ESP OPEL COMBO 2014 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2014, Model line: COMBO, Model: OPEL COMBO 2014Pages: 185, PDF Size: 4.18 MB
Page 114 of 185

112Rijden en bediening
Om de handrem los te zetten, de
handremhendel iets optillen, de ont‐
grendelingsknop indrukken en de
hendel helemaal omlaagzetten.
Om minder kracht te hoeven uitoefe‐ nen bij het aantrekken van de hand‐
rem, tegelijkertijd het rempedaal in‐
trappen.
Bij aangetrokken handrem klinkt er
vanaf een bepaalde snelheid een ge‐
luidssignaal.
Let op
Het volume van het geluidssignaal
kan ook via het Driver Information
Center worden aangepast 3 78.
Controlelamp R 3 74.
Remassistentie Bij het snel en krachtig intrappen van
het rempedaal wordt automatisch met de maximale remkracht (noodstop)
geremd.
De druk op het rempedaal niet ver‐ minderen, zolang er maximaal ge‐remd moet worden. Bij het loslaten
van het rempedaal wordt de rem‐
kracht automatisch verminderd.Hellingrem
Het systeem voorkomt onbedoeld be‐
wegen bij het wegrijden op hellingen.
Wanneer u de voetrem loslaat nadat
u op een helling bent gestopt, blijft de rem nog gedurende 2 seconden in‐
geschakeld. Bij het optrekken van de
auto worden de remmen automatisch gelost.
Als controlelamp Z onderweg op‐
licht, is er een storing in de hellingrem
3 74. De hulp van een werkplaats in‐
roepen om de storing te laten verhel‐
pen.
De hellingrem werkt niet tijdens een
Autostop.
Stop/Start-systeem 3 102.Rijregelsystemen
Traction ControlDe anti-slipregelaar (ASR) is een on‐derdeel van het elektronisch stabili‐
teitsprogramma (ESP).
ASR verhoogt zo nodig de stabiliteit,
ongeacht het type wegdek of de grip
van de banden, door te voorkomen
dat de aangedreven wielen door‐
slaan.
Zodra de aangedreven wielen begin‐
nen door te slaan, wordt het motor‐
vermogen verminderd en wordt het
wiel met de meeste slip afzonderlijk
afgeremd. Daardoor wordt de rijstabi‐
liteit van de auto op een glad wegdek
aanmerkelijk verbeterd.
De ASR is gebruiksklaar zodra de
controlelamp x dooft.
Wanneer ASR actief is, knippert de
controlelamp x.
Page 115 of 185

Rijden en bediening1139Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Uitschakelen
U kunt de ASR uitschakelen wanneer
de aangedreven wielen moeten kun‐
nen doorslaan: druk even op de knop
ASR OFF .
De LED in de knop brandt en ver‐
schijnt er een bericht op het Driver In‐ formation Center.
U kunt de ASR weer activeren door
nogmaals op de toets ASR OFF te
drukken.
De ASR wordt ook opnieuw geacti‐
veerd wanneer u de ontsteking de
volgende keer weer inschakelt.
Storing
Bij een storing wordt ASR automa‐
tisch uitgeschakeld. Controlelamp x
brandt op de instrumentengroep in combinatie met een bericht op het
Driver Information Center 3 78.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Controlelamp x 3 75.
Elektronisch
stabiliteitsprogramma
(ESP) Het elektronische stabiliteitspro‐
gramma (ESP) verbetert indien nodig de rijstabiliteit ongeacht het wegdekof de grip van de banden. Het voor‐
komt ook dat de aangedreven wielen
doorslaan.
Zodra de auto dreigt uit te breken (on‐
derstuur/overstuur) wordt het motor‐
vermogen verminderd en worden de
wielen afzonderlijk afgeremd. Daar‐
door wordt de rijstabiliteit van de auto
op een glad wegdek aanmerkelijk
verbeterd.
Het ESP is gebruiksklaar zodra con‐
trolelamp x dooft.
Wanneer ESP ingrijpt, gaat controle‐
lampje x knipperen.
Het ESP-systeem wordt bij het star‐
ten van de auto automatisch geacti‐
veerd en kan niet worden gedeacti‐
veerd9 Waarschuwing
Laat u door dit speciale veilig‐
heidssysteem niet verleiden tot
een roekeloze rijstijl.
Snelheid aan de staat van het
wegdek aanpassen.
Page 116 of 185

114Rijden en bediening
Storing
Bij een storing wordt het ESP auto‐
matisch uitgeschakeld en brandt con‐
trolelamp x op de instrumenten‐
groep in combinatie met een bericht
op het Driver Information Center
3 78. De LED in de knop ASR OFF
brandt ook.
Oorzaak van de storing onmiddellijk
door een werkplaats laten verhelpen.
Controlelamp x 3 75.Cruise control
De cruise control kan snelheden van
meer dan ongeveer 30 km/u opslaan
en handhaven. Bij het op- en afrijden
van hellingen zijn afwijkingen van de
opgeslagen snelheid mogelijk.
De cruise control niet inschakelen
wanneer het aanhouden van een constante snelheid onverstandig is.
Controlelamp m 3 78.
Inschakelen
Draai het uiteinde van hendel in de
stand ON, controlelamp m brandt op
de instrumentengroep in combinatie
met een bericht op het Driver Infor‐
mation Center.
Inschakelen Accelereer tot de gewenste snelheiden duw de hendel omhoog ( +): de hui‐
dige snelheid wordt opgeslagen en
vastgehouden. U kunt het gaspedaal
loslaten.
Het is mogelijk te versnellen door gas
te geven. Na het loslaten van het gas‐ pedaal wordt opnieuw de opgeslagen
snelheid aangehouden.
De cruise control blijft ingeschakeld
tijdens het schakelen.
Snelheid verhogen
Duw de hendel na het activeren van
de cruise control omhoog ( +) of duw
de hendel meerdere malen kort om‐
hoog ( +): de snelheid neemt voortdu‐
rend of in kleine stapjes toe.
Page 117 of 185

Rijden en bediening115
U kunt ook tot de gewenste snelheid
accelereren en deze opslaan door de hendel omhoog ( +) te duwen.
Snelheid verlagen
Duw de hendel na het activeren van
de cruise control omlaag ( -) of duw de
hendel meerdere malen kort omlaag
( -): de snelheid neemt voortdurend of
in kleine stapjes af.
Uitschakelen Automatisch uitschakelen:
■ de rijsnelheid is lager dan ca. 30 km/u,
■ als het rempedaal wordt bediend,
■ als het koppelingspedaal wordt be‐
diend,
■ het Traction Control-systeem/de anti-slipregelaar (ASR) of het elek‐
tronisch stabiliteitsprogramma
(ESP) werkt.
Opgeslagen snelheid hervatten
Knop = bij een snelheid van meer dan
30 km/u indrukken. De opgeslagen
snelheid wordt nu overgenomen.Uitschakelen
Draai het uiteinde van de hendel in de stand OFF; controlelampje m dooft.
De opslagen snelheid wordt gewist. Bij het uitschakelen van het contact
wordt ook de opgeslagen snelheid
gewist.Obstakeldetectiesyste‐
men
Parkeerhulp
De parkeerhulp meet de afstand tus‐
sen uw auto en eventuele obstakels,
wat het parkeren vergemakkelijkt, en
geeft geluidssignalen. De bestuurder
is en blijft echter verantwoordelijk bij
het parkeren.
Het systeem bestaat uit vier ultrasone
parkeersensoren in de achterbum‐
per.
Controlelamp r 3 74.
Page 123 of 185

Rijden en bediening121
DuitsErdgasEngelsCNG = Compressed
Natural GasFransGNV = Gaz Naturel (pour)
Véhicules - of -
CGN = carburantgaz
naturelItaliaansMetano (per auto)
Tankdop
Gebruik uitsluitend originele tankdop‐pen. Auto's met een dieselmotor heb‐
ben een speciale tankdop.
Brandstofblokkeersysteem
Bij een in zekere mate ernstige bot‐
sing wordt omwille van de veiligheid
het brandstofsysteem geblokkeerd
en wordt de motor automatisch uitge‐ schakeld.
Brandstofblokkeersysteem terugzet‐
ten: zie "Berichten brandstofsysteem"
3 85.
Brandstofverbruik - CO
2-
uitstoot
Het brandstofverbruik (gecombi‐
neerd) van de Opel Combo ligt binnen een bereik van 7,7 tot 4,8 l/100 km.
De CO 2-emissie (gecombineerd) ligt
binnen een bereik van 179 tot 126
g/km.
Raadpleeg voor de waarden die spe‐ cifiek voor uw voertuig gelden het
'EEC Certificate of Conformity' dat bij uw voertuig werd geleverd of de an‐
dere nationale autopapieren.
Algemene informatie De opgegeven getallen voor het offi‐
ciële brandstofverbruik en specifieke
CO 2-emissie hebben betrekking op
het EU-basismodel met standaard
uitrusting.
Brandstofverbruikgegevens en CO 2-
emissiegegevens worden bepaald
volgens verordening R (EG) nr.
715/2007 (in de respectievelijke, van
toepassing zijnde versie), waarbij re‐
kening wordt gehouden met het ge‐wicht van de auto in bedrijfstoestand, zoals voorgeschreven door de veror‐
dening.
De getallen worden alleen gegeven
ter vergelijking tussen verschillende
varianten van de auto's en mogen niet als garantie worden opgevat voor het
werkelijke brandstofverbruik van een
bepaalde auto.
Extra uitrusting kan enigszins hogere
resultaten tot gevolg hebben dan de
vermelde getallen voor brandstofver‐
bruik en CO 2. Het brandstofverbruik
hangt bovendien af van de persoon‐
lijke rijstijl, de staat van het wegdek en de verkeersomstandigheden.
Aardgas
De brandstofverbruikswaarden wer‐ den verkregen bij gebruik van de re‐
ferentiebrandstof G20 (methaange‐
halte 99 - 100 mol%) onder de voor‐
geschreven rijomstandigheden. Bij
het rijden op aardgas met een lager
methaangehalte kan het brandstofge‐
bruik van de aangegeven waarden af‐ wijken.
Page 124 of 185

122Rijden en bedieningTrekken
Algemene informatie Alleen trekhaken gebruiken die voor
uw auto zijn goedgekeurd. Voor au‐
to's die op aardgas rijden is er wellicht speciale sleepapparatuur nodig.
Het achteraf monteren van een trek‐
haak door een werkplaats laten uit‐
voeren. Zo nodig wijzigingen in de
auto aanbrengen, zoals in het koel‐
systeem, de hitteschilden of andere uitrusting.
Door montage van een trekhaak
wordt de opening voor het sleepoog
mogelijk afgedekt. Maak in dat geval
gebruik van een kogelstang. Houd de
kogelstang altijd in de auto.
Rijgedrag en
aanhangertips Alvorens een aanhangwagen aan te
koppelen, de kogel van de trekhaak
smeren. Bij gebruik van een trillings‐ demper die slingerbewegingendempt en op de koppelingskogel in‐
werkt, mag de kogel niet worden ge‐
smeerd.
Wanneer u een instabiele aanhanger of een caravan met een max. toelaat‐
baar totaalgewicht van meer dan
1300 kg trekt, is het uiterst raadzaam
een stabilisator te gebruiken wanneer u sneller rijdt dan 80 km/u.
Als de aanhanger begint te slingeren,
langzamer gaan rijden, niet tegenstu‐
ren en zo nodig krachtig remmen.
Bergafwaarts dezelfde versnelling in‐ schakelen als bergopwaarts en onge‐veer dezelfde snelheid aanhouden.
Bandenspanning instellen op de
waarde voor maximale belading
3 172.
Aanhanger trekken
Trekgewicht Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht hangt af van de auto en de mo‐
tor en mag niet worden overschre‐
den. Het werkelijke trekgewicht is het verschilt tussen het werkelijke totaal‐gewicht van de aanhanger en het
werkelijke kogelgewicht in aangekop‐
pelde toestand.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht staat in de autopapieren ver‐
meld. Dit geldt over het algemeen
voor hellingspercentages tot
max. 12 %.
Het maximaal toelaatbare trekge‐
wicht geldt tot aan het aangegeven
hellingspercentage en tot een hoogte van 1000 meter boven de zeespiegel.
Omdat het motorvermogen bij toene‐
mende hoogte door de lagere lucht‐
dichtheid daalt en het klimvermogen
daardoor afneemt, moet het maxi‐
maal toelaatbare treingewicht voor ie‐ dere 1000 meter aan hoogtetoename
met 10 % worden verminderd. Bij het
rijden op wegen met een gering hel‐
lingspercentage (kleiner dan 8 %,
bijv. snelwegen) hoeft het maximaal
toelaatbare treingewicht niet te wor‐
den verminderd.
Page 156 of 185

154Verzorging van de auto
Bij een bezoek aan een wasstraat, deaanwijzingen van de exploitant opvol‐
gen. De voorruitwisser en achterruit‐ wisser moeten worden uitgescha‐
keld. Antenne en accessoires op de buitenkant van de auto zoals een dak‐ dragersysteem verwijderen.
Bij handmatig wassen erop letten dat
ook de binnenkant van de wielkasten grondig schoongespoten wordt.
Randen en naden van geopende por‐
tieren, achterklep en motorkap en de gebieden die erdoor bedekt worden
reinigen.Voorzichtig
Gebruik altijd een reinigingsmid‐
del met een pH-waarde van 4 tot 9.
Gebruik reinigingsmiddelen niet
op warme oppervlakken.
Laat alle portierscharnieren door een
werkplaats smeren.
Reinig de motorruimte niet met een
stoomcleaner of hogedrukreiniger.
Daarna de auto grondig afspoelen en afzemen. Zeemlap vaak uitspoelen.
Voor de carrosserie en de ruiten ver‐
schillende zeemlappen gebruiken:
wasresten op de ruiten belemmeren
het zicht.
Teervlekken niet met harde voorwer‐
pen verwijderen. Op gelakte opper‐
vlakken een spray voor het verwijde‐
ren van teervlekken gebruiken.
Buitenverlichting De afdekking van de koplampen en
de overige verlichting zijn gemaakt
van kunststof. Geen schurende, bij‐ tende of agressieve middelen of ijs‐
krabbers gebruiken en ze niet droog reinigen.
Polijsten en in de was zetten De auto regelmatig met was conser‐
veren (uiterlijk wanneer het water
geen parels meer vormt). Zo niet,
droogt de lak uit.
Polijsten is alleen nodig als de laklaag mat geworden is of aanslag vertoont.Autopolish met siliconen vormt een
vuilwerende laag, waardoor in de was
zetten overbodig is.
Kunststof carrosseriedelen mogen niet met autowas of polijstmiddelen
worden behandeld.
Ruiten en ruitenwisserbladen
Een zachte, pluisvrije doek of een
zeemleer en een ruitenreiniger en in‐
sectenverwijderaar gebruiken.
Wrijf bij het reinigen van de achterruit van de binnenkant altijd parallel aan
het verwarmingselement om schade
te voorkomen.
Om handmatig ijs te verwijderen, een ijskrabber met een scherpe rand ge‐
bruiken. IJskrabber stevig tegen de
ruit drukken, zodat er geen vuil onder de krabber kan komen en er geen
krassen op de ruit worden gemaakt.
Wisserbladen die strepen trekken,
met een zachte doek en een ruiten‐
reiniger reinigen.
Page 167 of 185

Technische gegevens165Prestaties
De aangegeven topsnelheid is bereikbaar bij rijklaargewicht (zonder bestuurder) en een nuttige last van 200 kg. Bij extra
accessoires kan de gespecificeerde topsnelheid van de auto afnemen.Motor1.4i1.4Turbo1.4CNGTopsnelheid [km/u]Handgeschakelde versnellingsbak161172172Geautomatiseerde versnellingsbak–––Motor1.3CDTI1.6CDTI 3)2.0CDTITopsnelheid [km/u]Handgeschakelde versnellingsbak158 / 153 5)164 / 1584)
/ 153 5)179Geautomatiseerde versnellingsbak– / –– / 158 4)
/ 153 5)–3)
Laag / hoog vermogen.
5) Versie met hoog dak.
4) Versie met laag dak.
Page 181 of 185

179
Belading........................................ 55
Beladingsinformatie .....................60
Berichten brandstofsysteem .........85
Beslagen lampglazen ..................91
Beveiliging van de auto ................26
Binnenspiegels ............................. 28
Binnenverlichting .................92, 136
Bolle vorm .................................... 27
Boordgereedschap .....................141
Brandstof .................................... 117
Brandstofblokkeersysteem ...85, 102
Brandstoffilter aftappen ...............77
Brandstofkeuzeschakelaar ..........69
Brandstofmeter ............................ 68
Brandstofverbruik .........................78
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot 121
Brandstof voor benzinemotoren 117
Brandstof voor dieselmotoren ...118
Brandstof voor het rijden op aardgas .................................. 118
Buitenspiegels .............................. 27
Buitentemperatuur .......................63
Buitenverlichting ........................... 88
C
Car Pass ...................................... 19
Centrale vergrendeling ................20
Claxon ................................... 13, 62
Contactslotstanden ....................101
Controlelampen ......................67, 70Controle over de auto ................100
Controles .................................... 125
Cruise control ...................... 78, 114
D Dagrijlicht ................................ 78, 89
Dagteller ...................................... 67
Dakbelasting ................................. 60
Dakconsole .................................. 54
Dakdrager .................................... 59
Dakdragers ................................... 60
Datum ........................................... 78
Derde remlicht ........................... 134
Dimlicht of grootlicht .....................88
Driepuntsgordel ........................... 39
Driver Information Center .............78
E Ecomodus (E) ............................. 110
Elektrisch bediende ruiten ...........28
Elektrische aansluitingen .............65
Elektrische verstelling ..................27
Elektrisch systeem...................... 137
Elektronische rijprogramma's ....110
Elektronisch klimaatregelsysteem 96
Elektronisch stabiliteitspro‐ gramma (ESP) .................75, 113
ESP (elektronisch stabiliteits‐ programma)............................. 113
Event Data Recorders (EDR) .....175F
Frontaal airbagsysteem ...............45
G
Geautomatiseerde versnellingsbak ......................107
Gebruik van deze handleiding .......3
Geluidssignaal .............................. 78
Geluidssignaal gordelverklikker ....78
Geluidssignaal maximumsnelheid 78
Geluidssignalen ........................... 84
Generieke waarschuwing .............72
Gereedschap ............................. 141
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gloeilamp vervangen ................131
Gordels ......................................... 38
Gordelverklikker ........................... 72
Grootlicht ............................... 78, 88
H Halogeenkoplampen .................131
Handbediende ruiten ...................28
Handgeschakelde modus ..........109
Handgeschakelde versnellingsbak ......................106
Handmatige dimfunctie ................28
Handmatig verstellen ...................27
Handrem ..................................... 111
Handschoenenkastje ...................54