alarm OPEL KARL 2017 Gebruikershandleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: OPEL, Model Year: 2017, Model line: KARL, Model: OPEL KARL 2017Pages: 207, PDF Size: 5.31 MB
Page 87 of 207

Instrumenten en bedieningsorganen85selecteren. Druk op BACK om een
menu te sluiten of terug te gaan naar de vorige pagina.
Selecteer Indstillinger (Settings) ,
blader door de lijst en selecteer Voer‐
tuiginstellingen (Vehicle Settings)
In de bijbehorende submenu's kunt u
de volgende instellingen veranderen:
Voertuiginstellingen (Vehicle
Settings)
● Aanrijdings-/detectiesysteem
Parkeerhulp : Activeert of deacti‐
veert de ultrasoonparkeerhulp.
● Comfortinstellingen
Volume geluidssignaal : Wijzigt
het volume van geluidssignalen.
Aanpassing door bestuurder :
Activeert of deactiveert persoon‐
lijke instellingen.
Autom. wissen achter in
achteruit : Activeert of deactiveert
automatische inschakeling
achterruitwisser bij inschakelen
achteruitversnelling.
● Talen (Languages) : Blader door
de lijst en selecteer de gewenste taal.
● Verlichting
Buitenverlichting bij ontgr. : Acti‐
veert of deactiveert de instapver‐ lichting.
Uitstapverlichting : Activeert of
deactiveert de uitstapverlichting
en wijzigt de verlichtingsduur.
● Elektrische portiervergrendeling
Open portier niet vergrendelen :
Activeert of deactiveert de
portiervergrendelingsfunctie
wanneer een portier openstaat.Vertraagde deurvergrendeling :
Activeert of deactiveert de
vertraagde portiervergrende‐
lingsfunctie. Deze functie
vertraagt het werkelijke vergren‐
delen van de portieren tot alle portieren gesloten zijn.
● Vergrendelen, ontgrendelen en
starten op afstand
Feedb ontgr. op afstand : Acti‐
veert of deactiveert het alarm‐ knipperlichtsignaal bij het
ontgrendelen.
Feedb. vergr. op afstand : Wijzigt
het type terugmelding bij het
vergrendelen van de auto.
Portierontgr. op afstand : Wijzigt
de configuratie om alleen het
bestuurdersportier of de hele
auto te ontgrendelen.
Autom. portiervergrendeling :
Activeert of deactiveert de auto‐
matische hervergrendeling na
het ontgrendelen zonder de auto
te openen.
● Fabrieksinstellingen herstellen :
Page 89 of 207

Instrumenten en bedieningsorganen87Deze functie vertraagt het werke‐lijke vergrendelen van de portie‐
ren tot alle portieren gesloten
zijn.
● Vergrendelen, ontgrendelen,
starten op afstand
Op afst. ontgrendelen lamp
feedback : Activeert of deacti‐
veert het alarmknipperlichtsig‐
naal bij het ontgrendelen.
Portierontgrendeling op afstand :
Wijzigt de configuratie om alleen
het bestuurdersportier of de hele
auto te ontgrendelen.
Opn. vergrendelen op afst. vergr. deuren : Activeert of deactiveert
de automatische hervergrende‐
ling na het ontgrendelen zonder
de auto te openen.Telematicaservice
OnStar
OnStar is een persoonlijke connecti‐
viteits- en servicehulp met een geïn‐
tegreerde Wi-Fi Hotspot. De OnStar-
service is 24 uur per dag, 7 dagen per
week beschikbaar.
Let op
OnStar is niet op alle markten
verkrijgbaar. Neem contact op met
uw werkplaats voor meer informatie.
Let op
Om OnStar beschikbaar en bedrijfs‐
gereed te kunnen laten zijn, hebt u
een geldig OnStar-abonnement,
een werkend elektrisch systeem van de auto, mobiele service en een
GPS-satellietverbinding nodig.
U activeert de OnStar-services en
stelt een account in door op Z te druk‐
ken en met een adviseur te spreken.Afhankelijk van de uitrusting in de
auto, zijn de volgende services
beschikbaar:
● Noodhulpdiensten en ondersteu‐
ning bij pech onderweg
● Wi-Fi Hotspot
● Smartphone app
● Bediening op afstand, d.w.z. locatie van de auto, inschakeling
van claxon en lichten, aansturing van centrale vergrendeling
● Hulp bij gestolen voertuig
● Voertuigdiagnose
● Bestemming downloaden
Let op
Na tien dagen zonder een contact‐
cyclus wordt de OnStar-module van
de auto uitgeschakeld. Functies
waarvoor een dataverbinding vereist is, zijn na het inschakelen van het
contact weer beschikbaar.
Page 91 of 207

Instrumenten en bedieningsorganen89Een mobiel toestel met de Wi-Fi
Hotspot verbinden:
1. Druk op j en selecteer vervol‐
gens de WiFi-instellingen in het
Info-Display. De getoonde instel‐
lingen zijn onder andere de naam van de Wi-Fi Hotspot (SSID), het
wachtwoord en het verbindings‐
type.
2. Start een Wi-Fi-netwerkzoekop‐ dracht via uw mobiele apparaat.
3. Selecteer de hotspot van uw auto
(SSID) wanneer deze wordt
aangegeven.
4. Voer uw wachtwoord in, wanneer u daarom wordt gevraagd.
Let op
Druk op Z en spreek met een advi‐
seur of log in bij uw account als u de SSID of het wachtwoord wilt wijzi‐
gen.
U kunt de functie Wi-Fi Hotspot
uitschakelen door op Z te drukken en
een adviseur te spreken.Smartphone-app
Met de myOpel smartphone app kunt
u bepaalde autofuncties extern bedie‐
nen.
De volgende functies zijn beschik‐
baar:
● Auto vergrendelen of ontgrende‐ len.
● Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.
● Brandstofpeil, resterende levensduur motorolie en banden‐
spanning (alleen met het
bandenspanningscontrolesys‐
teem) controleren.
● Navigatiebestemming naar het apparaat sturen als er een inge‐bouwd navigatiesysteem is.
● Auto op een map lokaliseren.
● Wi-Fi-instellingen beheren.
Download voor het bedienen van
deze functie de app van App Store ®
of Google Play™ Store.
Afstandsbediening
U kunt, indien gewenst, iedere wille‐
keurige telefoon gebruiken om een
adviseur te bellen. Deze kan danvanaf zijn locatie specifieke autofunc‐
ties aansturen. U vindt het betref‐
fende OnStar-telefoonnummer op de landspecifieke website.
De volgende functies zijn beschik‐
baar:
● Auto vergrendelen of ontgrende‐ len.
● Informatie over de voertuigloca‐ tie doorgeven.
● Claxonneren of lichten laten knip‐
peren.
Hulp bij gestolen voertuig
Geef als de auto gestolen is de dief‐
stal door aan de autoriteiten en vraag hulp van de OnStar-service Hulp bij
gestolen voertuig. Neem telefonisch
contact op met een adviseur. U vindt
het betreffende OnStar-telefoonnum‐
mer op de landspecifieke website.
OnStar kan u helpen bij het zoeken
naar en bergen van de auto.Diefstalalarm
Als het diefstalalarmsysteem is geac‐ tiveerd, wordt er een bericht naarOnStar gestuurd. U ontvangt hierover
een sms of e-mail.
Page 94 of 207

92VerlichtingVerlichtingRijverlichting................................ 92
Lichtschakelaar ......................... 92
Grootlicht ................................... 92
Lichtsignaal ............................... 92
Koplampverstelling ....................93
Koplampinstelling in het buitenland ................................. 93
Dagrijlicht ................................... 93
Bochtverlichting ......................... 93
Alarmknipperlichten ...................93
Richtingaanwijzers ....................94
Mistlampen voor ........................94
Mistachterlicht ........................... 94
Parkeerlichten ........................... 95
Achteruitrijlichten .......................95
Beslagen lampglazen ................95
Binnenverlichting .........................95
Regelbare instrumentenverlichting ...........95
Leeslampen ............................... 96
Verlichtingsfuncties ......................96
Uitstapverlichting .......................96
Ontlaadbeveiliging accu ............97Rijverlichting
Lichtschakelaar
Lichtschakelaar draaien:
7:verlichting uit8:zijmarkeringslichten9:dimlicht of grootlicht
Controlelampje 8 3 74.
Achterlichten De achterlichten branden tegelijk met
de koplampen en zijmarkeringslich‐
ten.
Grootlicht
Om van dimlicht naar grootlicht om te
schakelen, duwt u tegen de hendel.
Om het dimlicht in te schakelen, duwt
u nogmaals tegen de hendel of u trekt eraan.
Lichtsignaal
Lichtsignaal activeren door de hendel naar u toe te trekken.
Page 95 of 207

Verlichting93KoplampverstellingHandmatige koplampverstelling
U kunt de lichtbundelhoogte aanpas‐
sen aan de belading om verblinding
te voorkomen: draai het kartelwiel‐
tje ? in de gewenste stand.
0:zitplaatsen voorin bezet1:alle zitplaatsen bezet2:alle zitplaatsen bezet en bagage
in de bagageruimte3:bestuurdersstoel bezet en
bagage in de bagageruimteKoplampinstelling in het
buitenland
De koplampen zijn al gericht en hoeven niet verder te worden bijge‐
steld. Als wordt gereden in landen
met verkeer dat de andere rijbaan
aanhoudt, hoeft u de koplampen niet
af te stellen.
Dagrijlicht
Het dagrijlicht maakt de auto overdag
beter zichtbaar.
Deze gaat bij het inschakelen van het
contact automatisch branden.
Bochtverlichting
In scherpe bochten of bij het afslaan,
afhankelijk van de stuurhoek of de
richtingaanwijzer, wordt een extra
lamp links of rechts bijgeschakeld, die
de weg in de rijrichting verlicht. Wordt geactiveerd tot een snelheid van
40 km/u.
Alarmknipperlichten
Om in te schakelen ¨
indrukken.
De alarmknipperlichten worden auto‐
matisch ingeschakeld wanneer de
airbags bij een ongeval in werking
treden.
Page 116 of 207

114Rijden en bedieningAls een elektrische accessoire, bvb.
een draagbare CD-speler op de stek‐
kerdoos is aangesloten, merkt u
mogelijk een korte terugval tijdens het herstarten.
Parkeren9 Waarschuwing
● Parkeer de auto niet op een
licht ontvlambaar oppervlak.
Door de hoge temperatuur van
het uitlaatsysteem kan het
oppervlak ontbranden.
● Trek altijd de handrem aan. Trek de handrem aan zonder
op de ontgrendelingsknop te
drukken. Op een aflopende of
oplopende helling zo stevig
mogelijk. Trap tegelijkertijd het rempedaal in om minder kracht
nodig te hebben.
● Zet de motor af.
● Schakel als de auto op een vlakke ondergrond of een oplo‐
pende helling staat de eerste
versnelling in voordat u de
contactsleutel lostrekt. Op een
oplopende helling bovendien de voorwielen van de stoep‐
rand wegdraaien.
Schakel als de auto op een
aflopende helling staat de
achteruitversnelling in voordat
u de contactsleutel lostrekt.
Bovendien de voorwielen naar
de stoeprand toedraaien.
● Sluit de ramen en het schuif‐ dak.
● Trek de contactsleutel uit het contactslot. Stuurwiel
verdraaien totdat het stuurslot
merkbaar vergrendelt.
Voor auto's met geautomati‐
seerde versnellingsbak kan de
sleutel alleen uit het contactslot
worden verwijderd wanneer de
handrem is aangetrokken.
● Vergrendel de auto.
● Diefstalalarmsysteem inschake‐ len.
● Koelventilatoren kunnen ook na het afzetten van de motor in
werking treden 3 139.
Voorzichtig
Na een rit waarbij met hoge motor‐
toerentallen of met hoge motorbe‐
lasting werd gereden, de motor
vóór het afzetten gedurende een
korte tijd met lage belasting laten
draaien of gedurende ca.
30 seconden stationair laten
draaien om de turbolader te
beschermen.
Let op
Bij een ongeval waarbij airbags
worden geactiveerd, wordt de motor automatisch uitgeschakeld als de
auto binnen een bepaalde tijd tot stil‐
stand komt.
Page 140 of 207

138Verzorging van de autoAlgemene informatieAccessoires en modificatiesvan auto
Het wordt geadviseerd alleen gebruik te maken van originele onderdelen,
accessoires en andere uitdrukkelijk
door de fabriek voor uw autotype
goedgekeurde onderdelen. Voor
andere onderdelen kunnen wij – ook
als deze door autoriteiten of anders‐
zins zijn goedgekeurd – niet beoorde‐ len of deze betrouwbaar zijn en er
evenmin garant voor staan.
Bij eventuele aanpassingen, omzet‐
tingen of andere wijzigingen in de
standaard voertuigspecificaties
(waaronder, zonder beperkingen,
softwarematige aanpassingen,
aanpassingen in de elektronische
regeleenheden) wordt de door Opel
geboden garantie mogelijk ongeldig.
Bovendien kunnen dergelijke wijzi‐
gingen het brandstofverbruik, de
CO 2-uitstoot en andere uitstoot van
de auto nadelig beïnvloeden waar‐
door deze mogelijk niet meer voldoetaan de typegoedkeuring en de geldig‐
heid van uw kentekenbewijs in het
geding kan komen.Voorzichtig
Wanneer het voertuig getranspor‐
teerd wordt op een trein of een
takelwagen kunnen de spatlappen beschadigd worden.
Auto stallen
Langdurig stallen Wanneer u de auto meerdere maan‐
den moet stallen:
● Auto wassen en conserveren.
● Conservering van motorruimte en bodemplaat laten controleren.
● Afdichtrubbers reinigen en conserveren.
● Brandstoftank volledig vullen.
● Motorolie verversen.
● Sproeiervloeistofreservoir leeg‐ maken.
● Vorst- en corrosiebestendigheid koelvloeistof controleren.
● Bandenspanning instellen op dewaarde voor maximale belading.
● Auto in een droge en goed geventileerde ruimte parkeren.Eerste versnelling of achteruit‐
versnelling inschakelen. Voorko‐
men dat de auto kan gaan rollen.
● Handrem niet aantrekken.
● Motorkap openen, alle portieren sluiten en auto vergrendelen.
● Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat
geen van de systemen werkt,
waaronder het diefstalalarmsys‐
teem.
Weer in gebruik nemen Wanneer u de auto weer in gebruik
neemt:
● Poolklem op de minpool van de accu aansluiten. Elektronica voor
de elektrische ruitbediening
inschakelen.
● Bandenspanning controleren.
● Sproeiervloeistofreservoir vullen.
● Motoroliepeil controleren.
Page 145 of 207

Verzorging van de auto143
De remvloeistof moet tussen de
merktekens MIN en MAX staan.
Roep de hulp in van een werkplaats
als het vloeistofpeil lager dan MIN is.
Rem- en koppelingsvloeistof 3 178.
Accu
De accu van de auto is onderhouds‐
vrij mits uw rijstijl zodanig is dat de accu voldoende wordt opgeladen. Bij
korte ritten en veelvuldig starten kan
de accu ontladen raken. Vermijd het
gebruik van onnodige elektrische
verbruikers.
Batterijen horen niet in het huisvuil
thuis. Ze moeten via speciale inza‐
melpunten gerecycled worden.
Wanneer de auto meer dan vier
weken achtereen stilstaat, kan de
accu ontladen raken. Poolklem van
de minpool van de accu loskoppelen.
Accu van de auto alleen bij uitgescha‐
keld contact aansluiten en loskoppe‐
len.
Ontlaadbeveiliging van accu 3 97.
De accu ontkoppelen
Als de boordaccu moet worden losge‐
koppeld (bijv. voor onderhoudswerk‐
zaamheden), moet de alarmsirene
als volgt worden gedeactiveerd:
Schakel het contact in en uit en
ontkoppel de boordaccu binnen
15 seconden.
Accu vervangen
Let op
Elke afwijking van de in dit hoofdstuk gegeven instructies kan leiden tot
een tijdelijke uitschakeling van het
stop- startsysteem.
Let er bij het vervangen van de accu
op dat er bij de pluspool geen lucht‐
roosters open zijn. Als er in dit gebied een ventilatieopening open is, moet
deze met een afdekkap worden afge‐
sloten en moet de ventilatie bij de
minpool worden geopend.
Vervang bij auto's met een AGM-accu
(Absorptive Glass Mat) de accu door
een andere AGM-accu.
Wij bevelen het gebruik aan van een
originele Opel-accu.
Let op
Als u een andere AGM-accu
gebruikt dan de originele Opel accu,
kunnen slechtere prestaties het
gevolg zijn.
Het wordt geadviseerd de accu door
een werkplaats te laten vervangen.
Page 202 of 207

200TrefwoordenlijstAAanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen ..............178, 183
Aanduidingen op banden ..........157
Aansteker .................................... 63
Accessoires en modificaties van auto ........................................ 138
Accu ........................................... 143
Achterdeuren ............................... 24
Achterlichten .............................. 148
Achterruitverwarming ................... 31
Achteruitrijlichten .........................95
Afmetingen auto ........................189
Airbag deactiveren ....................... 44 Airbag-deactivering ...................... 70
Airbag en gordelspanners ...........70
Airbaglabel.................................... 39
Airbagsysteem ............................. 39
Airconditioning ............................. 99
Airconditioning regelmatig aanzetten ............................... 106
Alarmknipperlichten .....................93
Algemene richtlijnen voor het rijden ....................................... 108
Antiblokkeersysteem .................119
Antiblokkeersysteem (ABS) .........72
Asbakken ..................................... 63
Autogegevens ............................ 183
Auto ontgrendelen .........................6
Auto slepen ................................ 173Auto stallen ................................. 138
Autostop ..................................... 111
B Bagageruimte ........................ 24, 52
Bagageruimte-afdekking .............54
Bandenreparatieset ...................164
Bandenspanning .......................157
Bandenspanningscontrolesys‐ teem .................................. 73, 159
Bandenspanningswaarden ........191
Batterijspanning ........................... 84
Bedieningsorganen ......................59
Bekerhouders .............................. 51
Bekleding .................................... 176
Beladingsinformatie .....................56
Beslagen lampglazen ..................95
Bestuurdersondersteuningssys‐ temen ...................................... 124
Binnenspiegels ............................. 28
Binnenverlichting .................96, 151
Bochtverlichting ............................ 93
Boordgereedschap .....................156
Boordinformatie ........................... 82
Brandstof .................................... 130
Brandstofkeuzeschakelaar ..........65
Brandstofmeter ............................ 65
Brandstofverbruik - CO 2-uitstoot. 136
Brandstof voor benzinemotoren 130
Brandstof voor rijden op LPG .....130
Page 203 of 207

201Buitenspiegels.............................. 27
Buitentemperatuur .......................61
C Centrale vergrendeling ................21
Claxon ................................... 13, 60
Code ............................................. 82
Conformiteitsverklaring ...............192
Contactslotstanden ....................109
Controlelampen ............................ 64
Controlelampjes............................ 67
Controle over de auto ................108
Controles .................................... 139
Cruise control ...................... 75, 124
D Dagrijlicht ..................................... 93
Dagteller ...................................... 64
Dak ............................................... 31
Dakbelasting ................................. 56
Derde remlicht ........................... 150
Diefstalalarmsysteem ..................26
Dimlicht of grootlicht .....................92
Driepuntsgordel ........................... 38
Driver Information Center .............75
E Eerste hulp ................................... 56
Elektrisch bediende ruiten ...........29
Elektrische aansluitingen .............63
Elektrische verstelling ..................27Elektrisch systeem...................... 151
Elektronische rijprogramma's ....119
Elektronische stabiliteitsregeling en Traction Control-systeem .....73
Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) ...................................... 122
Elektronische stabiliteitsregeling UIT ...............72
Elektronisch klimaatregelsysteem ..............101
Erkenning van software ..............194
Event Data Recorders (EDR) .....198
F
Frontaal airbagsysteem ...............42
G
Geautomatiseerde versnellingsbak .......................116
Gebruik van deze handleiding .......3
Gedeponeerde handelsmerken ..197
Geluidssignalen ........................... 83
Gereedschap ............................. 156
Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig ................................. 4
Gevarendriehoek .........................55
Gloeilamp vervangen ................145
Gordels ......................................... 37
Gordelverklikker ........................... 70
Gordijnairbagsysteem .................. 44
Grootlicht ............................... 74, 92H
Halogeenkoplampen .................145
Handbediende ruiten ...................29
Handgeschakelde modus ..........118
Handgeschakelde versnellingsbak ......................115
Handmatige dimfunctie ................28
Handmatig verstellen ...................27
Handrem ............................. 119, 120
Handschoenenkastje ...................51
Handzender ................................. 20
Hellingrem ................................. 120
Hoofdsteunen .............................. 33
Hoofdsteunverstelling ....................8
I
Inbouwposities kinderveilig‐ heidssystemen ......................... 47
Info-Display................................... 80
Info-Displays ................................. 75
Inhouden ................................... 190
Inklapbare spiegels .....................27
Inleiding ......................................... 3
Instrumentengroep ......................64
Instrumentenverlichting .............151
Interieurverlichting ........................95
ISOFIX- kinderveiligheidssystemen ........50