alarm Peugeot 508 2020 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2020, Model line: 508, Model: Peugeot 508 2020Pages: 276, PDF Size: 8.45 MB
Page 38 of 276

36
Toegang tot de auto
Sluiten
De ruit gaat na een paar seconden automatisch
terug omhoog, waarbij voor een perfecte
afdichting wordt gezorgd.
Let op dat uw vingers niet klem komen te
zitten wanneer de ruit automatisch
omhoog beweegt.
– Als een van de portieren niet goed is
gesloten, gaat dit waarschuwingslampje
branden, samen met een melding als de motor
draait en een geluidssignaal als de auto harder
dan 10 km/u rijdt.
Wanneer u de auto wast
Vergrendel eerst de auto met
de afstandsbediening of verwijder de
elektronische sleutel uit het detectiegebied,
terwijl de portieren gesloten zijn.
Spuit niet op het bovenste deel van de ruit.
Houd het uiteinde van de hogedrukspuit
minstens 1 meter van de deur- en
ruitafdichtingen verwijderd.
Reinig de deur- en ruitafdichtingen regelmatig
met een met gedemineraliseerd water
► Zet het contact aan; het alarm stopt. Het
lampje in de toets gaat uit.
Vergrendelen van de auto
zonder het alarm in te
schakelen
► Vergrendel de auto of schakel de
supervergrendeling in met de sleutel
(geïntegreerd in de afstandsbediening) in het slot
van het bestuurdersportier.
Storing
Als bij het aanzetten van het contact het rode
lampje van de toets blijft branden, duidt dit op
een storing in het systeem.
Laat het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Automatisch inschakelen van het alarm
(Afhankelijk van het verkoopland)
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld
2 minuten nadat het laatste portier of de
bagageruimte is gesloten.
►
Om het afgaan van het alarm bij het openen
van een portier of de achterklep te voorkomen,
moet u eerst op de ontgrendelknop van de
afstandsbediening drukken of moet u de
auto ontgrendelen met het Keyless entry and
start-systeem.
Portieren
Uw auto heeft portieren met frameloze ruiten.
Zodra de buiten- of binnenportiergreep wordt
gebruikt voor het openen en sluiten van het
portier, wordt een systeem geactiveerd om de
ruit iets te laten zakken.
Openen
Van buitenaf
► Wanneer u de auto hebt ontgrendeld of de
elektronische sleutel van het Keyless entry and
start-systeem zich in de detectiezone bevindt,
trek aan de portierhandgreep.
De ruit gaat automatisch een paar millimeter
omlaag, zodat het portier bij het sluiten goed
wordt afgedicht.
Wanneer het portier langer dan één
minuut open blijft staan, gaat de ruit weer
omhoog; trek nog een keer aan de
portiergreep om het systeem weer te
activeren.
Bij vrieskou kan de aanwezigheid van ijs
het ‘micro-descent’ ruitsysteem (om de ruit
iets te laten zakken) hinderen; verwijder het
ijs dat zich bij de onderste afdichting van
de ruit heeft gevormd en open vervolgens
voorzichtig het portier.
Als het selectief ontgrendelen is geactiveerd en één keer op de
ontgrendelknop van de afstandsbediening
wordt gedrukt, kan alleen het
bestuurdersportier worden geopend.
Van binnenuit
► Trek aan de binnenportiergreep van een
portier; de auto wordt dan volledig ontgrendeld.
De ruit gaat automatisch enkele millimeter
omlaag, zodat het portier bij het sluiten goed
wordt afgedicht.
Als de selectieve ontgrendeling is geactiveerd:
–
W
anneer het bestuurdersportier wordt
geopend, wordt alleen het bestuurdersportier
ontgrendeld (als de auto nog niet volledig was
ontgrendeld).
–
W
anneer een van de passagiersportieren
wordt geopend, wordt de auto volledig
ontgrendeld.
Page 85 of 276

83
Veiligheid
5Algemene aanbevelingen met betrekking tot de
veiligheid
Verwijder de stickers niet die op de
verschillende plaatsen van uw auto zijn
aangebracht. Ze bevatten
veiligheidswaarschuwingen en informatie over
de identificatie van de auto.
Neem voor alle werkzaamheden aan uw
auto contact op met een gekwalificeerde
werkplaats die beschikt over de juiste
technische informatie, vakkennis en
apparatuur. Het PEUGEOT-netwerk is in staat
u dit te bieden.
Afhankelijk van de landelijke wetgeving kan de aanwezigheid van bepaalde
veiligheidsuitrusting verplicht zijn:
veiligheidsvesten, gevarendriehoeken,
alcoholtests, een set reservelampen,
reservezekeringen, een brandblusser, een
verbandtrommel, spatlappen aan de
achterzijde van de auto enz.
Monteren van elektrische accessoires:
– Het monteren van elektrische
uitrustingselementen of accessoires die niet
onder een artikelnummer in het assortiment
van PEUGEOT
voorkomen, kan tot een
hoger stroomverbruik leiden en kan storingen
in het elektrische systeem van uw auto
veroorzaken. Ga naar het PEUGEOT-netwerk
voor meer informatie over het aanbod aan
accessoires met een artikelnummer.
–
Uit veiligheidsoverwegingen is toegang tot
de diagnose-aansluiting, die is gekoppeld
aan de elektronische systemen in de
auto, uitsluitend voorbehouden aan het
PEUGEOT
-netwerk of een gekwalificeerde
werkplaats waar de beschikking is over
geschikt gereedschap (kans op storingen in
de elektronische systemen die kunnen leiden
tot pech of ernstige ongevallen). De fabrikant
kan niet aansprakelijk worden gesteld als dit
voorschrift niet wordt opgevolgd.
–
Wijzigingen of aanpassingen die niet door
PEUGEOT
zijn voorzien of toegestaan, of
die niet volgens de technische voorschriften
van de fabrikant zijn uitgevoerd, leiden tot het
vervallen van de commerciële garantie.
Monteren van als accessoire
geleverde radiocommunicatiezenders
Voordat u een radiocommunicatiezender
met buitenantenne monteert, moet u bij
het PEUGEOT-netwerk de technische
gegevens (frequentieband, maximaal
uitgangsvermogen, positie antenne,
specifieke installatievoorschriften) van de
voor montage geschikte zenders opvragen,
conform de Richtlijn Elektromagnetische
Compatibiliteit (2004/104/EG).
Conformiteitsverklaring voor
radioapparatuur
De relevante certificaten zijn beschikbaar op
de website http://public.servicebox.peugeot.
com/APddb/.
Alarmknipperlichten
► Wanneer u op de rode toets drukt, gaan alle
richtingaanwijzers knipperen.
De alarmknipperlichten werken ook als het
contact is afgezet.
Automatisch inschakelen van de alarmknipperlichten
Bij een noodstop worden de alarmknipperlichten
automatisch ingeschakeld, afhankelijk van de
mate van remvertraging. Zodra u weer gas geeft,
gaan de alarmknipperlichten uit.
Ze kunnen ook worden uitgeschakeld door weer
op de toets te drukken.
Page 150 of 276

148
Rijden
Bij slechte weersomstandigheden (zware
regenval, hagel enz.) kan het systeem
tijdelijk minder nauwkeurig werken.
Vooral het rijden op een nat wegdek of het
van een droog wegdek op een nat wegdek
terechtkomen kan tot een vals alarm leiden
(zo kan een wolk waterdruppels in de dode
hoek worden aangezien voor een voertuig).
Let er bij slecht weer en in de winter altijd op
dat de sensoren niet met modder, sneeuw of
ijs bedekt zijn.
Plak geen stickers of andere voorwerpen op
het gedeelte van de buitenspiegels waar het
waarschuwingsgebied zich bevindt of op de
detectiezones op de voor- en achterbumper,
omdat de dodehoekbewaking dan mogelijk
niet goed werkt.
Parkeerhulp
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem waarschuwt met behulp van
sensoren in de bumper voor obstakels in de
nabijheid van de auto (zoals voetgangers,
Voorwaarden voor de
werking
– Alle voertuigen rijden in dezelfde richting op
aangrenzende rijstroken.
–
De snelheid van de auto moet liggen tussen
12 en 140
km/u voor een waarschuwing en
tussen 65 en 140 km/u voor een koerscorrectie.
–
Het systeem moet ingeschakeld zijn om een
correctie te kunnen activeren.
–
W
anneer u een auto inhaalt en het verschil in
snelheid minder dan 10 km/u is.
–
W
anneer u door een andere auto wordt
ingehaald en het verschil in snelheid minder dan
25
km/u is.
–
Het verkeer stroomt vloeiend door
.
–
De inha
almanoeuvre duurt langer dan normaal
en het ingehaalde voertuig blijft in de dode hoek.
–
U rijdt in een rechte lijn of in een flauwe bocht.
–
Uw auto trekt geen aanhanger of caravan enz.
Werkingslimieten
Er wordt geen waarschuwingssignaal afgegeven
en er wordt geen correctie uitgevoerd in de
volgende situaties:
–
Bij stilstaande voorwerpen (geparkeerde
auto's, vangrails, lantaarnpalen, borden enz.).
–
Bij tegemoetkomend verkeer
.
–
Op bochtige wegen of in zeer scherpe
bochten.
–
W
anneer u een lang voertuig inhaalt of wordt
ingehaald door een lang voertuig (vrachtwagen,
bus, enz.) dat zowel in de dode hoek achter
wordt gedetecteerd als in het gezichtsveld van
de bestuurder aanwezig is.
–
Bij snelle inhaalmanoeuvres.
–
Bij erg druk verkeer: de voertuigen die voor en
achter worden gedetecteerd, worden aangezien
voor een vrachtwagen of een stilstaand object.
–
Als de functie Park
Assist of Full Park Assist is
geactiveerd.
Storing
Bij een storing gaat dit
waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel gaat branden en wordt er
een melding weergegeven.
Neem contact op met een PEUGEOT-dealer of
een gekwalificeerde werkplaats om het systeem
te laten controleren.
Page 151 of 276

149
Rijden
6Bij slechte weersomstandigheden (zware
regenval, hagel enz.) kan het systeem
tijdelijk minder nauwkeurig werken.
Vooral het rijden op een nat wegdek of het
van een droog wegdek op een nat wegdek
terechtkomen kan tot een vals alarm leiden
(zo kan een wolk waterdruppels in de dode
hoek worden aangezien voor een voertuig).
Let er bij slecht weer en in de winter altijd op
dat de sensoren niet met modder, sneeuw of
ijs bedekt zijn.
Plak geen stickers of andere voorwerpen op
het gedeelte van de buitenspiegels waar het
waarschuwingsgebied zich bevindt of op de
detectiezones op de voor- en achterbumper,
omdat de dodehoekbewaking dan mogelijk
niet goed werkt.
Parkeerhulp
Lees de algemene adviezen over het gebruik
van de rij- en parkeerhulpsystemen.
Dit systeem waarschuwt met behulp van
sensoren in de bumper voor obstakels in de
nabijheid van de auto (zoals voetgangers, auto's, bomen en slagbomen) die binnen het
detectiebereik van de sensoren vallen.
Parkeerhulp achter
Het systeem wordt geactiveerd zodra de
achteruitversnelling wordt ingeschakeld. Hierbij
klinkt een geluidssignaal.
Het systeem wordt uitgeschakeld als er weer
een andere versnelling wordt geselecteerd.
Geluidssignalen
Dit systeem signaleert de aanwezigheid van
obstakels binnen de detectiezone van de
sensoren die zich in de baan van de auto,
zoals bepaald door de stand van het stuurwiel,
bevinden.
In het weergegeven voorbeeld worden,
afhankelijk van de uitvoering, alleen de obstakels
die zich in het gestreepte gebied bevinden door
het geluidssignaal gesignaleerd.
De bestuurder wordt via een onderbroken
geluidssignaal gewaarschuwd bij het naderen
van obstakels. De frequentie van het
geluidssignaal neemt toe naarmate de auto het
obstakel nadert.
Zodra de afstand tussen de auto en het obstakel
kleiner dan ongeveer dertig centimeter is, klinkt
het geluidssignaal ononderbroken.
U hoort via de luidspreker (rechts of links)
aan welke zijde van de auto het obstakel zich
bevindt.
Het geluidssignaal instellenAls u bij PEUGEOT Connect
Radio of PEUGEOT Connect Nav
op deze toets drukt, wordt het venster
geopend waarop u het volume van het
geluidssignaal kunt instellen.
Grafische weergave
Dit is een aanvulling op het geluidssignaal,
waarbij geen rekening worden gehouden met
de rijrichting van de auto. Dit systeem geeft met
Page 189 of 276

187
In geval van pech
8Gevarendriehoek
Voordat u uit de auto stapt om de
gevarendriehoek uit te vouwen en te
plaatsen moet u om veiligheidsredenen
de alarmknipperlichten inschakelen en uw
reflecterende veiligheidsvest aantrekken.
Opbergruimte
In de binnenbekleding van de achterklep bevindt
zich een opbergvak voor de gevarendriehoek.
►
Open de achterklep en maak de afdekking
los door de schroef een kwart naar links te
draaien.
Uitvouwen en plaatsen van
de gevarendriehoek
Zie de bovenstaande afbeelding voor
uitvoeringen met een originele gevarendriehoek.
Raadpleeg bij andere gevarendriehoeken
de instructies voor het uitvouwen in de
gebruiksaanwijzing van de gevarendriehoek.
►
Plaats de gevarendriehoek achter de auto,
houd u daarbij aan de ter plaatse geldende
regels.
Brandstoftank leeg
(diesel)
Bij een auto met een dieselmotor moet
in geval van een lege brandstoftank het
brandstofsysteem worden ontlucht.
Voordat u begint met het ontluchten van het
systeem , is het van groot belang om minimaal 5
liter diesel in de brandstoftank te gieten.
Raadpleeg het betreffende gedeelte voor
meer informatie over tanken en de
tankbeveiliging (diesel) .
Bij niet-BlueHDi-uitvoeringen bevinden de
onderdelen van het brandstofsysteem zich in de
motorruimte, mogelijk onder de verwijderbare
afdekking.
Raadpleeg het betreffende gedeelte voor
meer informatie over de motorruimte,
en met name de plaats van deze onderdelen
onder de motorkap.
1.5 BlueHDi-motoren
► Zet het contact aan (zonder de motor te
starten).
►
W
acht ongeveer 1 minuut en zet het contact
af.
►
Start de motor
.
Als de motor niet direct aanslaat, beëindig dan
uw startpoging en herhaal de procedure.
2.0 BlueHDi-motoren
► Zet het contact aan (zonder de motor te
starten).
►
W
acht ongeveer 6 seconden en zet het
contact af.
►
Herhaal deze handelingen 10 keer
.
►
Start de motor
.
Als de motor niet direct aanslaat, beëindig dan
uw startpoging en herhaal de procedure.
Page 192 of 276

190
In geval van pech
U kunt de band tijdelijk repareren met een
compressor en een flacon met afdichtmiddel
zodat u naar de dichtstbijzijnde garage kunt
rijden.
Ontworpen om algemene lekkages op het
loopvlak van een band te repareren.
De compressor kan via de 2
V-aansluiting lang genoeg op het
elektrische systeem van de auto worden
aangesloten om een lekke band weer op te
pompen.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek
voor meer informatie over de
gereedschapsset .
Reparatiemethode
Verwijder het voorwerp (zoals een spijker
of schroef) dat de lekkage heeft
veroorzaakt niet uit de band.
►
Parkeer de auto zonder het verkeer te
belemmeren en schakel de parkeerrem in.
►
V
olg de veiligeidsinstructies
(alarmknipperlichten, gevarendriehoek,
verkeersveiligheidsvest enz.) volgens de
geldende wetgeving in het land waar u rijdt.
►
Zet het contact af.
►
Rol de slang uit die onder de compressor is
opgeborgen.
► Sluit de slang van de compressor aan op de
flacon met afdichtmiddel.
► Keer de flacon met afdichtmiddel om en
bevestig deze in de uitsparing op de compressor .
►
Haal het dopje van het ventiel van de lekke
band en bewaar het op een schone plaats.
► Sluit de slang van de flacon met
afdichtmiddel aan op het ventiel van de lekke
band en zet deze stevig vast.
►
Controleer of de schakelaar van de
compressor in de stand " O
" staat.
►
Rol de elektrische kabel, die onder de
compressor is opgeborgen, volledig uit.
►
Sluit de stekker van de compressor aan op
de 12
V-aansluiting in de auto.
Alleen de 12V-aansluitingen voorin en
in de bagageruimte mogen worden
gebruikt om de compressor aan te sluiten.
De 12
V-aansluiting aan de achterzijde van
de middenconsole is niet geschikt voor dit
gebruik.
► Bevestig de sticker met de
snelheidslimiet.
Page 203 of 276

201
In geval van pech
8Zekeringnr.Stroomsterkte (A) Functies
F7 10 AUSB-poorten achter.
F8 20 ARuitenwisser achter (SW).
F10 30 ACentrale vergrendeling.
F 11 30 AVergrendeling/ontgrendeling achterklep.
F14 5 ANoodoproep en pechhulpoproep, elektronische eenheid alarmsysteem.
F24 5 AHifi-versterker.
F27 5 ASirene alarmsysteem.
F29 20 ATouchscreen, audiosysteem.
F31 15 A12
V-aansluiting achter.
F32 15 AAansteker / 12
V-aansluiting vóór.
Kast 2
Zekeringnr. Stroomsterkte (A) Functies
F2 10AVerwarmde buitenspiegels.
F3 40 AImpulsruitbediening vóór.
F4 15 ABedieningspaneel bestuurdersportier, geheugenfunctie elektrisch verstelbare stoelen.
F5 40 AImpulsruitbediening achter.
Page 214 of 276

212
In geval van pech
► Maak het afdekplaatje los door op het
onderste gedeelte te drukken.
►
V
erwijder het afdekplaatje door het naar
rechts en vervolgens omlaag te bewegen.
Voor het slepen van uw auto:
►
Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
►
Bevestig de sleepstang.
►
Zet de versnellingsbak in de neutraalstand.
Wanneer deze instructie niet wordt
nageleefd, kunnen bepaalde onderdelen
(rem, transmissie, enz.) beschadigd raken en
kan het zijn dat de rembekrachtiging niet
werkt wanneer de motor een volgende keer
wordt gestart.
Automatische transmissie: sleep de auto nooit met de aangedreven wielen op de
grond terwijl de motor is afgezet.
►
Ontgrendel het stuurwiel en zet de
parkeerrem vrij. ►
Schakel de alarmknipperlichten van beide
auto's in.
►
Rijd voorzichtig weg en houd zowel de
snelheid als de af te leggen afstand beperkt.
Slepen van een andere auto
Toegang tot de sleepoogaansluiting aan de
achterzijde:
► Maak het afdekplaatje los door op het
onderste gedeelte te drukken.
V
oor het slepen van een andere auto:
►
Draai het sleepoog vast tot de aanslag.
►
Bevestig de sleepstang.
►
Schakel de alarmknipperlichten van beide
auto's in.
►
Rijd voorzichtig weg en houd zowel de
snelheid als de af te leggen afstand beperkt.
Page 265 of 276

263
Trefwoordenregister
12V-accu 180, 204–208, 204–209
180° zicht naar achteren
154
A
Aanhanger 88, 172
Aanhangergewichten
213–215, 217–218
Aansluiten MirrorLink
228–229, 249
Aansluiting 12 V
62, 66, 70
Aansteker
62
ABS
86
Accessoires
83, 175
Accu
176
Accu laden
166, 170, 205, 208–209
Achterbank
52
Achterklep
37
Achterlichten
198
Achterruitverwarming
59
Achteruitrijcamera
123, 152, 153
Achteruitrijlicht
198
Actief dodehoekbewakingssysteem
147
Actieradius AdBlue®
19, 180
Actieve motorkap
93
Actieve vering
117
Active Safety Brake
140, 142
Active Suspension Control
117
Adaptieve achterverlichting
73
Adaptieve cruise control met Stop-functie
126
Adaptieve LED-technologie
31, 73
Adaptieve snelheidsregelaar
132
AdBlue®
19, 182
AdBlue® bijvullen 183
AdBlue®-reservoir
183
Afmetingen
219
Afstandsbediening
27–29, 31
Afstellen van de koplamphoogte
75
Airbags
90–93, 96
Airbags vóór
91, 93, 97
Airconditioning
55, 58
Airconditioning met gescheiden regeling
55
Alarmknipperlichten
83, 187
Alarmsysteem
34–35
Algemeen menu
24
Allesdragers
174–175
Android Auto verbinding
249
Antiblokkeersysteem (ABS)
86–87
Antidiefstalsysteem/Startblokkering
29
Antispinregeling (ASR) ~ Antislipregeling
87
Apple®-speler
227, 254
Apple CarPlay verbinding
229, 248
Apps
249
Armleuning achter
67
Armleuning vóór
65
Audiokabel
253
Audioversterker
63
Automatische airconditioning ~
Airconditioning, automatische
58
Automatische airconditioning met
gescheiden regeling
55
Automatische ruitenwissers
82
Automatische transmissie ~ Versnellingsbak,
automatische
112–115, 117, 120, 181, 205
Automatisch inschakelen verlichting
75Automatisch noodremsysteem 140, 142
AUX-aansluiting
227, 253
B
Bagageafdekking 68–69
Bagagenet voor hoge belading
70–71
Bagageruimte
37–38, 41, 72
Banden
181, 220
Banden oppompen
181, 220
Bandenreparatieset
188–189
Bandenspanning
181, 192, 220
Bandenspanningscontrole (met set)
189, 191
Bandenspanning te laag (detectie)
121
Batterij afstandsbediening ~
Afstandsbediening, batterij
32–33, 60
Batterij afstandsbediening vervangen ~
Afstandsbediening, batterij vervangen
32
Batterij (hybride)
166, 170
Bediening autoradio aan stuurkolom ~
Autoradio, bedieningen aan
stuurkolom
222, 237
Bekerhouder
62
Beladen
174–175
Benzinemotor
118, 178, 214
Bergingsauto of trailer (slepen)
210
Bijvullen AdBlue®
180, 183
Binnenspiegel
52
BlueHDi
19, 180, 187
Bluetooth (handsfree set)
230–231, 254–255
Bluetooth (telefoon)
230–231, 254–256