esc Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 136 of 232

SYSTEEM IN-/UITSCHAKELEN
Het systeem wordt ingeschakeld/
uitgeschakeld door het indrukken van de
knop, fig. 126
Bij elke inschakeling van de motor
behoudt het systeem de werking die het
had bij de vorige uitschakeling.
Voorwaarden voor inschakeling
Als het systeem eenmaal is ingeschakeld,
wordt het alleen actief als aan de
volgende voorwaarden is voldaan:
de voertuigsnelheid boven 60 km/h is;
de begrenzingslijnen van de rijstrook
zijn tenminste zichtbaar aan een zijde;
de zichtbaarheid is afdoende;
de weg is rechtlijnig of met ruime
bochten;
er wordt een redelijke afstand tot het
voertuig dat voor u rijdt gehouden;
geen richtingaanwijzer (voor het
veranderen van rijstrook) ingeschakeld.
BELANGRIJK
50)Uitstekende ladingen op het dak van het
voertuig kunnen interfereren met de goede
werking van de camera. Controleer, voor het
wegrijden, of de lading goed geplaatst is en
of het werkingsbereik van de camera niet
afgedekt wordt.
51)Als de voorruit vervangen moet worden
vanwege krassen, steenslag of breuk, neem
dan uitsluitend contact op met het Alfa
Romeo Servicenetwerk. Vervang de voorruit
niet zelf, gevaar van storingen! Het wordt
aanbevolen de voorruit te laten vervangen
als deze in de buurt van de camera
beschadigd is.
52)Knoei niet me de camera en voer er geen
werkzaamheden aan uit. Dek de openingen in
het sierdeksel onder de achteruitkijkspiegel
niet af. Neem in geval van een storing van de
camera contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
53)Dek het werkingsbereik van de camera
niet af met stickers of andere voorwerpen.
Let ook op andere voorwerpen op de
motorkap (bijv. een laag sneeuw) en zorg
ervoor dat die de werking van de camera niet
belemmeren
54)De camera kan beperkt of niet werken
vanwege weersomstandigheden zoals:
zware regen, hagel, dikke mist, hevige
sneeuw, vorming van ijslagen op de voorruit.55)De werking van de camera kan ook in
gevaar komen door de aanwezigheid van
stof, condens, vuil of ijs op de voorruit, door
verkeersomstandigheden (bijv. voertuigen
die niet in lijn met uw voertuig rijden,
voertuigen die de weg oversteken of in de
andere richting op dezelfde rijbaan rijden, in
een krappe bocht), door omstandigheden van
het wegdek en rijomstandigheden (bijv. rijden
op onverharde wegen). Zorg ervoor dat de
voorruit altijd schoon is. Gebruik speciale
reinigingsmiddelen en schone doeken om te
voorkomen dat er krassen op de voorruit
komen. De werking van de camera kan ook
beperkt of afwezig zijn onder sommige rij-,
verkeers- en wegdekomstandigheden.
12607226S0001EM
134
STARTEN EN RIJDEN
Page 137 of 232

ACHTERUITKIJKCAMERA /
DYNAMISCH RASTER
BESCHRIJVING
De achteruitkijkcamera bevindt zich op
de achterklep, nabij de openingsknop,
fig. 127.
123)
56)
Camera inschakelen/uitschakelen
De functie kan worden ingeschakeld/
uitgeschakeld op het Connectsysteem.
Het systeem inschakelen
Om toegang te krijgen tot de functie
moeten in het hoofdmenu de volgende
items in volgorde worden geselecteerd:
"Instellingen", "Bestuurdersassistentie"
and "Achteruitkijkcamera". Het volgende
submenu verschijnt:
Actief
Uitschakelvertraging;
Rooster.
Selecteer "Activeren om het camerazicht
te activeren op het
Connectsysteemdisplay.
Bij elke inschakeling van de achteruit
toont het display van het Connect-
systeem, fig. 128, wordt het gebied
rondom het voertuig, zoals gezien door
de achteruitrijcamera getoond.
SYMBOLEN EN BERICHTEN OP HET
DISPLAY
Indien geactiveerd, wordt het rooster
over de afbeelding geplaatst om de
breedte van het voertuig te markeren en
het te verwachten traject in
overeenstemming met de stand van het
stuurwiel.
Een er overheen geplaatste onderbroken
middenlijn geeft het midden van hetvoertuig aan om parkeermanoeuvres of
het uitlijnen van een sleepoog te
vergemakkelijken. De verschillende
gekleurde zones geven de afstand aan
vanaf de achterkant van het voertuig.
In de volgende tabel worden de
afstanden bij benadering voor elke zone
getoond fig. 128:
ZoneAfstand vanaf de
achterkant van het
voertuig
Rood 0 ÷ 30 cm
Geel 30
cm÷1m
Groen 1 m of meer
BELANGRIJK Let tijdens
parkeermanoeuvres in het bijzonder op
obstakels die zich boven of onder het
bereik van de camera kunnen bevinden.
van de videocam.
12707186S0001EM
12807186S0002EM
135
Page 138 of 232

BELANGRIJK
123)De verantwoordelijkheid voor het
parkeren en andere mogelijk gevaarlijke
manoeuvres ligt echter altijd bij de
bestuurder. Controleer tijdens deze
manoeuvres altijd of er geen mensen (vooral
kinderen) of dieren in het betreffende gebied
aanwezig zijn. De camera dient als hulp voor
de bestuurder, die echter nooit zijn aandacht
mag laten verslappen tijdens potentieel
gevaarlijke manoeuvres, ook al worden ze
met lage snelheden verricht. Houd altijd een
lage snelheid aan, zodat meteen geremd kan
worden in geval van obstakels.
BELANGRIJK
56)Voor een correcte werking is het van
extreem belang dat de camera altijd schoon
en vrij van modder, vuil, sneeuw of ijs wordt
gehouden. Zorg ervoor dat de camera tijdens
het reinigen niet gekrast of beschadigd
wordt. Vermijd het gebruik van droge, ruwe
of harde doeken. De camera moet met
schoon water worden gewassen, waaraan
eventueel autoshampoo is toegevoegd. In
wasstraten met stoomreinigers of
hogedrukreinigers moeten de camera snel
gewassen worden door de spuitmond op
minstens 10 cm van de sensoren te houden.
Breng geen stickers op de camera aan.
TANKEN
Zet altijd de motor af alvorens te tanken.
BENZINEMOTOREN
Tank alleen loodvrije benzine met een
octaangehalte (R.O.N.) van ten minste 95
(EN228-specificatie).
124) 125) 126)
DIESELMOTOREN
Gebruik alleen diesel voor
motorvoertuigen (specificatie EN590 en
EN16734).
Werking bij lage temperaturen
Bij zeer lage buitentemperaturen kan de
vloeibaarheid van de Dieselolie
onvoldoende worden wegens de vorming
van paraffine met een slechte werking
van het brandstoftoevoersysteem als
gevolg.
Om deze problemen te voorkomen, zijn
afhankelijk van het seizoen verschillende
soorten Dieselolie beschikbaar:
zomerdiesel, winterdiesel en arctische
diesel (koude landen).
In geval van tanken met diesel die niet
geschikt is voor de bedrijfstemperatuur,
wordt geadviseerd de diesel te mengen
met een speciaal additief, giet dit in de
tank vóór de antivries en tank vervolgens
de diesel.
TANKPROCEDURE
Het brandstofklepje wordt samen met de
centrale portiervergrendeling
ontgrendeld en wordt automatisch
vergrendeld wanneer de centrale
vergrendeling wordt ingeschakeld.
Het klepje openen
Ga als volgt te werk om te tanken:
open klepje fig. 129, door op het door
de pijl aangegeven punt te drukken;
verwijder de tankdop;
steek het vulpistool in de vulopening
en tank;
wacht na het tanken minstens
10 seconden alvorens het vulpistool te
verwijderen zodat de brandstof in de
tank kan vloeien;
verwijder dan de automaat uit de
vulopening, sluit de tankdop en sluit
vervolgens de klep.
12907206S0001EM
136
STARTEN EN RIJDEN
Page 139 of 232

De eerder beschreven tankprocedure is
afgebeeld op het plaatje dat aan de
binnenkant van de tankklep is
aangebracht.
Op het plaatje staat ook het soort
brandstof (LOODVRIJE BRANDSTOF =
benzine; DIESEL = diesel), en het symbool
ter certificering van de conformiteit aan
de normen EN228 (benzine), EN590 en
EN16734 (diesel), fig. 130.
De hierna gegeven symbolen maken de
herkenning van de correcte soorten
brandstof te gebruiken op uw voertuig
gemakkelijker.
Alvorens te tanken, controleer de
symbolen (waar voorzien) in het klepje
van de brandstofvulopening en vergelijk
ze met het symbolen op de benzinepomp
(waar voorzien).E5: loodvrije benzine met tot 2,7% (m/m)
zuurstof en met maximaal ethanol van
5,0% (V/V) conform aan de norm EN228.
E10: loodvrije benzine met tot 3,7%
(m/m) zuurstof en met maximaal ethanol
van 10,0% (V/V) conform aan de norm
EN228.
B7: diesel met tot 7% (V/V) Biodiesel
FAME (Fatty Acid Methyl Esters )
conform aan de norm EN590.
B10: diesel met tot 10% (V/V) Biodiesel
FAME (Fatty Acid Methyl Esters )
conform aan de norm EN16734.
Tanken in geval van nood
dieselmotoren
(voor bepaalde versies/markten)
Ga als volgt te werk:
open de bagageruimte en pak de
specifieke adapter die onder de laadvloer
is opgeborgen fig. 131;
open klepje fig. 129, door op het door
de pijl aangegeven punt te drukken;
verwijder de tankdop;
plaats de tankdop terug in zijn zitting;
breng de adapter aan op de
tankopening;
verwijder de adapter na het tanken,
draai de tankdop dicht en sluit vervolgens
de tankklep;
berg tenslotte de adapter op in de
bagageruimte.
Brandstofklepje openen in een
noodgeval
In een noodgeval kan het brandstofklepje
geopend worden door te werk te gaan
vanuit de binnenkant van de
bagageruimte.
Ga als volgt te werk:
open de achterklep en zoek het
kabeltje voor opening in een noodgeval
dat naast de vulopening is aangebracht;
trek aan het touwtje om het slot van
het brandstofklepje te ontgrendelen,
13007206S0002EM
13107206S0005EM
137
Page 140 of 232

open het brandstofklepje door er op te
drukken (zie eerdere aanwijzingen).
BELANGRIJK Houd de waterstraal van
een hogedrukreiniger op minstens 20 cm
afstand van de brandstofvulopening.
BELANGRIJK
124)Monteer geen voorwerp/dop op de
rand van de vulopening die niet geschikt is
voor het voertuig. Het gebruik van
voorwerpen/doppen van het verkeerde type
kan de druk in de tank doen toenemen,
waardoor gevaarlijke situaties kunnen
ontstaan.
125)Breng geen open vuur of brandende
sigaretten in de buurt van de vulopening van
de tank: brandgevaar. Kom niet te dicht met
het gezicht bij de vulopening, om geen
schadelijke dampen in te ademen.
126)Maak geen gebruik van een mobiele
telefoon in de buurt van de benzinepomp:
brandgevaar.
138
STARTEN EN RIJDEN
Page 141 of 232

EEN AANHANGER TREKKEN
(indien aanwezig)
MONTAGESCHEMA
De structuur van de trekhaak moet bevestigd worden aan de carrosserie op de punten aangegeven in fig. 132.
BELANGRIJK Neem contact op met het Alfa Romeo Servicenetwerk voor de montage van de trekhaak.
74A - A
792396
147.5
4902390.7
15
935
15575
32380
B - B
C - C
AAB
BC C
13207226S0040EM
139
Page 144 of 232

ALARMKNIPPERLICHTEN
CONTROLE
57)
Druk op de knop fig. 133 om de
gevarenwaarschuwingslichten in of uit te
schakelen.
Wanneer de alarmknipperlichten werken,
knipperen de controlelampjes
en.
Wanneer u van het voertuig weg moet om
hulp te zoeken, blijven de
gevarenwaarschuwingslichten knipperen,
ook al staat de startinrichting in de
STOP-stand.
BELANGRIJK Het gebruik van de
alarmknipperlichten wordt geregeld door
de wegenverkeerswetgeving van het land
waar u rijdt: neem de wettelijke
voorschriften in acht.
Noodremmen
De Alarmknipperlichten zijn ingeschakeld
en waarschuwingslampjes
en
verschijnen op het
instrumentenpaneel in het geval van
remmen voor een noodgeval en volgens
de modus geselecteerd door de “Alfa
DNA™” kiesschakelaar.
Wanneer de “Alfa DNA™” kiesschakelaar
in stand "n" of "a" staat, is de inschakeling
van de activeringsdrempel van de
alarmknipperlichten hoger, aan de andere
kant is de gevoeligheid van de activering
in stand "d" lager dan die in de "n" en "a"
modi.
De lichten gaan automatisch uit wanneer
het noodremmen ophoudt.
BELANGRIJK
57)Een langdurig gebruik van de
gevarenwaarschuwingslampjes kan ervoor
zorgen dat de accu leeg raakt.
EEN LAMP VERVANGEN
127) 128) 129)
58)
ALGEMENE INSTRUCTIESControleer alvorens een lamp te
vervangen of de contacten zijn
geoxideerd;
vervang doorgebrande lampen door
exemplaren van hetzelfde type en
vermogen;
controleer na vervanging van een
gloeilamp in de koplamp altijd of de
koplampafstelling goed is;
als een lamp niet werkt, controleer
dan of de betreffende zekering is
doorgebrand alvorens de lamp te
vervangen. Om de zekeringen te vinden
wordt verwezen naar de paragraaf
“Zekeringen vervangen” in dit hoofdstuk.
BELANGRIJK In sommige specifieke
klimaatcondities zoals lage temperatuur,
vochtigheid of na het wassen van de auto,
kan er zich een dunne condenslaag
vormen op de interne oppervlakken van
de achterlichten en de koplampen. Dit
fenomeen verdwijnt na het inschakelen
van de lampen
13308016S0001EM
142
NOODGEVALLEN
Page 148 of 232

verwijder de lamp door deze van de
lamphouder af te schuiven;
plaats de nieuwe lamp en controleer of
hij goed vergrendeld is in de lamphouder;
plaats vervolgens de lamp en de
lamphouder in zijn zitting op het
koplamphuis en draai hem linksom.
Verzeker u ervan dat hij goed vergrendeld
is;
hermonteer het beschermdeksel.
Richtingaanwijzers
Ga als volgt te werk om de lamp van deze
verlichting te vervangen:
werk in de motorruimte fig. 140;
verwijder de afdekking door eraan te
draaien fig. 141;
draai de lamp, lamphouder en lamphuis
en schuif hem dan van de zitting fig. 142;
verwijder de lamp door deze van de
lamphouder af te schuiven;
plaats de nieuwe lamp en controleer of
hij goed vergrendeld is in de lamphouder;
plaats vervolgens de lamp en de
lamphouder in zijn zitting op het
koplamphuis en draai hem linksom.
Verzeker u ervan dat hij goed vergrendeld
is;
hermonteer het beschermdeksel.
Mistlampen voor
Ga als volgt te werk om de lampen te
vervangen:
verwijder de onderste afdekking van
de wielkast door de twee
bevestigingsschroeven fig. 143 los te
draaien;
13908026S0005EM14008026S0023EM
14108026S0006EM
14208026S0007EM
146
NOODGEVALLEN
Page 155 of 232

BELANGRIJK
130)Vervang een zekering nooit door een
exemplaar met een hogere stroomsterkte
(ampère); BRANDGEVAAR
131)Alvorens een zekering te vervangen,
moet gecontroleerd worden of de
startinrichting op STOP staat en of alle
stroomverbruikers uit staan en/of zijn
losgekoppeld.
132)Als een hoofdzekering van een
veiligheidssysteem (airbags, remmen),
transmissiesysteem (motor,
versnellingsbak) of stuurinrichting
doorbrandt, neem dan contact op met het
Alfa Romeo Servicenetwerk.
133)Als de zekering opnieuw doorbrandt,
neem dan contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
134)Als een hoofdzekering (MAXI-FUSE,
MEGA-FUSE, MIDI-FUSE) doorbrandt, neem
dan contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
BELANGRIJK
59)Vervang een doorgebrande zekering
nooit door metalen draden of ander
materiaal.
60)Als de motorruimte moet worden
gewassen, zorg er dan voor dat de
waterstraal niet rechtstreeks op de
zekeringenkast en de motortjes van de
ruitenwissers terechtkomt.
BANDENREPARATIEKIT
(indien aanwezig)
BESCHRIJVING
135) 136) 137) 138) 139) 140) 141) 142) 143)
61)
3)
De Bandenreparatiekit bevindt zich in de
bagageruimte, in een speciale houder.
Om toegang te krijgen tot de
Bandenreparatiekit, open de
bagageruimte en til het laadplatform op.
De Bandenreparatiekit bevat ook:
een tank 1 fig. 152 met
afdichtvloeistof, geleverd bij: vulleiding
2 en sticker 3 met daarop het opschrift
"max. 80 km/h", die na reparatie van de
band op een voor de bestuurder goed
zichtbare plaats moet worden
aangebracht (bijv. op het dashboard);
compressor 4 compleet met
drukmeter en aansluitstukken;
een instructiefolder, die u moet
raadplegen voor een snel en correct
gebruik van de Bandenreparatiekit en die
moet worden overhandigd aan het
personeel dat de band die behandeld is
met afdichtmiddel moet repareren;
een paar beschermende
handschoenen;
enkele adapters voor het oppompen
van verschillende elementen.
BELANGRIJK Het afdichtmiddel werkt bij
buitentemperaturen tussen -40°C en
+50°C. Het afdichtmiddel heeft een
houdbaarheidsdatum.
OPPOMPEN
135) 136) 138) 139) 140) 141) 142) 143)
Ga als volgt te werk:
schakel de elektrische parkeerrem in.
Breng de tank 1 fig. 153 in met de
afdichtingsvloeistof in de juiste
compressorhouder, en druk hard omlaag.
Draai de ventieldop los, neem de
vulleiding 2 uit en draai de ringmoer op
het ventiel van de band vast;
15208066S0002EM
153
Page 156 of 232

zorg ervoor dat schakelaar 5
fig. 154 van de compressor in stand O
(UIT) staat;
breng de plug in de stekker op de
tunnelconsole, start motor;
start de compressor door de
schakelaar 5 in stand fig. 154 naar stand I
(AAN) te plaatsen;
pomp de band op tot de juiste
bandenspanning, vermeld in de paragraaf
"Velgen en Banden" (zie hoofdstuk
"Technische gegevens"). Controleer de
bandenspanning op de drukmeter 6
fig. 154 doe dit bij uitgeschakelde
compressor om een preciezere aflezing
te verkrijgen;
als deze na 15 minuten nog steeds
geen minstens 1,8 bar bedraagt, koppel
dan de compressor van het ventiel en het
stopcontact af en verplaats vervolgens
het voertuig ongeveer vijf bandenrondes
naar voren of naar achteren, zodat de
afdichtvloeistof zich gelijkmatig in de
band kan verdelen; pomp de band
vervolgens weer op;
als na deze handeling nog steeds geen
1,8 bar (26 psi) wordt verkregen binnen
15 minuten na inschakeling van de
compressor, rij dan niet verder maar
neem contact op met het Alfa Romeo
Servicenetwerk;
stop na ongeveer 8 km, schakel de
elektrische parkeerrem in en controleer
de bandenspanning opnieuw;
als de druk lager is dan 1,8 bar, ga dan
niet terug in de versnelling maar bezoek
een Alfa Romeo dealer;
als een spanning van minstens 1,8 bar
wordt gemeten, herstel dan de correcte
bandenspanning (bij draaiende motor en
ingeschakelde elektrische parkeerrem),
ga onmiddellijk weer rijden en rijd zeer
voorzichtig naar de dichtstbijzijnde
werkplaats van het Alfa Romeo
Servicenetwerk.
VERVANGING FLES
AFDICHTINGSMIDDEL
BELANGRIJK Gebruik alleen originele
filterelementen die kunnen worden
aangeschaft bij een Alfa Romeo
Servicenetwerk.
Ga als volgt te werk:
Verwijder de tank 1 fig. 155 en druk op
de loshaakknop 9;
breng de nieuwe tank in en druk deze
hard omlaag.
15308066S0004EM
15408066S0005EM
15508066S0009EM
154
NOODGEVALLEN