geluidssignaal FIAT TALENTO 2020 Instructieboek (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: FIAT, Model Year: 2020, Model line: TALENTO, Model: FIAT TALENTO 2020Pages: 248, PDF Size: 4.87 MB
Page 20 of 248

Ontgrendelen met gebruik van de
elektronische sleutel:Druk op knop 3
fig. 20. De alarmknipperlichten
knipperen eenmaal om te bevestigen
dat het voertuig open is.
Vergrendelen met de elektronische
sleutel:Druk met gesloten portieren op
knop 4 fig. 20: het voertuig is
vergrendeld. U kunt zien dat het
vergrendeld is doordat de
alarmknipperlichten twee keer
knipperen.
OPMERKING De maximumafstand
vanaf het voertuig vanwaar het voertuig
kan worden vergrendeld is afhankelijk
van de omgeving.OPMERKING U kunt het voertuig niet
vergrendelen als:
een portier open is of niet goed
dichtzit;
de sleutel zich niet in gebied 1
fig. 21 bevindt.
BELANGRIJK Nadat het voertuig met
de knoppen op de elektronische sleutel
is vergrendeld/ontgrendeld, wordt de
vergrendel- en ontgrendelmodus "easy
access" uitgeschakeld. Herstart de
motor om de modus weer in te
schakelen:
Als de motor draait en de sleutel zich,
nadat een portier is geopend of
gesloten, niet meer in gebied 5
fig. 22 bevindt, wordt een speciaal
bericht weergegeven (en wordt boven
een bepaalde snelheid een
geluidssignaal afgegeven) om u te laten
weten dat de sleutel zich niet meer in
het voertuig bevindt.Op die manier wordt bijvoorbeeld
voorkomen dat u vertrekt en een
passagier met de sleutel achterlaat.
De melding verdwijnt weer zodra de
sleutel weer wordt gedetecteerd.
Functie van "verlichting op afstand"
Door eenmaal op knop 6 fig. 23 te
drukken gaat de binnenverlichting
ongeveer 30 seconden aan. Op die
manier kunt u bijvoorbeeld uw voertuig
op een parkeerplaats van afstand
terugvinden.
OPMERKING Als knop 6 nogmaals
wordt ingedrukt, gaat de verlichting
weer uit.
20T26787-1
21T36509
22T36626
18
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 23 of 248

BELANGRIJK
1)Laat het voertuig nooit onbeheerd achter
met de elektronische sleutel en een kind,
een gehandicapt persoon of een dier in het
voertuig, zelfs niet voor korte tijd. Hierdoor
zou uw eigen veiligheid en die van anderen
in gevaar kunnen komen, als de motor
wordt gestart of systemen in werking
worden gesteld, zoals de elektrisch
bediende ruiten of zelfs de
portiervergrendeling. Bovendien loopt de
temperatuur in warm en/of zonnig weer
snel op. Gevaar voor dodelijk of ernstig
letsel.
2)Gebruik nooit de centrale
portiervergrendeling als er nog iemand in
het voertuig zit.
BELANGRIJK
1)Gebruikte batterijen kunnen schadelijk
zijn voor het milieu als ze niet op de juiste
wijze als afval verwerkt worden. Ze moeten
overeenkomstig de wet in speciale bakken
gedeponeerd worden. Ze kunnen ook
ingeleverd worden bij het Fiat
Servicenetwerk dat voor hun verwerking zal
zorgen.
PORTIEREN
VOORPORTIEREN
3) 4) 5) 6) 7) 8)
Openen van buitenaf
Voertuigen met afstandsbediening:
ontgrendel het voertuig met de
afstandsbediening en trek aan
handgreep 1 fig. 29.
Voertuigen met elektronische
sleutel: druk op de knop 2 fig. 29 op
de elektronisch sleutel om het voertuig
te ontgrendelen en trek aan handgreep
1.
Sluiten van buitenaf
Duw tegen het portier. Vergrendel het
met de afstandsbediening of, als het
voertuig hierover beschikt, druk op de
knop 2 fig. 14 op de elektronische
sleutel.Openen van binnenuit
Trek aan handgreep 4 fig. 30 en duw
tegen het portier.
Sluiten van binnenuit
Gebruik alleen handgreep 3 om aan het
portier te trekken. fig. 30
Geluidsalarmering lampen vergeten
Wanneer het portier opengaat, geeft
een geluidssignaal aan dat de lampen
nog aan zijn, zelfs als de startinrichting
niet meer is ingeschakeld.
Waarschuwing elektronische
sleutel vergeten(voor bepaalde
versies/markten): wanneer u het
bestuurdersportier opent, terwijl de
elektronische sleutel nog in de lezer zit,
wordt een bericht op het
instrumentenpaneel weergegeven en
klinkt er een geluidssignaal.
29T36507
30T36515
21
Page 24 of 248

Waarschuwing sleutel vergeten
(voor bepaalde versies/markten):
wanneer u het bestuurdersportier
opent, wordt er een geluidssignaal
afgegeven om aan te geven dat de
sleutel nog in het contactslot zit.
Waarschuwing portier open: als een
portier open is of niet goed gesloten is,
wordt hierover een bericht op het
instrumentenpaneel weergegeven en
gaat een controlelampje branden, zodra
het voertuig sneller gaat dan ongeveer
20 km/h.
OPMERKING Afhankelijk van het
voertuig gaan de accessoires (radio,
enz.) uit als de motor wordt
uitgeschakeld, bij het open van het
bestuurdersportier of het sluiten van de
portieren.
ZIJSCHUIFPORTIER
9) 10) 11)
Voertuigen met afstandsbediening
De zijschuifportieren worden
vergrendeld/ontgrendeld met de knop
op de afstandsbediening.
Voertuigen met elektronische
sleutel
De zijschuifportieren worden
vergrendeld en ontgrendeld:
door te drukken op de knop op de
elektronische sleutel;
door in de modus "easy access" de
voorportieren of de achterklep te
vergrendelen/ontgrendelen.Opening vanaf de buitenkant
Trek hendel 1 fig. 31 naar u toe,
wanneer het voertuig is vergrendeld, en
schuif het portier naar de achterkant
van het voertuig.
Sluiten van buitenaf
Trek aan hendel 1 fig. 31 en schuif het
portier naar voren tot het volledig
gesloten is.
Openen van binnenuit
Trek hendel 2 fig. 32 naar achteren en
open het schuifportier tot het op zijn
plaats vergrendelt.
Sluiten van binnenuit
Duw hendel 2 fig. 32 naar voren en sluit
het portier tot het op zijn plaats
vergrendelt.
Portieren handmatig van binnenuit
vergrendelenDruk knop 3
fig. 32 omlaag. Het schuifportier wordt
vergrendeld.
12) 13)
Kinderveiligheid
Draai schroef 4 fig. 33 en sluit het
portier, om te voorkomen dat kinderen
het portier van binnenuit openen.
Controleer of de portieren naar behoren
zijn afgesloten van binnenuit.
Het portier kan nu alleen van buitenaf
worden geopend.
31T36529
32T36530
33T36623
22
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 28 of 248

Het is mogelijk dat de radiofrequentie-
afstandsbediening of de elektronische
sleutel niet in alle gevallen werkt:
de batterijen van de
afstandsbediening of de elektronische
sleutel kunnen leeg zijn, enz.;
er worden apparaten met dezelfde
frequentie als die van de elektronische
sleutel gebruikt (mobiele telefoon, enz.);
het voertuig bevindt zich in een
gebied dat bekendstaat om de grote
aanwezigheid van elektromagnetische
golven.
In dat geval kunt u:
de in de afstandsbediening of
elektronische sleutel geïntegreerde
sleutel gebruiken, of de in de
ontgrendelkaart van het voorportier
geïntegreerde noodsleutel gebruiken of,
afhankelijk van het voertuig, de
openslaande achterportieren gebruiken;
ieder portier handmatig vergrendelen
de bediening in het voertuig voor de
portiervergrendeling/-ontgrendeling
gebruiken (zie de paragraaf "Centrale
vergrendeling/ontgrendeling
opengaande delen" in het hoofdstuk
"Kennismaking met het voertuig").
De sleutel gebruiken
Steek de sleutel in het slot 1 fig. 45 en
vergrendel of ontgrendel het
linkervoorportier of, afhankelijk van het
voertuig, het achterste schuifportier.
Ieder portier handmatig
vergrendelen
Draai met open portier de inrichting 2
fig. 46 (met het uiteinde van de sleutel)
en sluit het portier.Nu is het van buitenaf gesloten. Het
voorportier kan alleen van binnenuit of
met de sleutel worden geopend.
Voertuigen met één achterklep: als
de portieren handmatig worden
vergrendeld, blijft de achterklep
ontgrendeld.
AUTOMATISCHE
PORTIERVERGRENDELING
TIJDENS HET RIJDEN
Functie inschakelen:
Druk met de sleutel in het contact
ongeveer 5 seconden op knop 1
fig. 47, tot u een geluidssignaal hoort.
Functie uitschakelen:
Druk met de sleutel in het contact
ongeveer 5 seconden op knop 1
fig. 47, tot u een geluidssignaal hoort.
44T3661245T36611
46T36616
26
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 37 of 248

als de buitentemperatuur te laag of te
hoog is (lager dan 0°C of hoger dan
35°C);
bij onvoldoende acculading;
als het verschil tussen de
temperatuur in het voertuig en de
temperatuur ingesteld door de
automatische klimaatregeling te groot
is;
De MAX DEF functie is geactiveerd
(zie de paragraaf "Airconditioning" in het
hoofdstuk “Kennismaken met uw
voertuig”);
als de temperatuur van de
motorkoelvloeistof te laag is;
als de automatische regeneratie van
het roetfilter moet worden verricht;
als de “Versnelde stationaire” functie
geactiveerd is (zie paragraaf “Versneld
stationair” in hoofdstuk “Starten en
rijden”);
Het waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel gaat aan om aan te
geven dat de motor niet in standby kan
worden gezet.
OPMERKINGEN:Tijdens het tanken
moet de motor worden afgezet (en niet
op stand-by): u moet de motor elf
afzetten (raadpleeg de paragraaf "De
motor starten” in het hoofdstuk ”Starten
en rijden”).
OMSTANDIGHEDEN
WAARBIJ DE MOTOR
HERSTART
In sommige gevallen kan de motor, uit
veiligheids- en comfortoverwegingen,
zonder het verrichten van enige
handeling worden herstart. Dit kan
worden bevestigd als:
als de buitentemperatuur te laag of te
hoog is (lager dan 0°C of hoger dan
35°C);
De MAX DEF functie is geactiveerd
(zie de paragraaf "Airconditioning" in het
hoofdstuk “Kennismaken met uw
voertuig”);
bij onvoldoende acculading;
de voertuigsnelheid hoger is dan
5 km/h (heuvelafwaarts, enz.);
herhaalde druk op het rempedaal of
de noodzaak om het rempedaal te
gebruiken.
de herstartprocedure kan
onderbroken worden wanneer het
koppelingspedaal te snel wordt
losgelaten bij het schakelen.
Voertuigen met afstandsbediening
Een aantal van deze omstandigheden
voorkomen dat de motor automatisch
wordt herstart bij het openen van:
een van de portieren (voor voertuigen
met een sleutel);
het passagiersportier (voor
voertuigen met een elektronische
sleutel).
ONREGELMATIGE
WERKING
Wanneer een speciaal bericht op het
instrumentenpaneel wordt
weergegeven en het geïntegreerde
lampje 2 in knop 1 fig. 65 gaat branden,
wordt het systeem uitgeschakeld.
Neem contact op met het Fiat
Servicenetwerk.
BELANGRIJK
29)Wanneer, in geval van een noodstop,
het koppelingspedaal wordt ingetrapt, zal
de motor weer starten in geval de functie
Start&Stop actief is.
30)Voordat u uit het voertuig stapt moet
de motor worden uitgezet en niet in
stand-by gelaten worden (verwijd naar
paragraaf “De motor starten” van
hoofdstuk “Starten en rijden”).
BELANGRIJK
2)Rijd niet met het voertuig zolang de
motor op stand-by staat (het
waarschuwingslampje
op het
instrumentenpaneel gaat aan).
3)Als u het voertuig verlaat, klinkt er een
geluidssignaal om u te waarschuwen dat
de motor op stand-by staat (en niet
uitstaat). Voordat u uit het voertuig stapt
moet u het startapparaat uitschakelen (zie
de paragraaf “Startschakelaar” in het
hoofdstuk “Ken uw voertuig”).
35
Page 40 of 248

U kunt het dimlicht uitschakelen
voordat het automatisch uitgeschakeld
wordt door de ring 2 fig. 68 naar een
willekeurige stand te draaien zodat
deze naar stand 0 terugkeert.
GROOTLICHT
Ontsteking
Druk op de hendel 1 fig. 68 als de
motor draait en het grootlicht aan is.
Het lampje
op het
instrumentenpaneel gaat branden. Trek
hendel 1 fig. 68 naar u toe om de
dimlichten weer in te schakelen.
Uitschakelen
Draai de kartelring 2 fig. 68 naar stand
0.
Als het bestuurdersportier wordt
geopend terwijl de lampen branden,
klinkt als waarschuwing een
geluidssignaal.
MISTVOORLICHTEN
Draai de middelste kartelring 4
fig. 70 aan de hendel 1 tot het symbool
verschijnt en laat hem dan los. De
handeling is afhankelijk van de
geselecteerde stand van de
buitenverlichting en het bijbehorende
lampje dat gaat branden op het
instrumentenpaneel.Verlichting in een bocht
Wanneer de parkeerlichten zijn
ingeschakeld en onder bepaalde
omstandigheden (snelheid, hoek van
het voertuig, terwijl het vooruit rijdt,
richtingaanwijzers aan, enz.) gaat in een
bocht een van de mistkoplampen
branden om de bocht te verlichten.
MISTACHTERLICHT
Draai de middelste kartelring 4
fig. 70 tot het symboolvóór
referentie 5 fig. 70 staat en laat de ring
dan los.
De handeling is afhankelijk van de
geselecteerde stand van de
buitenverlichting en het bijbehorende
lampje dat gaat branden op het
instrumentenpaneel.
Vergeet dit licht niet uit te schakelen als
het niet langer nodig is, zodat de
overige weggebruikers er geen hinder
van ondervinden.Uitschakelen
Draai de kartelring 4 fig. 70 dusdanig
dat deze overeenkomt met het
desbetreffende symbool van de
mistkoplampen of mistachterlichten die
u uit wilt schakelen. Het controlelampje
op het instrumentenpaneel gaat uit.
Wanneer u de buitenverlichting
uitschakelt, gaan de mistkoplampen en
mistachterlichten ook uit.
BELANGRIJK Bij mist, sneeuw of als
voorwerpen worden vervoerd die langer
zijn dan het dak, worden de lampen niet
automatisch ingeschakeld. De
bestuurder moet dan zelf de
mistkoplampen en mistachterlichten
inschakelen als dat nodig is: de
controlelampjes op het
instrumentenpaneel duiden aan dat ze
aanstaan (lampje aan) of uitstaan
(lampje uit).
HOOGTEREGELING
INSTELLING
KOPLAMPEN
(Voor bepaalde versies/markten indien
voorzien)
Op voertuigen die hiermee zijn
uitgerust, kunnen de koplampen met
knop A fig. 71 aan de lading worden
aangepast. Draai knop A omlaag om de
lampen lager of hoger te zetten.
70T38199-1
38
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 61 of 248

BELANGRIJK
2)Het systeem gebruikt een koelmiddel dat
compatibel is met de wetten die van kracht
zijn in de landen waar het voertuig wordt
verkocht, R134a van R1234yf (aangeduid
op een specifiek plaatje in de motorruimte).
Het gebruik van andere koelmiddelen heeft
invloed op de efficiency en de conditie van
het systeem. Ook de
compressorkoelmiddelen moeten
compatibel zijn met het aangeduide
koelmiddel.
PARKEERRADAR
57) 56)
13) 14) 15)
Werkingsprincipe
De ultrasone sensoren die in de
achterbumpers zijn aangebracht
(afhankelijk van de versie van het
voertuig) "meten" de afstand tussen het
voertuig en een obstakel.
Als de sensoren een obstakel
detecteren, geven ze een geluidssignaal
af, waarvan de frequentie toeneemt
naarmate het voertuig het obstakel
nadert, tot het een enkel geluid wordt
als het obstakel ongeveer 30 cm van
het voertuig is verwijderd.
OPMERKING Controleer of de
ultrasone sensoren niet zijn afgedekt
(met vuil, modder, sneeuw, enz.)
OPMERKING: het systeem van de
parkeerassistent houdt geen rekening
met sleep- en vervoersystemen.Werking
Wanneer u de versnellingspook in zijn
achteruit zet, worden de meeste
objecten binnen 1,2 m van de
achterkant van het voertuig
gedetecteerd, wordt een geluidssignaal
afgegeven en, afhankelijk van het type
voertuig, gaat display 1 fig. 102 aan.
Volume van de parkeerassistent
verstellen
Enkele parameters van het
multimediascherm 1 fig. 102 kunnen in
overeenstemming met het
uitrustingsniveau van het voertuig
worden aangepast.
Systeem tijdelijk uitschakelen
Druk op knop 2 fig. 103 om het
systeem uit te schakelen.
101T36541
102T36519-2
59
Page 62 of 248

Het in de schakelaar ingebouwde
waarschuwingslampje gaat branden om
de bestuurder eraan te herinneren dat
het systeem is uitgeschakeld.
Druk er nogmaals op om het systeem
weer in te schakelen en het
waarschuwingslampje gaat uit.
Enkele parameters van het
multimediascherm 1 fig. 102 kunnen in
overeenstemming met het
uitrustingsniveau van het voertuig
gedeactiveerd worden.
Het systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld nadat de startinrichting
wordt uitgeschakeld en de motor weer
gestart wordt.
Systeem geforceerd uitschakelen
Het systeem kan definitief worden
uitgeschakeld door knop 2 lang
ingedrukt te houden.
Het in de schakelaar geïntegreerde
controlelampje gaat permanent aan.Het uitgeschakelde systeem kan weer
worden ingeschakeld door de knop
nogmaals lang ingedrukt te houden.
Onregelmatige werking
Als het systeem een onregelmatige
werking detecteert, wordt, afhankelijk
van de versie, een speciaal bericht op
het instrumentenpaneel weergegeven,
gaat het alarmlampje
branden en
wordt iedere 5 seconden een
geluidssignaal afgegeven. Neem
contact op met het Fiat Servicenetwerk.
BELANGRIJK
56)Deze functie is een extra
rijondersteuning met geluidssignalen om
aan te geven dat u tijdens het rijden een
obstakel nadert. De bestuurder moet
tijdens het rijden echter wel normaal blijven
opletten en blijft verantwoordelijk voor
ongelukken tijdens het rijden. De
bestuurder moet altijd alert zijn op
onverwachte situaties tijdens het rijden.
Alvorens een manoeuvre uit te voeren,
moet vooral gecontroleerd worden op
bewegende obstakels (zoals een kind, dier,
fiets, steen, stok, enz.) of obstakels in de
dode hoek die te klein zijn om te zien.57)De verantwoordelijkheid voor het
parkeren en andere mogelijk gevaarlijke
manoeuvres ligt echter altijd bij de
bestuurder. Controleer tijdens deze
manoeuvres altijd of er geen andere
mensen (vooral kinderen) of dieren
aanwezig zijn op het parcours dat u af wilt
leggen. De parkeersensoren dienen als
hulp voor de bestuurder, die echter nooit
zijn aandacht mag laten verslappen tijdens
potentieel gevaarlijke manoeuvres, ook al
worden ze met lage snelheden verricht.
BELANGRIJK
13)In geval van een botsing tijdens het
manoeuvreren van het voertuig (bijv. botsen
tegen een bollard, een verhoogd wegdek of
andere wegenuitrusting), kan het voertuig
beschadigd raken (bijv. vervormde as). Laat
het voertuig controleren door het Fiat
Servicenetwerk om ongevallen te
voorkomen.
14)Voor een correcte werking van het
systeem mogen de sensoren nooit bevuild
zijn met modder, vuil, sneeuw of ijs. Zorg
ervoor dat ze tijdens het reinigen niet
gekrast of beschadigd worden. Vermijd het
gebruik van droge, ruwe of harde doeken.
De sensoren moeten met schoon water
worden gewassen, waaraan eventueel
autoshampoo is toegevoegd. Wanneer
speciale reinigingsapparaten worden
gebruikt, zoals stoomreinigers of
hogedrukreinigers, reinig dan de sensoren
zeer snel en houd de straal op minstens
10 cm afstand.
103T36542
60
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 80 of 248

3fig. 157 Instelling cruise-control
verlagen (-).
4fig. 157 Inschakeling met oproep
(R) van opgeslagen instelling
cruise-control.
5fig. 157 Zet functie op stand-by
(met opgeslagen instelling
cruise-control) (O).
Inschakelen
87)
Druk op de zijkant van knop 1.
Controlelampje 6 fig. 158 wordt oranje
en het bericht "LIMITER" (BEGRENZER)
wordt met streepjes op het
instrumentenpaneel weergegeven om
aan te geven dat de cruise-control is
ingeschakeld, en wacht op de
registratie van de snelheidslimiet.
Druk op schakelaar 2 (+) om de huidige
snelheid op te slaan: de streepjes
worden vervangen door de
snelheidslimiet.De minimumsnelheid die ingesteld kan
worden is 30 km/h.
Begeleiding
Als de snelheid is opgeslagen, verloopt
het rijden totdat deze snelheid is
bereikt, hetzelfde als bij een voertuig
dat niet is uitgerust met cruisecontrol.
Als de limiet is bereikt en u op het
gaspedaal trapt, kunt u de
geprogrammeerde snelheid alleen in
noodgevallen overschrijden (zie de
paragraaf "De ingestelde snelheidslimiet
overschrijden").
De snelheidslimiet aanpassen
U kunt de snelheidslimiet wijzigen door
achtereenvolgend te drukken op:
knop 2 fig. 159 (+) om de snelheid te
verhogen;
knop 3 fig. 159 (-) om de snelheid te
verlagen.De snelheidslimiet overschrijden
U kunt de ingestelde snelheidslimiet op
ieder moment overschrijden door hard
op het gaspedaal te trappen (tot voorbij
het "weerstandspunt").
Tijdens de overschrijding, knippert de
ingestelde snelheid op het
instrumentenpaneel en klinkt er een
geluidssignaal.
Laat na afloop het gaspedaal los: de
cruise-control wordt weer ingeschakeld
zodra u de snelheid verlaagt tot onder
de opgeslagen snelheid.
In het geval van steile hellingen kan de
cruisecontrol de snelheid niet
aanhouden: de opgeslagen snelheid
knippert op het instrumentenpaneel en
er klinkt een intermitterend
geluidssignaal.
Onmogelijk de ingestelde
snelheidslimiet aan te houden
In het geval van steile hellingen kan de
cruisecontrol de ingestelde snelheid niet
aanhouden: de opgeslagen snelheid
knippert op het instrumentenpaneel en
er klinkt een intermitterend
geluidssignaal.
158T36504-2
159T36544-1
78
KENNIS VAN HET VOERTUIG
Page 85 of 248

DISPLAY
89)
Toerenteller 1 fig. 162
(Schaal x1000)
Snelheidsmeter 2 fig. 163
Aangegeven in km of mijlen per uur.Geluidssignaal bij te hoge snelheid
Afhankelijk van de versie van het
voertuig, wordt bij een snelheid hoger
dan 120 km/h iedere 40 seconden
gedurende ongeveer 10 seconden een
geluidssignaal afgegeven.
Rijstijlindicator 4 fig. 163
Raadpleeg het hoofdstuk "Tips voor het
rijden".
Sensorindicator motoroliepeil 3
fig. 163
Bij een laag motoroliepeil wordt daar op
display 3 melding van gemaakt als de
motor wordt gestart. Raadpleeg de
paragraaf "Motoroliepeil".
Brandstofmeter 5 fig. 164Instrumentenpaneel 6 fig. 165
Met aanduidingen in mijlen en de
mogelijkheid om over te schakelen
naar km/h.
Druk als het contact uitstaat op knop
9 of 10 onderaan hendel 7 fig. 166 en
op startknop 8 fig. 165.
De eenheid van de meter knippert
ongeveer tien seconden, waarna de
nieuwe eenheid wordt weergegeven:
laat knop 9 of 10 fig. 166 los zodra de
eenheid niet meer knippert.
162T40396-1
163T40395
164T36504-1
165T36517
83