remmen Peugeot 508 2019 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2019, Model line: 508, Model: Peugeot 508 2019Pages: 320, PDF Size: 10.22 MB
Page 169 of 320

167
In de volgende gevallen is het raadzaam
het systeem uit te schakelen via het
configuratiemenu van de auto:
-
t
rekken van een aanhanger,
-
A
ls de lading op allesdragers of een
imperiaal wordt vervoerd,
-
i
ndien sneeuwkettingen gemonteerd zijn,
-
v
oordat de auto met draaiende motor in een
automatische wasstraat wordt gewassen,
-
v
oordat de auto op een rollenbank wordt
getest,
-
g
esleepte auto, draaiende motor,
-
n
a een schok op de voorruit ter hoogte van
de detectiecamera.
De adaptieve snelheidsregelaar wordt
automatisch uitgeschakeld als het gebruik
van een bepaald type noodreservewiel
wordt gedetecteerd (kleinere diameter).
De adaptieve snelheidsregelaar wordt
automatisch uitgeschakeld nadat een
storing van de rempedaalschakelaar of
minimaal twee remlichten is gedetecteerd.
Het kan gebeuren dat waarschuwingen
niet, te laat of op onjuiste momenten
worden gegeven.
Daarom moet u altijd de controle over uw
auto bewaren zodat u op elk moment kunt
ingrijpen om een aanrijding te voorkomen. Na een aanrijding wordt het systeem
automatisch uitgeschakeld. Neem contact
op met het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats om het
systeem te laten controleren.
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats alvorens
de voorbumper te spuiten of de lak er van bij
te werken. Bepaalde laksoorten kunnen de
werking van de radar beïnvloeden.
Distance Alert
Waarschuwt de bestuurder wanneer er een
risico bestaat op een aanrijding met een
voorligger, een voetganger of een fietser op de
rijstrook.
Wijzigen van de activeringsdrempel
voor de waarschuwing
Deze drempel bepaalt de manier waarop u
wordt gewaarschuwd voor een rijdende of
stilstaande voorligger, een voetganger of een
fietser op uw rijstrook.
De huidige drempel kan worden
gewijzigd via het menu Rijden /Auto
van het touchscreen. U kunt een van drie vooraf gedefinieerde
drempels selecteren:
-
"
Ver ",
- "
Normaal ",
- "
Dichtbij".
De drempel die als laatste gebruikt is, wordt
opgeslagen bij het afzetten van het contact.
Werking
Afhankelijk van de door het systeem
gedetecteerde kans op een aanrijding en de door
de bestuurder geselecteerde activeringsdrempel
voor de waarschuwing kunnen meerdere
waarschuwingsniveaus worden geactiveerd en
weergegeven op het instrumentenpaneel.
Daarbij wordt rekening gehouden met de
voertuigdynamiek, de snelheid van uw auto en
die van de voorligger, de weersomstandigheden,
de rijomstandigheden (in een bocht, intrappen
van pedalen enz.) zodat de waarschuwing op het
meest geschikte moment wordt geactiveerd.
Niveau 1 (oranje) : waarschuwing
door middel van visuele signalen die
aangeeft dat de afstand tot de voorligger
zeer klein is. De melding " Voertuig
dichtbij" wordt weergegeven.
Niveau 2 (rood) : waarschuwing door middel
van visuele signalen en geluidssignalen die
aangeeft dat een aanrijding dreigt.
De melding " Remmen!" wordt weergegeven.
Niveau 3 : in sommige gevallen kan een
voelbare waarschuwing in de vorm van zeer
licht remmen worden gegeven, wat de kans
op een aanrijding bevestigt.
6
Rijden
Page 170 of 320

168
Intelligente
noodremassistentie (IBA)
Wanneer de bestuurder wel remt, maar niet
voldoende om een aanrijding te voorkomen, vult
deze functie de remkracht aan voor zover dit
binnen de natuurkundige grenzen mogelijk is.
Dit gebeurt alleen als de bestuurder zelf het
rempedaal intrapt.
Active Safety Brake
Werking
Het systeem werkt onder de volgende
omstandigheden:
-
D
e rijsnelheid mag niet hoger zijn dan
60 km/h wanneer een voetganger wordt
gedetecteerd.
-
D
e rijsnelheid mag niet hoger zijn dan
80
km/h wanneer een stilstaand voertuig of
een fietser wordt gedetecteerd. Als de camera en/of radar de
aanwezigheid van een voertuig, een
voetganger of een fietser hebben
bevestigd, knippert dit lampje
(gedurende ongeveer 10 seconden) als
de functie ingrijpt op het remsysteem.
Bij auto's met een automatische transmissie
begint de auto weer te rijden nadat deze door
het automatische noodremsysteem tot stilstand
is gebracht. Houd het rempedaal ingetrapt als u
dit wilt voorkomen.
Bij auto's met een handgeschakelde
versnellingsbak kan de motor afslaan als de
auto door het automatische noodremsysteem
tot stilstand wordt gebracht.
Deze functie, ook wel automatisch
noodremsysteem genoemd, treedt in werking
wanneer de bestuurder, na de waarschuwingen,
niet snel genoeg reageert en niet remt.
De functie is bedoeld om de snelheid van de
aanrijding te beperken of de frontale aanrijding
met de voorligger te voorkomen wanneer de
bestuurder niet ingrijpt. De bestuurder kan op elk gewenst moment
de controle over de auto weer overnemen
door een ferme stuurbeweging te maken
en/of het gaspedaal in te trappen.
Als de functie in werking is, kunnen er lichte
trillingen voelbaar zijn in het rempedaal.
Als de auto volledig tot stilstand is gekomen,
blijven de remmen automatisch 1 tot 2
seconden geactiveerd.
-
D
e rijsnelheid moet hoger zijn dan 10 km/h
(uitvoeringen met camera en radar) of liggen
tussen 10 km/h en 85 km/h (uitvoeringen
met uitsluitend een camera) wanneer een
bewegend voertuig wordt gedetecteerd.
Als uw auto een voorligger te snel nadert,
wordt het eerste waarschuwingsniveau
mogelijk niet weergegeven: in dat geval
wordt waarschuwingsniveau 2 direct
weergegeven.
Belangrijk:
waarschuwingsniveau 1 wordt
nooit weergegeven voor een stilstaand
obstakel of als de activeringsdrempel
" Dichtbij" is geselecteerd.
Rijden
Page 190 of 320

188
Gebruik de functie niet bij de aanwezigheid
van een van de volgende wijzigingen:
-
w
anneer voorwerpen worden vervoerd
die langer zijn dan de auto (ladder op de
dakdragers, fietsendrager op de achterklep
e n z .),
-
i
ndien een niet goedgekeurde trekhaak
gemonteerd is,
-
i
ndien sneeuwkettingen gemonteerd zijn,
-
i
ndien een noodreservewiel wordt gebruikt,
-
a
ls andere wielen dan de oorspronkelijke
zijn aangebracht,
-
n
a aanpassing van een of beide bumpers
(aanvullende bescherming enz.),
-
a
ls de sensoren opnieuw gespoten zijn
buiten een PEUGEOT-dealernetwerk van
het merk,
-
b
ij gebruik van sensoren die niet voor uw
auto zijn goedgekeurd,
Onderhoudstips Storingen
Als de functie niet ingeschakeld
is, knippert het lampje tijdelijk en
klinkt er een geluidssignaal om een
storing in het systeem aan te geven.
Als de storing optreedt tijdens het gebruik van
het systeem, gaat het lampje uit. Als de storing in de parkeersensoren,
die door het branden van dit lampje
wordt aangegeven, tijdens het
gebruik van het systeem optreedt,
dan wordt de functie uitgeschakeld.
Laat in het geval van een storing het systeem
controleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
In het geval van een storing in
de stuurbekrachtiging wordt
dit lampje weergegeven op het
instrumentenpaneel in combinatie
met een waarschuwing.
Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige
plaats stil. Neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
-
C
ontroleer regelmatig of de sensoren en
camera's schoon zijn.
Reinig de camera's indien nodig met een
zachte en droge doek.
-
H
oud tijdens het wassen van de auto
met een hogedrukreiniger de spuitmond
op minimaal 30 cm van de sensoren en
camera's.
-
Z
org er bij slecht of winters weer voor dat
de sensoren en camera's niet bedekt raken
met modder, ijs of sneeuw.
Full Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren:
het detecteert een parkeerplek en neemt
ver volgens de controle over de auto van u over
bij het inparkeren.
In combinatie met de automatische transmissie
(EAT8) stuurt het systeem de besturing, de
rijrichting, het gas geven en het remmen aan.
Om de bestuurder te helpen het verloop van
de parkeermanoeuvre te volgen, schakelt het
systeem automatisch de weergave van de
Visiopark 1 of Visiopark 2 en de parkeerhulp in.
Rijden
Page 193 of 320

191
Voorbereiden op de
manoeuvre
Als de auto stilstaat, verschijnt een
instructiepagina op het scherm.
F
V
olg alle instructies om de manoeuvre
voor
te bereiden.
Nadat de opvolging van alle instructies
is bevestigd, wordt een nieuw scherm
weergegeven waarop wordt aangegeven dat
u
de manoeuvre kunt uitvoeren. F
D
ruk op deze toets om de
manoeuvre uit te voeren.
F
H
oud de toets ingedrukt en laat het
rempedaal geleidelijk los.
De toets moet ingedrukt blijven tijdens
de manoeuvre.
Wanneer het systeem een geschikte
parkeerplek vindt, wordt er "
OK" op de
parkeer weergave getoond in combinatie met
een geluidssignaal.
F
R
ijd heel langzaam tot het verzoek wordt
weergegeven om de auto tot stilstand te
brengen: " Stop de auto " en het "STOP"-
bord in combinatie met een geluidssignaal. Dit symbool verschijnt automatisch
als de instructie is gevolgd.
Tijdens het manoeuvreren
Op het moment dat de bestuurder het
rempedaal loslaat, neemt het systeem
automatisch de controle over voor het kiezen
van de rijrichting (vooruit of achteruit), het
accelereren, het remmen en de besturing.
De status van de manoeuvre wordt
aangegeven door deze symbolen: De start van de manoeuvre wordt aangeduid
door de weergave van dit scherm, met de
melding "
Manoeuvre wordt uitgevoerd " in
combinatie met een geluidssignaal.
Visiopark 1 of Visiopark 2 en de parkeerhulp
worden automatisch ingeschakeld, zodat u
de directe omgeving van de auto tijdens de
manoeuvre in de gaten kunt houden.
Manoeuvre bezig
Manoeuvre onderbroken
6
Rijden
Page 195 of 320

193
- Her vatten van de manoeuvre nadat de voorwaarden voor de onderbreking zijn
verdwenen:
•
l
aat alle bedieningselementen los
(rempedaal, regelknop voor functie,
stuurwiel, enz.)
•
d
ruk opnieuw op de regelknop voor de
functie.
-
D
efinitief afbreken na onderbreking van
de manoeuvre:
•
t
rap het rempedaal in en schakel een
versnelling in. -
a fslaan van de motor,
- p lotseling verschijnen van een obstakel
in het veld van de manoeuvre dat niet is
gedetecteerd door het systeem voordat de
manoeuvre is begonnen (het obstakel blijft
langer dan 30 seconden aanwezig),
-
n
a tien fileparkeermanoeuvres of tien
manoeuvres om na het fileparkeren de
parkeerplek te verlaten, en na zeven
manoeuvres om haaks in te parkeren,
-
e
en storing in het systeem tijdens het
manoeuvreren.
Bij het afbreken van de manoeuvre worden de
remmen onmiddellijk geactiveerd en wordt de
functie automatisch gedeactiveerd.
Dit symbool wordt weergegeven
in combinatie met de melding
"Manoeuvre afgebroken " op het
touchscreen.
Een melding verzoekt de bestuurder om de
controle over de auto over te nemen. De functie wordt na een paar
seconden uitgeschakeld, dit lampje
gaat uit en op het scherm wordt
de oorspronkelijke weergave weer
getoond.
Het systeem selecteert na 4 seconden
automatisch de stand P van de transmissie.
De manoeuvre wordt in de volgende situaties
afgebroken:
-
g
een actie van de bestuurder gedurende
30 seconden na onderbreking van de
manoeuvre,
-
han
dmatig aantrekken van de parkeerrem,
-
s
electeren van de stand P van de
transmissie door de bestuurder,
-
l
osmaken van de veiligheidsgordel van de
bestuurder,
-
o
penen van een portier of de achterklep,
-
a
ctiveren van de richtingaanwijzers aan
de tegenovergestelde zijde van die van de
manoeuvre,
-
i
n bepaalde gevallen, wanneer een wiel van
de auto een stoeprand of een laag voor werp
raakt,
-
a
ctivering van de antispinregeling op een
glad wegdek,Einde van de inparkeer- of
de uitparkeermanoeuvre
De auto stopt zodra de manoeuvre is voltooid.
Dit symbool wordt weergegeven
in combinatie met de melding
"Manoeuvre voltooid " op het
touchscreen.
De functie wordt na een paar seconden
uitgeschakeld, dit lampje gaat uit en op
het scherm wordt de oorspronkelijke
weergave weer getoond.
- Bij het inparkeren moet de bestuurder mogelijk de manoeuvre zelf voltooien.
De transmissie schakelt 4 seconden na
het
voltooien van de manoeuvre naar de
stand P .
-
B
ij het uitrijden van een parkeerplek
schakelt de transmissie naar de stand N .
De bestuurder wordt met een melding en de
weergave van pictogrammen opgeroepen
om de controle over de auto over te nemen:
houd het stuur wiel vast, selecteer stand D
of R van transmissie en geef gas als het
verkeer dit toelaat.
Na een vertraging van 30 seconden
zonder actie van de bestuurder schakelt de
transmissie automatisch naar de stand P .
6
Rijden
Page 211 of 320

209
Handgeschakelde versnellingsbak
De versnellingsbak is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Automatische transmissie
De transmissie is onderhoudsvrij
(olie verversen niet noodzakelijk).
Remblokken
De slijtage van de remblokken is
sterk afhankelijk van de rijstijl, vooral
bij stadsverkeer en veel korte ritten.
Hierdoor kan het noodzakelijk blijken
om de remblokken vaker, tussen
twee onderhoudscontroles door, te
laten controleren.
Als het remsysteem vrij is van lekkages, duidt
een te laag remvloeistofniveau erop dat de
remblokken versleten zijn.
Slijtage remschijven/
remtrommels
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats
voor informatie over het controleren
van de slijtage van de remschijven.
Elektrische parkeerrem
Dit systeem vereist geen specifieke
controle. Laat echter in het geval
van een storing het systeem
controleren door het PEUGEOT-
netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de elektrische
parkeerrem .
Velgen en banden
De bandenspanning moet
minstens eens per maand en
voorafgaand aan een lange rit bij
alle banden (wanneer ze koud zijn)
gecontroleerd worden. Het rijden met versleten of beschadigde
banden vermindert de remwerking en heeft een
negatieve invloed op het weggedrag. Het wordt
aanbevolen om een regelmatige inspectie van
de staat van de banden (profiel en bandwangen)
en velgen uit te voeren en om te controleren dat
de banden over een ventiel beschikken.
Het gebruik van andere dan de gespecificeerde
velg- en bandmaten kan effect hebben op
de levensduur van de banden, het draaien
van de wielen, de bodemvrijheid en de
snelheidsmeteraanduiding, en kan tevens een
negatieve invloed hebben op het weggedrag van
de auto.
De montage van verschillende banden
op de voor- en op de achteras kan leiden
tot onjuist ingrijpen van het elektronisch
stabiliteitsprogramma (ESP).
Gebruik uitsluitend door PEUGEOT
aanbevolen producten of gelijkwaardige
kwaliteitsproducten.
Om de werking van belangrijke
onderdelen als het remsysteem te
optimaliseren, selecteert en biedt
PEUGEOT specifieke producten aan.
Na het wassen kan er zich een laagje
vocht of onder winterse omstandigheden
ijs vormen op de remschijven en
remblokken: de remwerking kan daardoor
afnemen. Rem een paar keer lichtjes om
de remmen vocht- en ijsvrij te maken.
De op de sticker aangegeven bandenspanningen
gelden voor koude banden. Als u meer langer
dan 10 minuten of meer dan 10 kilometer
hebt gereden met een snelheid van meer dan
50
km/u, moet u de bandenspanning 0,3 bar
(30
kPa) verhogen ten opzichte van de op de
sticker aangegeven waarden.
Een te lage bandenspanning leidt ook tot
een hoger brandstofverbruik. Een onjuiste
bandenspanning veroorzaakt vroegtijdige
slijtage van banden en heeft een negatieve
invloed op het weggedrag van de auto. Kans op
een ongeval!
7
Praktische informatie
Page 312 of 320

248
Remblokken .........................................................20 9
Remmen ................................................... 12, 17, 209
Remschijven
......................................................... 209
Reservewiel
.......................................................... 209
Reservoir ruitensproeiers
....................................207
Resetten
bandenspanningscontrolesysteem
...........141-142
Resetten van het traject ....................................27-2 8
Rijadviezen
.................................................... 12
4 -125
Rijden
............................................................... 56-57
Rijstanden
............................................................ 13 6
Rijstrookcontrolesystemen
........................... 10
0 -101
Roetfilter
........................................................ 20
7-208
Ruitbediening
................................................... 52-53
Ruitenwissers
......................................................... 22
S
Schakelaars stoelverwarming .........................59-60
Schakelindicator ................................................... 13 8
SCR (Selective Catalytic Reduction)
.................. 2
10
SCR-systeem
....................................................... 2
10
Selectiehendel
.............................................. 13
1-13 5
Selectiehendel automatische
transmissie
................................................. 131, 13 3
Serienummer auto ............................................... 243
Service (verklikkerlampje)
..................................... 13
S
feerverlichting
...................................................... 79
S
ignalering onoplettendheid
...............................169
Sjorogen
........................................................... 81, 8 4
Skiluik
...................................................................... 80
Sleutel
......................................................... 3 5 , 4 0 - 41
Sleutel met afstandsbediening
............................ 12
5
Sleutel niet herkend
............................................. 127
SMS
........................................................................\
30
Sneeuwkettingen
......................................... 141, 2 0 2
Snelheidsbegrenzer
..............................145 -148, 151
Snelheidslimietherkenning
..........................142, 14 4
Snelheidsregelaar ................145, 148 -155, 159, 161
Snelheidsregeling met snelheidslimietherkenning
................................145
Spaarfase
............................................................. 201
Sport-stand
........................................................... 13
6
Spraakcommando's
.................................. 5
- 8 , 10 -12
Startblokkering, elektronische
............................ 12
5
Starten dieselmotor
............................................. 197
Starten van
de auto
................. 13, 16 -17, 19, 124-126, 132-135
Stilzetten van
de auto
................ 13, 16 -17, 19, 124, 126, 132-135
Stoelen verstellen ............................................. 5
7- 5 9
Stoelverwarming
.............................................. 59
-60
Stop & Start
...................
2 1, 29, 67, 70, 138 -139, 198, 204, 208
STOP (verklikkerlampje) ........................................ 11
Streaming audio Bluetooth
..........................9, 25 -26
Stuurkolomschakelaars
................................131-13 5
Stuurwiel (verstellen)
............................................. 61
Stuurwielverstelling
................................................ 61
S
upervergrendeling
......................................... 36, 39
Synchroniseren afstandsbediening
......................42
T
Tankbeveiliging .................................................... 19 9
Technische gegevens ..................................2 3 9 - 2 41
Te laag brandstofniveau
......................................198
Telefoon
........................................... 77, 13 -15, 27-30
Te l l e r
........................................................................\
. 8
T
emperatuurregeling
............................................. 68
Tijd instellen ................................................ 34, 17, 33
TMC (verkeersinformatie)
......................................15
Toegang tot de achterbank ....................................57
Toerenteller ............................................................... 8
Touchscreen
................................. 29, 31-33, 76, 1, 1
Trailer Stability Management (TSM)
............102-103
Trekhaak
....................................... 102-103, 125, 199
U
Uitgebreide verkeersbordherkenning ..........14 5 -14 6
Uitschakelen airbag passagier ............. 10
6 -107, 112
USB-aansluiting
............................... 7
5 -76, 80, 9, 25
V
Veiligheidsgordels ..........................12, 103 -104, 116
Veiligheidsgordels achter ............................103 -104
Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen
........................ 1 0 6 -1 0 7, 11 0 -112 , 117-12 0
Ventilatie
............................................... 65 - 66, 71, 73
Ventilatieroosters
................................................... 65
V
ergrendelen
.............................................. 36, 39 - 40
Vergrendeling portieren
......................................... 48
V
ergrendeling van binnenuit
.................................43
Vering met variabele demping
............................ 13
6
Verkeersinformatie (TMC)
.....................................15
Verklikkerlampje airbags
.......................................20
Verklikkerlampje handrem
..................................... 12
V
erklikkerlampje laag brandstofniveau
................14
Verklikkerlampje remsysteem
........................1
2 , 17
Verklikkerlampje Service
.......................................13
Verklikkerlampje STOP
......................................... 11
Verklikkerlampje voorgloeien (diesel)
...................14
Verlichting bagageruimte .......................................85
Versnellingsbak,
handgeschakeld
........ 13 1, 13 5 -13 6, 13 8 -13 9, 20 9
Versnellingshendel handgeschakelde versnellingsbak
.................................................. 13
1
Verversen
..................................................... 206-207
Vervoer van lange voorwerpen
.............................80
Vervuiling van het roetfilter (diesel)
.................... 20
8
Verwarming
................................................. 6 5, 71-73
Visiopark 1
............................................................ 18 0
Visiopark 1 – Visiopark 2
.............................179, 181
Voorgloeien (dieselmotor)
..................................... 14
V
oorruitverwarming
............................................... 71
Voor stoelen
....................................................... 57- 5 9
Voorzieningen achterin
.......................................... 80
Trefwoordenregister