gestart en gestopt, heeft het
extra gewicht een enorme invloed op
het brandstofverbruik. Vermijd ook
onnodige bagage of dragers, enz. op
het dak; de grotere luchtweerstand
verhoogt het brandstofverbruik.
Starten met een koude motor
Het starten van een koude motor kost
meer brandstof. Een warme motor laten
draaien, kost ook onnodig brandstof.
Begin zo snel mogelijk met rijden, nadat
de motor is gestart.
Verkoeling of airconditioning
Door gebruik van de airconditioning
loopt het brandstofverbruik op.
154
STARTEN EN RIJDEN
Page 167 of 332

1. Breng het voertuig tot stilstand.
2. Trap het rempedaal en het
koppelingspedaal tegelijkertijd volledig
in en zet de versnellingspook in de
stand "N" (vrijstand).
3. Laat het koppelingspedaal los. De
motor wordt automatisch afgezet.Opmerking Als de motor automatisch
is afgezet, verandert de rijwerking. Let
goed op het volgende.
De rembekrachtiging wordt
uitgeschakeld en het pedaal is
moeilijker in te trappen. Trap harder dan
normaal op het rempedaal als het
voertuig in beweging komt.
107)
Opmerking In de volgende gevallen
gaat het Start&Stop-indicatielampje
branden om de bestuurder te
waarschuwen en wordt de motor niet
automatisch afgezet.
De veiligheidsgordel van de
bestuurder is niet omgelegd
Het bestuurdersportier is open
De motorkap is open
Opmerking In de volgende gevallen
gaat het Start&Stop-indicatielampje uit
en wordt de motor niet automatisch
afgezet.
Als het voertuig na het automatisch
herstarten van de motor geen snelheid
heeft behaald van meer dan ca.
5 km/u.
Als niet meer dan ca. 30 seconden
of meer is verstreken, na het starten
van de motor.
Als het voertuig na het automatisch
herstarten van de motor, binnen
10 seconden weer stopt.
Bij een lage koelvloeistoftemperatuur.
Bij een lage omgevingstemperatuur.
Als de verwarming wordt
ingeschakeld, terwijl de aangegeven
temperatuur in het voertuig nog niet
hoog genoeg is.
Als de airconditioning is ingeschakeld
en het interieur niet voldoende is
gekoeld.
Als de
achterruitverwarmingsschakelaar is
ingedrukt. Raadpleeg "Ontwasemen
van de voor- en portierruiten: snel
ontwasemen".
Als de airconditioning in de
automatische modus werkt, terwijl de
temperatuurregeling op max.
verwarming of max. koeling staat (voor
voertuigen met een automatische
airconditioning).
Als het dieselroetfilter (DPF)
automatisch de opgevangen
roetdeeltjes (PM) verbrandt.
253AHA106317
254AHA106320
255AA0112064
165
Page 168 of 332

Als het elektrische stroomverbruik
hoog is, als bijv. de
achterruitverwarming of andere
elektrische componenten worden
gebruikt of de ventilatorsnelheid op een
hoge stand staat.
Als de accuspanning of het
accurendement laag is.
Controleer of het
waarschuwingslampje van de motor
brandt of het indicatielampje
knippert.
Als de rijmodusschakelaar op
voertuigen met 4WD, op de stand “4H”
of “4L” (Easy Select 4WD), “4HLc” of
“4LLc” (Super Select 4WD II) staat.
Opmerking In de volgende gevallen
wordt de motor zelfs niet automatisch
afgezet als het Start&Stop-
indicatielampje brandt.
Als het gaspedaal wordt ingetrapt
Als de vacuümdruk van de
rembekrachtiging laag is
Als het stuurwiel wordt gebruikt
Als op een steile helling wordt
geparkeerd
Opmerking Laat uw voet tijdens het
rijden niet op het koppelingspedaal
rusten omdat dit tot de detectie van
een defect van de
koppelingspedaalschakelaar leidt en het
indicatielampje van Start&Stop
uitschakelen knippert waardoor het
Start&Stop-systeem niet werkt.Opmerking Als het Start&Stop-systeem
werkt terwijl de airconditioning aanstaat,
wordt zowel de motor als de
aircocompressor afgezet. In dat geval
werkt alleen de ventilator en kunnen de
ruiten beslaan. Druk in dit geval op de
achterruitverwarmingsschakelaar om de
motor opnieuw op te starten.
Raadpleeg
“Achterruitverwarmingsschakelaar”.
Opmerking Als iedere keer dat de
motor is afgezet de ruiten beslaan,
raden we u aan het Start&Stop-
systeem uit te zetten door op de
schakelaar "OFF" van het
Start&Stop-systeem te drukken.
Raadpleeg "Uitschakelen"
Opmerking Als de airconditioning
aanstaat, zet dan de
temperatuurregeling hoger om de tijd
dat de motor automatisch wordt
afgezet, te verlengen.
De motor automatisch herstarten
Trap het koppelingspedaal in met de
versnellingspook in de stand "N"
(vrijstand). Het indicatielampje gaat uit
en de motor herstart automatisch.
Opmerking Zet de versnellingspook
niet in een andere stand dan "N"
(vrijstand) en laat het koppelingspedaal
niet los terwijl de motor automatisch
herstart. Hierdoor zou de startmotor
stoppen en de motor niet automatisch
herstarten.Opmerking Als de motor niet
automatisch herstart of als de motor
afslaat, gaan de waarschuwingslampjes
lading en motor controleren branden. In
dit geval herstart de motor zelfs niet als
het koppelingspedaal weer wordt
ingetrapt. Trap het rempedaal en het
koppelingspedaal tegelijkertijd volledig
in en draai de contactschakelaar naar
de stand "START" of druk op de
motorschakelaar om de motor te
starten. Raadpleeg voor nadere
informatie "De motor starten en
afzetten".
108)
Opmerking In de volgende gevallen
herstart de motor niet automatisch
Als de motor automatisch is afgezet,
is de “OFF” schakelaar van Start&Stop
ingedrukt om het Start&Stop-systeem
uit te schakelen.
Als de motorkap open is.
Opmerking Als de motor automatisch
herstart, kan het audiovolume tijdelijk
lager staan. Dit duidt niet op een
storing.
Opmerking Als de motor automatisch
is afgezet, kan het luchtvolume van de
airconditioning tijdelijk veranderen. Dit
duidt niet op een storing.
166
STARTEN EN RIJDEN
Page 170 of 332

108)In de volgende gevallen herstart de
motor zelfs automatisch als de motor is
afgezet door het Start&Stop-systeem. Pas
goed op omdat anders een ongeval kan
gebeuren als de motor opnieuw start. 1 —
De rijsnelheid is 3 km/h of hoger als een
helling wordt afgereden.2—Deonderdruk
van de rembekrachtiger is laag omdat het
rempedaal herhaaldelijk of vaker dan
normaal is ingetrapt.3—De
koelvloeistoftemperatuur is laag.4—Als
de airco wordt bediend door op de
aircoschakelaar te drukken. 5 — Als de
ingestelde temperatuur van de airco
aanzienlijk wordt veranderd. 6 — Als de
airconditioning in de automatische modus
werkt, terwijl de temperatuurregeling op
max. verwarming of max. koeling staat
(voor voertuigen met een automatische
airconditioning). 7 — Als de airco op ON
staat, de interieurtemperatuur stijgt en de
aircocompressor werkt om de temperatuur
te verlagen. 8 — Als de
achterruitverwarmingsschakelaar is
ingedrukt. Zie “Voor snelle ontwaseming”. 9
— Als het elektrische stroomverbruik hoog
is, als bijv. de achterruitverwarming of
andere elektrische componenten worden
gebruikt of de ventilatorsnelheid op een
hoge stand staat. 10 — Als de
accuspanning of het accurendement laag
is. 11 — Als het stuurwiel wordt gebruikt 12
— Als de veiligheidsgordel van de
bestuurder niet is omgelegd. 13 — Als het
bestuurdersportier open is.HANDGESCHAKELDE
VERSNELLINGSBAK
(Indien aanwezig)
Het schakelpatroon is aangegeven op
de knop van de versnellingspook. Trap
eerst het koppelingspedaal volledig in
en schakel naar de 1e versnelling of "R"
(achteruit). Bedien de versnellingspook
vervolgens langzaam. Laat daarna
geleidelijk het koppelingspedaal los en
trap tegelijkertijd het gaspedaal in.
233)
109) 110) 111) 112) 113)
Opmerking Schakelen bij koud weer is
vaak lastiger tot het smeermiddel van
de versnellingsbak is opgewarmd. Dit is
normaal en leidt niet tot schade aan de
versnellingsbak.
Trap het koppelingspedaal nogmaals in
als het moeilijk is om naar de 1e
versnelling te schakelen; het schakelen
zou hierdoor makkelijker moeten gaan.
Bij warm weer of als lange tijd met hoge
snelheid wordt gereden, zou een
snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) in
werking kunnen treden om te
voorkomen dat de olietemperatuur in
de handgeschakelde versnellingsbak te
hoog oploopt. Zodra de
olietemperatuur weer normaal is, wordt
de snelheidsbegrenzer (Speed Limiter)
geannuleerd.De schakelindicator geeft de
aanbevolen schakelpunten voor zuinig
rijgedrag weer. De schakelindicator
geeft een
weer als opschakelen
wordt aanbevolen.
De versnellingspook in de stand "R"
(achteruit) zetten
Druk de versnellingspook in en zet hem
in de stand "R" (achteruit).
114)
258AHZ101144
259AHA104339
168
STARTEN EN RIJDEN