sleutel Peugeot Partner 2020 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: PEUGEOT, Model Year: 2020, Model line: Partner, Model: Peugeot Partner 2020Pages: 260, PDF Size: 7.76 MB
Page 228 of 260

226
PEUGEOT Connect Nav
de smartphone en van het systeem
up-to-date te houden. Op deze manier zorgt
u ervoor dat de communicatie tussen de
smartphone en het systeem goed verloopt.
USB-verbinding
Sluit de USB-kabel aan.
De smartphone wordt opgeladen als deze
via een USB-kabel is aangesloten.
Bluetooth-verbinding
Schakel de Bluetooth-functie van de
telefoon in en maak deze zichtbaar voor
alle apparaten (zie het gedeelte "Connect-App").
Wi-Fi-verbinding
Selecteer een Wi-Fi-netwerk dat door het
systeem wordt gedetecteerd en maak
hiermee verbinding.
Deze functie is alleen beschikbaar als
deze is ingeschakeld via de "Notificaties"
of via het menu "Connect-App".
Druk op "Berichten".
Selecteer Wi-Fi om deze in te schakelen.
OF
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Verbinding Wi-Fi-netwerk".
Selecteer het tabblad " Beveiligd", "Niet
beveiligd ", of "Opgeslagen".
Selecteer een netwerk.
Voer, via het virtuele toetsenbord, voor
het netwerk de Wi-Fi, "Sleutel" en het
"Wachtwoord" in.
Druk op "OK" om verbinding tot stand te
brengen tussen de smartphone en het
systeem van de auto.
Beperkingen in gebruik:
– Met CarPlay® is het delen van een
verbinding alleen beschikbaar bij een
Wi-Fi-verbinding.
–
Met MirrorLinkTM is het delen van een
verbinding alleen beschikbaar bij een
USB-verbinding.
De kwaliteit van de diensten is afhankelijk van
de kwaliteit van de netwerkverbinding.
Versturen van gegevens
toestaan.
Druk op Instellingen om het beginscherm
weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Systeemconfiguratie".
Selecteer het tabblad " Stand
privégesprek ".
OF
Druk op "Berichten".
Druk op "Stand privégesprek".
VERVOLGENS
Schakel het volgende in of uit:
–
"Niet delen (gegevens, locatie van de
auto)".
–
"Alleen gegevens delen"
–
"Gegevens en voertuigpositie delen "
Specifieke instellingen voor
online navigatie
Druk op Navigatie om het beginscherm
weer te geven.
Druk op de toets "MENU" om het vervolgscherm
weer te geven.
Selecteer "Instellingen".
Selecteer het tabblad " Kaart".
Schakel het volgende in of uit:
–
"Waarschuwingen voor risicozones
toestaan".
–
"Adviesroute om eindbestemming te voet
te bereiken".
Deze instellingen moeten voor elk profiel worden
geconfigureerd.
Druk op "OK" om uw keuze te
bevestigen.
Selecteer het tabblad " Config.
waarsch.".
Schakel het volgende in of uit:
– "Waarschuwen voor parkeerplaatsen in de
buurt".
– "Melding tankstation ".
– "Waarschuwen voor gevaarlijke zones",
en druk dan op het waarschuwingspictogram
(driehoekje) om waarschuwingen te
configureren.
– "Geluidssignaal ".
– "Waarschuwen nabijheid POI 1 ".
– "Waarschuwen nabijheid POI 2 ".
Druk op "OK" om uw keuze te
bevestigen.
De "Berichten", in de bovenste balk,
kunnen altijd worden geopend.
Waarschuwingen voor gevarenzones
kunnen al dan niet worden weergegeven,
afhankelijk van de betreffende wetgeving en
op het hebben van een abonnement op de
betreffende dienst.
Als "TOMTOM TRAFFIC" wordt weergegeven, zijn de diensten
beschikbaar.
Met online navigatie beschikt u over de
volgende diensten.
Een pakket online diensten:
– Weer,
Page 232 of 260

230
PEUGEOT Connect Nav
Druk op "Voertuig-apps" om de startpagina van
de apps te openen.
Internet-browser
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op "Connectiviteit" om de functie
"Connected-apps" te openen.
Druk op "Connected-apps" om de startpagina
van de browser te openen.
Selecteer het land waar u woont.
Druk op "OK" om uw keuze op te slaan
en de browser te starten.
De internetverbinding komt tot stand via
een van de netwerkverbindingen van de
auto of van de gebruiker.
Bluetooth-verbinding®
De beschikbaarheid van de diensten is
afhankelijk van het netwerk, de simkaart
en de compatibiliteit van de gebruikte
Bluetooth-apparaten. Raadpleeg de
gebruikershandleiding van de smartphone om
te kijken welke diensten beschikbaar zijn.
De functie Bluetooth moet zijn
ingeschakeld, en de smartphone moet
zijn ingesteld op "zichtbaar voor alle
apparaten".
Controleer of de door de smartphone en het
systeem weergegeven code identiek zijn om het
koppelen, met wat voor methode dan ook (via de
smartphone of via het systeem), te voltooien.
Wanneer het koppelen niet lukt, raden wij
u aan om op de smartphone de functie
Bluetooth uit te schakelen en weer in te
schakelen.
Procedure via de smartphone
Selecteer de naam van het systeem in de
lijst met gedetecteerde apparaten.
Accepteer, in het systeem, het verzoek om
verbinding met de smartphone te maken.
Procedure via het systeem
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Druk op "Bluetooth-verbinding ".
Selecteer "Zoeken".
Er wordt een lijst met de gedetecteerde
smartphones weergegeven.
Selecteer in de lijst de naam van de
gekozen smartphone.
Afhankelijk van het type smartphone, wordt u gevraagd om de overdracht van
uw contacten en berichten goed te keuren.
Verbinding delen
De smartphone kan via 3 verschillende profielen
via het systeem worden verbonden:
–
"Telefoon" (handsfree-set, uitsluitend
telefoon),
–
"Streaming" (streaming: draadloos
audiobestanden via de smartphone afspelen),
–
"Gegevens mobiel internet".
Het profiel "Gegevens mobiel internet"
moet worden geactiveerd voor online
navigatie (wanneer voor de auto geen
"noodoproep of pechhulpoproep"-diensten
beschikbaar zijn), nadat eerst het delen van
de verbinding van de smartphone is
geactiveerd.
Selecteer één of meer profielen.
Druk op "OK" om te bevestigen.
Wi-Fi-verbinding
Verbinding met het netwerk via Wi-Fi van de
smartphone.
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Verbinding Wi-Fi-netwerk".
Selecteer het tabblad " Beveiligd", "Niet
beveiligd ", of "Opgeslagen".
Selecteer een netwerk.
Voer, via het virtuele toetsenbord, voor
het netwerk de Wi-Fi, "Sleutel" en het
"Wachtwoord" in.
Druk op "OK" om de verbinding tot stand
te brengen.
De Wi-Fi-verbinding en Wi-Fi-verbinding
delen kunnen niet tegelijkertijd worden
gebruikt.
Wi-Fi-verbinding delen
Een lokaal Wi-Fi-netwerk aanmaken via het
systeem.
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Wifi-verbinding delen ".
Selecteer het tabblad " Activering" om Wi-Fi-
verbinding delen in- of uit te schakelen.
En/of
Selecteer het tabblad " Instellingen" om de
netwerknaam en het wachtwoord van het
systeem te wijzigen.
Druk op "OK" om te bevestigen.
Om alle systemen te beschermen tegen
niet-geautoriseerde toegang en om deze
zo goed mogelijk te beveiligen, wordt het
Page 233 of 260

231
PEUGEOT Connect Nav
12Selecteer een netwerk.
Voer, via het virtuele toetsenbord, voor
het netwerk de Wi-Fi, "Sleutel" en het
"Wachtwoord" in.
Druk op "OK" om de verbinding tot stand
te brengen.
De Wi-Fi-verbinding en Wi-Fi-verbinding
delen kunnen niet tegelijkertijd worden
gebruikt.
Wi-Fi-verbinding delen
Een lokaal Wi-Fi-netwerk aanmaken via het
systeem.
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Wifi-verbinding delen ".
Selecteer het tabblad " Activering" om Wi-Fi-
verbinding delen in- of uit te schakelen.
En/of
Selecteer het tabblad " Instellingen" om de
netwerknaam en het wachtwoord van het
systeem te wijzigen.
Druk op "OK" om te bevestigen.
Om alle systemen te beschermen tegen
niet-geautoriseerde toegang en om deze
zo goed mogelijk te beveiligen, wordt het
gebruik van een complexe beveiligingscode
of een wachtwoord aanbevolen.
Verbindingen beheren
Druk op Connect-App om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Verbinding beheren ".
Via deze functie kunt u zien welke online
diensten u gebruikt en welke beschikbaar zijn,
en kunt u de verbindingsmethode wijzigen.
Radio
Een radiozender selecteren
Druk op Radio Media om het
beginscherm weer te geven.
Druk op "Frequentie".
Druk op een van de toetsen om
automatisch naar radiozenders te zoeken.
Of
Verplaats de schuifbalk om handmatig
naar andere frequenties te zoeken.
Of
Druk op Radio Media om het
beginscherm weer te geven.
Druk op de toets "OPTIES" om het
vervolgscherm weer te geven.
Selecteer "Zenderlijst" op het
vervolgscherm.
Druk op "Frequentie".
Voer de frequentie in via het virtuele
toetsenbord.
Voer eerst de eenheden in, en klik dan op het
veld voor decimalen om de waarden achter het
decimale punt in te voeren.
Druk op "OK" om te bevestigen.
De radio-ontvangst kan worden verstoord
door het gebruik van elektrische
apparatuur die niet door het merk is
goedgekeurd, zoals een USB-lader die is
aangesloten op de 12 V-aansluiting.
Er kunnen storingen in de ontvangst optreden
door obstakels in de omgeving (bergen,
gebouwen, tunnels, parkeergarages, enz.),
ook als de RDS-functie is ingeschakeld. Dit
fenomeen is heel normaal bij de transmissie
van radiogolven, en geven in geen geval een
defect van het audiosysteem aan.
Een zender opslaan
Selecteer een zender of een frequentie.
(zie de desbetreffende rubriek).
Druk op "Voorkeuzezenders".
Houd de toets waaronder u de zender wilt
opslaan lang ingedrukt.
Page 246 of 260

244
Trefwoordenregister
Brandstoftank 143–144, 143–145
Brandstof tanken
143–144
Brandstoftank leeg (diesel)
160
Brandstofverbruik
7
Brandstofvuldop ~
Brandstoftankdop
143–144
Brandstofvulklep ~
Brandstoftankklep
143–144
Buitenlandse reizen
68
Buitenspiegels
45–46, 63, 132
C
Carrosserie 159
Carrosserie-onderhoud
159
CD
194, 207
CD MP3
194–195, 207
CD-/MP3 -speler
194–195
Centrale vergrendeling
25, 29–30
Claxon
79
Connectiviteit
228
Contact
99, 236
Contact aangezet
99
Controlelampjes
11
Controles
151, 154–155
D
DAB (Digital Audio Broadcasting) -
Digitale radio
192–193, 206, 232
Dagrijverlichting 170
Dakklep
37
Dashboardkastje
49
Datum (instellen)
213, 238
Datum instellen
213, 238
Detectie obstakels
135
Detectie te lage bandenspanning ~
Bandenspanning, detectie
110–111, 163
Dieselmotor
143, 151, 160, 186–187
Digitale radio - DAB
(Digital Audio Broadcasting)
192, 206, 232
Dimlicht
67, 168–169
Dodehoekbewaking
132, 133, 134
Draadloze lader
51
Dynamische noodrem
101–103
E
Eco-mode ~ Eco-modus 149
Eco-rijden (adviezen)
7
Electronic Stability Program (ESC)
80, 82
Elektrisch bedienbare schuifdeur
29–30, 36
Elektrisch bediende handrem ~
Handrem, elektrisch bediend
100–103, 155
Elektrische ruitbediening
40
Elektronische remdrukregelaar (REF)
79
Elektronische remdrukregelaar (REF) ~
Electronic Brake Force Distribution (EBD)
79–80
Elektronische sleutel
24–25, 100
Elektronische startblokkering ~
Startblokkering, elektronische
96
Elektronisch Stabiliteits
Programma (ESP)
79–82
ESP (Elektronisch Stabiliteits Programma)
79
Etiketten
4
Extra verwarming
38, 63–65
F
Flacon AdBlue® 156
Flessenhouder
49
Follow me home-verlichting
25
Follow me home verlichting ~
Follow-me-home-verlichting
69
Frequentie (radio)
232
Functie snelweg (richtingaanwijzers)
68
G
Gekoppeld navigatiesysteem 225–228
Gereedschap
161
Gesproken commando's ~
Spraakcommando's
219–222
Gewichten
185–187
GPS
225
Grootlicht
67, 168, 170
Grootlichtassistent
70, 133
Page 249 of 260

247
Trefwoordenregister
R
Radar (waarschuwingen) 11 2
Radio
191–192, 205, 207, 231–232
Radiozender
191, 205, 231–232
RDS
205, 232
Regeling luchtopbrengst ~
Aanjager, regeling
60
Regeling luchtverdeling ~ Luchtverdeling
60
Regelmatige controles ~ Controles
154–155
Regelmatig onderhoud
113, 154
Regeneratie roetfilter
154
Reinigen (adviezen)
158–159
Rembekrachtigingsysteem
79–80
Remblokken
155
Remlichten
171
Remmen
155
Remschijven
155
Remvloeistof
153
Reservewiel
111, 155, 160–161, 164–165, 167
Reservoir ruitensproeiers ~
Ruitensproeierreservoir
153
Resetten
bandenspanningscontrolesysteem
111
Richtingaanwijzers
68, 68–69, 68–69,
168, 170–171, 171
Rijadviezen
7, 95
Rijden
95
Rijhulpcamera (waarschuwingen)
11 2
Rijhulpsystemen (algemene adviezen)
11 2
Rijstrookcontrolesystemen
79–80
Rijverlichting
67
Roetfilter 153–154
Ruitensproeier achter
72
Ruitensproeiers vóór
72
Ruitenwisser achter
72
Ruitenwisserbladen (vervangen)
73
Ruitenwisserbladen vervangen
73
Ruitenwissers
71, 74
Ruitenwisserschakelaar
71–72, 74
Ruitenwissers vóór
72
S
Schakelaars stoelverwarming ~
Stoelverwarming, schakelaars
44
Schakel sneeuwketting
145
Schuifdeuren
36
SCR (Selective Catalytic Reduction)
155
SCR-systeem
155
Selectiehendel automatische
transmissie ~ Schakelen
automatische versnellingsbak
105–108
Selectiehendel handgeschakelde
versnellingsbak ~ Schakelen elektronisch
bediende versnellingsbak
104–105
Selectieve ontgrendeling
26, 28
Sensoren (waarschuwingen)
11 3
Serienummer auto
188
Set voor tijdelijke bandenreparatie ~
Bandreparatieset
160–164
Sierdeel
167
Signalering onoplettendheid
134–135
Sjorogen 52
Sleepoog
179
Slepen
178
Slepen van een auto
178–180
Sleutel
24–25, 27–29, 31
Sleutel met afstandsbediening
29–30
SMS
237
Sneeuwkettingen
111, 145
Snelheidsbegrenzer
116–119, 126
Snelheidslimietherkenning
114–115
Snelheidsregelaar
116, 119, 121–122, 125–126
Snelheidsregeling met
snelheidslimietherkenning
11 6
Soort lamp
168
Spaarfase
149
Sproeiers, verwarmd
62
Starten
175
Starten dieselmotor ~
Dieselmotor starten
143
Starten van de auto
98, 100, 105–108
Starten van de motor
97
Steunstang voor lange voorwerpen
37
Stickers
159
Stickerset
159
Stilzetten van de auto
99–100, 105–108
Stoelen achter ~ Achterbank
42, 46, 48, 90
Stoelen verstellen
43
Stoelverwarming
44
Stop & Start
23, 59, 62, 109–110,
143, 150, 154, 175, 178
Streaming audio Bluetooth
195, 207, 233
Stuurwiel (verstellen)
45
Page 250 of 260

248
Trefwoordenregister
Supervergrendeling 30–31
Surround Rear Vision
138
Synchroniseren afstandsbediening
33
Synchroniseren van de afstandsbediening ~
Afstandsbediening synchroniseren
33
T
Tankbeveiliging 144–145
Technische gegevens
185–187
Te laag brandstofniveau ~
Brandstofniveau
143–144
Telefoon
51, 196–198, 210–212, 234–237
Teller
11 3
Temperatuurregeling
60
Tijdelijke bandenspanning (met set) ~
Banden, noodreparatie
161, 163
Tijd instellen
213, 239
TMC (verkeersinformatie)
225
Toegang tot het reservewiel
164–165
Toevoer van buitenlucht ~ Luchttoevoer
(bediening)
60
Trailer Stability Management (TSM)
81
Trekhaak
81, 146
Tweepersoons voorbank
46–48, 84
Tweezitsbank vóór
46–48
U
Uitgebreide verkeersbordherkenning 11 7
Uitneembaar luik
54
Uitschakelen airbag passagier ~
Passagiersairbag uitschakelen
87, 91
Uitschakelen ASR/CDS (ESC)
80
USB
193, 207, 228, 233
USB-aansluiting
50, 193, 207, 228, 233
USB-poort
193, 207, 233
V
Veiligheidsgordels 84–85, 92
Veiligheidsvoorzieningen
voor kinderen
87, 89–92
Veiligheidsvoorzieningen voor kinderen ~
Kinderen
(veiligheidsvoorzieningen)
87, 89–92
Ventilatie
58–59, 63–65
Ventilatieroosters
58
Verbonden apps
229–230
Vergrendelen
24–25, 29–30
Vergrendeling van binnenuit
33–35
Verkeersinformatie (TA)
191
Verkeersinformatie (TMC)
225
Verklikkerlampjes
67
Verklikkerlampjes ~ Controlelampjes
11
Verklikkerlampjes ~
Waarschuwingslampjes
11
Verklikkerlampje veiligheidsgordel bestuurder
niet vastgemaakt ~ Gordellampje
85
Verklikkerlampje veiligheidsgordels ~
Gordel (lampje)
85
Verlichting
67
Verlichting overdag ~
Dagrijverlichting
69, 168–169
Verversen
152
Vervuiling van het roetfilter (diesel)
154
Verwarming
58–59, 62–65
Video
233
Volledig ontgrendeld
26, 28
Voorruitverwarming
62–63
Voorstoelen
42–44, 46–48
W
Waarschuwing kans op aanrijding 126–127
Waarschuwing oplettendheid
bestuurder
134–135
Waarschuwingssignaal sleutel in contact
99
Waarschuwing vergeten verlichting
68
Wassen
11 3
Wassen (adviezen)
158–159
Webbrowser
225, 230
Wiel demonteren
165–167
Wiel monteren
165–167
Wiel verwisselen
161, 164
WiFi-netwerkverbinding
230–231
Window-airbags
88–89
Z
Zekeringen 172–174
Zekeringen vervangen
172–174
Zekeringkast dashboard
172