ESP PEUGEOT 508 2023 Instructieboekje (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2023, Model line: 508, Model: PEUGEOT 508 2023Pages: 244, PDF Size: 7.37 MB
Page 4 of 244

2
Inhoud
■
OverzichtOverzicht 4
■
Eco-rijden
1InstrumentenpaneelInformatie voor de bestuurder 10
Digitale instrumentenpanelen 10
Waarschuwings- en verklikkerlampjes 11
Meters 18
Handmatige controle 22
Kilometerteller 22
Boordcomputer 22
10 inch touchscreen 23
Op afstand bedienbare extra functies
(plug-in hybride)
25
2 ToegangElektronische sleutel met afstandsbedieningsfunctie
en geïntegreerde sleutel 27
Sleutelloos instap- en startsysteem 29
Centrale vergrendeling 31
Noodprocedures 32
Alarm 34
Portieren 36
Achterklep 37
Elektrisch bedienbare achterklep 38
Elektrische ruitbediening 41
Panoramadak 43
3Ergonomie en comfortZitpositie 45
Voorstoelen 46
Het stuurwiel verstellen 49
Spiegels 50
Achterbank 51
Verwarming en ventilatie 53
Automatische airconditioning met gescheiden
regeling
54
Ontwasemen - ontdooien voorruit en voorste
zijruiten
57
Voorruitverwarming 57
Ontwasemen - ontdooien achterruit 57
Voorverwarming / -koeling (plug-in hybride) 58
Voorzieningen vóór 58
Plafonniers 62
Sfeerverlichting 62
Voorzieningen achter 63
Voorzieningen in de bagageruimte 63
4Verlichting en zichtLichtschakelaar 69
Richtingaanwijzers 70
Hoogteverstelling van de koplampen 70
Automatisch inschakelen van de koplampen 71
Follow me home- en instapverlichting 71
Automatische verlichtingssystemen - Algemene
aanbevelingen
72
Peugeot Matrix LED Technology 2.0 72
Adaptive Frontlight System 73
Night Vision 74
Ruitenwisserschakelaar 76
Ruitenwisserbladen vervangen 78
Automatische stand ruitenwissers 78
5VeiligheidAlgemene aanbevelingen met betrekking tot de
veiligheid 80
Alarmknipperlichten 80
Claxon 81
Geluidssignaal voor voetgangers (plug-in hybride) 81
Noodoproep of pechhulpoproep 81
Event Data Recorder 83
Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) 84
Veiligheidsgordels 86
Airbags 88
Actieve motorkap 90
Kinderzitjes 91
De airbag vóór aan passagierszijde uitschakelen 93
ISOFIX-kinderzitjes 94
i-Size-kinderzitjes 95
Kinderzitjes plaatsen 96
Kinderbeveiliging 99
6RijdenRijadviezen 101
Starten / afzetten van de motor 103
Plug-in hybrideauto starten 103
Elektrische parkeerrem 105
Automatische transmissie 107
Active Suspension Control 11 0
Rijstanden 11 0
Hill Start Assist 11 2
Schakelindicator 11 3
Stop & Start 11 3
Bandenspanningscontrolesysteem 11 5
Rij- en parkeerhulpsystemen - Algemene
adviezen
11 7
Snelkoppelingen voor rijhulpsystemen 11 8
Verkeersbordherkenning 11 9
Page 5 of 244

3
Inhoud
Snelheidsbegrenzer 123
Snelheidsregelaar - Specifieke adviezen 124
Programmeerbare snelheidsregelaar 125
Drive Assist Plus 126
Adaptieve snelheidsregelaar 127
Lane Positioning Assist 130
Active Safety Brake met Waarschuwing bij kans op
aanrijding en Intelligente noodremassistentie
135
Systeem voor detecteren van onoplettendheid 138
Active Lane Departure Warning 140
Dodehoekbewaking 142
Parkeerhulp 144
Visiopark 1 146
Visiopark 2 148
7Praktische informatieCompatibiliteit van brandstoffen 152
Tanken 152
Tankbeveiliging (diesel) 153
Plug-in hybridesysteem 154
De tractiebatterij opladen (plug-in hybride) 162
Trekhaak 165
Inklapbare trekhaak 165
Dakdragers 167
Sneeuwscherm 168
Sneeuwkettingen 168
Eco-stand 169
Motorkap 170
Onder de motorkap 171
Niveaus controleren 171
Controles 173
AdBlue® (BlueHDi) 175
Vrijloop 177
Onderhoudstips 177
8In geval van pechGevarendriehoek 180
Brandstoftank leeg (diesel) 180
Boordgereedschap 180
Bandenreparatieset 182
Reservewiel 184
Een lamp vervangen 188
Zekeringen 190
12V-accu 190
De auto slepen 195
9Technische gegevensTechnische gegevens motoren en
aanhangergewichten 198
Benzinemotoren 199
Dieselmotoren 200
Motoren van plug-in hybrides 201
Afmetingen 203
Identificatie 203
10 PEUGEOT i-Connect Advanced - PEUGEOTi-Connect
De eerste stappen 205
Aanpassen 208
Stuurkolomschakelaars 209
Applicaties 210
Gesproken commando's 210
Navigatie 212
Connectiviteit 212
Mirror Screen 214
Media 216
Telefoon 218
Instellingen 219
Help 220
11Registratie van autogegevens en privacy
■
Index
■
Bijlage
Page 7 of 244

5
Overzicht
Schakelaars op of rondom het stuurwiel
1.Schakelaar verlichting / richtingaanwijzers /
onderhoudsindicator
2. Bediening ruitenwissers / ruitensproeier /
boordcomputer
3. Schakelflippers automatische transmissie
4. Claxon / airbag vóór aan bestuurderszijde
5. Bediening voor snelheidsregelaar
/ snelheidsbegrenzer / Adaptieve
snelheidsregelaar
6. Bedieningsknoppen van het audiosysteem en
instrumentenpaneel
A. Displaymodus instrumentenpaneel:
Omhoog / Omlaag: keuze van de displaymodus
Drukken: bevestigen van een selectie B.
Kort indrukken: gesproken commando's van het
systeem
Lang indrukken: gesproken commando's van de
smartphone
C. Volume verlagen / verhogen
D. Indrukken: weergave zenders/media
Omhoog / omlaag: selecteren van vorige /
volgende zender / medium / smartphone
Drukken: bevestigen van een selectie
E. Opnemen / ophangen
Toegang tot het oproeplogboek van de
Telefoon-app
F. Selecteren van een audiobron
G. Weergave van de lijst van radiozenders /
muzieknummersSchakelaarpaneel aan de zijkant
1. Elektrisch bedienbare achterklep
2. Lane Positioning Assist
3. Alarm
4. Controlelampje voorverwarmen / voorkoelen
5. Openen van de brandstofvulklep
Schakelaarpanelen in het midden
1. Knoppen voor het HD-touchscreen van 10 inch
Aan / uit en volumeregeling
HOME-toets
Toegang tot de snelkoppelingen voor
rijhulpsystemen
2. Voorruitverwarming
3. Maximale stand van de airconditioning
4. Ontwasemen - ontdooien voorruit en voorste
zijruiten
5. Luchtrecirculatie in het interieur
6. Achterruitverwarming
7. Uitschakelen van de airconditioning
8. Stoelverwarming
Page 10 of 244

8
Eco-rijden
Eco-rijden
Door in de dagelijkse praktijk een aantal
aanwijzingen op te volgen kan de bestuurder het
energieverbruik van zijn auto (brandstof en / of
elektriciteit) en de CO
2-uitstoot optimaliseren.
Het gebruik van de versnellingsbak /
transmissie optimaliseren
Met een automatische transmissie kunt u het
beste de automatische modus gebruiken. Trap het
gaspedaal niet heel diep of plotseling in.
De schakelindicator adviseert u de versnelling
te kiezen die het best geschikt is voor de
rijomstandigheden. Volg het schakeladvies op het
instrumentenpaneel zo snel mogelijk op.
Bij een auto met een automatische transmissie
wordt de schakelindicator alleen in de handmatige
stand weergegeven.
Kies voor een soepele rijstijl
Houd afstand van de auto's voor u, rem bij voorkeur
af op de motor in plaats van het rempedaal te
gebruiken en trap het gaspedaal geleidelijk in.
Op deze manier verlaagt u het energieverbruik
en de CO
2-emissies, en neemt het algemene
geluidsniveau van het verkeer af.
Gebruik bij voorkeur de rijstand Eco door deze te
selecteren met de knop DRIVE MODE.
Bij een EAT8-transmissie kunt u met de
selectiehendel in stand
D, behalve in stand
Sport, de
vrijloop gebruiken door uw voet langzaam helemaal
van het gaspedaal te halen om zo brandstof te
besparen. Wanneer het verkeer goed doorstroomt, kunt u de
snelheidsregelaar inschakelen.
Gebruik de elektrische voorzieningen op de
juiste manier
Als bij het instappen blijkt dat de temperatuur in het
interieur hoog is opgelopen, open dan alle ruiten en
de ventilatieroosters voordat u de airconditioning
inschakelt.
Sluit de ruiten bij snelheden hoger dan 50
km/h,
maar laat de ventilatieroosters geopend.
Maak gebruik van alle voorzieningen die kunnen
bijdragen aan een verlaging van de temperatuur in
het interieur (zoals het zonnescherm van het schuif-/
kanteldak en de zonneschermen van de zijruiten).
Schakel de airconditioning uit zodra de gewenste
temperatuur is bereikt (behalve bij auto's met een
automatische airconditioning).
Schakel de achterruitverwarming en de
ontwaseming uit zodra deze niet meer nodig zijn, als
deze niet automatisch worden geregeld.
Schakel de stoelverwarming zo snel mogelijk uit.
Pas uw gebruik van de (mist)verlichting aan het
zicht aan, in overeenstemming met de geldende
wetgeving in het land waar u rijdt.
Laat de motor vooral 's winters (behalve onder zeer
winterse omstandigheden: bij temperaturen lager
dan -23 °C) na het starten niet stationair draaien. De
auto warmt onder het rijden veel sneller op.
Sluit als passagier zo weinig mogelijk multimedia-
apparaten (voor bijvoorbeeld films, muziek of
spelletjes) aan om het energieverbruik te beperken. Koppel alle draagbare apparatuur los als u de auto
verlaat.
Beperk de oorzaken van een hoger
brandstofverbruik
Verdeel het gewicht gelijkmatig over de auto: plaats
de zwaarste voorwerpen in de bagageruimte zo
dicht mogelijk bij de achterbank.
Beperk de belading en de luchtweerstand van
uw auto (onder meer door dakdragers, imperiaal,
fietsendrager en aanhanger). Gebruik bij voorkeur
een dakkoffer voor het vervoer van bagage op het
dak.
Verwijder de dakdragers en het imperiaal na gebruik.
Vervang de winterbanden na de winter zo snel
mogelijk door zomerbanden.
Houd u aan de onderhoudsvoorschriften
Controleer de bandenspanning regelmatig (bij koude
banden) en houd u daarbij aan de bandenspanning
die staat vermeld op de sticker op de sponning van
het bestuurdersportier.
Controleer de bandenspanning met name:
–
voorafgaand aan een lange rit;
–
bij de wisseling van de seizoenen;
–
als de auto gedurende langere tijd niet is gebruikt.
V
ergeet daarbij het reservewiel en de wielen van
een aanhanger of caravan (indien van toepassing)
niet.
Laat uw auto regelmatig onderhouden
(motorolie verversen, oliefilter, luchtfilter en
interieurfilter vervangen enz.). Houd u aan het
onderhoudsschema van de fabrikant.
Page 22 of 244

20
Instrumentenpaneel
Zet het contact uit, open voorzichtig de motorkap en controleer het
koelvloeistofniveau.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer informatie over het controleren van de
niveaus.
AdBlue®-
actieradiusindicatoren
(BlueHDi)
De BlueHDi-dieselmotoren zijn uitgerust met
een systeem waarbij het roetfilter (FAP) wordt
gecombineerd met het SCR-emissieregelsysteem
(Selective Catalytic Reduction) voor de
nabehandeling van de uitlaatgassen. Deze kunnen
niet functioneren zonder AdBlue
®-vloeistof.
Zodra de reservevoorraad van het AdBlue®-reservoir
is aangesproken (tussen 2400 en 0 km), gaat bij
het aanzetten van het contact een verklikkerlampje
branden en wordt een melding weergegeven die
aangeeft hoeveel kilometer u nog ongeveer kunt
rijden voordat het opnieuw starten van de motor
automatisch wordt geblokkeerd.
Het wettelijk verplichte startblokkeringssysteem wordt automatisch
geactiveerd zodra het AdBlue
®-reservoir leeg is.
De motor kan weer worden gestart nadat
AdBlue
® is bijgevuld tot het minimale niveau.
Handmatige weergave van de
actieradius
Een actieradius van meer dan 2.400 km wordt niet
automatisch weergegeven.
Informatie over de actieradius is toegankelijk via de app Instellingen > Voertuig op het
touchscreen.
►
Selecteer vervolgens
Veiligheid > Diagnose.
Benodigde maatregelen vanwege te
weinig AdBlue®
De volgende waarschuwingslampjes gaan branden
wanneer de hoeveelheid AdBlue® minder is dan de
reservevoorraad die goed is voor een actieradius
van 2.400 km.
Samen met de waarschuwingslampjes herinneren
meldingen u er regelmatig aan dat u het reservoir
moet bijvullen om te voorkomen dat de motor
niet meer kan worden gestart. Zie het hoofdstuk
Waarschuwings- en controlelampjes voor
informatie over de weergegeven meldingen.
Zie het betreffende hoofdstuk voor meer informatie over AdBlue® (BlueHDi) en met
name over het bijvullen ervan.
Waar-
schuwings- /
controle-lampjes aan Actie
Resterende
actieradius
Vul bij.Tussen
2.400
km en
800
km
Vul zo snel
mogelijk bij.Tussen
800
km en
100
km
Bijvullen is
noodzakelijk;
de kans bestaat
dat de motor
niet meer kan
worden gestart.Tussen 100 en
0 km
De motor kan
pas weer starten
als er minimaal
10 liter AdBlue
®
aan de tank is
toegevoegd. 0 km
Bijvullen detecteren
De bijvuldetectie is mogelijk niet meteen
zichtbaar na het toevoegen. Soms moet de
auto enkele minuten rijden voordat de getankte
hoeveelheid wordt gedetecteerd.
Page 39 of 244

37
Toegang
2bevochtigde doek en droog ze vervolgens af met
een zachte doek.
Onderhoud van de afdichtingenDe rubberen deur- en ruitafdichtingen
moeten van tijd tot tijd worden besproeid met
een onderhoudsmiddel op siliconenbasis om
vroegtijdige slijtage en afdichtingsproblemen te
voorkomen.
Zo zorgt u ook dat de portieren makkelijker
opengaan, met name als het vriest in de winter.
Bij een defect van de accu Het ‘micro-descent’ ruitsysteem (om de ruit
iets te laten zakken) werkt mogelijk niet:
►
Open het bestuurdersportier voorzichtig.
►
Laad of vervang de accu.
►
Zet het contact weer aan.
►
Laat alle ruiten iets zakken met behulp van de
elektrische ruitbediening aan de bestuurderszijde.
►
Reset de ruiten.
Achterklep
Openen van de achterklep
► Druk op de middelste knop van de achterklep
wanneer de auto is ontgrendeld, of wanneer de
elektronische sleutel zich in de detectiezone bevindt.
►
Open de achterklep.
Als de selectieve ontgrendeling is geactiveerd, moet de elektronische sleutel
zich bij de achterzijde van de auto bevinden.
De achterklep is niet geschikt voor de bevestiging van een fietsendrager.
Sluiten van de achterklep
► Trek de achterklep omlaag met behulp van de
handgrepen aan de binnenzijde van de klep.
►
Laat de handgrepen los en duw de achterklep
dicht.
Bij een storing of wanneer de achterklep lastig opent en sluit, moet u de auto
onmiddellijk door een PEUGEOT-dealer of in een
gekwalificeerde werkplaats laten nakijken om te
voorkomen dat het probleem verergert en de
achterklep plotseling dicht valt, waarbij ernstig
letsel kan ontstaan.
Noodbediening
Hiermee kan bij een lege accu of een eventuele
storing van de centrale vergrendeling de achterklep
mechanisch ontgrendeld worden.
Ontgrendelen
► Klap de achterbank naar voren om bij het slot in
de bagageruimte te komen.
► Steek een kleine schroevendraaier in de opening
A van het slot om de achterklep te ontgrendelen.
►
V
erplaats de nok naar links.
Vergrendeling na het sluiten
Wanneer de achterklep weer wordt gesloten, wordt
deze weer vergrendeld als het probleem niet is
verholpen.
Page 68 of 244

66
Ergonomie en comfort
► Plaats het linker uiteinde van het
oprolmechanisme in uitsparing 1 achter de zitplaats
links achter.
►
Duw knop
B naar binnen en bevestig het
oprolmechanisme in de uitsparing 2 rechts.
►
Laat de knop los om het bagageafdekscherm te
bevestigen.
►
Rol het scherm uit totdat het vastklikt aan de
stijlen van de bagageruimte.
Bij een noodstop of een aanrijding kunnen voorwerpen op de afdekking van de
laadruimte in gevaarlijke projectielen veranderen.
Bagagenet voor hoge
belading (SW)
Dit verwijderbare net, dat aan de specifieke
bovenste en onderste bevestigingen wordt
vastgemaakt, zorgt ervoor dat de auto tot aan het
dak kan worden beladen:
–
achter de voorstoelen (zitrij 1) wanneer de
achterbank is neergeklapt,
–
achter de achterbank (zitrij 2) wanneer de
bagageafdekking is verwijderd.
Het beschermt de inzittenden bij plotseling remmen.
Zitrij 1
► Klap de achterbank neer.
► V erwijder de hoofdsteunen van de achterbank.
►
Plaats de oprolautomaat van het net boven de
twee rails (op de achterzijde van de neergeklapte
achterbank).
► Schuif de twee rails B in de uitsparingen A en
druk de oprolautomaat van links naar rechts om
deze te blokkeren.
►
Rol het net voor hoge belading uit zonder het
strak te spannen.
►
Plaats een van de uiteinden van de metalen
stang van het net in de desbetreffende bovenste
bevestiging 1.
►
T
rek aan de metalen stang van het net om het
andere uiteinde in de andere bovenste bevestiging
1 te plaatsen.
►
Controleer of het net goed is vastgemaakt en
goed is gespannen.
Plaats de achterbank nooit terug terwijl de oprolautomaat aan de neergeklapte
rugleuning is bevestigd.
Zitrij 2
Page 69 of 244

67
Ergonomie en comfort
3► Rol de bagageafdekking op en verwijder deze
vervolgens.
►
Klap de achterbank neer
.
►
Plaats het linker uiteinde van de oprolautomaat
van het net in de zijsteun 3 vanuit de linkerzijde van
het interieur.
►
Plaats het rechter uiteinde van de oprolautomaat
van het net in de zijsteun 4 vanuit de rechterzijde
van het interieur.
►
Druk op beide zijden om de oprolautomaat vast
te zetten; de rode indicators mogen niet zichtbaar
zijn.
►
Rol het net vanuit de bagageruimte uit.
►
Plaats een van de uiteinden van de metalen
stang van het net in de desbetreffende bovenste
bevestiging 2.
►
T
rek aan de metalen stang van het net om het
andere uiteinde in de andere bovenste bevestiging
2 te plaatsen.
►
Controleer of het net goed is vastgemaakt en
goed is gespannen.
►
T
il de achterbank op en vergrendel deze.
12 V-accessoireaansluiting
► Til, wanneer u een 12 V-accessoire (maximaal
vermogen: 120 W) wilt aansluiten, het kapje op en
sluit een geschikte adapter aan.
►
Zet het contact aan.
Het aansluiten van elektrische apparatuur die niet door PEUGEOT is goedgekeurd,
zoals een lader met USB-aansluitingen, kan
leiden tot storingen in de werking van de
elektrische systemen van de auto, zoals een
slechte radio-ontvangst of storingen in de
weergave van de displays.
Sjorogen
Sedan
SW
De bagageruimte heeft vier sjorogen om de bagage
met verschillende typen bagagenetten op zijn plaats
te houden.
Bij de SW zijn twee van de sjorogen op een vaste
positie bevestigd en zijn de twee andere sjorogen
verplaatsbaar in rails.
Neem voor meer informatie over de diverse netten
contact op met het PEUGEOT-netwerk.
Verplaatsen van een van de verplaatsbare sjorogen:
► Houd de knop ingedrukt en verschuif het sjoroog
in de rail.
►
Laat de knop los om het sjoroog te vergrendelen
wanneer dit zich in de gewenste positie bevindt.
Verwijderen of aanbrengen van een van de
verplaatsbare sjorogen:
►
V
erplaats het sjoroog naar een langwerpige
uitsparing van de rail.
►
Neem de montagerichting in acht: het sjoroog
moet verticaal naar de buitenzijde van de auto zijn
gericht.
Verwar de sjorogen niet met de tassenhaken of de Top
Tether-bevestigingen.
Page 77 of 244

75
Verlichting en zicht
4Werkingsvoorwaarden
– Bij draaiende motor en in de Stop-stand van het
Stop & Start-systeem.
–
Bij weinig licht met naar behoren werkend dimlicht
ingeschakeld.
–
T
emperatuur tussen -30 °C en +28 °C.
–
Snelheid lager dan 160
km/u.
–
Detectie van dieren groter dan 0,5 meter
.
Inschakelen / uitschakelen
Dit kan worden ingesteld in de app ADAS van het touchscreen.
Werking
Als de functie is geselecteerd, maar het display op het instrumentenpaneel en de
waarschuwingen zijn niet beschikbaar (functie
" Night Vision" actief), gaat het controlelampje grijs
branden.
Als er aan alle werkingsvoorwaarden is voldaan, gaat het controlelampje groen
branden: de weergave op het instrumentenpaneel
(als de functie "Night Vision" is geselecteerd) en de
activering van waarschuwingen zijn beschikbaar.
Als aan bepaalde werkingsvoorwaarden (snelheid of temperatuur) niet wordt voldaan,
gaat het controlelampje oranje branden: alleen de
weergave op het instrumentenpaneel is beschikbaar
(functie "Night Vision" actief).
Zolang het omgevingslicht te sterk is of de dimlichten
niet zijn ingeschakeld, zijn de waarschuwingen niet
beschikbaar.
Het detectiebereik van de camera ligt tussen 15 m
(voor voetgangers) en 200 m, afhankelijk van het
zicht.
Het camerabeeld wordt in grijstinten op het
instrumentenpaneel weergegeven, waarbij warme
objecten lichter zijn dan koude objecten.
Wanneer er voetgangers of dieren worden
waargenomen, verschijnen deze in gele kaders.
Wanneer het systeem de kans op een aanrijding met een voetganger of
een dier waarneemt, geeft het een waarschuwing:
op het instrumentenpaneel wordt een van deze
symbolen weergegeven. Het betreffende silhouet
wordt rood omkaderd. Als de functie "Night Vision" niet is geselecteerd,
verschijnt de waarschuwing in een tijdelijk venster.
Bij een waarschuwing kan de bestuurder direct
ingrijpen via een uitwijkmanoeuvre of door te
remmen.
Werkingslimieten
Het systeem werkt in de volgende situaties mogelijk
minder goed of helemaal niet:
–
Bij slecht zicht (bij sneeuwval, zware regenval of
dichte mist).
–
De camera wordt bedekt door sneeuw
, modder
of stof.
–
De camera is bekrast door het herhaaldelijk
wassen van de auto in een wasstraat met draaiende
borstels.
–
Zeer hoge buitentemperatuur
.
–
Aan de top of de voet van een steile helling.
–
Op zeer bochtige wegen.
–
In een bocht.
–
Na een aanrijding waardoor de instellingen van de
camera verstoord zijn of de camera beschadigd is.
–
Als de grille opnieuw is gespoten, maar niet door
het PEUGEOT-dealernetwerk of een gekwalificeerde
werkplaats.
Onderhoudstips
De infraroodcamera beschikt over een
ruitensproeierkop die is aangesloten op het
ruitensproeiersysteem aan de voorzijde van de auto.
De sproeierkop werkt niet telkens wanneer het
ruitensproeiersysteem voor de voorruit wordt
Page 79 of 244

77
Verlichting en zicht
4gesproeid. Dit verbetert het zicht en zorgt dat er
minder ruitensproeiervloeistof wordt gebruikt.
Bij een automatische airconditioning zorgt elke beweging van de
ruitensproeierbediening dat de luchtinlaat tijdelijk
wordt gesloten om te voorkomen dat er geurtjes
in het interieur komen.
Bedien de ruitensproeiers niet zolang het reservoir van de ruitensproeiervloeistof leeg
is; kans op beschadiging van de
ruitenwisserbladen.
Bedien de ruitensproeiers alleen als er geen
risico is van bevriezing van de vloeistof op de
voorruit; hierdoor zou het zicht namelijk kunnen
afnemen. Gebruik tijdens de winter producten die
geschikt zijn voor zeer lage temperaturen.
Vul nooit bij met water.
Ruitenwisser achter (SW)
► Draai aan de ring om het symbool van de
gewenste stand tegenover het merkteken te zetten.
Uit
Intervalstand ruitenwissers
Ruitensproeier / -wisser
Achteruitversnelling
Als de ruitenwissers vóór zijn geactiveerd op het
moment dat u de achteruitversnelling inschakelt,
treedt ook de ruitenwisser achter in werking.
Dit kan worden ingesteld in de app
Instellingen > Voertuig van het
touchscreen.
Wanneer er sneeuw of ijs op de achterruit ligt of als er een fietsendrager op de
trekhaak is gemonteerd, schakel dan de
automatische werking van de achterruitenwisser
uit via de app Instellingen
> Voertuig van het
touchscreen.
Ruitensproeier achter
► Draai de ring zo ver mogelijk en houd de ring in
deze stand.
De ruitensproeier en ruitenwisser werken zolang aan
de ring wordt gedraaid.
Na het sproeien wordt er nog een laatste
wisbeweging gemaakt.
Speciale stand van de
ruitenwissers vóór
De onderhoudsstand wordt gebruikt voor het
reinigen of vervangen van de wisserbladen. De
stand kan ook bij winters weer (ijs en sneeuw)
worden gebruikt om de ruitenwisserbladen los van
de voorruit te zetten.
Voor een goede werking van de ruitenwissers raden wij u het volgende aan:
–
er voorzichtig mee om te gaan.
–
ze regelmatig te reinigen met zeepsop.
–
gebruik de ruitenwissers niet om een stuk
karton tegen de voorruit te houden.
–
ze te vervangen zodra ze tekenen van slijtage
vertonen.
Voordat u een wisserblad van de voorruit
demonteert
Wanneer u de wisserhendel direct na het
uitschakelen van het contact bedient, gaan de
wisserbladen in een verticale positie staan.
►
U kunt vervolgens de gewenste procedure
uitvoeren of de ruitenwisserbladen vervangen.