display Peugeot Boxer 2018 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2018, Model line: Boxer, Model: Peugeot Boxer 2018Pages: 232, PDF Size: 9.15 MB
Page 72 of 232

70
Antispinregeling (ASR)
Inschakelen
Dit systeem wordt telkens wanneer de motor wordt
gestart automatisch ingeschakeld.
Het systeem treedt in werking als de auto grip
verliest of uit de koers dreigt te raken.
Uitschakelen
In bijzondere omstandigheden (als de auto vastzit in
modder, sneeuw, mulle grond, enz.) kan het nuttig
zijn het ASR-systeem uit te schakelen, zodat de
wielen kunnen spinnen en weer grip kunnen krijgen.
F
D
ruk op deze toets om het systeem uit te
schakelen.
Als het lampje van de toets brandt en er een
melding op het display van het instrumentenpaneel
verschijnt, is het ASR-systeem uitgeschakeld.
Weer inschakelen
Het ASR-systeem wordt automatisch weer
ingeschakeld als het contact opnieuw wordt
aangezet.
F
D
ruk nogmaals op deze toets om het systeem
handmatig weer in te schakelen.
Storing
Als dit verklikkerlampje gaat branden
in combinatie met een geluidssignaal
en een melding ter bevestiging op het
display van het instrumentenpaneel,
duidt dit op een storing in het ASR-
systeem.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats. ASR/DSC
Deze systemen zorgen voor meer veiligheid
tijdens het rijden. De bestuurder mag zich
echter nooit laten verleiden tot het nemen van
meer risico's of te hard rijden.
In situaties die tot gladheid kunnen leiden
(regen, sneeuw, ijzel) wordt de kans dat de
wielen hun grip verliezen groter. Het is voor uw
veiligheid dus van het grootste belang dat de
systemen altijd ingeschakeld zijn, zeker als de
omstandigheden gevaarlijker worden.
De goede werking van deze systemen
wordt verzekerd door de naleving van de
voorschriften van de fabrikant met betrekking
tot de wielen (banden en velgen), onderdelen
van het remsysteem, elektronische onderdelen
alsmede van de montageprocedures die door
het PEUGEOT-netwerk worden toegepast.
Voor een doeltreffende werking van deze
systemen onder winterse omstandigheden
is het noodzakelijk de auto te voorzien van
winterbanden voor en achter die ervoor zorgen
dat de wegligging zo neutraal mogelijk is.
Veiligheid
Page 81 of 232

79
In de stand "OFF" werkt de airbag vóór aan
passagierszijde bij een eventuele aanrijding niet.Elke keer dat de motor wordt
gestart, wordt de uitschakelcontrole
bevestigd door het branden van dit
verklikkerlampje in combinatie met een
melding op het display.
De airbag vóór aan
passagierszijde weer
inschakelen.
F Als u het kinderzitje hebt verwijderd, selecteer
dan ON om de airbag weer in te schakelen
en zo de veiligheid van uw voorpassagiers te
garanderen.
5
5
Veiligheid
Page 94 of 232

92
Ontgrendelen
Als tijdens het rijden dit verklikkerlampje
brandt, geeft dit aan dat de parkeerrem
nog (iets) is aangetrokken.
Handgeschakelde
versnellingsbak
Trap om soepel te kunnen schakelen het
koppelingspedaal altijd volledig in.
Om te voorkomen dat de werking van het pedaal
wordt gehinderd:
-
c
ontroleer of de mat goed op zijn plaats ligt,
-
l
eg nooit meerdere matten boven op elkaar.
Laat tijdens het rijden niet uw hand op de
versnellingshendel rusten. Zelfs een lichte belasting
op de pook kan na verloop van tijd slijtage aan de
onderdelen in de versnellingsbak veroorzaken.
Inschakelen van de
achteruitversnelling
Schakel de achteruit pas in als de auto volledig
stilstaat.
De parkeerhulp (afhankelijk van de
uitvoering) wordt bij het inschakelen van de
achteruitversnelling automatisch ingeschakeld;
hierbij klinkt een geluidssignaal.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor
meer informatie over de parkeerhulp .
F
T
rek licht aan de hendel van de parkeerrem en
druk op de knop om de parkeerrem vrij te zetten.
Schakelindicator
Afhankelijk van de uitvoering of de motor adviseert
dit systeem de bestuurder op te schakelen om het
brandstofverbruik te verminderen.
Het is niet verplicht om de aanbevolen versnellingen
ook daadwerkelijk in te schakelen. De keuze van
de optimale versnelling hangt namelijk altijd af van
de situatie op de weg, de verkeersdrukte en de
veiligheid. De bestuurder blijft derhalve altijd zelf
verantwoordelijk voor het al dan niet opvolgen van
de aanwijzing.
De functie kan niet worden uitgeschakeld.
Werking
De bestuurder wordt geadviseerd een
hogere versnelling in te schakelen door
het branden van het pictogram SHIFT
en de weergave van een omhoog
wijzende pijl op het display van het
instrumentenpaneel.
Het systeem past het schakeladvies aan de
rijomstandigheden (helling, belading van de
auto enz.) en de rijstijl van de bestuurder (veel
vermogen nodig, accelereren, remmen enz.)
aan.
Het systeem zal nooit adviseren om de eerste
versnelling of de achteruitversnelling in te
schakelen, noch om terug te schakelen.
F
T
rek de ring onder de pookknop omhoog om de
achteruit in te schakelen.
Zet de pook met beleid in de achteruitversnelling om
bijgeluiden te beperken.
Rijden
Page 96 of 232

94
Bijzonderheden: START-
stand wordt automatisch
geactiveerd
De START-stand kan automatisch worden
geactiveerd als:
-
d
e auto wegrolt op een helling,
-
d
e ruitenwissers vóór in de stand hoge snelheid
werken,
-
d
e airconditioning in werking is,
-
d
e motor ongeveer drie minuten geleden is
afgezet door het Stop & Start-systeem,
-
e
r bepaalde bijzondere omstandigheden
zijn (laadtoestand accu, motortemperatuur,
rembekrachtiging, buitentemperatuur enz.) die
vereisen dat de motor draait.
In dat geval wordt een melding
weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel en gaat dit
verklikkerlampje gedurende enkele
seconden knipperen om vervolgens te
doven.
Dit is volkomen normaal.
Als u bij een auto met een handgeschakelde
v ersnellingsbak in de STOP-stand een versnelling
inschakelt, maar daarbij het koppelingspedaal
niet helemaal intrapt, wordt de motor in sommige
gevallen niet weer gestart.
Er gaat dan een verklikkerlampje branden en/of er
wordt een melding weergegeven die aangeeft dat
u
het koppelingspedaal volledig moet intrappen
om de motor weer te laten starten.
Als de motor automatisch is afgezet
(STOP-stand) en de bestuurder zijn
veiligheidsgordel losmaakt en een
voorportier opent, dan kan de motor
uitsluitend weer met de contactsleutel
worden gestart. Er klinkt een
geluidssignaal in combinatie met het
knipperen van dit verklikkerlampje en
een melding op het display.
Uitschakelen
Als het systeem met de motor in de STOP-
stand wordt uitgeschakeld, dan wordt de motor
onmiddellijk opnieuw gestart.
Als u
wilt dat de airconditioning continu blijft
werken, moet u
het Stop & Start-systeem
uitschakelen.
Het lampje van de toets blijft branden.
F
D
ruk op deze toets om het systeem uit te
schakelen.
Het lampje van de toets gaat branden en er
verschijnt een melding op het display van het
instrumentenpaneel om aan te geven dat het
systeem is uitgeschakeld.
Rijden
Page 97 of 232

95
Weer inschakelen
Storing
F Druk nogmaals op deze toets.
Het systeem is dan opnieuw actief; het lampje
van de toets gaat uit en er wordt een melding
weergegeven.
Bij een storing in het Stop & Start-systeem
wordt het systeem uitgeschakeld, gaat dit
verklikkerlampje branden en wordt er een
melding weergegeven op het display van
het instrumentenpaneel.
Onderhoud
Schakel het Stop & Start-systeem altijd uit
als u handelingen onder de motorkap wilt
uitvoeren, om letsel door het automatisch
activeren van de START-stand te voorkomen.
Het Stop & Start-systeem maakt gebruik van
geavanceerde technologie. Werkzaamheden
aan dit type accu mogen dan ook
uitsluitend door het PEUGEOT-netwerk of
een gekwalificeerde werkplaats worden
uitgevoerd.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Als er in de STOP-stand een storing zou
optreden, kan de motor gestart worden door het
koppelingspedaal volledig in te trappen of door de
versnellingsbak in de neutraalstand te zetten. Dit systeem heeft specifieke kenmerken en maakt
gebruik van een speciale accu (raadpleeg voor
meer informatie het PEUGEOT-netwerk of een
gekwalificeerde werkplaats).
Het gebruik van een andere dan de door PEUGEOT
voorgeschreven accu's kan leiden tot storingen in
het systeem.
Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer
informatie over de accu
.
Hill Start Assist
Dit systeem houdt uw auto bij het wegrijden op
een helling ongeveer 2
seconden op zijn plaats. In
die tijd kunt u
uw voet van het rempedaal naar het
gaspedaal verplaatsen.
Deze in de dynamische stabiliteitscontrole
geïntegreerde functie (ook bekend onder de naam
HHC (Hill Holder Control)) wordt geactiveerd onder
de volgende omstandigheden:
-
d
e auto moet stilstaan met draaiende motor en
het rempedaal ingetrapt,
-
d
e helling moet steiler zijn dan 5%,
-
b
ij het omhoog rijden op een helling moet de
versnellingsbak in de neutraalstand staan
of moet een andere versnelling dan de
achteruitversnelling zijn ingeschakeld,
-
b
ij het afdalen van een helling moet de
achteruitversnelling zijn ingeschakeld.
De Hill Start Assist is een voorziening om het
rijcomfort te vergroten en kan niet gebruikt
worden als elektrische parkeerrem.
6
Rijden
Page 98 of 232

96
Werking
Als u het rempedaal en het koppelingspedaal hebt
ingetrapt, hebt u zodra u het rempedaal loslaat
ongeveer 2
seconden de tijd om, zonder dat de auto
de helling af begint te rollen, gas te geven en weg
te rijden.
Bij het wegrijden wordt de functie automatisch
gedeactiveerd door de remdruk geleidelijk te laten
afnemen. Gedurende deze fase is het mogelijk dat
de remmen hoorbaar zijn, het teken dat de auto in
beweging komt. Verlaat de auto niet in de korte periode dat de
Hill Start Assist in werking is.
Als u
de auto moet verlaten ter wijl de motor
draait, trek de parkeerrem dan handmatig aan
en controleer of het verklikkerlampje van de
parkeerrem brandt.
De Hill Start Assist wordt uitgeschakeld:
-
a
ls u
het koppelingspedaal laat opkomen,
-
a
ls de parkeerrem wordt aangetrokken,
-
a
ls de motor wordt afgezet,
-
a
ls de motor afslaat.
Storing
In het geval van een storing in het
systeem gaat dit verklikkerlampje
branden in combinatie met een
geluidssignaal en een melding ter
bevestiging op het display. Laat
het systeem controleren door het
PEUGEOT-netwerk of door een
gekwalificeerde werkplaats.
Verkeersbordherkenning
Bij dit rijhulpsysteem is de auto voorzien van een
camera boven aan de voorruit.
De camera detecteert de volgende
verkeersbordtypen en geeft de betreffende
informatie in het instrumentenpaneel weer.
-
snelheidslimieten,
-
inhaalverboden,
-
e
inde van hierboven vermelde limieten/
verboden.
Het systeem detecteert hoog en laag aangebrachte
verkeersborden aan de linker- en rechterzijde van
de weg, evenals boven elkaar geplaatste borden.
Het systeem detecteert alleen ronde
verkeersborden.
Rijden
Page 101 of 232

99
Snelheidsbegrenzer
Dit systeem voorkomt dat de auto
de door de bestuurder ingestelde
snelheid overschrijdt.
Het instellen van de maximumsnelheid is mogelijk
bij stilstaande auto met draaiende motor, of
tijdens het rijden als minimaal de 2e versnelling is
ingeschakeld.
De minimale snelheid die ingesteld kan worden is
30
km/h.
De snelheid wordt verhoogd naarmate het
gaspedaal dieper wordt ingetrapt tot aan het zware
punt van het gaspedaal, waarbij de ingestelde
snelheid is bereikt.
Als het gaspedaal tot voorbij het zware punt wordt
ingetrapt, wordt de ingestelde snelheid echter
overschreden. Om de snelheidsbegrenzing te
her vatten laat u
het gaspedaal geleidelijk los en
keert u
terug naar een snelheid onder de ingestelde
snelheid. 1.
Selecteer de snelheidsbegrenzerfunctie.
2. Inschakelen/uitschakelen van de functie.
3. Instellen van een snelheid.
De status van de geselecteerde stand en de
ingestelde snelheid verschijnen op het display van
het instrumentenpaneel.
De snelheidsbegrenzer is niet meer dan
een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de
snelheidslimiet altijd gerespecteerd moet
worden en dat de bestuurder altijd waakzaam
moet blijven.
Selecteren van de functie
F Draai de ring in de onderste stand. De begrenzer is dan geselecteerd,
maar nog niet actief.
Het display geeft OFF en de laatst ingestelde
snelheid weer.
Instellen van een snelheid
Er kan, bij draaiende motor, een snelheid worden
ingesteld zonder de begrenzer in te schakelen.
Verhogen van de ingestelde snelheid:
F
B
eweeg de hendel omhoog (+).
Tik kort om de snelheid met 1
km/h te verhogen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verhogen.
Verlagen van de ingestelde snelheid:
F
B
eweeg de hendel omlaag (-).
Tik kort om de snelheid met 1
km/h te verlagen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verlagen.
6
Rijden
Page 102 of 232

100
Inschakelen/uitschakelen
Overschrijden van de
ingestelde snelheid
F Trap het gaspedaal met kracht in tot voorbij het
weerstandspunt om de
ingestelde snelheid te
overschrijden. Bij een steile afdaling of bij het krachtig
intrappen van het gaspedaal kan de
snelheidsbegrenzer niet voorkomen dat de
ingestelde snelheid wordt overschreden.
Uitschakelen van de functie
F Draai de ring in de
middenstand O of zet het contact af
om het systeem uit te schakelen.
De laatst ingestelde snelheid blijft in het geheugen
opgeslagen.
Storing
Door de eerste keer op de toets te drukken wordt de
snelheidsbegrenzer geactiveerd.
De aanduiding OFF annuleert het scherm en er
wordt een melding weergegeven om het activeren
te bevestigen.
Druk nogmaals op de toets om de begrenzer uit
te schakelen. De aanduiding OFF wordt weer
weergegeven op het display en er wordt een melding
weergegeven om het uitschakelen te bevestigen. De snelheidsbegrenzer wordt tijdelijk uitgeschakeld
en de ingestelde snelheid knippert op het display.
Laat om de begrenzer weer in te schakelen de
snelheid zakken tot een snelheid lager dan de
ingestelde snelheid.
Vaste snelheidsbegrenzer
Als de auto is voorzien van een snelheidsbegrenzer
kan de snelheid vast zijn begrensd
op 90
of 100 km/h.
Deze maximumsnelheid staat aangegeven op een
sticker in het interieur.
Deze vaste snelheidsbegrenzer werkt niet volgens
het principe van een snelheidsregelaar. De
functie kan niet tijdens het rijden worden in- en
uitgeschakeld. Het gebruik van matten die niet door
PEUGEOT zijn goedgekeurd, kan de werking
van de snelheidsbegrenzer hinderen.
Om te voorkomen dat de pedalen blijven
hangen:
-
c
ontroleer of de mat goed op
zijn plaats ligt,
-
l
eg nooit meerdere matten op elkaar.
De ingestelde snelheid wordt gewist en in plaats
daar van verschijnen streepjes op het display.
Laat het systeem controleren door het PEUGEOT-
netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.
Rijden
Page 103 of 232

101
De maximumsnelheid is af fabriek ingesteld op
basis van de regelgeving in het verkoopland.
Deze maximumsnelheid kan niet door de
bestuurder worden gewijzigd.
Als u
de maximumsnelheid wilt wijzigen, neem
dan contact op met het PEUGEOT-netwerk.
Snelheidsregelaar
Om een snelheid op te slaan of het systeem
te activeren moet de rijsnelheid hoger zijn dan
30
km/h en moet minimaal de 2e versnelling zijn
ingeschakeld.
1. Selecteren van de snelheidsregelaar.
2. Inschakelen/uitschakelen van de functie.
3. Instellen van een snelheid. De status van de snelheidsregelaar wordt
aangegeven door een verklikkerlampje in de
toerenteller en meldingen op het display van het
instrumentenpaneel.
Functie geselecteerd.
Functie uitgeschakeld.
Selecteren van de functie
Met behulp van de snelheidsregelaar
kan de bestuurder met een ingestelde
constante snelheid rijden zonder gas te
hoeven geven.
Eerste keer activeren/
instellen van een snelheid
F Breng uw auto met het gaspedaal op de gewenste snelheid. Deze snelheid wordt nu door de auto gehandhaafd.
F
D
raai de ring in de hoogste
stand. De snelheidsregelaar
is geselecteerd, maar nog niet
geactiveerd en er is nog geen
snelheid ingesteld.
Het verklikkerlampje gaat branden op
het instrumentenpaneel. F
B
eweeg de hendel omhoog (+) of omlaag (-) om
de snelheid op te slaan. Ter bevestiging van de
activering wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
De opgeslagen snelheid wordt weergegeven op het
display van het instrumentenpaneel.
Tijdelijk overschrijden van
de ingestelde snelheid
Het is mogelijk gas te geven
en tijdelijk met een hogere
snelheid dan de ingestelde
snelheid te rijden.
Als het gaspedaal wordt losgelaten, wordt de
ingestelde snelheid weer aangenomen.
6
Rijden
Page 104 of 232

102
Uitschakelen (OFF)
Weer inschakelenDe auto neemt de laatst ingestelde snelheid weer
aan.
U kunt ook de procedure "eerste keer activeren"
herhalen.
Ingestelde snelheid
wijzigen
De ingestelde snelheid kunt u op twee manieren
v erhogen:
Zonder het gaspedaal:
Met het gaspedaal:
F
T
rap het gaspedaal in tot de gewenste snelheid
is bereikt, Verlagen van de ingestelde snelheid:
Uitschakelen van de functie
F Draai de ring in de middenstand
O of zet het contact af om het
systeem uit te schakelen.
De ingestelde snelheden worden uit het geheugen
gewist als het contact wordt afgezet.
F
D
ruk op deze toets.
of
F
T
rap het rem- of koppelingspedaal in.
Via een melding op het display van het
instrumentenpaneel wordt de uitschakeling
bevestigd.
F
Druk na het onderbreken van de snelheidsregelaar
op deze toets. Ter bevestiging van het weer
inschakelen wordt een melding weergegeven op
het display van het instrumentenpaneel.
F Beweeg de hendel omhoog (+).
Tik kort om de snelheid met 1 km/h te verhogen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verhogen. F
B
eweeg de hendel omhoog (+) of omlaag (-).
F
B
eweeg de hendel omlaag (-).
Tik kort om de snelheid met 1 km/h te verlagen.
Houd de hendel omlaag om de snelheid in stappen
van 5
km/h te verlagen.
Rijden