stop start Peugeot 508 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2018, Model line: 508, Model: Peugeot 508 2018Pages: 320, PDF Size: 10.22 MB
Page 141 of 320

139
Een teller registreert hoe lang de STOP-stand
tijdens een traject is geactiveerd. De teller
wordt, elke keer als u het contact met de knop
"START/STOP " aanzet, weer op nul gezet.
Voor uw comfort tijdens
parkeermanoeuvres zal de STOP-stand
enkele seconden na het schakelen uit de
achteruitversnelling of het draaien van het
stuurwiel niet werken.
Het Stop & Start-systeem is niet
van invloed op de werking van
voertuigsystemen zoals remmen, enz.
Bijzonderheden: STOP-stand niet
beschikbaar
De STOP-stand wordt niet geactiveerd als:
- d e auto op een steile helling staat
(bergopwaarts of bergafwaarts),
-
he
t bestuurdersportier is geopend,
-
d
e veiligheidsgordel van de bestuurder niet
is vastgemaakt,
-
d
e auto sinds de laatste start niet sneller
dan 10
km/h heeft gereden, In dat geval knippert dit
verklikkerlampje een paar seconden,
waarna het uitgaat.
Overgang naar de START-stand
Dit verklikkerlampje gaat uit en de
motor wordt automatisch gestart:
-
a
ls u, bij een handgeschakelde
versnellingsbak , het koppelingspedaal
volledig intrapt,
-
B
ij een automatische transmissie:
•
a
ls u, ter wijl de stand D of M is
geselecteerd, het rempedaal loslaat,
•
o
f als u, ter wijl de stand N is geselecteerd
en het rempedaal is losgelaten, de stand
D of M selecteert,
•
o
f als u de achteruitversnelling inschakelt.
Bijzonderheden: START-stand
automatisch geactiveerd
Uit veiligheids- of comfortover wegingen wordt
de START-stand automatisch geactiveerd als:
-
he
t bestuurdersportier wordt geopend,
-
d
e veiligheidsgordel van de bestuurder los
wordt gemaakt,
-
b
ij een handgeschakelde versnellingsbak,
de snelheid van de auto hoger wordt dan
4
km/h,
-
b
ij een automatische transmissie in de
stand N , de snelheid van de auto hoger
wordt dan 1
km/h,
-
b
ij een automatische transmissie in de
stand D , het rempedaal wordt losgelaten,
-
e
r bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, buitentemperatuur...)
waarbij de motor nodig is voor de regeling
van het systeem of de auto.
In dat geval knippert dit
verklikkerlampje een paar seconden,
waarna het uitgaat.
Uitschakelen/weer
inschakelen
In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld om het
thermische comfort in het interieur op peil te
houden, kan het nuttig zijn het Stop & Start-
systeem uit te schakelen.
Dit is volkomen normaal.
Dit is volkomen normaal.
-
a
ls u bij een auto met een automatische
transmissie,
•
b
ij een snelheid lager dan 20
km/h
(bij
BlueHDi-uitvoeringen) of lager dan
1
km/h (bij PureTech 180 - en PureTech
225 -uitvoeringen), hard remt met de
selectiehendel in de stand N .
•
b
ij stilstaande auto, de selectiehendel in
de stand N zet. -
d
e klimaatregeling in het interieur dat niet
toelaat,
-
d
e ruitontwaseming is ingeschakeld,
-
d
e buitentemperatuur lager dan 0°C of
hoger dan +35°C is,
-
b
epaalde tijdelijke omstandigheden
(laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, hoogte enz.) dit niet
toelaten.
6
Rijden
Page 142 of 320

140
F Druk op deze toets. Het desbetreffende oranje lampje gaat branden.
Ter bevestiging van de uitschakeling
gaat dit lampje branden en wordt er
een melding weergegeven op het
instrumentenpaneel.
Als u nogmaals op de toets drukt, wordt de
functie weer ingeschakeld. Het desbetreffende
lampje gaat uit.
Het lampje op het instrumentenpaneel dooft en
er wordt een melding weergegeven. Openen van de motorkap
Schakel het Stop & Start-systeem altijd uit
als u handelingen onder de motorkap wilt
uitvoeren, om letsel door het automatisch
activeren van de START-stand te voorkomen.
Rijden op een overstroomde weg
Schakel het Stop & Start-systeem uit
wanneer u over een overstroomde weg
moet rijden.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer rijadviezen
, met name over het
rijden op overstroomde wegen.
Storing
Bij een storing in het systeem
knippert dit lampje op het
instrumentenpaneel enige tijd en
gaat het vervolgens permanent
branden, in combinatie met de
weergave van een melding.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Als er in de STOP-stand een storing optreedt,
kan de motor afslaan. Alle lampjes op het
instrumentenpaneel gaan branden.
Het systeem kan bij aangezet contact op elk
gewenst moment worden uitgeschakeld.
Als het systeem in de STOP-stand wordt
uitgeschakeld, dan wordt de motor direct weer
gestart.
Het Stop & Start-systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld als het contact wordt aangezet.In dat geval moet u het contact uitzetten en de
motor opnieuw starten door op de " S TA R T/
STOP "-knop te drukken.
Bandenspannings-
controlesysteem
Dit systeem controleert automatisch de
bandenspanning tijdens het rijden.
Het systeem bewaakt de spanning van de vier
banden zodra de auto begint te rijden.
Het systeem vergelijkt de signalen van de
snelheidssensoren van de wielen met de
referentiewaarden die elke keer nadat de
banden op spanning zijn gebracht of na het
verwisselen van een wiel moeten worden
gereset .
Het systeem geeft een waarschuwing zodra
wordt gesignaleerd dat de spanning van een
of
meer banden te laag is.Auto's met het Stop & Start-systeem zijn
voorzien van een speciale 12V-accu.
Laat eventuele werkzaamheden aan
deze accu uitsluitend uitvoeren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de 12V-accu
.
Rijden
Page 150 of 320

148
Het gebruik van matten die niet door
PEUGEOT zijn goedgekeurd, kan de werking
van de snelheidsbegrenzer hinderen.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
-
c
ontroleer of de mat goed op zijn plaats ligt,
-
l
eg nooit meerdere matten boven op elkaar.
Programmeerbare
snelheidsregelaar
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een
ingestelde constante snelheid rijden
zonder gas te hoeven geven. De snelheidsregelaar blijft na het
schakelen actief ongeacht het
versnellingsbaktype bij auto's met
Stop
& Start-systeem.
De werking van de snelheidsregelaar kan
tijdelijk worden onderbroken (pauze):
-
d
oor op de toets 4 te drukken of door het
rempedaal in te trappen,
-
a
utomatisch, als de dynamische
stabiliteitscontrole in werking treedt.
Bij het afzetten van het contact worden
alle geprogrammeerde snelheden gewist.
De snelheidsregelaar is een
rijhulpsysteem; de bestuurder moet te
allen tijde de snelheidslimieten in acht
nemen en zijn aandacht op het verkeer
blijven vestigen.
Houd om veiligheidsredenen uw voeten
altijd in de buurt van de pedalen.
Daar voor moet de auto met een snelheid van
minstens 40
km/h rijden.
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak moet minimaal de derde
versnelling zijn ingeschakeld.
Bij auto's met een automatische transmissie
moet de stand D zijn geselecteerd of moet, in
de stand M , minimaal de tweede versnelling
zijn ingeschakeld.
Stuurkolomschakelaars
Raadpleeg de desbetreffende
rubrieken voor meer informatie over het
opslaan van snelheden of over het
snelheidslimietherkenningssysteem .
1.
Selecteren van de snelheidsregelaar.
2. De actuele rijsnelheid instellen als de
aan te houden snelheid/Verlagen van
de
ingestelde rijsnelheid.
3. De actuele rijsnelheid instellen als de
aan te houden snelheid/Verhogen van
de
ingestelde rijsnelheid.
4. Onderbreken/hervatten van de
snelheidsregeling.
5. Afhankelijk van de uitvoering:
Weergeven van de in het geheugen van
de programmeerbare snelheidsbegrenzer
opgeslagen snelheden
of
Gebruiken van de door het
snelheidslimietherkenningssysteem
weergegeven snelheid.
Storing
Het knipperen van de streepjes wijst op een
storing in de snelheidsbegrenzer.
Laat het systeem controleren door
het PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
De snelheidsregelaar moet handmatig worden
ingeschakeld .
Rijden
Page 155 of 320

153
Stuurkolomschakelaars
Raadpleeg de desbetreffende
rubriek voor meer informatie over het
snelheidslimietherkenningssysteem.
1.
Selecteren van de snelheidsregelaar.
2. De actuele rijsnelheid instellen als de
aan te houden snelheid/Verlagen van de
ingestelde rijsnelheid.
3. De actuele rijsnelheid instellen als de
aan te houden snelheid/Verhogen van de
ingestelde rijsnelheid.
4. Onderbreken/hervatten van de
snelheidsregeling/Bevestiging van het
wegrijden van de auto na automatisch tot
stilstand te zijn gebracht (bij uitvoeringen
uitgerust met de functie Stop & Start).
5. Gebruiken van de door het
snelheidslimietherkenningssysteem
weergegeven snelheid.
6. Weergeven en instellen van de opgeslagen
afstand tot de voorligger.
Weergave op het instrumentenpaneel
symbool 7 gevuld met de kleur die behorend bij
de status van de snelheidsregeling. Standaard
is het symbool 7 leeg.
Als de snelheidsregeling is geactiveerd,
worden de symbolen 7 en 8 groen
weergegeven. Standaard worden deze
symbolen grijs weergegeven. 7.Voorligger aanwezig/afwezig.
8. Snelheidsregeling ingeschakeld/
uitgeschakeld.
9. Ingestelde snelheid.
10. Auto op zijn plaats gehouden (uitvoeringen
met een automatische transmissie).
11. Door het snelheidslimietherkennings-
systeem voorgestelde snelheid.
Bij detectie van een voorligger wordt het
Inschakelen
F Zet, bij een draaiende motor, knop 1 in de
stand "CRUISE". De werking van het systeem
is onderbroken (weergegeven in grijs).
Met een handgeschakelde versnellingsbak
De snelheid van de auto moet liggen tussen
30
en 160 km/h:
F
D
ruk tijdens het rijden op een van de
toetsen 2 of 3 : de actuele rijsnelheid van uw
auto wordt de ingestelde rijsnelheid.
De snelheidsregelaar wordt ingeschakeld
(weergegeven in groen).
12 . Instelling afstand tot voorligger. Met een automatische transmissie
De stand D of M moet zijn geselecteerd.
Met de automatische transmissie E AT 6 en
de snelheid van de auto tussen 0 km/h en
180
km/h:
F
G
eef een beetje gas en druk op een van
de toetsen 2 of 3 : het systeem wordt
ingeschakeld (weergegeven in groen).
Met de automatische transmissie E AT 8 en
de snelheid van de auto tussen 0 km/h en
180
km/h:
F
D
ruk op een van de toetsen 2 of 3 : het
systeem wordt ingeschakeld (weergegeven
i n g r o e n).
13.
Gedetecteerde positie van de auto door
het systeem.
Deze gegevens zijn zichtbaar op het
instrumentenpaneel in de weergavemodus
"RIJDEN".
6
Rijden
Page 187 of 320

185
Ter bevestiging van de selectie gaat
dit lampje branden.
Zoeken naar een parkeerplek
F Zorg dat u tijdens het rijden een afstand van 0,50 tot 1,50 meter tussen de geparkeerde
auto's en uw auto aanhoudt en rijd hierbij
niet harder dan 30 km/h tot het systeem een
beschikbare parkeerplek vindt.
Het zoeken naar een parkeerplek wordt gestopt
als de afstand tussen de geparkeerde auto's
en uw auto kleiner of groter is. De functie
wordt automatisch uitgeschakeld vanaf een
rijsnelheid van 50 km/h.
Voor "fileparkeren" moet de parkeerruimte
minimaal gelijk zijn aan de lengte van uw
auto plus 0,60 m.
Voor "haaks parkeren" moet de breedte
van de parkeerruimte minimaal gelijk zijn
aan de breedte van uw auto plus 0,70 m.
Als de funtie Park Assist via het menu
Auto /Rijden van het het touchscreen
uitgeschakeld is, wordt deze automatisch
ingeschakeld zodra het systeem
geactiveerd wordt. Wanneer het systeem een beschikbare
parkeerplek vindt, wordt er "
OK" op de
parkeer weergave getoond in combinatie met
een geluidssignaal.
Voorbereiden op de
manoeuvre
F Rijd heel langzaam tot het verzoek wordt weergegeven om de auto tot stilstand te
brengen: " Stop de auto " en het "STOP"-
teken in combinatie met een geluidssignaal. Als de auto is gestopt, verschijnt een
instructiepagina op het scherm.
F
V
olg de instructies om de manoeuvre voor
te bereiden.
Op het scherm verschijnt dit symbool
om te bevestigen dat u de instructies
hebt gevolgd.
De start van de manoeuvre wordt aangeduid
door de weergave van deze pagina, met de
melding " Manoeuvre wordt uitgevoerd " in
combinatie met een geluidssignaal.
Achteruitrijden wordt aangegeven door de
volgende melding: " Ontgrendel het stuurwiel
en rijd achteruit ".
6
Rijden
Page 193 of 320

191
Voorbereiden op de
manoeuvre
Als de auto stilstaat, verschijnt een
instructiepagina op het scherm.
F
V
olg alle instructies om de manoeuvre
voor
te bereiden.
Nadat de opvolging van alle instructies
is bevestigd, wordt een nieuw scherm
weergegeven waarop wordt aangegeven dat
u
de manoeuvre kunt uitvoeren. F
D
ruk op deze toets om de
manoeuvre uit te voeren.
F
H
oud de toets ingedrukt en laat het
rempedaal geleidelijk los.
De toets moet ingedrukt blijven tijdens
de manoeuvre.
Wanneer het systeem een geschikte
parkeerplek vindt, wordt er "
OK" op de
parkeer weergave getoond in combinatie met
een geluidssignaal.
F
R
ijd heel langzaam tot het verzoek wordt
weergegeven om de auto tot stilstand te
brengen: " Stop de auto " en het "STOP"-
bord in combinatie met een geluidssignaal. Dit symbool verschijnt automatisch
als de instructie is gevolgd.
Tijdens het manoeuvreren
Op het moment dat de bestuurder het
rempedaal loslaat, neemt het systeem
automatisch de controle over voor het kiezen
van de rijrichting (vooruit of achteruit), het
accelereren, het remmen en de besturing.
De status van de manoeuvre wordt
aangegeven door deze symbolen: De start van de manoeuvre wordt aangeduid
door de weergave van dit scherm, met de
melding "
Manoeuvre wordt uitgevoerd " in
combinatie met een geluidssignaal.
Visiopark 1 of Visiopark 2 en de parkeerhulp
worden automatisch ingeschakeld, zodat u
de directe omgeving van de auto tijdens de
manoeuvre in de gaten kunt houden.
Manoeuvre bezig
Manoeuvre onderbroken
6
Rijden
Page 200 of 320

198
Ta n k e n
Inhoud brandstoftank: ongeveer 62 liter
(benzine) of 55 liter (diesel).
Reser ve: 6 liter.
Laag brandstofniveau
Als dit lampje gaat branden in
combinatie met de weergave van een
melding en een geluidssignaal, is het
minimale niveau in de brandstoftank
bereikt. Als het lampje gaat branden,
bevindt zich nog ongeveer 6 liter
brandstof in de tank.
Als uw auto is uitgerust met het Stop &
Start-systeem, tank dan nooit als de motor
in de STOP-stand is gezet. Zet in dat
geval altijd het contact af.
Ta n k e n
Een sticker aan de binnenzijde van de tankklep
geeft aan welke brandstof u moet tanken voor het
type motor in uw auto.
Als u minder dan 5 liter brandstof tankt, wordt de
stijging van het brandstofniveau niet weergegeven
op de brandstofniveaumeter.
Bij het openen van de brandstofvulklep kan een
aanzuiggeluid van lucht hoorbaar zijn. Dit is normaal
en wordt veroorzaakt door de onderdruk die
ontstaat door de afdichting van het brandstofcircuit.
Om veilig te tanken:
F Z et altijd eerst de motor af.
F
A
ls de auto is ontgrendeld, drukt u op de
achterzijde van de brandstofvulklep om
deze te openen (de tankdop is in de vulklep
ingebouwd). F
S
teek het vulpistool in de vulopening en
druk hierbij de metalen klep in.
F
S
teek het vulpistool tot de aanslag naar
binnen alvorens dit te bedienen (kans op
spatten).
F
H
oud het vulpistool in deze positie tijdens
het tanken.
F
D
ruk de klep van de tankdop dicht.
Zolang er nog niet voldoende brandstof is
getankt, zal dit lampje steeds bij het aanzetten
van het contact gaan branden in combinatie
met de weergave van de melding en het
geluidssignaal. Tijdens het rijden worden deze
melding en dit geluidssignaal steeds vaker
herhaald naarmate het niveau 0 dichter wordt
genaderd.
Ga zo snel mogelijk tanken om te voorkomen
dat u met een lege tank strandt.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over een lege brandstoftank
(diesel) . Wanneer het vulpistool bij het vullen van de
brandstoftank voor de 3
e keer afslaat, moet
u niet verder tanken.
Uw auto is voorzien van een katalysator, die de
schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen
vermindert.
Bij benzinemotoren mag uitsluitend
loodvrije benzine worden gebruikt.
Door de vernauwde vulpijp kan alleen loodvrije
benzine worden getankt.
Indien u per vergissing de verkeerde
brandstof voor uw auto tankt, moet de
tank beslist worden afgetapt voordat
de motor kan worden gestar t.
F
S
electeer de juiste brandstof voor uw auto.
Praktische informatie
Page 206 of 320

204
Max. toegestane daklast verdeeld over de allesdragers,
bij een maximale laadhoogte van 40 cm (m.u.v.
fietsendrager):
-
Berline: 65 kg.
-
SW: 80 kg .
Neem voor meer informatie contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.
Pas bij een belading hoger dan 40
cm uw snelheid
aan de rijomstandigheden aan om schade aan de
allesdragers en de verankeringspunten op de auto te
voorkomen.
Raadpleeg de wetgeving van uw land met betrekking
tot het ver voeren van voor werpen die langer zijn dan
de auto.
Adviezen
Verdeel de lading gelijkmatig om te voorkomen
dat een van de zijden wordt overbelast.
Plaats de zwaarste lading zo dicht mogelijk bij
het dak.
Sjor de lading goed vast.
Rijd behoedzaam: wees bedacht op een grotere
zijwindgevoeligheid en de stabiliteit van de auto
kan door de belading worden beïnvloed.
Controleer regelmatig de bevestiging van de
allesdragers, in elk geval voorafgaand aan elke
reis.
Ver wijder de allesdragers zodra deze niet meer
nodig zijn.
Neem bij gebruik van een dakkoffer contact
op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats voor het verkrijgen
van bijbehorende bevestigingsonderdelen.
Schuif-/kanteldak
Open het schuif-/kanteldak niet bij gebruik
van de allesdragers – Kans op ernstige
schade!
Drager voor bijvoorbeeld
fietsen
Het bevestigen van een drager aan de
achterklep is niet toegestaan.
Motorkap
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de Actieve motorkap .Door de plaats van de hendel kan de
motorkap niet worden geopend zolang het
linker voorportier is gesloten.
Wees bij warme motor voorzichtig met het
bedienen van de veiligheidshaak (kans op
brandwonden). Gebruik de beschermde
zone.
Zorg er voor dat u bij geopende motorkap
niet tegen de hendel aan stoot.
Open de motorkap niet als het hard waait.
De koelventilator kan ook gaan draaien
nadat de motor is afgezet: houd
daarom voor werpen en kleding uit de
buurt van de ventilator.
Openen
F In het interieur
: trek de handgreep links
onder het dashboard naar u toe.
Schakel omwille van uw veiligheid het Stop & Start-systeem
altijd uit alvorens werkzaamheden onder de motorkap
uit te voeren om letsel als gevolg van het automatisch
inschakelen van de START-stand te voorkomen.
Praktische informatie
Page 210 of 320

208
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over AdBlue (BlueHDi-
motoren), in het bijzonder met betrekking
tot
het bijvullen.
Controles
Controleer, tenzij anders aangegeven,
deze componenten overeenkomstig de
onderhoudsschema van de fabrikant.
Laat de controles eventueel uitvoeren door
het PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
12V-accu
De accu is onderhoudsvrij.
Niettemin is het raadzaam om regelmatig
te controleren of de accupoolklemmen
goed vastzitten (bij uitvoeringen zonder
snelsluiting voor de accupoolklemmen)
en of de aansluitingen schoon zijn.
Raadpleeg voordat u werkzaamheden
uitvoert aan de 12V-accu de desbetreffende
rubriek voor meer informatie en de te nemen
voorzorgsmaatregelen.
Uitvoeringen met het Stop & Start-
systeem zijn voorzien van een speciale
12V- loodac c u.
Deze accu mag uitsluitend worden
vervangen door het PEUGEOT-netwerk
of
door een gekwalificeerde werkplaats.
Interieurfilter
Als de omgeving (veel stof...) en
het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geven, moet
dit filter twee keer zo vaak
worden vervangen .
Een verstopt interieur filter kan de
prestaties van de airconditioning verstoren
en onaangename geuren veroorzaken.
Luchtfilter
Als de omgeving (veel stof...) en
het gebruik (veel stadsverkeer...)
daartoe aanleiding geven, moet
dit filter twee keer zo vaak
worden vervangen .
Oliefilter
Laat bij het olie ver versen tevens het
oliefilter vervangen.
Roetfilter (diesel)
Als het roetfilter verzadigd begint te
raken, wordt u hierop geattendeerd
door het tijdelijk branden van dit
lampje in combinatie met een
waarschuwingsmelding over het
risico van verstopping van het filter.
Ga om het roetfilter te regenereren, zodra
de omstandigheden het toelaten, met een
snelheid van minimaal 60 km/h rijden tot
het lampje dooft.
Als het lampje blijft branden, is het
minimale dieseladditiefniveau bereikt.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over het controleren van
de niveaus .
Bij een nieuwe auto kunt u de eerste paar
keer dat het roetfilter geregenereerd wordt
een brandlucht ruiken; dit is volkomen
normaal.
Als langdurig met zeer lage snelheid wordt
gereden of de motor langdurig stationair
draait, kan bij gasgeven soms waterdamp
uit de uitlaat komen. Dit heeft geen invloed
op de prestaties en heeft geen gevolgen
voor het milieu.
Praktische informatie
Page 214 of 320

212
Bij een storing in het AdBlue® -systeem,
die bevestigd wordt door de melding
" Vul
AdBlue bij: starten onmogelijk",
moet
u minimaal 5 liter bijvullen.
Giet nooit AdBlue
® in de brandstoftank.
Als er AdBlue® op de zijkant van de auto of
op een andere plaats is gemorst, spoel het
additief dan onmiddellijk weg met koud water
of veeg het weg met een vochtige doek.
Gekristalliseerde vloeistof moet worden
ver wijderd met een spons en warm water.
Belangrijk: als u AdBlue hebt bijgevuld
nadat het reser voir leeg is geraakt , dient
u ongeveer 5 minuten te wachten voordat
u het contact weer aanzet, zonder het
bestuurderspor tier te openen, de auto
te ontgrendelen en de elektronische
sleutel in het interieur te houden .
Zet ver volgens het contact aan en start na
10 seconden wachten de motor.
F
D
ruk bij uitvoeringen met Keyless entry and
start op de knop " START/STOP" om de
motor af te zetten. F
Z
org dat u beschikt over een
flacon met AdBlue
®. Controleer de
houdbaarheidsdatum en lees vervolgens
aandachtig de gebruiksaanwijzing op het
etiket voordat u de inhoud van de jerrycan
in het AdBlue-reser voir van uw auto giet.
Of
F
S
teek het vulpistool van de AdBlue
®-pomp
in de vulopening van het reser voir en vul bij
tot het vulpistool automatisch uitgeschakeld
wordt. Belangrijk:
-
O
m te voorkomen dat het AdBlue
®-
reser voir overstroomt, wordt
aanbevolen:
•
O
m 10 tot 13 liter bij te vullen met
behulp van flacons AdBlue
®.
Of
•
O
m bij het tankstation niet meer bij
te vullen nadat het vulpistool voor de
eerste keer is afgeslagen.
-
A
ls het AdBlue
®-reser voir van uw auto
helemaal leeg is (dit wordt aangegeven
door de waarschuwingsmeldingen en
u kunt in dat geval de motor niet meer
starten), moet u het reser voir vullen
met minimaal 5 liter vloeistof.
Na het vullen
F Breng de blauwe dop aan op de vulopening en draai de dop een zesde omwenteling
rechtsom, tot de aanslag.
F
S
luit de brandstofvulklep.
Voer de lege AdBlue
®-flacons niet als
huisvuil af.
Deponeer ze in de daartoe bestemde
containers of breng de flacons naar uw
verkooppunt.
F
Z
org dat de auto is ontgrendeld en open
de brandstofvulklep. Draai de blauwe
vuldop van het AdBlue
®-reser voir een 6e
omwenteling linksom.
F
V
er wijder de blauwe dop.
Praktische informatie