sensor Peugeot 508 2019 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2019, Model line: 508, Model: Peugeot 508 2019Pages: 320, PDF Size: 10.22 MB
Page 186 of 320

184
Park Assist
Dit systeem biedt actieve parkeerhulp:
het detecteert een parkeerplek en stuurt
ver volgens in de desbetreffende richting om
op deze plek te parkeren ter wijl de bestuurder
de rijrichting controleert, schakelt, gas geeft
en remt.
Om de bestuurder te helpen het verloop van
de parkeermanoeuvre te volgen, schakelt
het systeem automatisch het display van de
Visiopark 1 of Visiopark 2 en de parkeerhulp in.
Dit systeem is een parkeerhulpsysteem
dat echter nooit de alertheid van de
bestuurder kan vervangen.
De bestuurder moet altijd de controle over
de auto hebben. De bestuurder moet altijd
de omgeving van de auto controleren
alvorens een manoeuvre uit te voeren
en er voor zorgen dat er geen obstakels
worden geraakt.
Het systeem voert metingen uit van
beschikbare parkeerplekken en berekent
de afstand tot de obstakels met behulp van
ultrasone sensoren ingebouwd in de voor- en
achterbumpers van de auto. Het systeem biedt ondersteuning bij de
volgende manoeuvres:
Werking
A.
Parkeren bij inparkeren na fileparkeren.
B. Fileparkeren – uitparkeren
C. Parkeren bij inparkeren na schuin parkeren
F
V
erminder de snelheid van de auto tot
30
km/h of lager als u een parkeerplek
nadert.
Functie activeren
De functie kan worden ingeschakeld
via het menu Rijden/Auto van het
touchscreen.
Selecteer " Park Assist ". Als deze functie is ingeschakeld, is de
dodehoekbewaking niet actief.
Tot het starten van de inrijdmanoeuvre
of het verlaten van de parkeerplek kunt
u op elk gewenst moment op de pijl in de
linkerbovenhoek van de weergegeven pagina
drukken om de functie uit te schakelen.
Type manoeuvre selecteren
Er wordt een selectiepagina voor de manoeuvre
op het touchscreen getoond: standaard is dit
na het aanzetten van het contact de pagina
"Inrijden", anders de pagina "Uitrijden".
F
S
electeer het type en de zijde van de
manoeuvre om het zoeken naar een
parkeerplek in te schakelen.
De geselecteerde manoeuvre kan op
elk gewenst moment gewijzigd worden,
ook wanneer er naar een beschikbare
parkeerplek wordt gezocht.
Rijden
Page 189 of 320

187
Het manoeuvreersymbool wordt in het rood
weergegeven in combinatie met de melding
"Manoeuvre geannuleerd " op het touchscreen.
Een melding verzoekt de bestuurder om de
controle over de auto terug te nemen.
De functie wordt na een paar seconden
uitgeschakeld, dit waarschuwingslampje
gaat uit en de functie keert terug naar
de begin weergave.
Einde van de inparkeer- of
de uitparkeermanoeuvre
De auto stopt zodra de manoeuvre is voltooid.
Het manoeuvreersymbool wordt in het rood
weergegeven in combinatie met de melding
" Manoeuvre voltooid " op het touchscreen.
De uitschakeling van de functie
wordt bevestigd door het doven van
dit lampje in combinatie met een
geluidssignaal. Bij het inrijden van een parkeerplek is het
mogelijk dat de bestuurder de manoeuvre moet
voltooien.
Werkingslimieten
- Het systeem kan een ongeschikte
parkeerplek voorstellen (parkeerverbod,
plaats waar werkzaamheden aan het
wegdek worden uitgevoerd, plaats naast
een greppel enz.).
-
H
et systeem kan aangeven dat een
plaats is gevonden, maar vermeldt deze
niet vanwege een vast obstakel aan de
tegenoverliggende zijde van de manoeuvre;
de auto kan geen traject voor het parkeren
volgen.
-
H
et systeem is niet ontworpen voor het
uitvoeren van parkeermanoeuvres bij
scherpe bochten.
-
H
et systeem detecteert geen
parkeerplekken die veel groter zijn dan
de auto zelf of die begrensd worden door
obstakels die te laag (trottoirbanden,
drempels enz.) of te dun (bomen, palen,
draadhekken enz.) zijn.
-
B
epaalde obstakels die aanvankelijk wel
worden gedetecteerd, worden mogelijk
niet meer gedetecteerd als ze zich in de
dode hoek van het detectiebereik van de
sensoren bevinden.
-
B
epaalde materialen (stoffen) kunnen
geluidsgolven absorberen: hierdoor worden
voetgangers mogelijk niet gedetecteerd. -
E
en aanrijding aan de voorzijde of achterzijde
van de auto kan de sensorinstellingen
verstoren, hetgeen niet altijd door het systeem
wordt vastgesteld: afstandsmetingen kunnen
hierdoor incorrect zijn.
- A ls de bagageruimte zwaar beladen is, kan
het aan de achterzijde door veren van de
auto de afstandsmetingen verstoren.
De sensoren en camera('s) van de auto kunnen
negatief worden beïnvloed door:
-
v
erzamelde sneeuw of gevallen bladeren op
het wegdek,
-
sl
echte weersomstandigheden (zware
regenval, dichte mist, sneeuwval),
-
g
eluidsverstoringen door lawaai van
voertuigen en machines (vrachtwagens,
pneumatische boren, enz.).
Gebruik de functie niet onder de volgende
omgevingsomstandigheden:
-
l
angs een zachte berm (greppel, enz.),
kade of een rand van een afgrond,
-
b
ij een glad wegdek (ijzel enz.).
Gebruik de functie niet bij de aanwezigheid
van een van de volgende storingen:
-
e
en te lage bandenspanning,
-
a
ls een van de bumpers is beschadigd,
-
a
ls een van de camera's defect is,
6
Rijden
Page 190 of 320

188
Gebruik de functie niet bij de aanwezigheid
van een van de volgende wijzigingen:
-
w
anneer voorwerpen worden vervoerd
die langer zijn dan de auto (ladder op de
dakdragers, fietsendrager op de achterklep
e n z .),
-
i
ndien een niet goedgekeurde trekhaak
gemonteerd is,
-
i
ndien sneeuwkettingen gemonteerd zijn,
-
i
ndien een noodreservewiel wordt gebruikt,
-
a
ls andere wielen dan de oorspronkelijke
zijn aangebracht,
-
n
a aanpassing van een of beide bumpers
(aanvullende bescherming enz.),
-
a
ls de sensoren opnieuw gespoten zijn
buiten een PEUGEOT-dealernetwerk van
het merk,
-
b
ij gebruik van sensoren die niet voor uw
auto zijn goedgekeurd,
Onderhoudstips Storingen
Als de functie niet ingeschakeld
is, knippert het lampje tijdelijk en
klinkt er een geluidssignaal om een
storing in het systeem aan te geven.
Als de storing optreedt tijdens het gebruik van
het systeem, gaat het lampje uit. Als de storing in de parkeersensoren,
die door het branden van dit lampje
wordt aangegeven, tijdens het
gebruik van het systeem optreedt,
dan wordt de functie uitgeschakeld.
Laat in het geval van een storing het systeem
controleren door het PEUGEOT-netwerk of
door een gekwalificeerde werkplaats.
In het geval van een storing in
de stuurbekrachtiging wordt
dit lampje weergegeven op het
instrumentenpaneel in combinatie
met een waarschuwing.
Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige
plaats stil. Neem contact op met het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
-
C
ontroleer regelmatig of de sensoren en
camera's schoon zijn.
Reinig de camera's indien nodig met een
zachte en droge doek.
-
H
oud tijdens het wassen van de auto
met een hogedrukreiniger de spuitmond
op minimaal 30 cm van de sensoren en
camera's.
-
Z
org er bij slecht of winters weer voor dat
de sensoren en camera's niet bedekt raken
met modder, ijs of sneeuw.
Full Park Assist
Dit systeem assisteert u actief bij het parkeren:
het detecteert een parkeerplek en neemt
ver volgens de controle over de auto van u over
bij het inparkeren.
In combinatie met de automatische transmissie
(EAT8) stuurt het systeem de besturing, de
rijrichting, het gas geven en het remmen aan.
Om de bestuurder te helpen het verloop van
de parkeermanoeuvre te volgen, schakelt het
systeem automatisch de weergave van de
Visiopark 1 of Visiopark 2 en de parkeerhulp in.
Rijden
Page 191 of 320

189
De veiligheidsgordel van de bestuurder
moet zijn vastgemaakt en gedurende de
gehele manoeuvre vastgemaakt blijven.De Full Park Assist is een
parkeerhulpsysteem dat echter nooit
de alertheid van de bestuurder kan
vervangen.
De manoeuvre blijft de
verantwoordelijkheid van de bestuurder.
De Full Park Assist kan niet altijd de
automatische manoeuvre correct uitvoeren
doordat de detectieprestaties van de
sensoren hun beperkingen kennen.
Het is de verantwoordelijkheid van de
bestuurder de auto indien nodig te stoppen
om de veiligheid van de nabije omgeving
te waarborgen (vooral als er voetgangers
aanwezig zijn).
De bestuurder moet altijd de controle over
de auto hebben. De bestuurder moet altijd
de omgeving van de auto controleren
alvorens een manoeuvre uit te voeren.
Tijdens de gehele manoeuvre moet de
bestuurder zorgen dat de parkeerplek
vrij is. De bestuurder moet op de
bestuurdersstoel blijven zitten en nooit
proberen de regelknop van de functie te
blokkeren.
De bestuurder kan de manoeuvre te allen
tijde onderbreken door het rempedaal in te
trappen, het stuur wiel over te nemen of de
regelknop van de functie los te laten.
De bestuurder moet de regelknop voor
de functie op de selectiehendel tijdens de
gehele duur van de automatische manoeuvre
ingedrukt houden.
Het systeem voert metingen uit van
beschikbare parkeerplekken en berekent
de afstand tot de obstakels met behulp van
ultrasoonsensoren die zijn ingebouwd in de
voor- en
achterbumper van de auto.
Het Full Park Assist-systeem assisteert u bij de
volgende manoeuvres:
-
F
ileparkeren en uitparkeren na fileparkeren.
-
H
aaks inparkeren.
6
Rijden
Page 194 of 320

192
De richting van de manoeuvre wordt
aangegeven door deze symbolen:
De middelste pijl is groen als de auto rijdt of wit
om de volgende richting van de manoeuvre aan
te geven.Tijdens de gehele manoeuvre,
aangegeven door het groene pictogram
"AUTO ", moet de bestuurder de knop op
de selectiehendel ingedrukt houden. Manoeuvre voltooid of geannuleerd
(witte pijlen geven aan dat de
bestuurder de controle over de auto
moet overnemen).
Voor uit
Achteruit
Tijdens de manoeuvres draait het stuurwiel
snel rond: houd daarom het stuur wiel niet
tegen en steek niet uw handen tussen de
spaken van het stuur wiel. Let op voor werpen
die het draaien van het stuur wiel kunnen
hinderen (wijde kleding, sjaal, das enz.) –
Kans op letsel!
De bestuurder moet zelf altijd het verkeer
in de gaten blijven houden, met name het
tegemoetkomende verkeer.
De bestuurder moet controleren of er geen
objecten of personen zijn die tijdens de
voorwaartse en achterwaartse bewegingen
van de auto in de weg kunnen staan.
Onder bepaalde omstandigheden detecteren
de sensoren mogelijk geen kleine obstakels
die zich in hun dode hoeken bevinden.
De beelden van de camera('s) op het
touchscreen kunnen door het reliëf worden
ver vormd.
Bij zonnig weer of onvoldoende
omgevingslicht kunnen er schaduwzones
ontstaan; het beeld is dan donkerder en
minder contrastrijk.
De bestuurder moet met behulp van de
buitenspiegels de zijkanten van de auto in de
gaten houden.
Als de auto aanzienlijk wordt afgeremd,
kunnen de remlichten gaan branden. De manoeuvre kan te allen tijde tijdelijk
worden onderbroken (automatisch door het
systeem als een obstakel is gedetecteerd
of
door tussenkomst van de bestuurder).
Als
de bestuurder een gevaarlijke situatie
ziet aankomen, moet de manoeuvre tevens
worden onderbroken.
Om de manoeuvre te onderbreken kan de
bestuurder:
-
d
e regelknop voor de functie loslaten,
-
h
et rempedaal intrappen,
-
d
e controle over de auto overnemen
of
-
d
e stand van de versnellingsbak wijzigen
(behalve schakelen naar stand P ).
Onderbreking van de manoeuvre leidt tot
onmiddellijke stilstand van de auto.
Dit wordt bevestigd door de
weergave van dit symbool in
combinatie met de melding
"Manoeuvre onderbroken ".
Rijden
Page 196 of 320

194
Werkingslimieten
- Het systeem kan een ongeschikte parkeerplaats voorstellen (parkeerverbod, plaats waar
werkzaamheden aan het wegdek worden
uitgevoerd, locatie naast een greppel enz.).
-
H
et systeem kan aangeven dat er een plaats is
gevonden, maar biedt vervolgens niet aan om
in te parkeren omdat zich tegenover de zijde
van de manoeuvre een vast obstakel bevindt
waardoor de auto de manoeuvre niet kan
maken.
-
H
et systeem is niet ontworpen voor het
uitvoeren van parkeermanoeuvres op een steile
helling of in scherpe bochten.
-
H
et systeem detecteert geen parkeerplaatsen
die veel groter zijn dan de auto zelf of die
begrensd worden door obstakels die te laag
(trottoirbanden, drempels enz.) of te dun
(bomen, palen, draadhekken enz.) zijn.
-
B
epaalde obstakels die aanvankelijk wel worden
gedetecteerd, worden mogelijk niet meer
gedetecteerd als ze zich in de dode hoek van
het detectiebereik van de sensoren bevinden.
-
B
epaalde omgevingsgeluiden, zoals lawaai
afkomstig van voertuigen en machines (bijv.
vrachtwagens, pneumatische boren enz.),
kunnen de sensoren van de auto verstoren.
-
B
epaalde materialen (stoffen) kunnen
geluidsgolven absorberen: hierdoor worden
voetgangers mogelijk niet gedetecteerd.
-
O
phopingen van sneeuw of dode bladeren
op de weg kunnen de sensoren van de auto
verstoren. -
D
e werking van het systeem kan worden
verstoord door een incorrecte bandenspanning.
- E en aanrijding aan de voorzijde of achterzijde
van de auto kan de uitlijning van de sensoren
hebben veranderd, hetgeen niet altijd door het
systeem wordt vastgesteld: afstandsmetingen
kunnen hierdoor incorrect zijn.
-
B
ij zware belading van de bagageruimte kan de
hellingshoek van de auto de afstandsmetingen
verstoren.
-
D
e sensoren en camera('s) kunnen worden
beïnvloed door slechte weersomstandigheden
(zware regenval, dichte mist, sneeuwval).
-
D
e weergave van de Visiopark 1 of Visiopark 2
is een hulpsysteem dat nooit de alertheid van de
bestuurder vervangt.
Gebruik de functie niet onder de volgende
omgevingsomstandigheden:
-
l
angs een zachte berm (greppel, enz.),
kade of een rand van een afgrond,
-
b
ij een glad wegdek (ijzel enz.).
Gebruik de functie niet in een van de
volgende situaties:
-
w
anneer voorwerpen worden vervoerd
die langer zijn dan de auto (ladder op
de dakdragers, fietsendrager op de
achterklep enz.),
-
i
ndien een niet goedgekeurde trekhaak
gemonteerd is,
-
i
ndien sneeuwkettingen gemonteerd zijn,
-
i
ndien een noodreservewiel wordt
gebruikt,
-
a
ls andere wielen dan de oorspronkelijke
zijn aangebracht,
-
n
a aanpassing van een of beide bumpers
(aanvullende bescherming enz.),
-
a
ls de sensoren opnieuw gespoten zijn
buiten het dealernetwerk.
-
b
ij gebruik van sensoren die niet voor uw
auto zijn goedgekeurd.
Gebruik de functie niet bij de
aanwezigheid van een van de volgende
storingen:
-
e
en te lage bandenspanning,
-
a
ls een van de bumpers is beschadigd,
-
a
ls een van de camera's defect is,
-
a
ls de remlichten niet werken.
Rijden
Page 197 of 320

195
Storingen
Als de functie niet ingeschakeld is,
knippert het lampje tijdelijk en klinkt
er een geluidssignaal om een storing
in de Full Park Assist aan te geven.
Als de storing optreedt tijdens het
gebruik van het systeem, gaat het
lampje uit.
Als de storing in de parkeersensoren,
die door het branden van dit lampje
wordt aangegeven, tijdens het
gebruik van de Full Park Assist
optreedt, dan wordt de functie
uitgeschakeld.
Raadpleeg het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats.
In het geval van een storing in
de stuurbekrachtiging wordt
dit lampje weergegeven op het
instrumentenpaneel in combinatie
met een waarschuwing.
Zet de auto zo snel mogelijk stil
op
een veilige plaats.
Neem contact op met het PEUGEOT-netwerk
of een gekwalificeerde werkplaats.
6
Rijden
Page 313 of 320

249
Voorzieningen bagageruimte ................................81
V oorzieningen interieur .................................... 74
-75
W
Waarschuwing kans op aanrijding ........18, 165 -167
Waarschuwing oplettendheid bestuurder ..........169
Waarschuwingslampjes
..................................10, 26
Wassen (adviezen)
.............................................. 210
Webbrowser
........................................................... 21
Wifi-netwerkverbinding .......................................... 22
Window-airbags
............................................ 107-108
Z
Zicht ........................................................................\
70
Zij-airbags ...................................................... 10
7-108
Zonneklep
............................................................... 75
Zonnescherm
................................................... 53-55
Zonnesensor
.......................................................... 66
.
Trefwoordenregister