alarm Peugeot 308 2014 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2014, Model line: 308, Model: Peugeot 308 2014Pages: 400, PDF Size: 10.15 MB
Page 58 of 400

56
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Vergrendelen
Druk, als de sleutel zich binnen het detectiegebied A bevindt, met een van uw vingers op een van de voorportiergrepen (bij de merktekens) om de auto te vergrendelen. Houd uw vinger op de portiergreep tot de ruiten volledig gesloten zijn.
Het vergrendelen wordt bevestigd door het gedurende enkele seconden branden van de richtingaanwijzers. Afhankelijk van de uitvoering worden de buitenspiegels ingeklapt en wordt het inbraakalarm ingeschakeld.
Let erop dat niemand het correcte sluiten van de ruiten in de weg staat.
Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruit niet kunnen bezeren.
Omwille van de veiligheid en ter voorkoming van diefstal: laat nooit de elektronische sleutel in de auto achter, ook niet wanneer u in de buurt bent.
Het is raadzaam de sleutel bij u te houden, bijvoorbeeld in uw kleding of tas. Als een portier of de achterklep niet goed is gesloten, zal met draaiende motor of als de motor of als de motorauto sneller dan 10 km/h rijdt gedurende enkele seconden een melding worden weergegeven.
Druk, als de sleutel zich in de detectiezone A bevindt, op de vergrendelingsknop van de achterklep om de auto te vergrendelen.
Page 63 of 400

61
2
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Noodsleutel
Openen/sluiten met de
geïntegreerde sleutel van het
Keyless entry and start-systeem
Met de geïntegreerde sleutel kan de auto vergrendeld en ontgrendeld worden als de elektronische sleutel niet werkt: - lege batterij, accu ontladen of losgekoppeld, ... - auto bevindt zich in een omgeving met veel elektromagnetische straling. Trek aan de knop 1 en wacht tot de geïntegreerde sleutel 2 naar buiten komt.
Vergrendelen van het bestuurdersportier
Steek de geïntegreerde sleutel in het portierslot en draai deze rechtsom.
Ontgrendelen van het bestuurdersportier
Steek de geïntegreerde sleutel in het portierslot en draai deze linksom.
Vergrendelen van het portier aan passagierszijde
Open de portieren. Controleer of de kinderbeveiliging van de achterportieren niet geactiveerd is (zie de rubriek "Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen"). Steek de geïntegreerde sleutel in het
slot op de zijkant van het portier en draai de sleutel een achtste omwenteling rechtsom (achterportier rechts) of linksom (achterportier links). Sluit de portieren en controleer van buitenaf of de auto goed is vergrendeld.
Ontgrendelen van het portier aan
passagierszijde
Trek aan de portiergreep aan de binnenzijde.
Als het inbraakalarm is geactiveerd, zal het geluidssignaal dat klinkt bij het met de sleutel (geïntegreerd in de afstandsbediening) openen van een portier, bij het aanzetten van het contact stoppen.
Page 67 of 400

65
2
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak en diefstal. Het systeem bestaat uit de volgende typen beveiliging:
Alarm
Omtrekbeveiliging
Dit systeem houdt de te openen carrosseriedelen van de auto in de gaten. Het alarm gaat af als iemand een portier, de achterklep of de motorkap probeert te openen.
Automatische beveiligingsfunctie
Dit systeem treedt in werking als iemand probeert het alarm te saboteren. Het alarm gaat af als iemand probeert de accu, de knop of de kabels van de sirene uit te schakelen of te beschadigen. Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats alvorens wijzigingen aan het alarmsysteem aan te brengen.
Interieurbeveiliging
Dit systeem treedt in werking als er bewegingen in het interieur worden waargenomen. Het alarm gaat af als er een ruit wordt ingeslagen, als iets of iemand de auto binnendringt of als iets of iemand in de auto beweegt.
Dit systeem houdt de veranderingen in de wagenhoogte in de gaten. Het alarm gaat af als de auto wordt opgetild, verplaatst of aangestoten.
Wegsleepbeveiliging
Page 68 of 400

66
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Uitschakelen
Druk op deze ontgrendelknop van de afstandsbediening.
of
Ontgrendel de auto met het "Keyless entry and start"-systeem.
Als de auto automatisch opnieuw wordt vergrendeld (als 30 seconden zijn verstreken zonder dat een portier of de achterklep is geopend), wordt het alarmsysteem niet automatisch weer ingeschakeld. Om het alarmsysteem in te schakelen moet u de auto ontgrendelen en weer vergrendelen met de afstandsbediening of het "Keyless entry and start"-systeem. Het alarmsysteem is uitgeschakeld: het verklikkerlampje van de knop is uit en de richtingaanwijzers knipperen gedurende ongeveer 2 seconden.
Totale beveiliging
Inschakelen
Vergrendel de auto met de
afstandsbediening.
of Vergrendel de auto met het "Keyless entry and start"-systeem.
Het alarmsysteem is geactiveerd: het verklikkerlampje van de knop zal één keer per seconde knipperen en de richtingaanwijzers knipperen gedurende ongeveer 2 seconden. Na het vergrendelverzoek met de afstandsbediening of met het "Keyless entry and start"-systeem wordt de omtrekbeveiliging na 5 seconden en de interieurbeveiliging na 45 seconden geactiveerd.
Indien een portier, de achterklep of de motorkap niet goed is gesloten, wordt de auto niet vergrendeld, maar wordt de beveiliging na 45 seconden wel ingeschakeld.
Zet het contact af en verlaat de auto.
Page 69 of 400

67
2
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Beveiliging - met alleen de
omtrekbeveiliging ingeschakeld
Interieurbeveiliging
Uitschakelen De wegsleepbeveiliging wordt ook uitgeschakeld (als uw auto hiermee is uitgerust).
Zet het contact af en druk binnen 10 seconden op deze toets en houd deze ingedrukt tot het verklikkerlampje blijft branden.
Stap uit. Vergrendel onmiddellijk de auto met de afstandsbediening of met het "Keyless entry and start"-systeem. Alleen de omtrekbeveiliging wordt ingeschakeld: het verklikkerlampje van de knop zal één keer per seconde knipperen. Om de interieurbeveiliging uit te schakelen moet deze procedure elke keer na het afzetten van het contact worden uitgevoerd.
Schakel de interieurbeveiliging (en de wegsleepbeveiliging als uw auto hiermee is uitgerust) uit om te voorkomen dat het alarm onnodig wordt ingeschakeld als bijvoorbeeld: - iemand in de auto aanwezig is,
- een ruit op een kier blijft staan, - de auto wordt gewassen, - een wiel wordt ver wisseld, - de auto wordt gesleept, - de auto op een boot wordt vervoerd.
Inschakelen De wegsleepbeveiliging wordt ook opnieuw ingeschakeld (als uw auto hiermee is uitgerust). Schakel de omtrekbeveiliging uit door de auto te ontgrendelen met de afstandsbediening of met het "Keyless entry and start"-systeem.
Het verklikkerlampje van de knop gaat uit. Schakel het alarmsysteem weer volledig in door de auto te vergrendelen met de afstandsbediening of met het "Keyless entry and start"-systeem. Het verklikkerlampje van de knop knippert weer één keer per seconde.
Page 70 of 400

68
Toegang tot de auto
308_nl_Chap02_ouvertures_ed02-2013
Afgaan van het alarm
Als het alarm afgaat, treedt de sirene in werking en knipperen de richtingaanwijzers gedurende dertig seconden. Als het alarm voor de 11 e keer afgaat, worden de alarmsystemen uitgeschakeld.
Als het verklikkerlampje van de knop snel knippert bij het ontgrendelen van de auto met de afstandsbediening of met het "Keyless entry and start"-systeem, is het alarm tijdens uw afwezigheid afgegaan. Het lampje stopt met knipperen als het contact wordt aangezet.
Storing afstandsbediening
Om de alarmsystemen uit te schakelen: Ontgrendel de auto met de sleutel (in de afstandsbediening) in het slot van het bestuurdersportier. Open het portier; het alarm gaat af. Zet het contact aan, het alarm stopt. Het
verklikkerlampje van de knop gaat uit.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te
schakelen
Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling in met de sleutel (in de afstandsbediening) in het slot van het bestuurdersportier.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het verklikkerlampje van de knop blijft branden, duidt dit op een storing in het systeem. Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Automatisch inschakelen
Deze functie is niet beschikbaar, optioneel of standaard. Het systeem wordt 2 minuten nadat het laatste portier of de achterklep is gesloten, automatisch ingeschakeld. Om het afgaan van het alarm bij het openen van een portier of de achterklep te voorkomen, moet eerst op de ontgrendelknop van de afstandsbediening worden gedrukt of moet de auto
ontgrendeld worden met het "Keyless entry and start"-systeem.
Page 160 of 400

158
Rijden
308_nl_Chap04_conduite_ed02-2013
Om deze functie uit te schakelen drukt u nog een keer op deze toets: het lampje van de toets en het bijbehorende verklikkerlampje op het instrumentenpaneel gaan uit.
Bij een storing in het systeem gaat dit verklikkerlampje enkele seconden knipperen; vervolgens gaat het uit.
Storing
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
De dodehoekbewaking wordt automatisch uitgeschakeld als u een aanhanger trekt met een door het PEUGEOT-netwerk gehomologeeerde trekhaak.
Bij slechte weersomstandigheden (zware regen, hagel enz.) kan het systeem tijdelijk minder nauwkeurig werken. Vooral het rijden op een nat wegdek of van een droog wegdek op een nat wegdek terechtkomen kan tot een vals alarm leiden (zo kan een wolk waterdruppels in de dode hoek worden aangezien voor een voertuig). Let er bij slecht weer en in de winter altijd op dat de sensoren niet met modder, sneeuw of ijs bedekt zijn. Plak geen stickers of andere zaken op het gedeelte onder de buitenspiegels waar de waarschuwingslampjes zitten, omdat de de dodehoekbewaking dan mogelijk niet goed werkt. Dit geldt ook voor de detectiezones op de voor- en achterbumper.
Bij het afzetten van het contact wordt de status van het systeem opgeslagen.
Wassen met hogedrukspuit Houd tijdens het wassen van de auto het uiteinde van de hogedrukspuit op minimaal 30 centimeter van de sensoren.
Page 189 of 400

187
6
Veiligheid
308_nl_Chap06_securite_ed02-2013
Automatisch inschakelen
van de alarmknipperlichten
Richtingaanwijzers
Links: beweeg de verlichtingsschakelaar omlaag voorbij het zware punt. Rechts: beweeg de verlichtingsschakelaar omhoog voorbij het zware punt.
Drie keer knipperen
Alarmknipperlichten
Gebruik de alarmknipperlichten om het overige verkeer te waarschuwen in het geval van file, pech, slepen of een ongeval. Druk deze knop in: de richtingaanwijzers knipperen tegelijkertijd. De alarmknipperlichten werken ook als het contact is afgezet.
Beweeg de schakelaar kort omhoog of omlaag, zonder deze door de weerstand te drukken. De desbetreffende richtingaanwijzers zullen drie keer knipperen.
Bij een noodstop - afhankelijk van de mate van remvertraging, als het ABS ingrijpt, maar ook als er een aanrijding wordt gesignaleerd, worden de alarmknipperlichten automatisch ingeschakeld. Zodra er weer gas wordt gegeven gaan de alarmknipperlichten uit. U kunt de alarmknipperlichten echter ook uitschakelen door de knop in te drukken.
Page 259 of 400

257
7
Praktische informatie
308_nl_Chap07_info pratiques_ed02-2013
Slepen van uw auto U kunt uw auto laten slepen door een andere auto of een andere auto slepen met behulp van het sleepoog.
Toegang tot het gereedschap
Het sleepoog bevindt zich onder de vloerplaat van de bagageruimte:
open de achterklep, til de vloerplaat op, neem het sleepoog uit de houder.
Zet de versnellingshendel in de neutraalstand. Als u dit niet doet, is het mogelijk dat bepaalde onderdelen van het remsysteem beschadigd raken en dat de rembekrachtiger na het starten niet meer werkt.
Druk op het klepje in de voorbumper (zoals hierboven aangegeven) om het los te maken. Draai het sleepoog vast tot de aanslag. Bevestig de sleepstang. Schakel de alarmknipperlichten van uw auto in. Rijd voorzichtig weg, rijd met lage snelheid en houd de afstand waarover de auto wordt gesleept beperkt.
Aan de voorzijde
Page 260 of 400

258
Praktische informatie
308_nl_Chap07_info pratiques_ed02-2013
Algemene aanwijzingen
Volg de huidige wetgeving in uw land op. Controleer of het gewicht van de trekkende auto hoger is dan van de auto die wordt gesleept. Er moet iemand achter het stuur van de gesleepte auto blijven zitten. Deze persoon moet beschikken over een geldig rijbewijs. Gebruik bij het slepen met 4 wielen op de grond altijd een goedgekeurde sleepstang; touwen en riemen zijn verboden. De bestuurder van de slepende auto moet voorzichtig wegrijden. Bij het slepen van de auto met stilstaande motor zijn de rem- en stuurbekrachtiging uitgeschakeld. Laat uw auto in de volgende gevallen slepen door een professioneel bergingsbedrijf : - als de auto is gestrand op de autosnelweg, - bij auto's met vier wielaandrijving, - als het niet mogelijk is de versnellingsbak in de neutraalstand te zetten, het stuurslot te ontgrendelen of de handrem los te zetten, - bij takelen met slechts twee wielen op de grond, - bij het ontbreken van een goedgekeurde sleepstang...
Druk op het klepje in de achterbumper (zoals hierboven aangegeven) om het los te maken. Draai het sleepoog vast tot de aanslag. Bevestig de sleepstang. Schakel de alarmknipperlichten van de te slepen auto in. Rijd voorzichtig weg, rijd met lage snelheid en houd de afstand waarover de auto wordt gesleept beperkt.
Aan de achterzijde