ESP Seat Alhambra 2016 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2016, Model line: Alhambra, Model: Seat Alhambra 2016Pages: 340, PDF Size: 7.27 MB
Page 138 of 340

Bedienen
ATTENTIE
Het stads- of dagrijlicht is niet helder genoeg
om de weg v
oor u voldoende te verlichten of
door andere verkeersdeelnemers te worden
gezien.
● Schakel daarom 's nachts, bij regen of bij
slecht
zicht altijd het dimlicht in. ATTENTIE
Als de koplampen te hoog zijn afgesteld en
het grootlic ht
verkeerd wordt gebruikt, kun-
nen overige weggebruikers hierdoor worden
afgeleid en verblind. Dit kan ernstige onge-
vallen tot gevolg hebben.
● Zorg er altijd voor dat de koplampen correct
zijn afge
steld.
● Gebruik nooit het grootlicht of het groot-
lichtsign
aal wanneer dat andere weggebrui-
kers kan verblinden. Knipperlicht- en grootlichthendel
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 25
Comfortlichten
Beweeg voor de comfortlichten de hendel
omhoog of omlaag tot aan het punt waar u
enige weerstand voelt en laat de hendel los.
Het knipperlicht knippert driemaal. De comfortlichten worden in- en uitgescha-
keld in het menu
Licht & Zicht op het
di
splay van het instrumentenpaneel
››› pag. 26. Bij wagens die niet over het
menu Licht & Zicht beschikken, kan de
functie in een gespecialiseerde werkplaats
worden gedeactiveerd. Let op
● Indien de comfor tknip
perlichten in werking
zijn (driemaal knipperen) en het comfortknip-
perlicht van het tegenoverliggende deel
wordt geactiveerd, dan stopt het actieve deel
met knipperen en knippert het licht slechts
eenmaal in het nieuwe deel dat is geselec-
teerd.
● Het knipperlicht werkt alleen bij ingescha-
keld cont
act. De alarmlichten werken ook
wanneer het contact is uitgeschakeld ››› pag.
84.
● Als er een storing in een van de knipper-
lichten v
an de wagen of van de aanhangwa-
gen is, knippert het controlelampje twee keer
zo snel als normaal.
● Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld
dimlicht
worden aangezet. Lichten en zicht: functies
Parkeerlicht
W anneer het
park
eerlicht ingeschakeld is
(rechter of linker knipperlicht), gaan het
stadslicht voor en het achterlicht aan de des- betreffende zijde van de wagen branden. Het
parkeerlicht
brandt alleen bij uitgeschakeld
contact.
Dagrijlicht
De dagrijverlichting vermindert het risico op
ongevallen, door de zichtbaarheid van uw
wagen te verhogen. Het betreft in de kop-
lamp ingebouwde lichten die telkens aan-
gaan bij het inschakelen van het contact in-
dien de bediening van de lichten zich in
stand of 0 bevindt.
Wanneer de lichtschakelaar in stand
staat, schakelt een lichtsensor automatisch
de verlichting van de instrumenten en van de
schakelaar in en uit.
Automatische rijlichtregeling
De automatische rijlichtregeling is slechts
een hulp en kan niet alle rijsituaties herken-
nen.
Wanneer de lichtschakelaar in stand
staat, worden automatisch de lichten van de
wagen en de verlichting van de instrumenten
en schakelaars in- en uitgeschakeld in de vol-
gende omstandigheden ››› :
136
Page 141 of 340

Lichten en zicht
Let op
● In het menu Licht & Zicht kan de duur
v an de uit
schakelvertraging van de koplam-
pen worden ingesteld en de functie worden
geactiveerd of gedeactiveerd ›››
pag. 26.
● Als de functie "Coming home" ingescha-
keld is, k
linkt er bij het openen van het por-
tier geen akoestisch signaal als waarschu-
wing dat het licht nog aan is. Noodknipperlichten
Afb. 140
In het midden van het instrumenten-
p aneel: drukknop
voor al
armlichten.Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 25
Raadpleeg de wettelijke vereisten voor con-
trole van een defecte wagen. In veel landen
is het bijvoorbeeld verplicht om alarmlichten
aan te zetten en een reflecterend vest te ge-
bruiken ››› pag. 84. Bij het gesleept worden en met de alarmlich-
ten aan, kan een v
erandering van rijrichting
of van rijvak worden aangegeven met de hen-
del van de knipperlichten. Het knipperen van
de alarmlichten wordt tijdelijk onderbroken.
Als de wagen dienst weigert:
Parkeer de wagen op een veilige afstand
van het wegverkeer op een vlakke on-
dergrond ››› .
Sc h
ak el
de alarmlichten in met de toets
› ››
afb
. 140.
Sc h
akel de elektronisch parkeerrem in
››› pag. 197.
Zet de keuzehendel in de tussenstand of
in de stand P ››› pag. 202.
Zet de motor af en trek de sleutel uit het
contactslot ››› pag. 192.
Laat alle inzittenden uitstappen en op
voldoende afstand van het wegverkeer
wachten, bijvoorbeeld achter de van-
grail.
Neem bij het uitstappen alle autosleu-
tels mee.
Gebruik de gevarendriehoek om andere
verkeersdeelnemers te waarschuwen
voor de positie van uw wagen.
Laat de motor voldoende afkoelen en
vraag indien nodig hulp aan gespeciali-
seerd personeel.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9. Werken de alarmlichten niet, dan moet u de
overige
verkeersdeelnemers op een andere -
wettelijk toegestane - wijze op uw wagen at-
tenderen. ATTENTIE
Een defecte wagen in het verkeer brengt een
verhoogd ris ic
o op ongevallen met zich mee,
zowel voor de inzittenden als voor de andere
weggebruikers.
● Breng de wagen tot stilstand zodra dit op
een veilig
e wijze mogelijk is. Parkeer de wa-
gen op een veilige afstand van het wegver-
keer en sluit alle deuren af in geval van nood.
Zet de alarmlichten aan om andere wegge-
bruikers te waarschuwen.
● Laat kinderen of gehandicapten nooit al-
leen achter in de w
agen als alle portieren zijn
vergrendeld. Hierdoor zouden de inzittenden
in de wagen in geval van nood opgesloten
kunnen komen te zitten. Opgesloten perso-
nen kunnen aan extreem hoge of lage tempe-
raturen blootstaan. ATTENTIE
De onderdelen van het uitlaatsysteem kun-
nen enorm heet wor den. Dit
kan brand of aan-
zienlijke schade veroorzaken.
● Parkeer de wagen zo dat geen enkel onder-
deel van het
uitlaatsysteem in aanraking kan
komen met brandbare materialen (zoals
droog gras of brandstof). » 139
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 142 of 340

Bedienen
Let op
● De wag en
accu zal ontladen als de alarm-
lichten te lang aangeschakeld blijven (zelfs
met het contact uit).
● In sommige wagens knipperen de remlich-
ten bij het bruu
sk remmen bij een snelheid
van ongeveer 80 km/u (50 mph) om voertui-
gen achter u te waarschuwen. Als u blijft rem-
men, zullen de alarmlichten automatisch wor-
den ingeschakeld bij een snelheid van minder
dan 10 km/u (6 mph). De remlichten blijven
aan. Als u gas geeft, worden de alarmlichten
automatisch weer uitgeschakeld. Koplampen afdekken
In die landen waar aan de andere kant van de
w
e
g w or
dt gereden dan in het land van her-
komst, kunnen tegenliggers door het asym-
metrisch dimlicht verblind worden. Daarom
dient u, als u in het buitenland rijdt, de ko-
plampen af te plakken of aan te passen.
De richting van de koplampen kan in het in-
strumentenpaneel worden aangepast, in het
submenu Reislamp van het menu Confi-
guratie ›››
pag. 30.
Bij wagens waarvan de koplampen niet van-
uit het menu kunnen worden afgesteld, moe-
ten bepaalde zones van het glas van de ko-
plampen met stickers worden afgeplakt of
moeten de koplampen in een gespecialiseer-
de werkplaats worden aangepast. Ga voor nadere informatie naar een gespecialiseerde
werkplaats.
SEAT raadt u aan om een Techni-
sche Dienst te raadplegen. Let op
Het gebruik van de projectorlampen en
stick er
s op de koplampen is alleen toege-
staan als deze gedurende een korte tijd ge-
bruikt zullen worden. Als u de projectie van
de koplampen definitief wilt veranderen,
wendt u zich dan tot een gespecialiseerde
werkplaats. SEAT raadt aan om de Technische
Dienst te raadplegen. Lichtbundelhoogteverstelling, verlich-
tin
g
van het
instrumentenpaneel en
schakelaars Afb. 141
Naast het stuur: regelaar instrumen-
t en- en s
ch
akelaarverlichting 1 en regelaar
lic ht
bu
ndel-hoogteverstelling 2 . 1
Instrumenten- en schakelaarverlichting
Bij in g
es
chakelde verlichting kunt u de sterk-
te van de instrumenten- en schakelaarverlich-
ting regelen door schakelaar ››› afb. 141 1 te draaien.
2 Lichtbundel-hoogteverstelling
D e lic
htb
undel-hoogteverstelling ››› afb. 141
2 past zich afhankelijk van de waarde van
de lic ht
bu
ndel van de koplampen aan de be-
ladingstoestand van de wagen aan. Hierdoor
heeft de bestuurder een zo goed mogelijk
zicht terwijl tegenliggers niet worden ver-
blind ››› .
U k u
nt de k
oplampen alleen verstellen als
het dimlicht aan staat.
Draai voor afstellen de knop ››› afb. 141 2 :
WaardeBeladingstoestand
a)
van de wagen
–Voorstoelen bezet en bagageruimte leeg
1Alle plaatsen bezet en bagageruimte leeg
2Alle plaatsen bezet en bagageruimte vol.
Met aanhangwagen met minimale kogeld-
ruk
3Alleen de bestuurdersstoel bezet en baga-
geruimte vol. Rijden met aanhangwagen
met maximale kogeldruk.
a) Indien de beladingstoestand van de wagen niet in het over-
zicht voorkomt, kunnen ook tussenstanden geselecteerd wor-
den.
140
Page 154 of 340

Bedienen
De zittingen kunnen elektrisch verwarmd
w or
den indien het c
ontact is ingeschakeld. In
een aantal uitvoeringen wordt ook de rugleu-
ning verwarmd.
Schakel de stoelverwarming uit als niemand
daar plaats neemt.
FunctieActie ››› afb. 154, ››› afb. 155
ActiverenIndrukken toets . De stoelverwar-
ming staat aan op de maximale
stand.
Verwarmingsca-
paciteit instel-
lenDruk verschillende malen op de toets, tot de gewenste intensiteit is in-
gesteld.
UitschakelenDruk herhaaldelijk op de toets tot
alle controlelampjes ››› afb. 154,
››› afb. 155 doven. ATTENTIE
Een verkeerd gebruik van de stoelfuncties
kan erns tig l
etsel veroorzaken.
● Neem vóór het rijden de juiste zithouding
aan en blijf tijdens
het rijden zo zitten. Dit
geldt ook voor de andere inzittenden.
● Verstel het stoelgeheugen enkel wanneer
de wagen sti
lstaat.
● Schakel de lendenmassagefunctie enkel in-
en uit wanneer de wag
en stilstaat.
● Houd handen, vingers, voeten en andere li-
chaamsdelen s
teeds verwijderd van de wer-
kings- en afstelradius van de stoelen. ATTENTIE
Personen waarvan de gewaarwording van pijn
en warmte beïn vloed i
s door inname van be-
paalde medicijnen, paraplegie of chronische
ziekte (bijv., diabetes), lopen het risico op
brandwonden aan de rug, het zitvlak en de
benen door het gebruik van de stoelverwar-
ming. Dit kan een lang herstelproces of on-
volledige genezing met zich meebrengen.
Raadpleeg een arts indien u twijfels hebt over
uw eigen gezondheidstoestand.
● Personen met een beperkte gewaarwording
van pijn en warmte mog
en de stoelverwar-
ming nooit gebruiken. VOORZICHTIG
● Om de ver w
armingselementen van de
stoelverwarming niet te beschadigen, mag u
nooit op de stoelen knielen noch geconcen-
treerde druk uitoefenen op een enkel punt
van de zitting of rugleuning.
● Vloeistoffen, scherpe voorwerpen en isole-
rende materi
alen op de stoel kunnen de
stoelverwarming beschadigen.
● Indien u een geur waarneemt, dient u de
stoelver
warming onmiddellijk uit te schake-
len en te laten controleren in een gespeciali-
seerde werkplaats. Milieu-aanwijzing
Gebruik de stoelverwarming niet langer dan
strikt nodig. Ander s
wordt onnodig veel
brandstof verbruikt. Massagefunctie van lendensteun*
Afb. 156
Aan de zijkant van de voorstoel:
t oets
v
oor de massagefunctie van lenden-
steun. Tijdens de massagefunctie beweegt de len-
den
s
teu
n om de lumbale zone van de rug te
masseren. Tijdens de werking kan de welving
van de lendensteun met het overeenkomsti-
ge bedieningselement aangepast worden
aan de persoonlijke voorkeur ››› pag. 58.
Aansluiting
● Druk op de toets van het bedieningspa-
neel
v an de s
toel.
Uitschakelen ● Druk opnieuw op de toets van het be-
dienin g
sp
aneel van de stoel.
152
Page 166 of 340

Bedienen
●
Als er per
sonen op de stoelen van de derde
zitrij zitten, dan moet de hoedenplank altijd
achter die zitrij geplaatst worden. ATTENTIE
Voorwerpen die niet of slecht vastgemaakt
z ijn, of dier en op de hoedenp
lank in de baga-
geruimte kunnen ernstig letsel veroorzaken
als gevolg van een bruuske manoeuvre, hard
remmen of een ongeval.
● Plaats geen harde, zware of puntige voor-
werpen (los of
in tassen) op de hoedenplank
in de bagageruimte.
● Vervoer nooit dieren op de hoedenplank. Scheidingsnet*
Afb. 166
Klap het scheidingsnet uit 1 en
w eer dic ht
2 en
3 . Afb. 167
In de bagageruimte: Scheidingsnet
ac ht
er de tw eede
zitrij inbouwen. Het scheidingsnet voorkomt dat voorwerpen
uit
de b
agag
eruimte in de passagiersruimte
resp. in de bestuurdersruimte terecht kunnen
komen.
Voor het inbouwen van het net moet u het
net uit de tas halen en uitklappen.
Scheidingsnet uitklappen
De dwarssteunen van het scheidingsnet
››› afb. 166 1 volledig uitklappen in de rich-
tin g
van de pijl
uit tot een "klik" te horen is.
Scheidingsnet achter de tweede zitrij inbou-
wen
● Haak het scheidingsnet in de steun die zich
linksacht
er in het dak bevindt ››› afb. 167. Let
164
Page 168 of 340

Bedienen
ATTENTIE
Ongeschikte of beschadigde touwen of span-
banden ku nnen b
ij bruusk remmen of onge-
vallen gaan scheuren. Hierdoor kunnen voor-
werpen door het interieur schieten en ernstig
of dodelijk letsel veroorzaken.
● Gebruik altijd geschikte of onbeschadigde
touwen of
spanbanden.
● Maak de touwen en spanbanden aan de be-
vestigin
gsogen vast.
● Losse bagage in de bagageruimte kan plot-
seling ver
schuiven en de gedrag van de wa-
gen veranderen.
● Maak kleine en lichte voorwerpen ook vast.
● Maak nooit een lading aan de bevestigings-
ogen va
st die de ogen niet dragen kunnen.
● Bevestig nooit een kinderzitje aan de be-
vestigin
gsogen. Let op
● De max im
ale belasting van de bevesti-
gingsogen is ca. 3,5 kN.
● Geschikte transportbanden en bevesti-
gingssy
stemen zijn bij gespecialiseerde
werkplaatsen verkrijgbaar. SEAT raadt u aan
de Technische Dienst te raadplegen. Railsysteem met bevestigingselemen-
t
en* Afb. 169
In de bagageruimte: railsysteem, in-
s t
el b
are bevestigingselementen 1 en instel-
b ar
e g or
delspanner 2 .
Het railsysteem met bevestigingselementen
be
s
taat
uit vier rails, verplaatsbare bevesti-
gingselementen, banden die aan de rails be-
vestigd kunnen worden en een net met steu-
nen om de bagage te bedekken ››› pag. 168.
Het railsysteem met bevestigingselementen
kan worden gebruikt voor het vastmaken van
lichte voorwerpen. Als er personen op de
stoelen van de derde zitrij gaan zitten, mo-
gen er zich bij die stoelen nooit bevestigings-
elementen in de rails bevinden ››› .
B ev
es
tigingselementen inbouwen
● Plaats de bevestigingselementen met de
sporen omhoog geric
ht ››› afb. 169 1 in het
bo ven
s
te gedeelte van de geleider en duw
het geheel aan. ●
Zet het s
tuurwiel in de gewenste stand.
● Controleer of het bevestigingselement in
het geleider
systeem vastklikt ››› .
B ev
es
tigingselementen uitbouwen
● Haal het bevestigingselement uit de gelei-
der en verw
ijder het element door deze omh-
oog te tillen.
Lading vastmaken
● Trek de band met de bevestigingselemen-
ten uit en maak
de lading vast ››› .
ATTENTIE
In geval van een ongeval of bruusk remmen
kunnen de bev e
stigingselementen in de rails
bij de derde zitrij bij de inzittenden letsel ver-
oorzaken.
● Als u de derde zitrij gebruikt, dan moet u de
bevestigin
gselementen van de rails verwijde-
ren of helemaal naar achteren verplaatsen. ATTENTIE
De verplaatsbare bevestigingselementen die
niet op een v ei
lige manier zijn vergrendeld,
kunnen bij bruusk remmen of een ongeval uit
de geleider losschieten. Hierdoor kunnen
voorwerpen door het interieur schieten en
ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
● Controleer altijd of de verplaatsbare beves-
tigingselement
en goed in de geleiders ver-
grendeld zijn. 166
Page 172 of 340

Bedienen
Bagagenet in vloer van bagageruimte vast-
m ak
en
● Maak
het bagagenet aan de bevestigings-
ogen ›››
afb. 173 1 en
2 vast.
B ag
agenet
uitbouwen
Het vastgemaakte bagagenet staat onder
spanning ››› .
● Maak de haken van het bagagenet voor-
z ic
htig lo s
van de bevestigingsogen ››› afb.
173 1 .
● Maak de haken van het bagagenet voor-
z ic
htig lo s
van de bevestigingsogen ››› afb.
173 2 .
ATTENTIE
Het elastische bagagenet moet uitgerekt wor-
den wanneer het aan de bev e
stigingsogen in
de bagageruimte wordt vastgemaakt. Het
vastgemaakte bagagenet staat onder span-
ning. De haken van het bagagenet kunnen
letsel veroorzaken als het bagagenet op de
verkeerde wijze wordt vast- of losgemaakt.
● Maak de haken van het bagagenet altijd
vast
zodat ze bij het vast- of losmaken niet
van de bevestigingsogen schieten.
● Bescherm uw ogen en gezicht om letsel te
voorkomen al
s de haak tijdens het vast- of
losmaken losschiet.
● Maak de haken altijd in de beschreven
volg
orde vast. Als een van de haken van het bagagenet terugkaatst, neemt het risico op
verw
ondin
gen toe. Dakdragersysteem*
Inleidin g t
ot thema Het dak van de wagen is ontwikkeld voor een
optimale aer
ody
namica. Conventionele dak-
dragersystemen kunnen daarom niet meer in
de openingen in het dak worden vastge-
maakt.
Aangezien de watergoot om aerodynamische
redenen in het dak zijn geïntegreerd, kunnen
alleen de basisdragers of door SEAT goedge-
keurde dakdragersystemen gebruikt worden.
Wanneer moet het dakdragersysteem uitge-
bouwd worden?
● Wanneer het niet meer gebruikt wordt.
● Wanneer u de wagen in een wasstraat wilt
gaan wa s
sen.
● Wanneer de hoogte van de wagen de toe-
laatbar
e doorgangshoogte overschrijdt (bij-
voorbeeld in een garage). ATTENTIE
Bij het vervoeren van zware voorwerpen of
voorw erpen met
een groot oppervlak op het
dakdragersysteem veranderen de rijeigen- schappen door de verandering van het zwaar-
tepu
nt
resp. door het vergrote oppervlak dat
aan wind onderhevig is.
● Maak de lading altijd op de juiste wijze met
onbesch
adigde geschikte touwen of bevesti-
gingsbanden vast.
● Grote, zware, lange of platte ladingen heb-
ben een negatieve in
vloed op de aerodynami-
ca en het zwaartepunt van de wagen, en het
rijgedrag.
● Voorkom bruuske manoeuvres en plotse-
ling remmen.
● Pa
s de snelheid en de rijstijl aan het zicht,
het wegdek, het
verkeer en de weersomstan-
digheden aan. VOORZICHTIG
● Bouw het d ak
dragersysteem altijd uit voor-
dat u de wagen een wasstraat inrijdt.
● De hoogte van uw wagen verandert door de
montage v
an de dakdragers en de daarop be-
vestigde lading. Vergelijk de hoogte van de
wagen met de beschikbare doorrijdhoogtes,
bijvoorbeeld ondergrondse doorgangen of
garagedeuren.
● De antenne op het dak, de looprichting van
het panoram
aschuifdak en de achterklep mo-
gen niet beïnvloed worden door het dakdra-
gersysteem en de lading die getransporteerd
wordt.
● Let erop dat de achterklep tijdens het ope-
nen niet teg
en de lading op het dak stoot.170
Page 174 of 340

Bedienen
de gewichtsgrens worden belast die in de
mont ag
e-in s
tructie is aangegeven.
Last verdelen
Verdeel de lading gelijkmatig en maak de
last op de juiste wijze vast ››› .
B ev
es
tigingspunten controleren
U moet nadat u de basisdragers en het dak-
dragersysteem heeft ingebouwd, na een kor-
te afstand en daarna met regelmatige inter-
vallen de bevestigingspunten controleren. ATTENTIE
Als de maximum toelaatbare lading op het
dak o v
erschreden wordt, kan dit leiden tot
ongevallen en schade aan de wagen.
● Respecteer altijd het toelaatbare gewicht
voor het dak, de t
oelaatbare belasting op as-
sen en het toelaatbare totaalgewicht van de
wagen.
● Overschrijd de capaciteit van het dakdra-
gersys
teem niet, ook al bereikt u de maxi-
mum toelaatbare lading niet.
● Altijd de zwaarste voorwerpen vooraan be-
vestig
en en de lading in het algemeen gelijk-
matig verdelen. ATTENTIE
Losse lading en niet correct vastgemaakte la-
ding kan v
an het dakdragersysteem vallen en
ongevallen en letsel veroorzaken. ●
Gebruik a ltijd g
eschikte of onbeschadigde
touwen of spanbanden.
● Maak de lading op de juiste wijze vast. Opbergvakken
Inleidin g t
ot thema De opbergvakken mogen alleen gebruikt wor-
den om lichte of
k
leine voorwerpen op te ber-
gen.
In het vak voorin in de middenarmsteun be-
vinden zich de ingangen voor de verbindin-
gen USB/AUX-IN, gemonteerd af fabriek.
In het linkeropbergvak in de bagageruimte
bevindt zich de Cd-wisselaar af fabriek. ATTENTIE
Bij bruusk remmen of plotselinge manoeu-
vres, k u
nnen losse voorwerpen door het inte-
rieur geslingerd worden. Dit kan ernstig let-
sel veroorzaken bij de inzittenden en leiden
tot het verlies van de controle over de wagen.
● Geen dieren vervoeren noch harde, zware of
scherpe v
oorwerpen in het interieur van de
wagen plaatsen in: open opbergvakken,
dashboard, hoedenplank, kleding of tassen.
● Zorg ervoor dat tijdens het rijden de op-
bergvakk
en altijd gesloten blijven. ATTENTIE
Het plaatsen van voorwerpen in de voeten-
ruimte v an de be
stuurder kan het bedienen
van de pedalen belemmeren. Dit kan leiden
tot het verlies van de controle over de wagen
en zo het risico op een ernstig ongeval verho-
gen.
● Zorg ervoor dat de pedalen op elk moment
bediend kunnen wor
den en dat er geen voor-
werpen onder kunnen rollen.
● De vloermat moet altijd vast liggen.
● Plaats nooit andere vloermatten of vloerbe-
dekkingen op de af
fabriek gemonteerde
vloermat.
● Zorg ervoor dat geen enkel voorwerp in de
voetenruimte
van de bestuurder kan vallen
onder het rijden. VOORZICHTIG
● De v er
warmingsdraden van de achterruit
kunnen door schurende voorwerpen op de
hoedenplank beschadigd raken.
● Bewaar geen voorwerpen, voedsel of medi-
cijnen in de wagen die g
evoelig zijn voor
warmte. Hoge of lage temperaturen kunnen
deze beschadigen of onbruikbaar maken.
● Doorzichtige voorwerpen die in de wagen
gelegd w
orden, zoals brillen, vergrootglazen
of doorzichtige zuignappen op de ruiten kun-
nen de zonnestralen bundelen en schade ver-
oorzaken aan de wagen. 172
Page 184 of 340

Bedienen
van verhoogd stroomverbruik van de aange-
s lot
en ap p
araten of overmatige omgevings-
temperatuur vermeden. Na een afkoelfase
schakelt de spanningsomvormer automa-
tisch weer in. De apparaten aangesloten op
het stopcontact die aan staan zullen opnieuw
werken. Schakel daarom de elektrische appa-
raten aangesloten op het stopcontact uit
wanneer de stroomomvormer uitgeschakeld
wordt door oververhitting. ATTENTIE
Hoge spanning in de elektrische installatie!
● Vermijd dat vloeistoffen terechtkomen op
het st opc
ontact.
● Sluit geen adapter of verlengsnoer aan op
de 230 V euroc
onnector. Anders wordt de kin-
derbeveiliging uitgeschakeld en staat de con-
nector onder stroom.
● Steek geen stroomgeleidende voorwerpen
zoal
s breinaalden in de 230 V euroconnector. VOORZICHTIG
● Neem de gebruik s
aanwijzing van de aan te
sluiten apparaten in acht!
● Overschrijd nooit het maximale stroomver-
bruik. Dit kan het a
lgemene elektrische sys-
teem van de wagen beschadigen.
● 12 V stopcontact:
– Gebruik uits
luitend accessoires waarvan
de elektromagnetische compatibiliteit goedgekeurd is volgens de geldende
voors
c
hriften.
– Extra voeding voor het stopcontact is niet
toegestaan.
● 230 V euroconnector-contact:
– Nooit te zw
are apparaten of connectoren
direct aansluiten op het stopcontact (bijv.
een transformator).
– Geen lampen met neonbuizen aansluiten.
– Uitsluitend apparaten aansluiten waar-
van het voltage overeenkomt met dat van
het stopcontact.
– Het inschakelen van stroomverbruikers
met hoge aanloopstroom wordt verhin-
derd door de beveiliging tegen overbelas-
ting. In dat geval moet de voedingskabel
losgekoppeld worden van de stroomver-
bruiker en probeert u na ongeveer 10 se-
conden opnieuw het apparaat aan te slui-
ten. Let op
● Het is mog
elijk dat een aantal apparaten
niet correct werkt in de 230 V euroconnector
door een gebrek aan vermogen (watt).
● De 230 V euroconnector kan gewijzigd wor-
den voor app
araten van 115 V en omgekeerd.
Raadpleeg een gespecialiseerde winkel voor
advies over accessoires ter aanpassing aan
de connector. SEAT raadt u aan de Technische
Dienst te raadplegen. Airconditioning
Klim aatr
eg
eling
Inleiding tot thema De informatie van de Climatronic weergeven
Op het dis
p
lay van de radio of het navigatie-
systeem, geïnstalleerd af fabriek, wordt kort
informatie met betrekking tot de Climatronic
getoond.
De meeteenheden van de temperatuur kun-
nen weergegeven worden op de radio of het
navigatiesysteem, geïnstalleerd af fabriek, en
naargelang de uitvoering van de wagen aan-
gepast worden in het menu Configuratie
op het instrumentenpaneel. ATTENTIE
Als het zicht door alle ruiten van de wagen
niet goed i s, neemt
het risico op ongevallen
met ernstige gevolgen toe.
● Zorg ervoor dat alle ruiten ijs- en sneeuw-
vrij zijn, en dat
ze niet beslagen zijn om goed
te kunnen zien wat er buiten de wagen alle-
maal gebeurt.
● Het maximale verwarmingsvermogen en de
snelle ontw
aseming van de ruiten worden
verkregen wanneer de motor zijn normale
werkingstemperatuur bereikt. Ga alleen rij-
den als het zicht goed is. 182
Page 185 of 340

Airconditioning
●
Zorg er a ltijd
voor dat u de airconditioning
en de achterruitverwarming correct gebruikt
om goed te kunnen zien wat er buiten de wa-
gen allemaal gebeurt.
● Laat de luchtcirculatie nooit gedurende een
lange periode aan.
Wanneer het koelsysteem
niet werkt en de circulatiefunctie aan staat,
kunnen de ruiten snel beslaan en kan het
zicht zo aanzienlijk beperkt worden.
● Schakel de circulatiefunctie uit wanneer u
deze niet nodig heeft
.ATTENTIE
Gebruikte lucht verhoogt de vermoeidheid en
leidt t ot
concentratieverlies van de bestuur-
der. Dit kan een ernstig ongeval tot gevolg
hebben.
● Schakel de ventilator nooit gedurende lan-
gere tijd uit en g
ebruik de luchtcirculatiefunc-
tie niet gedurende een lange tijd omdat de
lucht in de wagen niet ververst wordt. VOORZICHTIG
● Als u
vermoedt dat de airconditioning de-
fect is, moet u deze onmiddellijk uitzetten.
Hierdoor wordt bijkomende schade voorko-
men. Laat de wagen door een gespecialiseer-
de werkplaats nakijken.
● Reparatiewerkzaamheden aan de aircondi-
tioning ver
eisen bijzondere vakkennis en
speciaal gereedschap. SEAT raadt u aan de
Technische Dienst te raadplegen. ●
In wagen s
met airconditioning mag niet ge-
rookt worden wanneer de luchtcirculatiefunc-
tie is ingeschakeld. De aangezogen rook kan
neerslaan op de verdamper van het koelsys-
teem en op het actieve koolpatroon van het
stof- en pollenfilter, wat leidt tot een perma-
nente onaangename geur. Let op
● Als het
koelsysteem uitgeschakeld is,
wordt de lucht die van buiten wordt aangezo-
gen, niet ontvochtigd. Om te voorkomen dat
de ruiten beslaan raadt SEAT aan de koeling
(compressor) ingeschakeld te laten. Druk
hiervoor op de toets A/C . Het controlelampje
in de toets moet
gaan branden.
● Bij hoge luchtvochtigheid buiten en hoge
buitentemper
aturen kan condenswater van de
verdamper van de airconditioning lekken en
onder de wagen een waterplas vormen. Dit is
normaal en betekent niet dat er een lek is!
● De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van
ijs, sneeuw of
bladeren zijn, opdat verwar-
ming en airconditioning optimaal kunnen functioneren en het beslaan van de ruiten
wordt voorkomen. Knoppen
Lees aandachtig de aanvullende informatie
› ›
›
p
ag. 37 De betreffende toets indrukken om een func-
tie in- of uit te s
chakelen. Om de functie uit te
schakelen, nogmaals op de toets drukken.
De led in elk bedieningselement gaat bran-
den om aan te geven dat de betreffende
functie van een bedieningselement ingescha-
keld is.
Een aantal bedieningselementen van de Cli-
matronic kan zich ook op het bedieningspa-
neel van de airconditioning, achterin in de
middenconsole bevinden. Deze elementen
dienen voor de afstelling voor de plaatsen
achterin. Let op
● In REAR-fu nctie
zijn niet alle knoppen van
de Climatronic actief.
● Tijdens het ontwasemen, blijft de toets
REAR geblokkeerd.
183
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten