air condition Hyundai Accent 2008 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: HYUNDAI, Model Year: 2008, Model line: Accent, Model: Hyundai Accent 2008Pages: 250, PDF Size: 9.19 MB
Page 121 of 250

1
BIJZONDERHEDEN VAN UW HYUNDAI
111AUTOMATISCHE VERWARMINGS EN KOELINGS SYSTEEM
B970A01Y-AXT
(Indien gemonteerd)
Deze auto is uitgerust met een klimaat
beheers systeem welk de gewenste (ingestelde) temperatuur aanhoud.
B970B01MC
B370B01MC-GXT
Bediening verwarming en koeling
1. Toets temperatuurregeling
2. Schakelaar airconditioning
3. Schakelaar luchttoevoer/
schakelaar luchttoevoerregeling
4. Schakelaar ontwaseming
5. Aanjagerschakelaar 6. Schakelaar AUTO
(automatische regeling)
7. Display
8. Schakelaar luchtverdeling
9. Uitschakelaar (OFF)
Page 122 of 250

1BIJZONDERHEDEN VAN UW HYUNDAI
112
B970C01NF-GXT Automatische werking Het FATC (Full Automatic Tempera- ture Control = volledig automatischetemperatuurregeling) systeem regelt automatisch de verwarming en de koeling op de volgende wijze:
1. Druk de toets "AUTO" in. De
controlelamp gaat branden om aan te geven dat de luchttoevoer naar het bovenlichaam, de beenruimtenen/of de stand Bi-Level (boven- onder), evenals de aanjagersnelheid en deairconditioning automatisch worden geregeld. 2. Verdraai de "TEMP"-knop om de
gewenste temperatuur in te stellen. De temperatuur kan wordenverhoogd tot maximaal 32°C door de knop rechtsom te draaien. De temperatuur kan worden verlaagd tot minimaal 17°C door de knop linksom te draaien. N.B.:
Als de accu losgekoppeld of
ontladen is geweest, schakelt detemperatuurinstelling terug naar graden Celsius. Dit is de normalestand; de temperatuurinstelling in graden Fahrenheit kan als volgt worden ingesteld:
Druk tegelijkertijd de "OFF' en
"AUTO"-schakelaar gedurende 3seconden in, dan verandert detemperatuur-weergave van °C in °F en omgekeerd. N.B.:
Plaats nooit voorwerpen op de
temperatuur sensor.
B970C01MC B970C02MC
1JBA4067
Lichtsensor
Page 124 of 250

1BIJZONDERHEDEN VAN UW HYUNDAI
114
In de stand van verse lucht wordt buitenlucht toegevoerd en afhankelijkvan de gekozen instelling verwarmd of gekoeld. In de stand voor recirculatie wordt de lucht in het interieur gerecirculeerd en afhankelijk van de andere gekozen instelling verwarmd of gekoeld. N.B.: Als de stand voor luchtcirculatie langdurig blijft ingeschakeld, bestaat de kans dat de voorruit en de zijruiten beslaan. Bovendientreedt een vermindering van de luchtkwaliteit op. Als de airconditioning te lang in de standvoor luchtcirculatie blijft staan is het mogelijk dat de lucht in het interieur te droog wordt. 6YB980D1-AX
Verwarming en koeling "AFZETTEN"
Druk op de "OFF" toets om het
systeem uit te schakelen.
B980D01MC B980E01NF-GXT
Luchtstroom controle
Dit wordt gebruikt om de luchtstroom
een richting te geven, vijf symbolen worden gebruikt om dit aan te geven. Namelijk: Boven, combinatie, vloer en vloer ontwasemen.
B980E01MC
Page 126 of 250

1BIJZONDERHEDEN VAN UW HYUNDAI
116
Vloer voorruit ontwaseming knop
Bij het selecteren van "Floor-Defrost", gaat de controlelamp branden en wordt de lucht naar de roosters voor de beenruimte, de voorruit, de zijruitenen de zijkant gevoerd.Als een temperatuurschakelaar, deaanjagerschakelaar of deontwasemschakelaar wordt ingedrukt in de stand "Beenruimte- Ontwasemen", dan wordt deairconditioning automatisch ingeschakeld en wordt overgeschakeld naar "verse lucht". B980F02E-GXT Voorruit ontwaseming niveau Als de "Ontdooi"-schakelaar wordt
ingedrukt, dan wordt automatisch de "
" functie gekozen en wordt de
lucht via de roosters onder de voorruit en aan de zijkant en via de ventilatieroosters aan de zijkant naarhet interieur geleid. De airconditioning schakelt automatisch in als de temperatuur hoger is dan 3,5°C enschakelt automatisch uit als de buitentemperatuur lager wordt dan 3,5°C, zodat het ontdooien snellerwordt uitgevoerd.
B670D05MC
B980F01MC
Page 154 of 250

2
HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
21RIJDEN ONDER WINTERSE OMSTANDIGHEDENBOCHTEN
SC170A1-FX Strenge, winterse omstandigheden hebben een grotere slijtage en andere problemen tot gevolg. Volg deonderstaande richtlijnen op om de winter probleemloos door te komen. C160B02A-GXT Rijden in sneeuw of op ijs Voor het rijden in diepe sneeuw kan het nodig zijn sneeuwbanden ofsneeuwkettingen te gebruiken. Als sneeuwbanden nodig zijn moet worden gekozen voor dezelfde maat en typeals de originele fabrieks-banden. Als dit advies niet wordt opgevolgd kan dat een nadelige invloed op deveiligheid en het rijgedrag tot gevolg hebben. Hoge snelheden, snel accelereren, krachtig afremmen enscherpe bochten moeten worden vermeden. Maak tijdens het afremmen zoveel mogelijk gebruik
van het remvermogen van de motor.
Remmen op sneeuw of ijs heeft totgevolg dat uw wagen in een slipraakt. Houd voldoende afstand ten opzichte van uw voorliggers. Druk het rempedaal gelijkmatig in.
SC160A1-FX Vermijd remmen of schakelen in
bochten, vooral op natte wegen. Dit voorkomt overmatige bandenslijtage.
o Het is niet nodig de motor langdurig
warm te laten draaien. Zodra demotor gelijkmatig draait kunt u wegrijden. Bij zeer koud weer is het aan te bevelen de motor eeniets langere periode te laten warm draaien.
o Rijd niet met een te laag of een te hoog motortoerental. Rijdt u telangzaam in een hoge versnelling, dan heeft dit tot gevolg dat demotor te zwaar wordt belast. Schakel tijdig een lagere versnelling in. Vermijd een te hoog toerentaldoor de aanbevolen schakels- nelheden aan te houden.
o Gebruik de airconditioning niet onnodig. De airconditioning wordt bediend door de motor waardoor bijgebruik van de airconditioning het brandstofverbruik toeneemt.
Page 162 of 250

2
HET RIJDEN MET UW HYUNDAI
29
!
LET OP:
Als bij het rijden met aanhanger
oververhitting plaatsvindt (temper- atuurmeter gaat naar het rodegebied), kunnen de volgende maatregelen de oververhitting verminderen of opheffen:
1. Zet de airconditioning uit.
2. Matig de snelheid.
3. Schakel bij het heuvelopwaarts
rijden een lagere versnelling in.
4. Laat de motor bij fileverkeer tijdens stilstaan versneld stationair draaien met de transmissie in neutraal of deparkeerstand.
Page 166 of 250

3IN GEVAL VAN PECH
4ALS DE MOTOR TE HEET WORDT
1. Staat de hulpaccu in een andere wagen, dan mogen de twee wagens niet met elkaar in aanraking komen.
2. Schakel alle onnodige verlichting en accessoires in beide wagensuit.
3. Sluit de klemmen van de hulpstartkabel aan in de volgorde zoals in de afbeelding wordtweergegeven. Sluit één klem van de hulpstartkabel aan op de pluspool of kabel van de ontladenaccu. Sluit vervolgens het andere eind van dezelfde kabel aan op de pluspool of kabel van de hulpaccu.Sluit vervolgens één klem van de andere kabel aan op de negatieve (min) pool of kabel van de hulpaccu.Sluit vervolgens het andere eind van de kabel aan op een massief metalen gedeelte van de motor.Sluit de kabel niet aan op een bewegend gedeelte.
4. Start de motor van de wagen met de hulpaccu en laat deze enkeleminuten draaien. Laat de motor in deze wagen tijdens het startenm.b.v. startkabels draaien met 2000 t/min. D030A02TB-GXT Staat de koelvloeistoftemperatuur-
meter te hoog, levert de motor weinig vermogen of "pingelt" de motor, danis de motor waarschijnlijk te heet. Ga dan als volgt te werk:
1. Breng de wagen zo snel mogelijk
op een veilige plaats tot stilstand.
2. Plaats bij een automatische transmissie de keuzehandel in stand "P" of bij een handges-chakelde versnellingsbak de versnellingshandel in neutraal en trek de handrem aan. Schakeleventueel de airconditioning uit.
3. Bij koelvloeistoflekkage of stoomvorming onder de motorkap; zet de motor dan af. Wacht met het openen van de motorkap totgeen koelvloeistof meer weglekt en er geen stoom zichtbaar is. Is er geen merkbaar verlies van koelvloeistof en geen stoom, laat de motor dan draaien en controleer of de ventilator werkt. Is dit niethet geval zet dan de motor af.
5. Start de motor. Laat nadat de mo-
tor is aangeslagen dehulpstartkabels aangesloten en laat de motor enkele minuten draaien met 2000 t/min.
6. Verwijder voorzichtig de hulpstartkabels in omgekeerdevolgorde van aansluiten.
Bij onzekerheid omtrent de reden van
de ontladen accu, moet u hetlaadsysteem laten controleren door uw Hyundai dealer.
Page 167 of 250

3
IN GEVAL VAN PECH
5
!!
!
4. Controleer of de V-riem van de
waterpomp ontbreekt. Is dit niet het geval controleer dan of deze strak zit. Is de V-riem in orde, controleer dan de radiateur, deslangen en onder de wagen op koelvloeistoflekkage. (Is de airconditioning ingeschakeld geweest, dan is het gebruikelijk dat er koud water uitstroomt).
WAARSCHUWING:
Houd uw handen uit de buurt van bewegende delen zoals de ventila- tor en V-riemen terwijl de motor draait. WAARSCHUWING (Alleen Diesel):
Geen werkzaamheden verrichten aan het injectiesysteem wanneer demotor draait of binnen 30 secondennadat deze is afgezet.Hogedrukpomp, rail, verstuivers en verstuiverleidingen staan onder hoge druk, zelfs nadat de motor isafgezet. De brandstofstraal dieontstaat door brandstoflekkage kanernstige verwondingen veroorzakenwanneer deze met het lichaam in aanraking komt. Mensen met een pacemaker mogen niet binnen 30cm van de ECU of de bedrading inde motorruimte komen als de mo-tor draait, aangezien de hogestroom waarmee het common-rail- systeem werkt een grootmagnetisch veld veroorzaakt. WAARSCHUWING:
Verwijder de radiateurdop niet wanneer de motor warm is. Hierdoor kan koelvloeistof uit deradiateur spuiten hetgeen ernstige brandwonden tot gevolg kan hebben.
6. Als de oorzaak van de oververhitting niet duidelijk is, wachten tot de temperatuur tot normaal is gedaald.Wanneer koelvloeistof verloren is gegaan, voorzichtig koelvloeistof in het expansiereservoir bijvullen tot het peil de middelste markering bereikt.
7. Vervolg voorzichtig uw weg en blijf attent op tekenen vanoververhitting. Raakt de motoropnieuw oververhit, neem dan con- tact op met uw Hyundai dealer.
5. Is de V-riem van de waterpomp gebroken of is er sprake vankoelvloeistoflekkage, zet de motor dan direct af en neem contact opmet de dichtstbijzijnde Hyundai dealer.
! LET OP:
Ernstig verlies van koelvloeistof
wijst op een lek in het koelsysteem hetgeen zo snel mogelijk door uw Hyundai dealer moet worden gerepareerd.
Page 191 of 250

5ONDERHOUDSVOORSCHRIFTEN
6
Beschrijving
ALGEMEEN ONDERHOUD KOELSYSTEEM KOELVLOEISTOF OLIE VERSNELLINGSBAK VLOEISTOF AUTOMATISCHE TRANSMISSIE REMSLANGEN EN REMLEIDINGEN REMVLOEISTOF REMTROMMELS, ACHTER/REMVOERINGEN/HANDREM REMBLOKKEN, REMKLAUWEN EN REMSCHIJVEN UITLAATPIJP EN UITLAATDEMPER BEVESTIGINGSBOUTEN WIELOPHANGING STUURHUIS, VERBINDINGEN EN MANCHETTEN/ONDERSTE FUSEEKOGELS STUURBEKRACHTIGINGSPOMP, AANDRIJFRIEM EN SLANGEN AANDRIJFASSEN EN HOEZEN KOELMIDDEL AIRCONDITIONING INTERIEURLUCHTFILTER 75
60
C C C C
CC C C C
C V
NR
12 3 4 5 6 7 8 9
1011 12 13 14 15 *1
45
36
C C C C
CC C C C
C V 60
48
C C C C CCC C C C C C CV
F030C01MC-GXT V : Vervangen C : Controleren en reinigen, afstellen, repareren of zonodig vervangen
105 84
C C C C
CC C C C
C V
90
72
C CV
C CCC C C C C C C V 120
96
C C C C CCC C C C C C CV
15
12
C C C C C C C C C CV 30
24
CC C C CCC C C C C C CV
Kilometers x 1000 Maanden
*1. DE KOELVLOEISTOF MOET VOOR DE EERSTE KEER NA 90.000 KM OF 60 MAANDEN WORDEN VERVERST.
HIERNA NA ELKE 45.000 KM OF 24 MAANDEN.
Page 193 of 250

EENVOUDIG ONDERHOUD
6
6
Motorruimte................................................................... 6-2
Algemene controles ....................................................... 6-5
Voorzorgsmaatregelen bij het onderhoud ...................... 6-6
Oliepeil controleren ........................................................ 6-7
Koelvloeistof controleren en ver versen....................... 6-11
Luchtfilter vervangen ................................................... 6-13
Ruitenwissers ruitenwisserbladen ..............................6-13
Ruitensproeierreservoir bijvullen .................................6-15
Oliepeil in versnellingsbak controleren (handgeschakeld) ....................................................... 6-16
Vloeistofpeil automatische transmissie control eren .... 6-16
Het remsysteem controleren .......................................6-18
Onderhoud airconditioning ........................................... 6-19
Interieurluchtfilter vervangen ....................................... 6-20
Zekeringen controleren en vervangen .........................6-21
Accu controleren ......................................................... 6-23
Werking van elektrische koelventilator controleren ..... 6-25
Vloeistofpeil stuur bekrachtiging ................................... 6-26
Aftappen van water in het brandstoffilter..................... 6-26
Koplampen afste llen .................................................... 6-27
Gloeilamp vervangen .................................................. 6-29
Vermogen .................................................................... 6-35
Beschrijving zekeringhouder ....................................... 6-36