Lange tijd Seat Ateca 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: SEAT, Model Year: 2017, Model line: Ateca, Model: Seat Ateca 2017Pages: 348, PDF Size: 5.98 MB
Page 195 of 348

Rijden
●
Bij accel er
eren met het launch-controlpro-
gramma worden alle wagenonderdelen sterk
belast. Dit kan tot hogere slijtage leiden. Bergafondersteuning*
De bergafdaalhulp ondersteunt de bestuur-
der bij het rijden op hel
lin
gen.
In de keuzehendelstanden D/S wordt bij het
intrappen van de voetrem de bergafdaalhulp
geactiveerd. De automatische transmissie
schakelt automatisch terug naar een voor de
afdaling geschikte versnelling. Binnen de na-
tuurkundige aandrijftechnische grenzen pro-
beert de bergafdaalhulp de voor het afdalen
gekozen snelheid aan te houden. Het kan
eventueel noodzakelijk zijn de snelheid ook
met de voetrem te corrigeren. Aangezien de
bergafondersteuning slechts kan reduceren
tot de 3e versnelling, dient op steile hellin-
gen mogelijk overgeschakeld te worden naar
tiptronic-stand. In dat geval kunt u in triptro-
nic-stand handmatig terugschakelen naar de
2e of 1e versnelling om op de motor af te
remmen en de remmen te ontlasten.
Zodra de helling minder steil wordt of het
gaspedaal wordt ingetrapt, schakelt de berg-
afdaalhulp weer uit.
Bij wagens met snelheidsregelsysteem*
››› pag. 204 wordt bij het instellen van de
snelheid ook de bergafdaalhulp geactiveerd. ATTENTIE
De bergafdaalhulp is niet verder beschikbaar
dan bepaa l
d door de grenzen van de natuur-
kundige wetten. Daardoor kan deze niet on-
der alle omstandigheden de snelheid cons-
tant houden. Blijf altijd paraat om zelf te rem-
men! Inertiestand
De inertiestand maakt het mogelijk om ge-
bruik te m
ak
en van de kinetische energie van
de wagen bij het rijden op plaatsen waar het
gaspedaal niet hoeft te worden ingetrapt. Zo
wordt brandstof bespaard. Gebruik de iner-
tiestand om de wagen "uit te laten rollen",
bijvoorbeeld bij het naderen van de bebouw-
de kom.
Inertiestand activeren
Voorwaarde: keuzehendel in stand D, hellin-
gen minder dan 12%.
– Kies in SEAT Drive Profile* de stand Eco
› ››
p
ag. 238.
– Haal de voet van het gaspedaal.
De aanwijz
ing voor de bestuurder vermeldt
Inertie . Bij snelheden hoger dan 20 km/u
(12 mpu) ontkoppelt de transmissie automa-
tisch en rolt de wagen uit, zonder af te rem-
men op de motor. Zolang de wagen rolt,
draait de motor stationair. Inertiestand deactiveren
– Bedien het rempedaal of koppelingspe-
daal.
Om weer t
e gaan afremmen en de uitschake-
ling van de motor ongedaan te maken, hoeft
u slechts op het rempedaal te trappen.
De combinatie van de inertie-stand (= lange-
re afstand met minder energie) en de ontkop-
peling door inertie (= kortere afstand waarbij
brandstof nodig is) verbetert het brandstof-
verbruik en reduceert de uitlaatgasemissie. ATTENTIE
● Als de iner
tie-stand is geactiveerd, houd er
dan rekening mee dat bij het naderen van een
obstakel en het loslaten van het gaspedaal
de wagen niet op normale wijze vertraagt -
gevaar op ongelukken!
● Bij gebruik van de inertie-stand in een af-
daling, k
an de snelheid van de wagen toene-
men - gevaar op ongelukken!
● Als anderen met uw wagen rijden, waar-
schuw dez
e dan voor de inertie-stand. Let op
● De inertie- s
tand is uitsluitend beschikbaar
in de rijstand eco (SEAT Drive Profile*).
● De aanwijzing voor de bestuurder Inertie
wordt uit
sluitend gegeven in combinatie met
het actueel verbruik. In inertie-stand wordt » 193
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 205 of 348

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Nadat de Auto Hold-functie heeft vastgesteld
d at
de w ag
en stilstaat en het rempedaal is
gelost, houdt ze de wagen tegen. U kunt de
voet van het rempedaal halen.
Als de bestuurder het rempedaal kort intrapt
of het gaspedaal intrapt om verder te rijden,
dan laat de functie Auto Hold de rem los. De
wagen gaat conform de helling rijden.
Als bij stilstaande wagen een van de voor-
waarden voor werking van de Auto Hold-func-
tie niet langer is vervuld, wordt die functie
uitgeschakeld en gaat het controlelampje
van de toets uit ››› afb. 170. De elektronische
parkeerrem wordt indien nodig ingeschakeld
om de wagen op een veilige manier te parke-
ren ››› .
V oor
waar
den om de wagen tegen te houden
met functie Auto Hold
● Het bestuurdersportier is gesloten.
● De bestuurder draagt de veiligheidsgordel.
● De motor draait.
De functie Aut
o Hold in- en uitschakelen
Druk op toets ››› . Het controlelampje in
de t oets
gaat
uit wanneer de functie Auto
Hold uitgeschakeld is. Automatisch in- en uitschakelen van de func-
tie Auto Hold
Indien
voordat het contact wordt uitgezet de
functie Auto Hold werd ingeschakeld met de
toets , blijft de functie ingeschakeld na het
opnieuw aanzetten van het contact.
Werd de functie Auto Hold niet ingeschakeld,
dan blijft ze automatisch uitgeschakeld na
het opnieuw aanzetten van het contact.
De functie Auto Hold wordt automatisch in-
geschakeld als aan de volgende voorwaar-
den is voldaan:
Aan alle punten moet tegelijk ››› voldaan zijn:
SchakelbakAutomatische ver-
snellingsbak
1.De gestopte wagen wordt op een vlakke onder-
grond of op een helling op zijn plaats gehouden met het rempedaal.
2.De motor draait "correct".
Als er tegelijkertijd ge-
koppeld en gas gege-
ven wordt, wordt de
rem geleidelijk losge-
laten.Tijdens het gas geven
wordt de rem geleide-
lijk losgelaten. De functie Auto Hold wordt automatisch uit-
g
e
sc
hakeld als aan de volgende voorwaar-
den is voldaan:
SchakelbakAutomatische ver- snellingsbak
1.Indien een van de voorwaarden vermeld in ››› pag.
203, Voorwaarden om de wagen tegen te houden met functie Auto Hold niet langer is vervuld.
2.Als de motor onregelmatig draait of een storing
vertoont.
3.Als de motor wordt uit-gezet of afslaat.Als de motor wordt uit- gezet.
4.Als u tegelijk koppelten het gaspedaal in- trapt.Als u het gaspedaal in- trapt.
5.
Als een van de bandenslechts een minimaal
contact met de bodem
heeft, bijv. bij gekruiste assen. ATTENTIE
De intelligente technologie in de Auto Hold-
functie k an de limiet
en opgelegd door de na-
tuurkundige wetten niet overwinnen en werkt
enkel binnen de eigen grenzen van het sys-
teem. Het grotere comfort dat de Auto Hold-
functie biedt mag nooit aanleiding zijn tot het
nemen van grotere risico's.
● Laat uw wagen nooit met draaiende motor
en met inge
schakelde functie Auto Hold ach-
ter. » 203
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 210 of 348

BedienenFunctieStand van de knipperlichthendel
››› afb. 173 of de derde hendel
››› afb. 174Effect
De geprogrammeerde snelheid van de be-
grenzer verlagen
Druk kort op de toets 3 van de knipperlichthendel aan het deel of
zet de derde hendel in de stand om de snelheid te verlagen in kleine
stappen van 1 km/u (1 mpu) en te programmeren.
De snelheid wordt beperkt tot de geprogrammeerde waardeDruk op van de derde hendel om de snelheid te verlagen in stappen
van 10 km/u (5 mpu) en te programmeren.
Houd de toets 3 van de knipperlichthendel ingedrukt aan het deel of houd ingedrukt om de snelheid ononderbroken te verhogen in
stappen van 10 km/u (5 mpu) en te programmeren.
Snelheidsbegrenzer uitschakelenSchuif de schakelaar 1 van de knipperlichthendel naar de stand of zet
de derde hendel in stand .Het systeem wordt uitgeschakeld. De snelheid blijft gepro-
grammeerd. De waarden in de tabel tussen haakjes, in
mp
u, w
orden enk
el getoond in het instru-
mentenpaneel met aanwijzingen in mijl.
Hellingen afdalen met de snelheidsbegren-
zer
Indien de geprogrammeerde snelheid van de
snelheidsbegrenzer wordt overschreden bij
het bergaf rijden, gaat kort erna het waar-
schuwings- en controlelampje ››› pag. 205
knipperen en klinkt mogelijk een waarschu-
wingssignaal. Rem in dat geval de auto met
de voetrem af en schakel eventueel terug.
Tijdelijk uitschakelen
Indien u de snelheidsbegrenzer tijdelijk
wenst uit te schakelen, bijv. om in te halen,
zet u de schakelaar ››› afb. 173 1 van de
knip perlic
hthendel in de s
tand , zet u de derde hendel in de weerstand of
drukt u op de t
oets 2 van eender welke hen-
del .
Na het inhal
en kan de snelheidsbegrenzer
geactiveerd worden met de eerder gepro-
grammeerde snelheid door te drukken op de
toets 3 van de knipperlichthendel aan het
deel
of
door de derde hendel in de
weerstand te zetten.
Tijdelijk uitschakelen door het gaspedaal
volledig in te trappen (kick-down)
Indien de bestuurder het pedaal helemaal in-
trapt (kick-down) en de geprogrammeerde
snelheid op zijn wens wordt overschreden,
wordt de regeling tijdelijk uitgeschakeld.
Om het uitschakelen te bevestigen, klinkt
eenmaal een geluidssignaal. Zolang de rege- ling is uitgeschakeld, knippert het waarschu-
wings- en c
ontrolelampje .
Wanneer het gaspedaal niet langer volledig
wordt ingetrapt en de snelheid daalt tot on-
der de geprogrammeerde waarde, wordt de
regeling weer geactiveerd. Het controlelamp-
je gaat branden en blijft ingeschakeld.
Automatisch uitschakelen
De regeling van de snelheidsbegrenzer wordt
automatisch uitgeschakeld:
● Als het systeem een storing detecteert die
de werking
van de begrenzer negatief kan
beïnvloeden.
● Als de airbag geactiveerd wordt.
208
Page 218 of 348

Bedienen
de ACC niet worden gegarandeerd. De ACC
k an niet
wor
den geactiveerd.
ACC: enkel beschikbaar in D, S of M
Stand van keuzehendel D/S of M selecteren.
ACC: parkeerrem vastgezet
De ACC wordt uitgeschakeld als de parkeer-
rem vastgezet wordt. De ACC is opnieuw be-
schikbaar na het loszetten van de parkeer-
rem.
ACC: momenteel niet beschikbaar. Ingreep
stabiliteitscontrole
De aanduiding voor de bestuurder wordt
weergegeven wanneer de elektronische sta-
biliteitscontrole (ESC) ingrijpt. In dit geval
wordt de ACC automatisch uitgeschakeld.
ACC: Grijp in!
De aanduiding voor de bestuurder wordt
weergegeven indien, bij het vertrekken op
een lichte helling, de wagen zich naar achter-
en verplaatst ondanks dat de ACC ingescha-
keld is. Trap de rem in om te vermijden dat
de wagen zich zou verplaatsen / zou botsen
tegen een andere wagen.
ACC: snelheidsgrens
De aanwijzing voor de bestuurder wordt
weergegeven in wagens met schakelbak als de actuele snelheid te laag is voor de ACC-
modus.
De snelheid die u w
enst op te slaan moet
minstens 30 km/u (18 mpu) bedragen. Bij
snelheden lager dan 20 km/u (12 mpu)
wordt het snelheidsregelsysteem uitgescha-
keld.
ACC: beschikbaar vanaf de 2e versnelling
De ACC is actief vanaf de 2e versnelling
(schakelbak).
ACC: motortoerental
Deze aanduiding voor de bestuurder wordt
weergegeven indien, wanneer de ACC ver-
snelt of remt, de bestuurder niet op tijd een
hogere of lagere versnelling inschakelt. Dit
houdt in dat het toegestane toerental wordt
overschreden of niet wordt bereikt. De ACC
wordt uitgeschakeld. Dit wordt aangegeven
door een gong.
ACC: koppelingspedaal ingetrapt
Wagens met handgeschakelde versnellings-
bak: door het koppelingspedaal langer in te
trappen wordt de regeling verlaten.
Portier geopend
Wagens met automatische versnellingsbak:
met stilstaande wagen en geopend portier
kan de ACC niet worden geactiveerd. Automatische afstandsregeling (ACC)
onder bepaalde oms
tandigheden tij-
delijk uitschakelen In onderstaande omstandigheden moet de
automati
s
che afstandsregeling (ACC) uitge-
schakeld worden wegens beperkingen van
het systeem ››› :
● Bij het wisselen van rijstrook, in scherpe
bochten, op r ot
ondes, op invoeg- en uitvoeg-
stroken op de autobaan of bij wegwerkzaam-
heden om te vermijden dat onbedoeld ver-
sneld zou worden om de geprogrammeerde
snelheid te bereiken.
● Bij het rijden door een tunnel, aangezien
de werkin g
zou kunnen worden beïnvloed.
● Op wegen met verschillende rijstroken,
wanneer andere wag
ens langzamer rijden op
de inhaalstrook. In dit geval zouden wagens
die langzamer rijden op de andere rijstroken
rechts voorbijgestoken worden.
● Bij hevige regenval, sneeuw of dichte nevel
is het mog
elijk dat de voorligger niet correct
herkend zou worden of, onder bepaalde om-
standigheden, helemaal niet herkend zou
worden. ATTENTIE
Als de ACC in de beschreven situaties niet uit-
ges c
hakeld wordt, kunnen ongevallen en ern-
stige letsels optreden. 216
Page 220 of 348

Bedienen
of de derde hendel naar achteren te duwen
› ›
›
p
ag. 212.
Rijden door tunnels
Bij het rijden door een tunnel, is het mogelijk
dat de radarsensor minder goed werkt. Scha-
kel de ACC uit in de tunnels.
Smalle voertuigen of voertuigen die uit de
lijn rijden
De radarsensor kan smalle voertuigen of
voertuigen die uit de lijn rijden enkel herken-
nen wanneer ze zich binnen zijn werkingsge-
bied ››› afb. 182 B bevinden. Dit geldt vooral
voor smalle voertuigen zoals bijvoorbeeld
motorfietsen. Rem in deze gevallen zelf in-
dien nodig.
Voertuigen met bijzondere ladingen en ac-
cessoires
Het is mogelijk dat de bijzondere lading en
accessoires van andere voertuigen die aan
de zijkanten, achteraan of bovenaan uitste-
ken, buiten het werkingsbereik van de ACC
vallen.
Schakel de ACC uit wanneer u achter voertui-
gen met bijzondere ladingen of accessoires
rijdt en ook bij het inhalen van zulke voertui-
gen. Rem in deze gevallen zelf indien nodig. Andere wagens die van rijstrook veranderen
Wagens
die naar de eigen rijstrook wisselen
op een korte afstand van de wagen kunnen
enkel worden herkend wanneer ze binnen het
bereik van de sensoren komen. Als gevolg
hiervan duurt het langer tot de ACC reageert
››› afb. 183 C. Rem in deze gevallen zelf in-
dien nodig.
Stilstaande voertuigen
De ACC herkent tijdens het rijden geen stil-
staande voorwerpen zoals bijvoorbeeld het
einde van een file of voertuigen met pech.
Als een voertuig herkend door de ACC draait
of opzij gaat en er zich voor dit voertuig een
stilstaand voertuig bevindt, zal de ACC hier
niet op reageren ››› afb. 183 D. Rem in deze
gevallen zelf indien nodig.
Voertuigen die rijden in tegengestelde rich-
ting en voertuigen die elkaar kruisen
De ACC reageert niet op voertuigen uit tegen-
gestelde richting die naderen noch op voer-
tuigen die elkaar kruisen.
Metalen voorwerpen
Metalen voorwerpen zoals bijvoorbeeld rails
op de rijbaan of platen gebruikt bij werk-
zaamheden, kunnen de radarsensor in ver-
warring brengen en verkeerde reacties van de
ACC veroorzaken. Factoren die de werking van de radarsensor
kunnen beïnvloeden
A
ls de werking van de radarsensor verstoord
zou zijn, bijv. wegens zware regenval, nevel,
sneeuw of modder, dan wordt de ACC tijdelijk
uitgeschakeld. Op het display van het instru-
mentenpaneel verschijnt een waarschu-
wingstekst. Indien nodig het SEAT-embleem
reinigen ››› afb. 177.
Wanneer de radarsensor opnieuw correct
werkt, is de ACC automatisch opnieuw be-
schikbaar. Het bericht van het display van het
instrumentenpaneel verdwijnt en de ACC
wordt opnieuw geactiveerd.
Bij sterke weerkaatsing van het signaal van
de radar, bijvoorbeeld in een gesloten par-
keerplaats, kan de werking van de ACC beïn-
vloed worden.
Rijden met een aanhangwagen
Bij het rijden met een aanhangwagen, is de
regeling van de ACC minder dynamisch.
Oververhitte remmen
Als de remmen overmatig verhitten, bijvoor-
beeld na plots remmen of op lange en zeer
steile afdalingen, kan de ACC tijdelijk uitge-
schakeld zijn. Op het display van het instru-
mentenpaneel verschijnt een waarschu-
wingstekst. In dit geval kan de cruise control
niet worden geactiveerd.
218
Page 221 of 348

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Zodra de temperatuur van de remmen vol-
doende g ed
aal d i
s, kan de cruise control op-
nieuw geactiveerd worden. De foutmelding
verdwijnt van het display van het instrumen-
tenpaneel. Als het bericht ACC niet be-
schikbaar gedurende lange tijd blijft bran-
den, dan betekent dit dat er een storing is.
Raadpleeg een gespecialiseerde werkplaats.
SEAT raadt u aan om daarvoor een SEAT-dea-
ler te raadplegen. ATTENTIE
Als op het display van het instrumentenpa-
neel het beric ht
ACC klaar om te star-
ten weergegeven wordt en de voorligger zich
in beweging zet, dan zal de wagen automa-
tisch vertrekken. In dat geval kan het voorko-
men dat de radarsensor hindernissen op de
weg niet zou herkennen. Dit kan een ongeval
en zware verwondingen tot gevolg hebben.
● Voordat u wegrijdt, controleert u of de weg
vrij is. Tr
ap indien nodig op het rempedaal. Omgevingsbewakingssysteem
(Fr
ont
Ass
ist) inclusief City
noodremfunctie en voetgan-
gersherkenning*
Inleiding tot thema Het omgevingsbewakingssysteem, inclusief
de City noodr
emf
unctie en de voetgangers-
herkenning, kan helpen om ongevallen door
botsing te voorkomen.
Het omgevingsbewakingssysteem kan de be-
stuurder binnen de beperkingen van het sys-
teem waarschuwen voor dreigende botsin-
gen, de wagen bij gevaar voorbereiden op
een noodremming, ondersteuning bieden tij-
dens het remmen en een automatische rem-
ming inleiden.
De City noodremfunctie en voetgangersher-
kenning maken integraal onderdeel uit van
het omgevingsbewakingssysteem.
Ondanks de Front Assist moet de bestuurder
te allen tijde opmerkzaam blijven.
Veiligheidswaarschuwing
Als het systeem waarneemt dat een te korte
afstand tot de voorligger de veiligheid in ge-
vaar brengt, dan kan het systeem de bestuur-
der waarschuwen met een aanwijzing op het
display van het instrumentenpaneel wanneer
gereden wordt met een snelheid die ligt tus- sen ca. 60 km/u (37 mph) en 250 km/u
(156 mph)
››› afb
. 184.
Het ogenblik van de waarschuwing verschilt
afhankelijk van de verkeerstoestand en het
gedrag van de bestuurder.
Voorwaarschuwing (voorafgaande waarschu-
wing)
Als het systeem een mogelijke botsing her-
kent met de voorligger, kan het de bestuur-
der waarschuwen met een akoestisch signaal
en een aanwijzing op het display van het in-
strumentenpaneel wanneer gereden wordt
met een snelheid tussen 30 km/u (18 mph)
en 250 km/u (156 mph) ››› afb. 184.
Het ogenblik van de waarschuwing verschilt
afhankelijk van de verkeerstoestand en het
gedrag van de bestuurder. Tegelijkertijd
wordt de wagen voorbereid voor het mogelijk
noodremmen ››› .
Kriti s
che w
aarschuwing
Als de bestuurder niet reageert op de voor-
waarschuwing, kan het systeem actief op de
remmen ingrijpen wanneer gereden wordt
met een snelheid tussen ca. 30 km/u
(18 mph) en 250 km/u (156 mph), waarbij
een korte schok veroorzaakt wordt om op de-
ze wijze te waarschuwen voor een dreigende
botsing. »
219
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 230 of 348

Bedienen
Werkwijze Afb. 191
Op de voorruit: gezichtsveld van de
rij s
tr ook
assistent. Met behulp van de camera in de voorruit regi-
s
tr
eer t
de rijstrookassistent de grenslijnen
van een rijstrook. Als de auto onwillekeurig
een waargenomen grenslijn nadert, meldt
het systeem dit aan de bestuurder via een
corrigerende beweging van het stuur . Deze
beweging kan op ieder moment overgeregu-
leerd worden.
Als de richtingaanwijzers zijn geactiveerd,
wordt geen waarschuwing gegeven, omdat
de rijstrookassistent in dat geval weet dat u
van rijstrook wilt wisselen.
Stuurvibraties
In de volgende situaties worden mogelijk
stuurvibraties gegeven en moet de bestuur-
der actief ingrijpen: ●
Zodra de gren
zen van het systeem worden
bereikt.
● Zodra het max. corrigerende draaikoppel
niet vo
ldoende blijkt om de wagen in de rijst-
rook te houden.
● Zodra tijdens een corrigerende actie geen
weg meer wor
dt gedetecteerd.
Rijstrookassistent in- en uitschakelen
Met het Easy Connect-systeem
● Druk op de Easy Connect-toets CAR ●
Druk op de functietoets Set
up ●
Druk op de functietoets B
e
st
uurdershulp om
het menu t
e openen.
O f:
met de toets Rijassistenten op de
knipperlichthendel*.
De functie midden rijstrook houden
wordt geactiveerd/gedeactiveerd in het Easy
Connect-systeem via de toets CAR en de
f u
nctiet oets
Setup
› ›
› p ag. 113.
Aut
omatische deactivering: de rijstrookassis-
tent kan ook zelf uitschakelen zodra een sto-
ring in het systeem optreedt. Het controle-
lampje gaat uit.
Hands-Off functie
Bij afwezigheid van activiteit aan het stuur
waarschuwt het systeem de bestuurder met
geluidssignalen en een tekstmelding in het instrumentenpaneel die hem vraagt om het
sturen actief
te hervatten.
Indien de bestuurder niet reageert hierop,
waarschuwt het systeem ook met een kleine
remschok en wordt vervolgens Emergency
Assist ingeschakeld ››› pag. 231, indien deze
functie beschikbaar is.
In auto's zonder Emergency Assist wordt de
functie van het midden van de rijstrook hou-
den uitgeschakeld na de overeenkomstige
waarschuwingen aan de bestuurder.
De rijstrookassistent is geactiveerd, maar
niet beschikbaar (het controlelampje brandt
geel)
● Als de rijsnelheid lager is dan ca. 65 km/u
(38 mph).
● Als de rijstrookassistent de grenslijnen van
de rijstrook
niet registreert, bijvoorbeeld bij
wegwerkzaamheden, sneeuw, vuil, vocht of
tegenlicht.
● Als de straal van een bocht te klein is.
● Als er geen markeringen op de weg staan.
● Als de afstand tot de volgende markering
op de weg te gr
oot is.
● Als het systeem geen duidelijke beweging
en actie in de stuurinrichtin
g detecteert ge-
durende langere tijd.
● Tijdelijk bij zeer dynamisch rijden.
● Als een richtingaanwijzer is geactiveerd.
228
Page 232 of 348

Bedienen
● De aut
omati
sche afstandsregeling (ACC)
moet ingeschakeld en actief zijn ››› pag. 209.
● De keuzehendel moet zich in stand D/S of
in Tiptronic-
schakelweg bevinden.
● De snelheid moet lager zijn dan 60 km/u
(38 mph).
● De functie "midden rijstrook houden" moet
actief zijn ›
›› pag. 228.
Het filehulpsysteem is niet actief (het contro-
lelampje van de rijstrookassistent (Lane As-
sist) gaat geel branden)
● Indien een van de voorwaarden vermeld in
pag. 229, Techni
sche vereisten om het file-
hulpsysteem te gebruiken niet langer is ver-
vuld.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werkin
g van de rijstrookassistent (Lane
Assist) niet langer vervuld is ››› pag. 226.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werkin
g van de automatische afstands-
regeling (ACC) niet langer vervuld is ››› pag.
209.
Situaties waarin het filehulpsysteem uitge-
schakeld moet worden
Wegens de beperkingen van het systeem
moet het filehulpsysteem steeds worden uit-
geschakeld in de volgende situaties:
● Als de bestuurder erg goed moet opletten.
● Bij het erg sportief rijden. ●
Bij slecht
e weersomstandigheden, bijv.
sneeuw of intense regen.
● Bij het rijden op wegen in slechte staat.
● Bij wegwerkzaamheden.
● Bij verplaatsingen in de stad. ATTENTIE
De intelligente technologie in het filehulpsys-
teem kan de limiet en op
gelegd door de na-
tuurkundige wetten niet overwinnen en werkt
enkel binnen de eigen grenzen van het sys-
teem. Indien het filehulpsysteem nalatig of
onbedoeld wordt gebruikt, kunnen er zich on-
gevallen en ernstige letsels voordoen. On-
danks het systeem moet de bestuurder te al-
len tijde opmerkzaam blijven.
● De snelheid en de veiligheidsafstand altijd
aanpassen aan de
voorligger afhankelijk van
het zicht, het weer, het wegdek en het ver-
keer.
● Gebruik het filehulpsysteem niet bij ver-
plaats
ingen in de stad.
● Gebruik het filehulpsysteem niet bij slecht
zicht, op st
eile hellingen of op gladde wegen
zoals bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs, regen of
losse steentjes, noch op overstroomde we-
gen.
● Gebruik het filehulpsysteem niet in het ter-
rein of op een onv
erhard wegdek. Het file-
hulpsysteem is enkel bestemd voor gebruik
op verharde wegen.
● Het filehulpsysteem reageert niet bij perso-
nen of dieren, noch b
ij kruisende wagens of bij een tegemoetkomende wagen op dezelfde
rijstr
ook.
● Indien het
filehulpsysteem de snelheid niet
voldoende
vermindert, rem dan de wagen on-
middellijk met het rempedaal.
● Indien de wagen zich blijft verplaatsen na
de oproep tot in
greep door de bestuurder,
rem dan de wagen met het rempedaal.
● Indien op het display van het instrumenten-
paneel een opr
oep tot ingreep van de be-
stuurder weergegeven wordt, neem dan on-
middellijk weer de controle over de wagen
over.
● Houd de handen steeds op het stuur en
wees k
laar om op elk moment zelf te kunnen
sturen. De verantwoordelijkheid voor het juist
aanhouden van de rijstrook ligt altijd bij de
bestuurder.
● Wees altijd klaar om zelf te kunnen sturen
(acceler
eren of remmen). Let op
● Als het
filehulpsysteem niet werkt zoals be-
schreven in dit hoofdstuk, gebruik het dan
niet en ga naar een gespecialiseerde werk-
plaats.
● Als het systeem een storing vertoont, laat
het dan nak
ijken in een gespecialiseerde
werkplaats. 230
Page 233 of 348

Systemen ter ondersteuning van de bestuurder
Noodhulpsysteem (Emergency
As s
is
t)
Beschrijving en werking Het noodhulpsysteem (Emergency Assist)
stelt
vast of de bestuurder niet actief is en
kan de wagen automatisch binnen zijn rijst-
rook houden of zo nodig volledig tot stilstand
brengen. Op die manier kan het systeem ac-
tief helpen om een ongeval te voorkomen.
Het noodhulpsysteem (Emergency Assist) is
een bijkomende functie van de rijstrookassis-
tent (Lane Assist) ›››
pag. 226 en combineert
de functies daarvan met die van de automati-
sche afstandsregeling (ACC) ›››
pag. 209.
Lees daarom aandachtig deze twee hoofd-
stukken en houd rekening met de beperkin-
gen van de systemen en aanwijzingen erover.
Werking van het noodhulpsysteem (Emer-
gency Assist)
Het noodhulpsysteem stelt vast of de be-
stuurder geen enkele activiteit uitvoert en
vraagt hem herhaaldelijk met optische en
akoestische waarschuwingen alsook rem-
schokken om de controle over de wagen weer
actief over te nemen.
Als de bestuurder nog steeds niets doet,
neemt het systeem automatisch het gaspe-
daal, de rem en stuurinrichting over om de
wagen te remmen en op zijn rijstrook te hou- den
››› . Als de resterende remafstand vol-
doende i s,
ver
traagt het systeem zo nodig de
wagen tot volledige stilstand en wordt de
elektronische parkeerrem automatisch inge-
schakeld ››› pag. 179.
Wanneer het noodhulpsysteem actief regelt,
gaan de noodknipperlichten branden ››› pag.
142 en maakt de wagen lichte zigzagbewe-
gingen binnen de rijstrook om andere wegge-
bruikers te waarschuwen.
Noodhulpsysteem (Emergency Assist) in- en
uitschakelen
Het noodhulpsysteem (Emergency Assist) is
automatisch ingeschakeld wanneer de rijst-
rookassistent (Lane Assist) ingeschakeld is
››› pag. 226.
Technische vereisten om het noodhulpsys-
teem (Emergency Assist) te gebruiken ● De automatische afstandsregeling (ACC)
moet inge
schakeld zijn ››› pag. 209.
● De rijstrookassistent (Lane Assist) moet in-
gesc
hakeld zijn ››› pag. 226.
● De keuzehendel moet zich in stand D/S of
in Tiptronic-
schakelweg bevinden.
● Het systeem moet aan weerszijden van de
wagen een afbak
eningslijn van de rijstrook
vastgesteld hebben ›››
afb. 190. De volgende situaties kunnen ertoe leiden
dat het noodhu
lpsysteem (Emergency As-
sist) niet reageert of automatisch wordt uit-
geschakeld:
● Indien de bestuurder het gas- of rempedaal
intrapt, of het s
tuur beweegt.
● Indien een van de voorwaarden vermeld in
››› p
ag. 231, Technische vereisten om het
noodhulpsysteem (Emergency Assist) te ge-
bruiken niet langer vervuld is.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werkin
g van de rijstrookassistent (Lane
Assist) niet langer vervuld is ››› pag. 226.
● Indien een van de nodige voorwaarden
voor werkin
g van de automatische afstands-
regeling (ACC) niet langer vervuld is ››› pag.
209. ATTENTIE
De intelligente technologie in het noodhulp-
syst eem (Emer
gency Assist) kan de limieten
opgelegd door de natuurkundige wetten niet
overwinnen en werkt enkel binnen de eigen
grenzen van het systeem. De bestuurder
draagt altijd de verantwoordelijkheid voor
het besturen van de wagen.
● De snelheid en de veiligheidsafstand altijd
aanpassen aan de
voorligger afhankelijk van
het zicht, het weer, het wegdek en het ver-
keer.
● Houd de handen steeds op het stuur en
wees k
laar om op elk moment zelf te kunnen
sturen. » 231
Technische gegevens
Aanwijzingen
Bedienen
Noodgevallen
Vastzetten
Page 246 of 348

Bedienen
● Indien de v
erk eer
sborden gedeeltelijk of
volledig bedekt zijn, bijv. door bomen, snee-
uw, vuil of andere voertuigen.
● Indien de verkeersborden niet voldoen aan
de voors
chriften.
● Indien de verkeersborden beschadigd of
gebogen
zijn.
● In het geval van wisselende informatiepa-
nelen (variabel
e aanwijzing van verkeerste-
kens met led of andere verlichtingssyste-
men).
● Indien kaarten worden gebruikt in het navi-
gatiesys
teem die niet up-to-date zijn.
● Indien stickers van verkeerstekens zijn ge-
kleefd op
voertuigen, bijv. snelheidsbegren-
zingen op vrachtwagens.
Vermoeidheidsherkenning (ad-
vies om een p
auze te nemen)*
Inleiding De detectie van vermoeidheid informeert de
be
s
tuur
der zodra het rijgedrag tekenen van
vermoeidheid vertonen. ATTENTIE
Het hogere comfort dankzij de detectie van
vermoeidheid mag g een aan
leiding zijn tot
het nemen van grotere risico's. Neem tijdens lange ritten regelmatig een pauze; zorg dat
die vo
l
doende lang is.
● De bestuurder blijft te allen tijde verant-
woordelijk
voor het inschatten van zijn rij-
vaardigheid.
● Rij nooit als u vermoeid bent.
● Het systeem detecteert vermoeidheid van
de bestuur
der niet in alle gevallen. Voor aan-
vullende informatie, zie ››› pag. 245, Beper-
kingen aan de werking.
● In bepaalde gevallen interpreteert het sys-
teem foutief een bedoel
d manoeuvre als een
teken van vermoeidheid van de bestuurder.
● Er wordt geen waarschuwing gegevens in
geval
van een kortstondige dip!
● Houd de meldingen op het instrumentenpa-
neel in de gaten en r
eageer zoals vereist. Let op
● De detectie v
an vermoeidheid is uitsluitend
ontwikkeld voor gebruik op autosnelwegen
en andere, goed geasfalteerde wegen.
● Bij schade aan het systeem moet u naar de
werkplaat
s van een officiële dealer gaan voor
reparatie. Werking en bediening
Afb. 199
Op het display van het instrumen-
t enp
aneel: symboo l
voor detectie van ver-
moeidheid. De detectie van vermoeidheid detecteert het
rij
g
edr ag
van de bestuurder aan het begin
van de rit en berekent op basis daarvan de
mate van vermoeidheid. Het systeem verge-
lijkt dit vervolgens continu met het actuele
rijgedrag. Zodra het systeem vermoeidheid
bij de bestuurder ontdekt, geeft dit een
akoestisch signaal en een optische waar-
schuwing middels een symbool in het instru-
mentenpaneel ››› afb. 199 tezamen met een
aanvullend tekstbericht. Het tekstbericht in
het instrumentenpaneel wordt ca. 5 secon-
den weergegeven en verschijnt opnieuw zo-
dra weer vermoeidheid wordt geconstateerd.
Het systeem onthoudt het laatst weergege-
ven bericht.
Het bericht dat verschijnt op het scherm in
het instrumentenpaneel kan worden uitgezet
244