esc Alfa Romeo Giulia 2017 Handleiding (in Dutch)
[x] Cancel search | Manufacturer: ALFA ROMEO, Model Year: 2017, Model line: Giulia, Model: Alfa Romeo Giulia 2017Pages: 232, PDF Size: 3.89 MB
Page 157 of 232

BELANGRIJK
135)Beschadigingen op de zijkanten van de
band kunnen niet gerepareerd worden.
Gebruik de Bandenreparatiekit niet als de
band beschadigd is geraakt door het rijden
met een lege band.
136)Doe de beschermende handschoenen
aan die bij de Bandenreparatiekit zijn
geleverd.
137)Breng de sticker op een voor de
bestuurder goed zichtbare plaats aan, om
eraan te herinneren dat de band behandeld
is met de Bandenreparatiekit. Rijd
voorzichtig, met name in bochten.
Overschrijd de snelheid van 80 km/h niet.
Vermijd abrupt accelereren of remmen.
138)U moet altijd aangeven dat de band
gerepareerd is met behulp van de
Bandenreparatiekit. Overhandig de folder
aan het personeel dat de band zal repareren
die behandeld is met de Bandenreparatiekit.
139)Reparatie is niet mogelijk bij schade
aan de velg (zodanige vervorming van de
groef dat er lucht weglekt). Verwijder niet
het eventueel in de band binnengedrongen
voorwerp (schroef of spijker).
140)Bedien de compressor nooit langer dan
20 minuten achter elkaar. Gevaar voor
oververhitting. De Bandenreparatiekit is niet
geschikt voor definitieve reparatie, dus de
gerepareerde banden mogen slechts tijdelijk
gebruikt worden.141)Zoals wettelijk verplicht door huidige
reglementen omtrent chemicaliën, met
betrekking tot de bescherming van de
menselijke gezondheid en het milieu en het
veilige gebruik van het afdichtmiddel, staat
vermeld op het label van de verpakking.
Naleving van de instructies op het label is
van essentieel belang voor een veilig en
effectief gebruik van het product. Vergeet
niet het label vóór gebruik zorgvuldig te
lezen; de gebruiker van het product is
verantwoordelijk voor eventuele schade
voortvloeiend uit oneigenlijk gebruik. Het
afdichtmiddel heeft een
houdbaarheidsdatum. Vervang de bus als de
houdbaarheidsdatum van het afdichtmiddel
is verstreken.
142)Rij niet verder als de bandenspanning
onder 1,8 bar is gedaald: de
Bandenreparatiekit kan de vereiste
afdichting niet garanderen omdat de band te
ernstig beschadigd is. Neem contact op met
het Alfa Romeo Servicenetwerk.
143)De Bandenreparatiekit biedt een
tijdelijke reparatie, daarom moet de band zo
snel mogelijk worden onderzocht en
gerepareerd door een specialist. Het
afdichtmiddel is geschikt voor gebruik bij
temperaturen binnen het bereik tussen
-40°C tot +50°C.
BELANGRIJK
61)Als de band door vreemde voorwerpen
lek is geraakt, kan de kit gebruikt worden
voor beschadigingen in het loopvlak of de
schouder met een diameter van max. 6 mm.
BELANGRIJK
3)Laat de bus en het afdichtmiddel niet in
het milieu achter. Zorg dat ze worden
weggegooid overeenkomstig de nationale en
plaatselijke voorschriften.
155
Page 158 of 232

NOODSTART
Als de accu leeg is, kan de motor gestart
worden met startkabels en de accu van
een ander voertuig, of met een hulpaccu.
In elk geval moet de gebruikte accu een
capaciteit hebben die gelijk is aan of
enigszins groter is dan de lege accu.
Starten net een hulpaccu kan gevaarlijk
zijn als dit niet correct wordt uitgevoerd:
volg onderstaande procedures
zorgvuldig.
62)
BELANGRIJKE OPMERKINGEN
Gebruik geen hulpaccu of enige andere
externe voedingsbron met een spanning
hoger dan 12 V: de accu, de startmotor,
de dynamo en het elektrische systeem
van het voertuig kunnen hierdoor worden
beschadigd.
Probeer niet te starten met een hulpaccu
als de accu bevroren is. De accu kan
kapot gaan en ontploffen!
EXTERNE VERBINDINGSPOLEN ACCU
Om de bediening te vergemakkelijken
bevinden de externe polen van de
hulpaccu zich in de motorruimte: de accu
zelf, daarentegen, is in de kofferbak
geplaatst.De negatieve terminal (–) fig. 156 fig.
8 bevindt zich naast de rechter
vergrendeling van de motorkap.
U kunt bij de positieve pool (+) komen
door het deksel te verwijderen fig. 157
open het beschermklepje fig. 158.De pool wordt getoond in fig. 159.
Om de handeling uit te voeren moet u de
juiste kabels hebben om de hulpaccu met
de externe polen van de lege accu te
verbinden. Meestal hebben deze kabels
terminals aan de uiteinden en zijn ze
herkenbaar aan verschillende kleuren
(rood = positief, zwart = negatief).
15608076S0006EM
15708076S0007EM
15808076S0002EM
15908076S0001EM
156
NOODGEVALLEN
Page 159 of 232

STARTEN MET HULPACCU
144) 145) 146)
Ga als volgt te werk:
schakel alle elektrische apparaten in
het voertuig uit;
schakel de parkeerrem in, zet de
versnellingspook in stand P (Parkeren),
voor versies met automatische
versnellingsbak, of in de vrijstand, voor
versies met handgeschakelde
versnellingsbak, en zet de startinrichting
in STOP;
bij gebruik van de accu van een ander
voertuig, het voertuig parkeren binnen
het bereik van de kabels die gebruikt
worden voor de verbinding, de
parkeerrem inschakelen en controleren
of de startinrichting uitgeschakeld is.
BELANGRIJK Indien de hulpaccu
geïnstalleerd is op een ander voertuig,
controleren of er geen onbedoeld
contact is van metalen onderdelen
tussen de twee voertuigen, aangezien dit
kan leiden tot kortsluiting naar massa,
met het risico van ernstig letsel aan
mensen die in de buurt staan.
BELANGRIJK Het verkeerd uitvoeren van
onderstaande procedure kan leiden tot
ernstige letsel bij mensen of schade aan
het laadsysteem van één of beide
voertuigen. Volg de onderstaande
instructies nauwkeurig op.
Kabels aansluiten
63)
Ga als volgt te werk om de auto te
starten met een hulpaccu:
sluit een terminal aan het einde van de
positieve kabel aan vanaf de afstands-
positieve pool (+) van de auto met lege
accu;
sluit de terminal aan op het
tegenoverliggende uiteinde van de
positieve (+) kabel naar de positieve (+)
pool van de hulpaccu;
sluit een negatieve kabeleindterminal
aan op de negatieve (-) pool van de
hulpaccu;
sluit de terminal aan op het
tegenovergestelde uiteinde van de
negatieve (-) kabel naar het aardepunt (-)
op het voertuig met de lege accu;
start de motor van de auto met een
hulpaccu, laat deze enkele minuten
stationair draaien en start dan de motor
van de auto met lege accu. In het geval
dat een draagbare accu wordt gebruikt,
wacht enkele secondenna het voltooien
van de aansluiting, voordat u het voertuig
start.
Kabels loskoppelen
Zodra de motor is gestart, verwijder de
aansluitingskabels in omgekeerde
volgorde, zoals hieronder getoond:
sluit de negatieve kabel eindterminal
(-) af van het aardepunt (-) van de auto
met lege accu;
sluit de terminal aan op het
tegenoverliggende uiteinde van de
negatieve (-) pool van de hulpaccu;
sluit de terminal aan op het
tegenoverliggende uiteinde van de
positieve (+) kabel van de positieve (+)
pool van de hulpaccu;
sluit de terminal af aan het einde van
de positieve kabel vanaf de afstands-
positieve pool (+) van de auto met lege
accu.
BELANGRIJK
144)Kom niet te dicht bij de koelventilator
van de radiateur: de elektrische ventilator
kan inschakelen; gevaar voor verwondingen.
Sjaals, dassen of andere loszittende kleding
kunnen door de bewegende onderdelen
worden meegetrokken.
145)Verwijder alle metalen voorwerpen
(bijv. ringen, horloges, armbanden), die
zouden kunnen leiden tot een onbedoeld
elektrisch contact en daardoor ernstig
letsel.
146)De batterijen bevatten een zuur dat de
huid of de ogen kan verbranden. Accu's
produceren waterstof, dat uiterst brandbaar
en explosief is. Houd ze daarom uit de buurt
van vlammen of apparaten die vonken
kunnen afgeven.
157
Page 160 of 232

BELANGRIJK
62)Gebruik nooit een accusnellader om de
motor te starten, aangezien deze de
elektronische systemen kan beschadigen,
met name de regeleenheden van de
ontsteking en de brandstoftoevoer.
63)Verbind de startkabel niet met de
minpool (–) van de lege accu. De afgegeven
vonk kan explosie van de accu tot gevolg
hebben en ernstige schade veroorzaken.
Gebruik alleen het specifieke massapunt;
gebruik geen andere blootgestelde metalen
onderdelen.
AFSLUITER VAN DE
BRANDSTOFTOEVOER
BESCHRIJVING
Afhankelijk van het type en het geweld
van de botsing, bepaalt de regeleenheid
van de ORC-beschermingssystemen voor
inzittenden of de air bags en de voorste
veiligheidsgordelaanspanners moeten
worden geactiveerd en of de stroom
onmiddellijk moet worden gestopt in de
batterijen om pompen te voeden en naar
apparatuur dat de motor bedient. De
kracht van de accu wordt onderbroken
door de pyrotechnische zekering
geplaatst op de zekeringenkast naast de
positieve pool van de accu “te laten
exploderen”.
Wanneer de zekering “geëxplodeerd” is,
blijven alleen sommige diensten,
noodzakelijk voor de veiligheid van het
voertuig (bijv. portiervergrendeling,
antidiefstalapparaat, etc.), gevoed.
BELANGRIJK Controleer na de aanrijding
het voertuig zorgvuldig op
brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de
motorruimte, onder het voertuig of in de
buurt van de tank.
BELANGRIJK Laat de correcte werking
van het systeem herstellen door het Alfa
Romeo Servicenetwerk.
SLEPEN VAN VOERTUIG MET
PECH
VERSIES MET
ACHTERWIELAANDRIJVING (RWD)
Het wordt aanbevolen het voertuig te
slepen met alle vier de wielen van de
grond getild op het platform van een
takelwagen.
Als er geen voertuig voor pech onderweg
met platform beschikbaar is, moet het
voertuig gesleept worden met de
achterwielen OPGEHEVEN van de grond
(met behulp van een aanhanger of
speciale inrichtingen die het opheffen
van de achterwielen mogelijk maken).
BELANGRIJK Het slepten van voertuigen
zonder te voldoen aan bovenstaande
voorschriften kan ernstige schade aan
het voertuig toebrengen.
VERSIES MET VIERWIELAANDRIJVING
(AWD)
Het wordt aanbevolen het voertuig te
slepen met alle vier de wielen van de
grond getild op het platform van een
takelwagen.
BELANGRIJK Vermijd het optillen van de
voor- of de achterwielen alleen, met
gebruik van een trailer of voertuig
waarmee de wielen van een as alleen
kunnen worden opgetild. Als alleen de
158
NOODGEVALLEN
Page 161 of 232

voor- of de achterwielen tijdens het
slepen worden opgetild, kan de
transmissie of de tussenbak beschadigd
raken.
BELANGRIJK Als een voertuig gesleept
wordt zonder aan bovenstaande
vereisten te voldoen, kan de transmissie
en/of de tussenbak ernstig beschadigd
raken. Schade door verkeerd slepen
wordt niet gedekt door de garantie.SLEPEN VAN HET VOERTUIG
147) 148)
Om het voertuig, dat bij een ongeval was
betrokken of stuk is, te kunnen slepen op
het wegdek en alleen over korte
afstanden, is er een sleepoog voorzien in
de gereedschapskist in de bagageruimte.
Ga als volgt te werk om toegang te
hebben tot de sleepoog:
haak de kap fig. 160 aan de achterste
of voorste fender (waar voorzien)
fig. 160, door op het bovenste deel te
drukken;
pak de sleepoog van zijn plaats in de
bagageruimte en zorgvuldig reinigen van
de schroefdraad behuizing op het
voertuig alvorens het te gebruiken;
draai sleepoog van het voertuig op zijn
plaats gedurende ongeveer
11 windingen.
BELANGRIJK De grootste werkhoek van
de kabel om te bevestigen aan het
sleepoog mag de 15° niet overschrijden,
zoals getoond in fig. 162.
16008136S0001EM
16108136S0003EM
159
Page 162 of 232

BELANGRIJK
147)Beweeg de startinrichting naar ON en
dan naar STOP, zonder het portier te openen.
148)Onthoud dat tijdens het slepen de
rembekrachtiging en de elektrische
stuurbekrachtiging niet werken. Om die
reden is meer kracht benodigd voor de
bediening van het rempedaal en het stuur.
Gebruik voor het slepen geen soepele kabels
en vermijd bruuske bewegingen. Zorg tijdens
het slepen dat er geen onderdelen door de
sleepverbinding kunnen worden beschadigd.
Neem bij het slepen in elk geval de wettelijke
voorschriften in acht van het land waarin
wordt gereden en pas uw rijgedrag aan.
Start de motor niet wanneer de auto wordt
gesleept. Maak voor de montage van het
sleepoog de schroefdraad zorgvuldig
schoon. Controleer of het sleepoog volledig
op de schroefdraadpen is gedraaid alvorens
de auto te slepen.
16208136S0002EM
160
NOODGEVALLEN
Page 164 of 232

GEPROGRAMMEERD
ONDERHOUD
Juist onderhoud is essentieel voor een
lange levensduur van het voertuig onder
optimale omstandigheden.
Daarom heeft Alfa Romeo een reeks
controles en onderhoudsbeurten
opgesteld die op vaste
afstandsintervallen uitgevoerd moeten
worden en, voor bepaalde
versies/markten, op vaste
tijdsintervallen, zoals beschreven in het
Geprogrammeerd Onderhoudsschema.
Vóór elke onderhoudsbeurt is het altijd
noodzakelijk de aanwijzingen in het
Geprogrammeerd Onderhoudsschema
zorgvuldig op te volgen (bijv. regelmatige
controle van de vloeistofniveaus,
bandenspanning, enz.).
De servicebeurten van het
Geprogrammeerde Onderhoud worden
volgens een vast tijdsschema door het
Alfa Romeo Servicenetwerk uitgevoerd.
Eventuele reparaties die nodig blijken
tijdens het uitvoeren van de diverse
inspecties en controles van het
geprogrammeerd onderhoud, mogen
uitsluitend worden uitgevoerd na
uitdrukkelijke toestemming van de
eigenaar.BELANGRIJK De servicebeurten van het
Geprogrammeerde Onderhoud zijn door
de fabrikant voorgeschreven. Het niet
uitvoeren ervan kan het vervallen van de
garantie tot gevolg hebben.
Het is raadzaam het Alfa Romeo
Servicenetwerk onmiddellijk te
informeren over eventuele kleine
defecten en niet te wachten tot de
volgende servicebeurt.
PERIODIEKE CONTROLES
Elk jaar of elke1000km of vóór een
lange reis controleren en eventueel
bijvullen:
niveau motorkoelvloeistof;
remvloeistofpeil (indien onvoldoende,
ga zo snel mogelijk naar een Alfa Romeo
Servicenetwerk);
ruitensproeiervloeistofpeil;
conditie en spanning banden;
werking verlichting (koplampen,
richtingaanwijzers, alarmknipperlichten,
etc.);
werking ruitenwisser/-
sproeiersysteem en stand/slijtage van
wisserbladen.
Elke3.000km motoroliepeil controleren
en eventueel bijvullen.
ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO
Als het voertuig onder een van de
volgende omstandigheden wordt
gebruikt:
het rijden op stoffige wegen;
talrijke korte ritten (minder dan
7-8 km) en bij buitentemperaturen onder
het vriespunt;
de motor vaak stationair draait of
lange afstanden worden gereden bij lage
snelheden of als de auto lang niet wordt
gebruikt;
in het geval van een lange periode van
stilstand;
de volgende controles dienen vaker te
worden uitgevoerd dan aangegeven in
het Geprogrammeerd
onderhoudsschema:
remblokken van schijfremmen
voor/achter op conditie en slijtage
controleren;
slot van motorkap en achterklep op
aanwezigheid van vuil controleren,
schoonmaken en mechanismen smeren;
visueel de toestand controleren van:
motor, versnellingsbak, transmissie,
slangen en leidingen (uitlaat/brandstof-
en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen/slangen /bussen enz.);
laadtoestand accu en niveau
accuvloeistof (elektrolyt) controleren;
conditie van aandrijfriemen van
hulporganen visueel controleren;
162
ONDERHOUD EN ZORG
Page 167 of 232

km x 100015 30 45 60 75 90 105 120 135 150
Jaren12345678 910
Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van
carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen
(uitlaat, brandstof- en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen, slangen, bussen enz.)
●●●●●
Stand en conditie van wisrubbers van ruitenwissers
controleren●●●● ●
Werking van het ruitenwisser/-sproeiersysteem controleren
en zo nodig de sproeiers afstellen●●●● ●
Sloten van motorkap en achterklep op aanwezigheid van vuil
controleren, mechanismen reinigen en smeren●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen voor
visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor
controleren
●●●●●●●●●●
Conditie en slijtage remblokken van schijfremmen achter
visueel controleren en de werking van remblokslijtagesensor
controleren
●●●●●●●●●●
Controleer visueel de conditie en spanning van de extra
aandrijfriem(en)●●● ●●● ●●
Motorolie verversen en oliefilter vervangen(3)
Olie vervangen Transfer Case (voor AWD-uitvoeringen)
●
Bougies vervangen●●
(3) Het werkelijke interval voor de vervanging van de motorolie en het oliefilter is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van het voertuig en
wordt aangegeven met een brandend lampje of een bericht op het instrumentenpaneel. Het mag echter nooit meer dan 1 jaar bedragen.
165
Page 169 of 232

GEPROGRAMMEERD ONDERHOUDSSCHEMA (2.2 JTD diesel motor versies)
De controles vermeld in het Geprogrammeerd Onderhoudsschema moeten, na het bereiken van 200.000 km/10 jaar, cyclisch
herhaald worden te beginnen vanaf het eerste interval, daarna dezelfde intervallen aanhouden als daarvoor.
km x 100020 40 60 80 100 120 140 160 180 200
Jaren12345678910
Laadtoestand van de accu controleren met het juiste
instrument●●●●●●●●●●
Controle condities/slijtage banden en eventuele
spanningsregeling; controle condities/vervallen opladen
snelle bandenreparatiekit (waar aanwezig)
●●●●●●●●●●
Werking verlichtingssysteem (koplampen,
richtingaanwijzers, alarmknipperlichten, bagageruimte,
interieur, dashboardkastje, lampjes instrumentenpaneel,
enz.) controleren
●●●●●●●●●●
De vloeistofpeilen controleren en eventueel bijvullen (1)●●●●●●●●●●
Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren●●●●●●●●●●
De diagnosestekker gebruiken om de werking van het
brandstoftoevoer-/motormanagementsysteem en de
emissie te controleren; en voor bepaalde versies/markten,
de verslechtering van de motorolie (2)
●●●●●●●●●●
Visueel de toestand controleren van: buitenzijde van
carrosserie, bodemplaatbescherming, slangen en leidingen
(uitlaat, brandstof- en remsysteem) en rubber elementen
(hoezen, slangen, bussen enz.)
●●●●●
(1) Gebruik voor het bijvullen altijd uitsluitend de in het instructieboek vermelde vloeistoffen en controleer het systeem eerst op schade.
(2) Als de kwaliteit van de olie volgens de voertuigdiagnose is verslechterd tot minder dan 20%, wordt vervanging van de motorolie en het filter
aangeraden.
167
Page 174 of 232

MOTOROLIE
151)
65)
BELANGRIJK Verifieer de aanduiding van
het motoroliepeil voordat u lange ritten
gaat maken.
Het motoroliepeil wordt bij elke start
getoond op het display van het
instrumentenpaneel of op het display van
het Connect-systeem door in het
hoofdmenu (MENU-toets)
achtereenvolgens de volgende functies
te activeren: “Applicaties”; “My Car”; en
"Oliepeil".
Controleer op het display aan de hand
van de 6 streepjes of het oliepeil tussen
MIN en MAX ligt: 1 streepje MIN-peil,
6 streepjes MAX-peil. Als de
oliepeilaanduiding de eerste rode
inkeping bereikt, vul dan olie bij via de
vulopening 1 en houd er rekening mee dat
elke inkeping op het display overeenkomt
met circa:
Motor 2.0 T4 MAir
250 ml.
2.2 JTD-motor
150 ml.
66)
BELANGRIJK Zorg ervoor niet teveel
motorolie bij te vullen. Teveel motorolie
kan tot schade aan de motor leiden. Laat
het voertuig controleren. Het MAX peil
mag nooit worden overschreden als de
motorolie wordt bijgevuld. Het is
aanbevolen om tijdens het bijvullen
tussentijdse controles van het oliepeil op
het display uit te voeren.
BELANGRIJK Na het bijvullen van de
motorolie vindt het updaten van het
oliepeil op het display niet onmiddellijk
plaats, het is daarom noodzakelijk om te
wachten tot de weergave van het oliepeil
op het display geüpdatet is, volgens die
hierna beschreven procedure.
Bijvullen en bijwerken oliepeilweergave
op display
Pas de onderstaande aanwijzingen toe
wanneer de olie moet worden bijgevuld
om de correcte aanduiding van het
oliepeil op het display te waarborgen:
Motor 2.0 T4 MAir
plaats het voertuig op een vlakke
ondergrond en laat de motor minstens
5 minuten lang draaien (temperatuur
hoger dan 80°C), zet de motor vervolgens
af;
de motor starten en op laag stationair
laten lopen; ongeveer 2 minuten wachten.
2.2 JTD-motor
plaats het voertuig op een vlakke
ondergrond en laat de motor draaien tot
de tweede markering van de
olietemperatuur op het display oplicht,
zet de motor vervolgens af;
wacht minstens 3 minuten, draai
vervolgens de startschakelaar op ON
zonder de motor aan te laten slaan en
wacht 20 seconden.
BELANGRIJK Als de aanduiding na de
eerder beschreven procedure niet
bijgewerkt is, contact opnemen met het
Alfa Romeo-servicenetwerk.
BELANGRIJK De oliepeilstok in de
motorruimte, uitsluitend op uitvoeringen
met 2.2 JTD-motor, mag UITSLUITEND
worden gebruikt wanneer de
oliepeilsensor een storing vertoont. In dit
geval gaat het symbool
branden op
het display van het instrumentenpaneel.
Het motoroliepeil moet, wanneer nodig,
uitsluitend bij koude motor met de hand
(met de peilstok) worden gecontroleerd.
Om geen enkele reden mag het
motoroliepeil met de hand (met de
peilstok) worden gecontroleerd bij
warme motor. Door de aanraking met de
omringende elementen van de motor
kunnen brandwonden worden
veroorzaakt.
172
ONDERHOUD EN ZORG